De vliegende Hollander

Part 6

Chapter 63,986 wordsPublic domain

In dien tijd was West-Indië even gevreesd om zijn gevaren als gezocht om zijn voortbrengselen. Door de gruwelijke wreedheid van de Spanjaarden werden deze bekoorlijke en rijke eilanden ontvolkt en verwoest. In het begin van de zeventiende eeuw bezetten de Engelschen en Franschen enkele dezer eilanden en legden er koloniën aan. Die eerste volksplanters werden echter door de Spanjaarden verdreven, vooral uit St. Domingo, maar de schoone streek was hun reeds te lief geworden, dan dat zij er zich geheel uit wilden laten verjagen. Zij vestigden zich dus op de nabijgelegen Schildpad-eilanden waar zij weldra, omdat zij van alle kanten toevloed kregen, tot zoo'n groot getal aangroeiden, dat zij de Spanjaarden met gelijke munt konden betalen. Zij verdreven ze eerst van St. Domingo en gingen toen, tot vergelding voor het hun aangedane kwaad, langs de kusten op roof uit. In tijden van grooten nood vielen zij alle volken aan, maar de Spanjaarden _altijd_, waar zij die maar vonden.

Hun onverzoenlijke haat jegens dit volk was het gevolg van de ongehoorde wreedheid, waarmee de Amerikanen door de Spanjaarden behandeld werden. Vroeger hadden zij nooit aan zeerooverij gedacht. Zij waren enkel Boekaniers, d. i. stierenjagers geweest, maar de Spanjaarden hadden, om hen te benadeelen, alle stieren op St. Domingo uitgeroeid en hen dus tot het uiterste gebracht.

Daar zij zich overtuigd hielden dat hun handelwijze wettig was, bezielde hen een moed, die alle gevaren en zelfs den dood verachtte. Ja, zij geloofden zóó weinig, onrecht te plegen, dat zij steeds God om bijstand bij hun onderneming aanriepen en Hem eveneens openlijk dankten, nadat alles afgeloopen was.

Deze dappere, roekelooze mannen doorkruisten toen de zeeën van West-Indië en brachten door hun schrikkelijke daden vrees en ontzetting te weeg bij alle zeevarenden. _Boekaniers_, _Flibustiers_, _Marrons_--hoe zij ook genoemd werden, altijd werd er een somber gevoel van afgrijzen door opgewekt.

Onder zulke gevaarlijke omstandigheden nu naderde de ongelukkige Van Halen met zijn fraai vaartuig het bekoorlijke eiland. Zijn somberheid nam nog toe met den dag en was voor zijn manschappen onbegrijpelijk; aan den eenen kant gevoelden zij ten opzichte van hun kapitein afschuw en ontzetting, aan den anderen kant diep medelijden.

Het was dan nu ook zóó ver met den grooten man gekomen, dat hij begon te handelen, zonder zich zelf helder bewust te zijn van hetgeen hij deed; hij was geheel waanzinnig geworden.

[Illustratie: »We zeilen er op dit oogenblik om heen!" (Bladz. 102.)]

De ervaren zeelui van Van Halen, die voor geen gevaar terugdeinsden, waren thans vol van een vrees en een afschuw, even groot als het vertrouwen en het ontzag, dat zij vroeger voor hem gevoeld hadden. Huiverend bespiedden zij elk van zijn schreden, iedere dwaze daad, want zij konden het voor elkaar niet langer verbergen dat hen allen het vreeselijkst gevaar bedreigde, als deze verschrikkelijke man eens, misschien door een gering toeval, in woede geraakte. Geen van hen sprak meer met hem zonder zich door angstige schuwheid beklemd te gevoelen en ieder ontweek hem zorgvuldig, want zij wilden tot niets meer verplicht zijn dan tot den scheepsdienst en wat daarbij behoorde. Alleen Thomas had genoeg menschelijk gevoel om zijn meester met medelijden waar te nemen en hoe meer de anderen tegen hem opkwamen, des te vaster sloot _hij_ zich bij hem aan, des te liefderijker zorgde hij er voor, dat in al zijn behoeften voorzien werd. Ja, hij gebruikte zelfs zijn invloed om te beletten, dat men den ongelukkige aan handen en voeten gebonden in het ruim wierp, zooals enkelen al gedreigd hadden te zullen doen.

