De vliegende Hollander

Part 7

Chapter 74,132 wordsPublic domain

»Zal je, zoolang wij in de haven zijn dat wandelen op het dek wel eens nalaten en beneden in het ruim blijven, of wil je soms eens zien, hoe ik je met dit dingetje naar de andere wereld helpen kan?"

Thomas verschrok nu nog meer, keerde terug en daalde onder het spottend gelach van de Boekaniers, zoo gauw mogelijk door het groote luik in het ruim af. Spoedig daarna werd er in zijn nabijheid een matroos met ontbloote sabel op wacht geplaatst, die hem geen oogenblik uit het oog verloor en om het uur werd afgelost.

Er gebeurde nu niets bijzonders meer, zoolang het schip in de haven lag.

Eindelijk kwam Van Halen aan dek en gaf bevel om terstond de ankers te lichten. Hij bemerkte niet dat een van de matrozen in de mars van den achtermast klom en van een der touwen een rooden doek liet fladderen. De loods klauterde boven in den boegspriet om zooveel te beter de klippen aan den ingang van de haven te kunnen vermijden en riep Van Halen, die aan het roer stond, luid zijn opmerkingen toe.

De nieuwe matrozen stonden als echte zeelui op hun post en deden hun werk zoo goed als hun dit bij de nieuwe en eigenaardige inrichting van het vaartuig maar mogelijk was.

Op die manier raakte het schip eindelijk in volle zee, waar het langzaam langs de boschrijke kusten over de golven zweefde.

Nauwelijks evenwel waren zij een mijl buiten de haven geraakt of de wind begon te verzwakken en het werd weldra volkomen stil. Van Halen zette nu het roer vast en liet peilen. Men vond op zeventien vademen diepte een voortreffelijken ankergrond van zuiver schelpzand, zoodat het schip nu weldra geheel stil lag.

Rechts strekte zich de prachtige kust van Jamaïca uit, in dien tijd nog een wildernis met zware bosschen, waarboven nog weer de toppen van de hooge palmboomen uitstaken. Door de vele rotsachtige groene eilanden kon men de zee niet geheel overzien, maar het water was wonder helder en zuiver, en in de diepte kon men het zeegras en andere zeeplanten, die onder water groeiden, duidelijk onderscheiden. Ook zag men een menigte schelpdieren en vreemdsoortige, fraai gekleurde visschen, die zich in vredige kalmte door dezen onderaardschen tuin bewogen.

Dit alles boeide Van Halen in de hoogste mate en terwijl anderen bij het lang naar beneden kijken in het kristalheldere water, waardoor men als in de lucht scheen te zweven, duizelig werden, schenen deze ontsloten geheimen uit de waterwereld den ongelukkige zoo'n eindeloos genot te verschaffen, dat hij alles, wat om hem heen op het dek voorviel, geheel vergat.

Intusschen was van de kust van St. Domingo een sterk bemande boot afgestoken, die met groote snelheid het schip naderde. Aan een staak fladderde een roode doek, zooals er ook een van den achtermast der »_Christina_" afwoei. Zoodra de nieuw aangeworven matrozen dit zagen werden ze uitgelaten van plezier. Zij hieven een luid »_hoera!_" aan, zwaaiden met mutsen en roode doeken en maakten alles gereed, om de manschappen die in de boot waren, aan boord te nemen.

Toen het vaartuig aan stuurboord lag sprong Lolonois aan dek en op hem volgden dertig stoutmoedige en van top tot teen gewapende Boekaniers. Zij namen onmiddellijk de kajuit in bezit, bezetten het geheele schip, laadden de kanonnen en richtten alles in volgens de bevelen van hun aanvoerder, alsof er geen Van Halen bestond.

Lolonois bekeek het door hem in bezit genomen vaartuig met de grootste voldoening. Hij was veel te veel zeeman om niet dadelijk de voordeelen van den bewonderenswaardigen bouw te ontdekken. Tevreden met den goeden uitslag van zijn maatregelen om het schip in zijn bezit te krijgen, vond hij het niet eens de moeite waard, om naar den vroegeren eigenaar te vragen. Hij gaf alleen aan zijn onderhoorigen enkele korte bevelen omtrent de manier, hoe hij met Van Halen en den matroos gehandeld wilde hebben. Toen ging hij naar beneden om het inwendige van het schip te bekijken en een onderzoek naar de lading en den voorraad in te stellen.

Tot nog toe had Van Halen stil aan bakboord gezeten en was weer in zijn gewonen, wezenloozen toestand vervallen. Nu stond hij op, want hij bemerkte, dat de wind zich verhief.

Hij trad te midden van de zeelui op het dek, die hem allen met verwondering aangaapten. Hij zelf was bij het zien van de groote verandering om hem heen en van al die gewapende vrijbuiters, die hem brutaal en spottend aankeken, zóó verrast, dat hij bewegingloos stil stond. Vóór hij echter nog tot zichzelf komen kon trad de vertrouwde van Lolonois op hem toe en vroeg:

»Mijn beste vrind, waar kom _jij_ vandaan en wat zoek je?"

Van Halen keek den man langdurig en strak aan, maar gaf geen antwoord. Toen nam hij den kerel bij den arm om hem heel kalmpjes op zij te schuiven.

»Wel zoo, kameraad," riep de vrijbuiter lachend, terwijl hij zich met moeite uit de krachtige handen van Van Halen losmaakte, je bent niet erg beleefd tegen me, en dat nog wel iemand, die niet eens bij ons aan boord behoort. Wat _wil_ je toch van ons?"

»Gek!" riep Van Halen, »ga heen waar je vandaan gekomen bent. Ik ben aan boord van mijn eigen schip!"

»Hoe heb ik het nu met je?" zei de zeeroover, terwijl hij stoutmoedig vlak voor Van Halen ging staan; »dit vaartuig is van Lolonois, als je dien soms kent!"

»Wàt zeg je?" riep de ongelukkige kapitein.

»Dat Lolonois onze bevelhebber is. Hei, kameraden! Zeg jullie ook eens wat. _Is_ het niet zoo?"

»Ja, ja!" riepen de Boekaniers lachend. »Lang leve Lolonois en zijn nieuw schip!"

Nu werd Van Halen woedend. Zijn neusvleugels trilden; een donker rood kleurde zijn gezicht. »Ha!" riep hij, »ik merk het al, jullie bent zeeroovers. Hei daar, matrozen! Waar is mijn volk?"

»Je bent niet goed bij je hoofd, man," zei de Boekanier, »hier is enkel volk van Lolonois. Wil je daar óók onder dienen, heel goed. Maar _hij_ alleen heeft hier te kommandeeren."

»Loop naar den duivel, gek!" schreeuwde Van Halen woedend, greep den man in zijn borst, nam hem op als een bal en wilde hem over boord smijten. Maar opeens werd hij door vier stevige Boekaniers aangepakt, die hem achterover op den grond wierpen en hem de voeten bij elkaar bonden, ofschoon hij zich in razernij verdedigde. In een oogenblik hadden zij hem nu met een paar sterke touwen zoo stevig gebonden, dat hij bijna geen lid meer verroeren kon.

Nu kwam Lolonois zelf aan dek; de Boekaniers traden eerbiedig terug en hij ging naar den op den grond liggenden krankzinnige.

»Wat is hier te doen?" vroeg hij.

»Deze man kwam hier aan boord," zei de Boekanier, dien men uit de handen van Van Halen had moeten bevrijden, »en wil hier bevelen geven. Hij roept zijn matrozen en valt mij aan als een razende, omdat ik hem zei, dat dit vaartuig van ù was en dat ù hier te bevelen had."

»Beste vriend!" zei Lolonois glimlachend tegen Van Halen, die hem verwezen aanstaarde: »Ik heb dit schip genomen, het is mijn eigendom."