Van Halen zelf scheen van de dreigende houding zijner manschappen even weinig besef te hebben als van zijn onbeschrijfelijk ongelukkigen zielstoestand. Evenals hij die menschen slechts als werktuigen scheen te beschouwen, als levende en bezielde gedeelten van het wonderbare vaartuig dat hij gebouwd had, evenzoo scheen hij zelf een werktuig te worden en niet meer te gevoelen of te verrichten dan noodig was tot besturing en instandhouding van het geheel. Maar dit deed hij met al de omzichtigheid, kracht en moed waarover de bekwaamste zeeman slechts kan beschikken en hoe minder hij mènsch scheen te blijven, des te meer moest zijn scheepsvolk erkennen, dat zijn kunde en ervarenheid als zééman toenam.

Hij werd echter zoo karig met woorden, dat zij geen wóórd van hem hoorden of het moest een bevel zijn.

De ongelukkige man vergat ook geheel voor zijn lichaam te zorgen. Kleeren, schoon linnen, eten en drinken, alles moest hem door Thomas gebracht worden bij het roer, dat hij nu bijna niet meer verliet.

Slechts één ding scheen nog in staat te zijn, hem uit zijn wezenloosheid op te wekken. Namelijk wanneer er iets dat hij voor den dienst op het schip bevolen had, niet ten uitvoer gebracht werd, al was het ook nog zoo'n kleinigheid. Zoo had hij op zekeren dag aan een matroos bij den voormast iets onbeduidends bevolen en aan dat bevel was geen gevolg gegeven. Zoodra Van Halen dat bemerkte werd hij woedend, zette het roer vast, greep den matroos aan, die als een kind ineenkroop onder de vreeselijke handen van zijn bevelhebber en droeg hem naar de plaats, waar hij had moeten werken. Toen hij hem daar zijn werk had laten verrichten sloeg hij hem zóó geweldig met een eind hout, dat de arme man gedurende de verdere reis niet in staat was dienst te doen en eerst na een langdurig verblijf aan land het gebruik van al zijn ledematen terugkreeg.

Al de matrozen omringden Van Halen en keken hem dreigend aan, maar niet één waagde het den woedenden man tegen te houden, ofschoon zij bij iederen slag vreesden, dat het den ongelukkige het leven zou kosten.

Toen Van Halen eindelijk zijn slachtoffer half dood als een worm aan zijn voeten zag kruipen, beval hij, dat men zijn gekneusde ledematen met brandewijn wasschen en hem naar zijn kooi brengen zou. Hij stelde daarna een ander in zijn plaats, keek de verbleekende matrozen somber aan, hief dreigend het eind hout in de hoogte en keerde, zonder zich verder om hen te bekommeren, naar zijn post aan het roer terug om daar, evenals vroeger, de dubbele betrekking van scheepskapitein en stuurman waar te nemen.

Het was een huiveringwekkend gezicht, deze waanzinnige, zooals hij in een stillen nacht in den maneschijn aan het roer stond en onbewegelijk zijn oogen op de angstige manschappen gevestigd hield. Huiveringwekkend ook was het te zien hoe hij, van vermoeienis haast bezwijkend, het roer aan een ander overgaf en dan, als een machine, altijd in een rechte lijn over het kleine dek heen en weer wandelde. Na op die manier een uur, of soms verscheidene uren te hebben doorgebracht, zocht hij een plekje naast de vlaggekast op, legde zich daar neer met het gezicht naar den hemel gekeerd en sliep in. Maar de kleinste beweging, het minste gedruisch maakte hem wakker en dan begaf hij zich met schijnbaar nooit uitgeputte krachten weer op zijn post.