»Genomen?... Van wien? Van wien?" stamelde Van Halen, die niets van dit alles begreep.

»Van een Hollander, een zekeren Van Halen, die het in de haven van Port-Royal met al zijn matrozen verlaten heeft."

»Dat is een schandelijk bedrog," kermde de ongelukkige man, »ik ben Van Halen zelf en heb daar al mijn matrozen op één na laten gaan. En toen heb ik nieuwe manschappen aangenomen ..."

»Och kom, beste maat, zoek dat _mij_ toch niet wijs te maken," zei de Boekanier, »ik heb veeleer lust, om jou voor een bedrieger te houden. Maar wij zullen zien. Kun je bedaard wezen, zoodat ik je loslaten kan?"

Er volgde geen antwoord.

»Maak zijn touwen los en breng hem bij mij in de kajuit, dan kunnen we daar verder met elkaar spreken. Licht intusschen de ankers en laat ons in zee steken vóór de nacht valt."

Hij verdween en de Boekaniers sneden de touwen door waarmee Van Halen zijn handen en voeten waren gebonden. De man sprong toen op als een getergde stier en volgde Lolonois, maar onder geleide van vier Boekaniers, die hem geen oogenblik uit het oog verloren.

De buitengewone omstandigheden waarin Van Halen zich bevond, hadden een zonderlinge uitwerking op den ongelukkige. Hij kwam geheel tot zichzelf en overzag opeens met een helderen blik zijn toestand. Vol van gedachten aan de beste wijze, waarop hij zich uit zijn benarde omstandigheden zou kunnen redden, trad hij de kajuit binnen. Hij vond er Lolonois bezig met verscheidene brieven te lezen en den inhoud er van met een kaart te vergelijken, die voor hem op tafel lag.

Met de houding van een volmaakt edelman wenkte de vrijbuiter Van Halen, om tegenover hem plaats te nemen en zei:

»U bent mij welkom, mijnheer, maar wil mij nog een oogenblik tijd laten, om mijn bezigheden af te doen, dan ben ik geheel tot uw dienst."

Van Halen ging zitten, ofschoon hij zich ergerde, dat een ander zich zoo maar van zijn eigendom meester maakte. Hij had grooten lust om opnieuw op te stuiven en den vermetelen vreemdeling de deur uit te smijten. Maar het gevoel van overmacht, dat die vreemdeling al op hem had uitgeoefend en zijn nieuwsgierigheid naar wat er komen zou, maakten dat hij het raadzaam oordeelde, om bedaard en behoedzaam te werk te gaan.

Eindelijk legde Lolonois de papieren bij elkaar en zei:

»Zoo, vriend, is u daar nog? Welnu, ik ben klaar om naar u te luisteren."

Hij gaf aan de vier mannen bij de deur een wenk om heen te gaan, ging toen met de armen over elkaar tegenover Van Halen zitten en keek hem ernstig aan.

»En zou ik nu eens mogen weten," begon Van Halen het gesprek, »wien ik hier eigenlijk voor mij zie?"

»Ik ben de bevelhebber van dit schip en heet Lolonois," zei de Boekanier met een spottend lachje.

»Wat voor handwerk oefent u uit?"

»Dat is verschillend," ging Lolonois op spottenden toon voort. »Soms ben ik koopman, dan weer soldaat, een ander maal weer eens reiziger; dikwijls ook help ik de overheid, als zij zelf niet sterk genoeg blijkt om de booswichten te straffen; in één woord, ik doe waar ik lust in heb."

»U bent dus een vrijbuiter?" vroeg Van Halen met eenige huivering.

»Ja, zoo iets, als u wilt," antwoordde Lolonois bedaard.

»Maar hoe kwam u dan aan mijn schip?" vroeg Van Halen ernstig.

»Hoe wij aan een schip komen?" zei Lolonois, terwijl hij langzaam zijn beenen uitstrekte, »mijn hemel! hoe komen wij aan alles? Wij némen het, als wij het noodig hebben!"

»U hebt dus mijn schip genómen?"

»Ja, vriend! dat hebben we gedaan," zei de Boekanier lachend.

»En denkt u, dat ik mij dat maar zoo goedsmoeds zal laten welgevallen?" vroeg Van Halen op ernstigen toon.

»Je zult dat wel moeten, of je wilt of niet," sprak Lolonois met minachting. »Wat kan je er tegen doen?"

»Dat zullen we zien," zei Van Halen beslist. Hij sloot daarop de deur en ging toen weer naar de tafel.

»Mijnheer, u bent mijn gevangene," zei hij nu, »en mochten soms uw makkers lust hebben om de deur open te breken, dan laat ik mijn schip met ons allemaal in de lucht vliegen!"

De Boekanier bleef volkomen bedaard. Hij zag Van Halen glimlachend aan, maar overigens bewoog zich geen spier van zijn gelaat.

»Ja, Mijnheer," ging Van Halen voort, »ik zal allen in de lucht laten springen. Want weet, dat u boven een vulkaan zit. Onder u is de kruitkamer en ik heb daar meer dan tienduizend pond liggen."

»Dat is een mooie voorraad, mijnheer!" zei de Vrijbuiter lachend. »Het zou jammer wezen om die in eens te verbruiken, jammer vooral van het mooie schip. Ja, hoe bent u daar toch aan gekomen? Ik heb nog nooit zoo'n snelzeilend vaartuig gezien."

»Dat heb ik zelf uitgevonden en zelf gebouwd," zei Van Halen met trots. »Het is tot nog toe het eenige van die soort en--het moet het eenige blijven. Maar, om tot de zaak terug te keeren, wilt u mijn schip naar de haven terugvoeren, ja of neen?"

»Neen, mijnheer!" zeide de Boekanier, »dat kan ik niet doen."

»Wilt u me dan tot het uiterste drijven?" vroeg Van Halen heftig. Meteen nam hij een pistool, haalde den haan over, drukte op een geheime plek in den vloer, zoodat er een klein luik opensprong.. Hij hield den loop van het pistool er in ... De reuk van het kruit verspreidde zich al door de kajuit heen ...

Lolonois bleef niettemin bedaard.

»Ik zie, mijnheer," zeide hij, »dat u een voortreffelijk man bent. Maar wacht nog een oogenblik met dat gevaarlijk spelletje ..."

Van Halen trok het pistool weer terug, sloot de opening en ging bedaard zitten.

»Luister eerst eens naar mij, mijnheer, en doe dan, wat u van plan waart," zei de Boekanier ernstig. »U ziet, dat het volstrekt mijn voornemen niet is om u te beleedigen of u kwaad te doen.--Wees dus onbezorgd en hoor mij bedaard aan," ging hij voort, toen Van Halen teekenen van ongeduld begon te toonen:

»Ik ben Lolonois, zoo genoemd naar mijn geboorteplaats L'Olone in de Vendée. In mijn jeugd leerde ik allerlei ridderlijke spelen en de lust om groote daden te doen maakte, dat ik al vroeg de wijde wereld inging. Ik werd een avonturier. Toen ik hier bij mijn grooten landgenoot Le Basque kwam, hoorde ik van de schandelijke daden, door de Spanjaarden aan de arme West-Indiërs gepleegd, van de ongekende wreedheid, waarmee zij de inboorlingen uitgeroeid hadden.

Nu had ik een doel gevonden, waarop ik al mijn krachten wilde richten. Dat was de wraak! Ja, mijnheer, ik voel mij geroepen om de schimmen van de vermoorde Amerikanen te wreken en jarenlang heb ik zonder ophouden en zonder mededoogen dit bedrijf al uitgeoefend!"

De Boekanier hield een oogenblik op. Toen vervolgde hij:

"Geen macht is in staat mij van de vervolging der Spanjaarden af te houden. Voor den dood ben ik niet bevreesd en mijn metgezellen evenmin.