Zoo bereikte »_De Vlugge Christina_" eindelijk den West-Indischen Archipel, altijd bestuurd door den loods. Die voerde het schip, nadat het de onbewoonde eilanden zonder tegenspoed voorbij was, langs de Noord-Oostelijke punt van Jamaïca en nu zeilde het verder langs de heerlijke kusten van dit eiland, totdat het bij de hoofdstad Port-Royal binnen liep. Onder een geweldigen toevloed van menschen, die bij het ongewone schouwspel aan de haven bijeen stroomden, werd het schip tot onder de kanonnen van het fort gevoerd.

Zoodra de loods het dek verliet traden al de matrozen met uitzondering van den zieke en Thomas, gezamenlijk op hem toe, ofschoon hij nog met enkele noodzakelijke verrichtingen voor de veiligheid van zijn schip bezig was en vertelden hem, dat zij eenparig besloten hadden de »_Christina_" voor altijd te verlaten.

Van Halen staarde ze vreemd aan, gaf geen antwoord en ging voort met zijn bevelen te geven. Hij liet het vaartuig geheel aftakelen en alles op zijn plaats brengen waar het behoorde. Toen hij op die manier voor zijn schip gezorgd had, gaf hij aan zijn matrozen bevel om hun kisten te pakken, een boot aan te roepen en zich aan dek voor het vertrek gereed te houden. Daarop kwam hij bij hen. Hij betaalde aan elk het bedongen loon, liet den zieke met al wat hij bezat in de boot brengen en gaf hem een aanzienlijke som gelds. Toen sloot hij zich in de kajuit op en wilde verder van niemand meer iets hooren.

Thomas, de eenige die Van Halen nog toegenegen was, klopte dan ook lang te vergeefs aan de deur. Eindelijk echter deed Van Halen open. Met een somberen blik zag hij den jonkman aan. »Wat wil je nog?" vroeg hij. »Ze zijn weg; allemaal! Ik heb je niet meer noodig!"

»Kapitein, ik wil niet weggaan, ik blijf bij u; u kunt mij niet missen!"

»Ga heen!" was het koele antwoord.

»Neen, kapitein, ik kán en ik wil u niet verlaten. Wie zou u bedienen en wie zou bij u zijn als ik u ook verliet? Neen, kapitein, ik zal u als een hond volgen en al trapt u mij van u af, dan zal ik weer naar u toekruipen," zei de jongeling ontroerd.

Van Halen staarde hem zwijgend en somber aan. Eindelijk scheen er toch een flauwe herinnering in hem op te komen.

»O, jawel ... Je bent Thomas ... die me altijd eten brengt ... eten en schoone kleeren. O--ja, ja wel ... Thomas ...!"

Met die woorden liet hij hem in de kajuit en stond toe, dat hij hem bediende, evenals vroeger. Thomas haalde nu wat voedsel, bracht wijn en verzorgde zijn ongelukkigen meester weer even trouw als te voren. 's Avonds, toen Van Halen sliep, ging hij aan dek en waakte hier den geheelen nacht, totdat zijn meester den volgenden morgen weer boven kwam. De krankzinnige staarde wezenloos naar de leegte op zijn schip. Hij was alles wat den vorigen dag gebeurd was al weer vergeten en wandelde volslagen onverschillig over het dek heen en weer, tot een nieuwe indruk zijn opmerkzaamheid weer wakker maakte.

Hij zag van den wal een boot afsteken met verscheidene ambtenaren er in. Het had namelijk de aandacht getrokken, dat een menigte matrozen het schip hadden verlaten. Dat scheen verdacht. Men vermoedde een misdaad en had enkelen van hen onmiddellijk in hechtenis genomen. Het getuigenis van die lieden en de handelwijze van Van Halen zelf, die in gebreke gebleven was de noodige aangiften bij het havenbestuur te doen, hadden nu een bezoek van eenige beambten van het wachtschip ten gevolge.