We werden evenwel een poos verhinderd om onze tochten voort te zetten. Want ja, ik bezat een fraai en groot schip, maar het strandde en nauwelijks wist ik mij het leven te redden met de helft van mijn dappere manschappen. Eenige kostbaarheden die ik bij mij droeg hebben tot gisteren gediend, om in onze behoeften te voorzien. Toen hoorden een paar van mijn mannen toevallig een gesprek dat uw matrozen met elkaar hadden. We vernamen, dat u volk noodig had om uw schip weer te bemannen. Omdat u hier moeilijk beter matrozen zoudt kunnen vinden heb ik u toen mijn eigen zeelui gestuurd en ben nu zelf hier gekomen.

En nu kunt u mij een roover noemen, maar ik beroof niemand, behalve de Spanjaarden. Welnu, het eerste Spaansche schip dat wij ontmoeten is _mijn_! Dan zal ik u dit vaartuig weer teruggeven en u aan flinke, vertrouwde manschappen helpen, zooals u gehad heeft. U kunt dan, wat mij betreft, vrij varen waarheen u maar wil. Ook ben ik bereid u uit den buit alle schade te vergoeden. U weet nu wie ik ben en hoe ik het met u meen. Neem dan nu uw besluit!"

De toespraak van dezen zonderlingen man had indruk op Van Halen gemaakt. Hij hing het pistool weer aan den wand, nam een flesch kostelijken Maderawijn uit een kast en schonk twee glazen vol. Toen ging hij tegenover den Boekanier zitten en zei:

"'t Is goed, ik zal u mijn schip leenen, zoolang u het noodig heeft. Dat u een vrijbuiter bent, doet er voor mij heel weinig toe, want de menschen haat ik, omdat ze mij mijn heele leven lang hebben teruggestooten. Er mag dus gebeuren wat wil, ik zal u tot niets aansporen en ook van niets terughouden. Maar--één man kan hier maar bevelen; _een_ van ons beiden is hier te _veel_!"

"Wel neen, vriend, _u_ is hier bevelhebber gedurende de vaart en heer en meester over alles. Mijn mannen moeten u gehoorzamen als trouwe matrozen. Maar tijdens het gevecht zal _ik_ bevelen en _ik_ zal u zeggen, waarheen wij varen. Wilt u het op die voorwaarden met mij wagen?"

"Aangenomen!" zei Van Halen en drukte de hem toegestoken hand.

Lolonois nam zijn glas op, klonk met Van Halen en zei: »Welnu, mijnheer, laat ons dan, in nood en dood, goede scheepsmakkers wezen. Maar zeg mij nu eens, wie u bent. U moet wel heel veel verdriet ondervonden hebben, dat u zoo neerslachtig bent geworden."

Van Halen vertelde nu in weinig woorden zijn lotgevallen en de Boekanier zag hem deelnemend aan. Toen verzonk hij langzamerhand weer in zijn gewone zwaarmoedigheid, keek stil voor zich uit en nam eindelijk zijn gewone plaats aan het roer weer in.

Een oogenblik later kwam ook Lolonois aan dek. Hij verzamelde zijn manschappen en deelde de noodige bevelen uit. Meteen gaf hij eenige wenken, om den kapitein goed in het oog te houden. Toen ging hij naar Van Halen en vroeg: »Het blijft immers bij ons verdrag?"

»U hebt mijn woord!" was alles wat de ongelukkige antwoordde, maar verder sprak hij in het geheel niet meer.

Al heel gauw echter waren de Boekaniers er van overtuigd, dat het schip bestuurd werd door een zeeman zonder weêrga en ondanks het vreemde van het geval, verdween bij die roekelooze mannen binnen één enkelen nacht alle vrees voor het gevaar, waarin Van Halen hen zou kunnen brengen.

[Illustratie]

NEGENDE HOOFDSTUK.

»De Vliegende Hollander."

Den volgenden morgen kwam Lolonois bij Van Halen en zei: »We hebben gebrek aan water en zijn dicht bij de groote bron. Als u dus het anker wilt uitwerpen, dan kunnen onze mannen de tonnen vullen."