Van Halen zag met een glimlach de officieren en ambtenaren aan boord komen en begroette hen als iemand, wiens zaken volkomen in orde zijn.

De officier van het wachtschip sloeg een blik van bewondering op het prachtige vaartuig en zijn fraaie inrichting. Toen zag hij Van Halen en den eenigen matroos die bij hem stond getroffen aan en vroeg:

»Is u de bevelhebber van dit schip?"

»Jawel, mijnheer," antwoordde Van Halen heel gewoon, »waaraan heb ik de eer van uw bezoek te danken?"

»Zou ik uw papieren eens mogen inzien?"

»Zeker, mijnheer, volg mij maar in de kajuit."

De officier bevond alles in orde. Alleen was hij verwonderd dat de passen geen blijk droegen vóór de reis vertoond te zijn aan den Hollandschen havenmeester te Amsterdam. Nu zag hij de kajuit rond en vroeg:

»Heeft u er iets op tegen, dat de ambtenaren uw lading onderzoeken?"

»Volstrekt niet!" antwoordde Van Halen. Hij gaf Thomas de sleutels en wenkte hem, dat hij met de ambtenaren zou meegaan.

Zoodra zij de kajuit verlaten hadden kreeg Van Halen een flesch wijn, schonk den officier en zichzelf in en onthaalde hem met de houding van iemand, die zijn wereld kent. Hij sprak echter geen woord meer, totdat de ambtenaren terugkwamen. Toen die eindelijk weer de kajuit binnen traden zag hij ze vragend aan.

»Alles in orde!" was het antwoord.

»Mijnheer," vroeg de officier verwonderd, »waar is uw volk toch?"

»Gisteren hebben mijn matrozen hun ontslag gevraagd en zoodra ik ze uitbetaald had, hebben ze allemaal mijn schip verlaten," zei Van Halen met de grootste kalmte.

»Maar heeft u nu nog manschappen genoeg over om den dienst te doen en de reis voort te zetten?"

Van Halen keek treurig voor zich.

Eindelijk zei hij, alsof hij uit een droom ontwaakte: »Ik hoop hier nieuwe matrozen aan te monsteren!"

De officier en de ambtenaren keken elkaar bedenkelijk aan.

»Ik zal u een wacht op uw schip geven, totdat het weer genoegzaam bemand is," zei de officier. »U behoeft dan tenminste niet bezorgd voor uw eigendom te wezen. Maar wees voorzichtig als u matrozen aanmonstert, want er zwerft hier veel gespuis rond."

De vreemdelingen verlieten nu het schip weer en schudden bedenkelijk het hoofd over den kapitein en den treurigen toestand, waarin de ongelukkige verkeerde.

Een uur later verschenen in een boot een onderofficier en vijf soldaten om het dek te bezetten. Thomas voorzag de soldaten van het noodige, om daarna weer al zijn zorgen aan den armen krankzinnige te wijden.

Aan wal was men intusschen over het lot van Van Halen ernstig beducht.

[Illustratie]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

De Boekaniers.

Toen Thomas nu meende, dat zijn tegenwoordigheid aan boord wel een oogenblik gemist kon worden, was hij met de eerste boot die bij het schip aanlegde, aan wal gegaan. Hij wilde zijn vroegere kameraden opzoeken en zien of zij niet te bewegen waren weer bij Van Halen dienst te nemen. Wat toch zou er hier van zijn ongelukkigen meester zonder vertrouwd zeevolk, terecht komen?

Het duurde vrij lang, eer hij ze gevonden had, maar eindelijk trof hij ze, voor het grootste gedeelte althans, in een drukbezochte zeemansherberg aan.