»Water, zoet water in zee?" vroeg de kapitein verwonderd.

»Ja, niet ver hier vandaan borrelt uit den bodem van de zee bronwater op. Doordat dit, zooals u weet, lichter dan zeewater is, blijft het aan de oppervlakte. U zult u zelf kunnen overtuigen, als wij de plaats bereikt hebben. Stuur maar wat meer landwaarts tot bij die groote rots, dáár!"

Van Halen deed het en spoedig waren zij met het schip op de aangeduide plek. Het anker werd uitgeworpen en de boot neergelaten en bemand. Op dit oogenblik kwam een van de Boekaniers bij Lolonois en vroeg: »Kapitein, wat moet er met den matroos gebeuren, dien wij beneden nog altijd bewaken?"

»Het is een van uw vroegere manschappen," zei Lolonois tegen Van Halen. »Het beste was, om hem, zoowel in _uw_ als in _ons_ belang, hier achter te laten. Geen half uur van de plaats waar wij landden, ligt een dorp, dat hij gemakkelijk bereiken kan. Maar--handel met hem zooals het u het beste voorkomt."

Van Halen had een vreeselijken haat opgevat tegen allen, die vroeger tot de bemanning van zijn schip behoord hadden. Ook Thomas, ofschoon hij wist hoe trouw die hem was, begon hij meer en meer te haten, omdat die alleen hem voortdurend aan de trouweloosheid van de anderen herinnerde. Hij besloot dus, hem aan land te zetten. Daarom liet hij hem in de kajuit komen, betaalde zijn loon en zei hem aan, dat hij oogenblikkelijk zijn schip moest verlaten.

Thomas zag zijn meester weemoedig aan, maar waagde het niet, hem tegen te spreken. Hij verliet de kajuit en ging aan het werk alsof er niets gebeurd was. De Boekaniers keken hem verwonderd aan maar Lolonois, die meende dat Van Halen Thomas liever niet wilde ontslaan, gaf zijn mannen een wenk, dat zij den matroos stil aan zijn werk zouden laten.

Zoo kwam het, dat Thomas met de anderen in de boot ging en in tegenwoordigheid van Van Halen mee aan land stapte.

De Boekaniers, die niet met het vullen van de tonnen bezig waren gingen hier jagen en menig fraaie stier werd geveld en de beste stukken er van aan boord gebracht. Van Halen was op deze tochten een zwijgend toeschouwer die, ofschoon hij ook een geladen geweer bij zich had, toch aan de jacht geen deel nam.

Intusschen waren de anderen in de groote boot bezig, om de tonnen aan de bron te vullen, waar de heele dag mee gemoeid was. Lolonois bleef aan boord om te zorgen, dat alles naar behooren en op geschikte plaatsen geborgen werd. Van tijd tot tijd legden de booten aan en werden dan telkens door hem weer met leege vaten afgezonden, want hij wilde zooveel drinkwater opdoen als mogelijk was.

Doordat zij de groote boot nog hadden, waarmee Lolonois op het schip gekomen was, kon een groot deel van de manschap ongestoord met Van Halen aan wal blijven.

Tegen den avond evenwel gingen de meeste Boekaniers naar boord terug. Alleen zij, die blijven moesten om te roeien, waren nog in de boot en wachtten op den kapitein, dien zij niet ver van het strand in diepe gedachten verzonken op en neer zagen wandelen.

Een oogenblik later zagen de Boekaniers, dat Thomas naar hem toe kwam om een gesprek met hem te beginnen. Uit de driftige bewegingen van Van Halen maakten zij op, dat zij oneenigheid kregen.

Op dit oogenblik werd er van boord, als sein om de boot terug te roepen, een schot gelost. De Boekaniers brachten het vaartuig tot op een paar meter afstand bij het land. Toen hielden zij op met roeien en legden een plank tot op den oever, zoodat Van Halen droogvoets in de boot zou kunnen komen. Terwijl hij dichter bij kwam zagen de Boekaniers, dat hij rood was van woede en dat zijn oogen onheilspellend fonkelden.

Thomas volgde hem langzaam en van verre, maar toen Van Halen dicht bij de boot gekomen was begon hij opeens vlugger te loopen en trachtte, te gelijk met zijn meester, in het vaartuig te komen.

Van Halen stond zelf al op de plank.

Nu riep Thomas, dat men hem ook aan boord zou nemen, want dat de kapitein hem wilde achterlaten, maar de Boekaniers verstonden hem niet.

Thomas riep nog harder.

Midden op de plank keerde nu Van Halen zich om, spande den haan van zijn geweer en schoot op den ongelukkige, eer iemand het kon verhinderen.

De arme jonge man zonk in elkaar, hief zich weer op en wankelde nog eenige stappen naar de boot, terwijl een donkere bloedstroom uit zijn wonde vloeide.

Toen zonk hij opnieuw neer en bleef stervend liggen.

De Boekaniers zaten ontzet op hun roeibanken. Niet één kon de oorzaak van deze verschrikkelijke daad gissen en zij zagen Van Halen, die zich zwijgend aan het roer plaatste, met dreigende blikken aan.

Daar viel een tweede schot van boord, de zeilen werden al bijgezet, de tijd drong en barsch gaf Van Halen bevel om weg te roeien.

Zóó eindigde de laatste en de eenige trouwe matroos van Van Halen zijn leven.

Aan boord was Van Halen's daad natuurlijk onmiddellijk bekend. Ieder, zelfs de meest verharde Boekanier, vermeed hem nu, niet één die het waagde, over het voorgevallene een woord met hem te spreken.

Het schip ging onmiddellijk onder zeil en was den volgenden dag in de Caraïbische zee, om daar jacht op Spaansche schepen te maken.

Thans, in volle zee, merkte Lolonois pas goed, hoe verwonderlijk vlug Van Halen's vaartuig was. Maar het viel niet te ontkennen, dat de goede leiding ervan geheel afhing van de goedwilligheid van den zonderlingen kapitein en het was nog altijd de vraag, of die zich in beslissende oogenblikken naar zijn wil zou schikken, Van zijn wraak was alles te vreezen, van zijn welwillendheid daarentegen alles goeds te hopen.

Maar ofschoon de zielstoestand van Van Halen en vooral diens laatste handelwijze zijn tegenzin en bezorgdheid opwekten, toch dacht Lolonois te ridderlijk en te edelmoedig, om den krankzinnige zoo maar op zij te zetten en zich op die manier in het volledig bezit van het vaartuig te stellen. Niettemin zou hij er graag heer en meester van worden en hij hoopte nog altijd, dat een of ander gunstig toeval hem van Van Halen zou bevrijden, zonder dat hij daar zelf toe mee moest werken.

Zijn mannen evenwel dachten er heel anders over. Zij voelden voor Van Halen niets dan afschuw en vrees en alleen de gezindheid van Lolonois jegens hem, weerhield die onversaagde menschen, om den dollen stuurman, zooals zij hem noemden, uit den weg te ruimen. Van Halen bevond zich dus in een heel gevaarvollen toestand, maar hij zelf had daar volstrekt geen besef van. Hij deed zijn werk met een nauwgezetheid en bekwaamheid, die ieder, zelfs de meest vooringenomene, moest bewonderen.

De vaart door de Caraïbische zee ging, door het gunstige weer zoo snel, dat ze reeds op den vijfden dag voorbij kaap Honduras zeilden. Nu richtten zij hun koers meer Noordwaarts, naar de Amerikaansche kust, waar Lolonois wist, dat zich Spaansche schepen met kostbare ladingen bevonden.

Maar, dichter bij de kust gekomen, sloeg het weer om en nu had men iederen dag met hevige windvlagen te kampen, die voor elk ander schip noodlottig zouden geweest zijn.