Thomas gebruikte nu al zijn overredingskracht om hen over te halen, weer naar het schip terug te keeren. Hij herinnerde hen aan het aanzienlijke loon, de goede verzorging, die zij op het schip van Van Halen genoten; hij beriep zich op de zeldzame eigenschappen van het voortreffelijke vaartuig; hij bracht hun de algemeen bekende goedhartigheid van den kapitein in herinnering en vroeg hun ten slotte, hoe zij het van zich konden verkrijgen om hun armen meester hier, in een vreemd oord, in zoo'n hulpbehoevenden toestand achter te laten.

Niets mocht evenwel baten. De halfbeschonken matrozen hoorden hem wel aan, enkelen kregen zelfs te dóen met den ongelukkigen gezagvoerder, maar verscheidene hadden al op andere schepen dienst genomen en bij de meesten was de herinnering aan den doorgestanen angst nog zóó levendig, dat zij niets van Thomas' verdere redeneeringen meer wilden hooren en hem met woest gezang en luidruchtige tegenspraak poogden te overstemmen.

»De kerel is gek en van den duivel bezeten!" riep er een.

»Men moest hem doodslaan als een dollen hond!" schreeuwde een ander.

»Je geeft je aan den Satan over, als je op zijn schip dienst neemt!" liet een derde zich hooren.

»Met duivelskunsten en tooverspreuken is het vaartuig gebouwd," brulde weer een ander.

»Weg met zijn duivelschip!" tierden verscheidenen, »ze moesten het verbranden!"

Thomas zag nu duidelijk genoeg in, dat al zijn verdere moeite dwaasheid wezen zou. Hij dronk dus stil zijn glas uit, wenschte hun een goede reis en verliet de herberg onder het spottend gelach van zijn vroegere kameraden.

Aan een andere tafel hadden echter vijf mannen van een forsch, onverschrokken voorkomen het geheele gesprek zwijgend aangehoord. Wel is waar verstond er maar één van hen de Hollandsche taal, maar toch hadden ook de andere vier opmerkzaam toegeluisterd en door enkele mededeelingen van hun makker en de levendige gebaren der Hollandsche matrozen den inhoud van het gesprek geraden.

Zoodra Thomas vertrokken was vertelde de vreemdeling, die Hollandsch verstond, de geheele toedracht der zaak aan zijn metgezellen en een oogenblik later verlieten ze alle vijf, dicht in hun donkere mantels gehuld, de herberg. Zij stapten stevig door langs de haven van Port-Royal naar een boschje dat buiten de vestingwerken lag. Toen hielden zij stil voor een landhoeve, die in een heel slechten reuk stond en door ieder weldenkend mensch vermeden werd. Het was een vervallen gebouw, deels door aardbevingen, deels ten gevolge van de nalatigheid van den eigenaar.

Zoodra zij hadden aangeklopt en het wachtwoord gegeven, werd de poort geopend. Een kerel met een fakkel in de hand trad naar buiten, bekeek eerst man voor man nog eens afzonderlijk en pas tóen konden zij binnenkomen.

Zij traden nu door een met ijzer beslagen deur in een groote kamer, die tamelijk goed verlicht werd door een hanglamp waarop vier kaarsen brandden.

»Waar is Lolonois?" vroegen zij aan de mannen die zich in het vertrek bevonden.

»Boven!" was het antwoord.

»Dan moet er iemand naar hem toe, om hem te roepen. We mogen geen oogenblik verliezen. Er is kans om weer spoedig vlot te komen."

Op die woorden kwamen nog eenigen uit de andere kamers het vertrek in. Enkelen daalden een trap in den achtergrond af, zoodat de kamer meer en meer gevuld werd met forsche mannen van een ruw en verwilderd uiterlijk, waarvan sommigen zacht met de aangekomenen spraken, terwijl anderen in stilte aan de overigen hetgeen zij gehoord hadden vertelden.

Eindelijk kwam de persoon, naar wien men gevraagd had te voorschijn. Hij was blijkbaar de hoofdman, want schuw traden de anderen terug, zoodra zij hem gewaar werden.

Het was iemand van een gedrongen, krachtige gestalte, met zwart krullende lokken en een zwaren baard die hem tot op de borst neerhing. In zijn fraai gevormd, mannelijk gelaat schitterden een paar zwarte oogen, waarvan de blik iemand tot in de ziel drong. Zijn kleeding was geheel gelijk aan die van een aanzienlijk zeventiende-eeuwsch edelman; uit den met goud belegden gordel staken de kolven van een paar prachtige pistolen en een dolk hing er in, waarvan het gevest met paarlen en edelgesteenten versierd was.

Bij zijn komst hield het rumoer in de kamer onmiddellijk op. De vijftig mannen staarden hem eerbiedig aan en wachtten zwijgend op den uitslag van het gesprek, waartoe men Lolonois geroepen had.

Eindelijk zweeg de verhaler, Lolonois stond een oogenblik in gedachten. Toen vroeg hij halfluid, maar met een welluidende stem:

»Waar ligt het schip?"

»Onder de kanonnen van het fort, kapitein!"

»En het is op 't oogenblik niet bemand en door soldaten bezet, zeg je?"

»Ja, kapitein. Alleen de bevelhebber, een krankzinnige, met één matroos zijn aan boord en dan nog vijf soldaten."

»Weet je ook, wat voor landslui de gezagvoerder en die matroos zijn?" vroeg Lolonois verder.

»Hollanders!"

»Weet je dat zeker?"

»Jawel, kapitein, dat weet ik zeker!"

»Dan mogen we geen geweld gebruiken en het leven van beiden moet gespaard blijven," zei Lolonois. »Als het Spanjaarden waren, dan ..."

Hier hield hij even op. Er heerschte nu weer een diepe stilte. Eindelijk vervolgde Lolonois:

»Dat schip moeten we hebben, het mag kosten wat het wil. Maar--geen geweld. Wie wil als matroos aan boord van dat schip gaan en zich laten aanmonsteren?"

Meer dan dertig van de jongste mannen traden onmiddellijk naar voren.

Lolonois zocht er nu vijf en twintig uit en gaf hun uit de beurs die aan zijn gordel hing al het geld dat hij bezat. Toen beval hij hun, dadelijk in de stad de noodige kleeren te koopen om zich als matrozen te verkleeden en dan den volgenden morgen een voor een naar het Hollandsche schip te gaan en zich te laten aanmonsteren. Bovendien moesten zij hem terstond bericht zenden, als de kapitein in zee zou steken. Hij zelf zou met de overigen buiten de haven in de boot op hen wachten en met hun hulp aan boord komen. Met de rest zou het dan verder wel rondloopen, voegde hij er bij.

Toen gaf hij een wenk en de vijfentwintig mannen verlieten onmiddellijk het gebouw.

Nauwelijks waren zij heen of de eigenaar van de hoeve trad ontsteld binnen en stamelde: »Edele Heer!... Houd het mij ten goede ... maar ... al die mannen ..."

»Gaan heen!" was het besliste antwoord. »En spoedig," vervolgde Lolonois, »gaan wij allemáál u verlaten."

»Maar Edele Heer," vroeg de man deemoedig, »vergeef het een armen drommel, maar--wie zal mij dan.. betalen?"

Lolonois nam den gouden keten, die om zijn hals hing en zei: »Dáár, achterdochtig creatuur, neem deze ketting dan, ze is wel vijftien honderd kronen waard. Maar zorg dan ook nog zóó lang voor ons, tot wij je huis geheel verlaten kunnen."

De eigenaar van het gebouw, een vent met een echt schurkachtig gezicht, nam gretig het kostbare voorwerp aan, kuste deemoedig de kleeren van Lolonois en verdween toen, om wijn en spijzen te brengen en zoodoende zijn gevaarlijke gasten in een goeden luim te houden.

De mannen plaatsten zich daarop aan tafel met Lolonois aan het boveneind en deden zich aan den kostbaren maaltijd te goed.

Weldra vulde Lolonois zijn beker, hief dien omhoog en sprak tot zijn dischgenooten:

»Makkers! Het ongeluk heeft ons tot schipbreukelingen gemaakt, juist toen wij het heerlijkste en voordeeligste waagstuk wilden volbrengen. Lang hebben wij hier gewacht op een gelukkiger tijd en zie, nu is die tijd gekomen. Wij zullen weer uitvaren om de Spanjaarden te bevechten, wij zullen weer rijken buit behalen en nieuwen roem verwerven als wij de moordenaars vervolgen, die tegen de arme Amerikanen, de bewoners van deze heerlijke eilanden, zoo onbarmhartig gewoed hebben. Komaan dan, mannen, ik zal opnieuw uw aanvoerder zijn! Ik drink op uw welzijn en op ons krijgsgeluk! Lang leven de Boekaniers!"

»Lang leve Lolonois, onze dappere kapitein!" riepen de stoute gezellen, terwijl ze juichend opsprongen, hun glazen tegen elkander hieven en leegdronken.

Te midden van dit rumoer was Lolonois opgestaan en langs de trap naar de bovenverdieping van het huis verdwenen.

Den volgenden dag sloop Thomas angstig en verlegen over het dek naar de kajuit, want een troep van meer dan twintig mannen dwaalden lui en traag nabij het schip rond, die er heel verdacht uitzagen. Toen hij in de kajuit kwam vond hij daar een paar van die vreemde snaken, die juist hun handgeld van Van Halen kregen. Van Halen stoorde zich niet aan zijn raadgevingen en wierf net zooveel matrozen aan als er komen wilden, zoodat zijn schip tegen den avond al met vijfentwintig zeelui bemand was. De wachthebbende soldaten achtten zich nu overbodig en gingen heen.

Ondanks hun zeemansuiterlijk schenen de nieuwelingen toch alles behalve vertrouwbare matrozen te zijn en toen Thomas hun brutale manier van doen zag, begon het hem hoe langer hoe angstiger te worden.

Tegen zonsondergang riep een van de brutaalste knapen een voorbijvarende boot aan om een loods. Een kerel met een gemeen en liederlijk voorkomen klauterde toen aan boord, werd op een flesch Malagawijn onthaald en was weldra met een paar van de nieuwe manschappen in een fluisterend gesprek.

Nu ontstond bij Thomas een vreeselijk vermoeden. Hij ging naar de kajuit en zei tegen Van Halen: »Kapitein, kent u de mannen, die u in dienst genomen hebt?"

Van Halen zag hem lang en strak aan en zei toen: »Wat gaat het je aan?"

»Ze hebben een loods op het dek gehaald en trakteeren hem op uw eigen wijn. Heeft u ze daar bevel toe gegeven?"

Van Halen was weer in zijn gewone wezenloosheid terug gezonken en gaf geen antwoord.

»Kapitein, ze willen in zee steken en wij hebben versch water en nog anderen voorraad noodig. Wilt u dan niets innemen, om in die behoeften te voorzien?" vroeg Thomas bijna smeekend.

Niets mocht baten. Van Halen sprak geen woord en antwoordde alleen met sombere, dreigende blikken.

Thomas klom weemoedig weer naar dek, om hier door zijn tegenwoordigheid de vreemdelingen ten minste een beetje in bedwang te houden. Maar nauwelijks was hij boven of verscheidene matrozen kwamen op hem toe en een er van zei in zuiver Hollandsch:

»Hoor 'reis vrindje, we hebben daar zoo even juist gehoord, dat je dien gek daar in de kajuit tegen ons wilt ophitsen. Doe dat niet weer, versta je! Want één woordje nog en je ligt in zee met een twaalfponder om je nek!"

Thomas verbleekte en durfde geen woord meer zeggen, toen hij den kring om hem heen in het rond zag. Maar toen hij naar boven wilde gaan kwam hem een van de woeste vreemdelingen die er het vermetelst uitzag, op zij, trok een dolk en fluisterde: