Part 3
Nauwelijks echter drong het licht van den morgen in het duivenslag door, of hij sprong het bed uit en haastte zich naar beneden, waar allen zich spoedig tot het ontbijt vereenigden. Tot Pieters groote verbazing bestond dit uit een bordje koude paardeboonen met een beetje karnemelk en als morgendrank kreeg hij een kleine kroes van het allerdunste scharrebier, die bovendien nog haast niet half vol was.
Pieter gebruikte heel weinig, wat onmiddellijk ten gevolge had, dat oom Boudewijn hem prees om zijn matigheid. Daarop begon de man tot in het oneindige te praten over de deugd der soberheid en welk een groote ondeugd de gulzigheid was, waarbij hij een menigte voorbeelden van overdaad wist aan te halen, die allemaal heel treurig eindigden.
Zoodra het ontbijt afgeloopen was maakten oom Boudewijn en Pieter zich klaar, om naar Oosterhout te gaan en den schout in kennis te stellen van hetgeen er gebeurd was. Pieter kon daarbij een glimlach niet onderdrukken, toen hij zijn oom een klein, oud hoedje zag opzetten, waarvan de rand nauwelijks twee vingers breed was en zóó door de muizen beknaagd, dat het ding bijna evenveel tanden als een zaag had.
»Ja neef! ik zie het wel dat je lacht om dit hoofddeksel, maar ik ben er zeer aan gehecht. Je moet weten, dat het een erfstuk is, nog van mijn grootvader afkomstig. Mijn grootvader, moet je weten, genoot in zijn jeugd het voorrecht, Keizer Karel den Vijfde te dienen en uit een bijzondere genade heeft zijn Keizerlijke Majesteit hem dit hoedje eens vereerd. Ik zou dit merkwaardige voorwerp dus voor geen geld willen missen."
De mantel moet dan zeker ook wel een dierbaar erfstuk zijn, dacht Pieter, want met geen mogelijkheid zou iemand zijn oorspronkelijke kleur geraden hebben, terwijl hij zoo kaal was als perkament en van een fatsoen, zooals men er in dien tijd mogelijk geen tweede in de geheele Republiek zou hebben gevonden.
Toen zij vertrekken zouden, zag Van Halen met nieuwe verbazing, dat de oude man eenige vette hoenders meenam, want hij dacht onmiddellijk aan het sober ontbijt.
Het bleek nu uit oom Boudewijn's toelichting, dat de boeren die hij behandelde, hem uit dankbaarheid haast elke week, de een boter, appelen of peren, een ander eieren, hoenders en duiven, ja sommige zelfs hazen en patrijzen brachten, die hij dan geregeld in Oosterhout of Breda verkocht, het zondige verkwisting vindend, die kostbare artikelen zelf te nuttigen.
Brachten zij hem echter karnemelk of paardeboonen, dan hield hij die voor zijn eigen huishouding.
Onderweg deelde Van Halen zijn plannen mee en met welk doel hij hem was komen opzoeken.
De vrekkige grijsaard was er ten hoogste mee ingenomen, dat neef Pieter, die hem nu een vermogend man bleek, zijn zoon Andries gratis in de stuurmanskunst wilde onderwijzen niet alleen, maar ook geheel voor zijn kleeding, onderhoud en uitrusting beloofde te zorgen.
Nog dienzelfden morgen verscheen de schout met eenige gerechtsdienaars in het huis van den chirurgijn.
Het gerecht maakte van de verklaringen van oom Boudewijn en Pieter een schriftelijk verslag op; de lijken werden geschouwd en als van beruchte roovers herkend. Toen liet men de doode lichamen weghalen.
Inmiddels was het tijd geworden voor het middagmaal. Tot neef Pieters ontsteltenis bestond dit uit slechts vier panharingen in de olie gebakken, die door oom Boudewijn zóó heerlijk werden gevonden, dat hij daarover haast niet uitgepraat raakte.
Het is te begrijpen, dat Van Halen tengevolge van een en ander maar hoe eer hoe liever weer naar Vlissingen wilde vertrekken.
[Illustratie: »Dieven?" riep de grijsaard ontzet, en sloeg de magere handen in elkaar. (Bladz. 37.)]
Na het eten vroeg hij dus Andries kort en bondig of die lust had stuurman te worden en zoo ja, of hij zich dan maar dadelijk voor de afreis gereed wilde maken.
Andries was in de wolken! Stuurman worden,--vreemde landen zien! vreemde menschen ontmoeten;--dat leek hem toch iets anders, dan in een afgelegen huis zijn jeugd te verslijten.
Het gevolg was, dat nog geen uur later Pieter en Andries reeds afscheid namen en den weg naar Breda insloegen. In Breda aangekomen bestelde Van Halen voor beiden onmiddellijk een stevig middagmaal. Daarna gingen zij de stad in, om voor Andries een pak kleeren te koopen, want het was treurig, zooals de jonge man gekleed ging.
Uit den winkel komend gaf Andries zijn oude plunje aan een bedelaar, die er hem voor zegende met diep-ootmoedig gelaat, maar woedend het pak in het water smeet, zoodra hij uit het gezicht was.
Daar zij niet vóór den volgenden dag verder zouden reizen, hadden zij allen tijd, om eens naar de markt te wandelen en het turfschip te zien, waarmee Prins Maurits de stad verrast had. Ook het kasteel bekeken zij nog, bleven toen nog een poosje zitten babbelen en kropen al vroeg onder de wol.
[Illustratie]
DERDE HOOFDSTUK.
Een nieuwe reisgenoot.
Den volgenden morgen werd de tocht voortgezet, ook nu weer te voet, want het reizen met den postwagen was Van Halen, door de slechte wegen, zóó onaangenaam geweest, dat hij liever nog loopen wilde.
Tegen het vallen van den avond bereikten de reizigers een dorp; het was zeer gering, maar er was een pleisterplaats, hadden zij onderweg vernomen. Zij zochten er naar en vonden een klein huis, met een schuur en een stal.
In het eerste troffen zij een paar andere reizigers aan, die er slecht geluimd uitzagen, een jonge marskramer alleen uitgezonderd, die vruchteloos met zijn grappen de anderen aan het lachen zocht te maken.
Van Halen vroeg om avondeten.
»Avondeten?" zei de waardin. »We hebben geen tijd om voor de reizigers te koken; wij voorzien alleen in logies, goed logies en uitspanning. Maar u kunt bier krijgen."
»Dat ziet er slecht uit, jongen!" bromde Van Halen, bedenkelijk zijn neef aanziend.
»Och wat," zei de vrouw, »je kunt in het dorp koopen wat je verkiest en moogt het vrij in onzen oven koken. Da's toch mooi genoeg zou ik meenen!"
Zij zwierven dan door het dorp om mondbehoeften op te doen en het eind was, dat zij hun avondmaal deden met gebakken eieren en roggebrood.
Een bestevâar met roode konen, die een brandende lantaarn droeg, kwam de reizigers al zeer vroeg halen om ze hun slaapplaatsen aan te wijzen.
Zij volgden hem, tegelijk met de overige gasten.
Over een slikkerig erf, waar zij veel te doen hadden met hun voeten veilig neer te zetten, bracht het oudje hen in een koestal. Daar was aan weerszijden van elke koe een hoopje schoon stroo neergelegd, benevens een grooter stroobundel als peluw.
De oude man zag met vaderlijken trots op zijn werk neer. Van Halen was er minder mee ingenomen:
»Laat je Christenmenschen zoo maar tusschen het vee liggen?" vroeg hij ontstemd.
»Het is hard genoeg voor de arme beesten. Zij hebben nauwelijks plaats om zich om te draaien."
»Wat zeg je daar? Is het dan niet hard voor òns?"
»Voor jullie?" vroeg de oude verbaasd. »Wat zou er hards in zijn? Ik heb er mijn heele leven tusschen geslapen. En bekijk me vrij! Ik ben tachtig en heb al mijn dagen geen minuut hoofdpijn gehad, alleen maar van tusschen de koeien slapen. Je moogt dus liever van geluk spreken, zou ik meenen; koeienasem is tienmaal zoo gezond als de asem van Christenmenschen. Probeer het maar!" Meteen sloeg hij de staldeur dicht, zoodat ze in 't donker bleven.
»Neef, waar ben je?" riep Andries benauwd.
»Hier!"
»Hoe heeft u het?"
»Ik weet het niet; maar zoover ik gissen kan heeft het er veel van of ik al in den dut raak. En jij?"
»Ik zeg mijn avondgebed op."
»Dat is braaf van je."
»Neef, ik heb haast gedaan, och toe, ga nog niet slapen, 'k wou zoo graag nog wat praten ..."
»Rep je dan wat, voor dezen keer! want ik heb een gevoel (een geeuw!) of ik op een--warme--wolk in de lucht drijf."
»Neef?!"
(Een geeuw!) »Hola, hei! Is het tijd om op te staan?"
»Ongelukkig niet. Ik heb mij met bidden gehaast om nog wat te praten. We zullen voor den morgen bevroren zijn, zoo zonder dek."
»Wel, weet je wat je doen moet?"
»Nu?"
»Kruip bij de koe!"
»Dank je!"
»Begraaf je dan in het stroo," klonk nu de stem van den jongen marskramer, dien ze Thomas hadden hooren noemen. »Je moet wel pas in de wereld komen kijken om over zóó iets te brommen. Hoe zou het je bevallen, om in den nachtvorst op een slagveld te liggen, zoo als ik eens, spiernaakt, met niets om mij warm te houden dan het lijk van een kerel, dien ik den hoek had omgeholpen."
»Afschuwelijk! Vertel er mij alles van."
»Wel, wij hadden een kleine schermutseling aan de grenzen gehad en een overwinninkje behaald. (Want ik ben een poosje in den oorlog geweest.) Maar het kwam ons duur te staan; verscheidene voetknechten staken de beenen in de lucht, onder andere mijn persoon."
»Dood? Och kom!" zei Andries, die begreep dat het heele verhaal slechts op een onderhoudend verzinsel of belachelijke snoeverij zou uitloopen.
»Zoo dood als een pier! Stikvol lanssteken, tot het bloed uit me wegliep als de wijn uit een vat waarvan de duigen loslaten. Ik ben wel goed, dat ik mijn verhaal zoo uitvoerig doe, want--(een geeuw!)--ik ben slaperig (een geeuw!)--nu, waar was ik ook?"
»Je laagt voor dood op het slagveld te bloeden als een speenvarken, ik wil zeggen als een wijnvat of zoo iets. Verder, bid ik je, verder; het is zonde, midden in zoo'n mooie vertelling te gaan slapen."
»Dat is het ook," ging Thomas voort. »Nu, er kwamen eenige van die vagebonden, die gesneuvelde soldaten uitplunderen en dat gespuis haalde mij het laatste vod van het lijf; verder deden ze mij geen kwaad, omdat zij er niets aan hadden."
»Neen, je was dood."
»Goed onthouden! Dit moet tegen zonsondergang geweest zijn. 's Nachts kwam een vinnige vorst, die het bloed op mijn wonden deed stollen en al de stroompjes die mijn hart uitliepen stopte; en omstreeks middernacht werd ik als uit een schijndood wakker."
»En dacht je toen niet dat je in een heerlijk bed lag?" vroeg Andries, die hoe langer hoe meer schik in het verhaal kreeg, waarvan hij natuurlijk geen enkel woord geloofde.
»Daarvoor neep mij de kou te hard, jongenlief; buitendien hoorde ik aan alle kanten de gekwetsten kermen, dus wist ik, dat ik nog op mijn oude plaats was. Ik begreep dat ik den dag niet halen zou zonder deksel. Ik tastte in het rond, rillend en bibberend van de kou. Eindelijk, daar hield er ineens een op met kermen. Jij bent er geweest, zei ik, kroop naar hem toe en jawel, hij was dood hoor; maar warm, begrijp je!
»Ik nam het heer in mijn armen, maar was te zwak om hem te dragen en zoo rolde ik met hem in een droge sloot. En daar vonden mijn kameraden mij 's morgens, aardig wat door brandnetels gestoken en een dooden Spanjaard omhelzend, om het er levend af te brengen."
»Ach ja," zei Andries, »de oorlog is alleen vriendelijk voor wie er niet in geweest zijn."
»Watblief?"
»Ik zeg--wat zijn sommige menschen toch koelbloedig en onversaagd!"
»Nietwaar? Dus bij zulk soort van dingen--vergeleken--zijn _dit_ soort van dingen de hemel. Zacht,--warm--goed gezelschap, met een koe er bij als kameraad--wat--wou je--dan nog kla ...?"
De tong van den vroolijke verhaler kwam voor eenige uren tot rust.
's Morgens werd Andries wakker door een straal vocht die zijn oog trof en daar zag hij den snaakschen Thomas die de uier der koe als een spuit gebruikte.
»O, foei!" riep Andries, »is dat de kostelijke melk vermorsen!"
»Wel, laten we _die_ er dan mee vullen!" zei de kwant, een hoornen beker te voorschijn halend.
»Geef maar hier," zei Andries, »ik heb dat méér bij de hand gehad. Maar waarachtig, ik zie niet in, met welk recht we iets van haar melk ..."
»Breek je daar het hoofd niet over!" viel Thomas in. »De kameraad is vannacht niet zoet geweest, moet je weten; maar wat zou dat? Ware vriendschap ontslaat van plichtplegingen. Vanochtend nemen wij gelijke vrijheid met haar."
»Wel, wat heeft ze dan gedaan, het arme beest?"
»Mijn peluw opgegeten."
»Ha! ha!"
»Toen ik wakker werd, wist ik niet waar mijn hoofd gebleven was, tot ik het eindelijk vond, veel lager dan waar ik het gisteravond had neergelegd. Zij heeft ons kussen opgegeten, wij drinken ons kussen terug." Toen, zich tot de koe richtend: »Op uw gezondheid, mejuffer, en--zonder wrok."
»De oude paai had toch gelijk," zei Andries tegen Van Halen, die ook al wakker was. Ik ben nog zoo frisch niet opgestaan, in heel mijn leven, geloof ik. Laat ons voortaan altijd in een koestal overnachten, neef."
»Je vergeet, dat je zeeman wordt, beste jongen."
»Zeeman? wat 'n gelukskind!" riep Thomas.
»Zou je dat dan liever zijn dan marskramer?" vroeg Van Halen met belangstelling.
»Nu, dat geloof ik! 'k Heb me dan ook al een keer of vijf aangemeld, toen ik laatst een poosje in Rotterdam was, maar geen mensch wou me hebben. Ze denken stellig dat ik te veel eet!" liet hij er lachend op volgen.
»Als het je ernst is," zei Van Halen, »kun je wel een plaats op _mijn_ schip krijgen. Maar je zult, tijdens de eerste reis, met het baantje van scheepsjongen tevreden moeten zijn."
»U bent dus kapitein?" vroeg de jongen verrast. »Nu, wàt graag!" liet hij er verheugd op volgen.
»Zorg dan, binnen veertien dagen in Vlissingen te wezen. Je kunt in dien tijd meteen van je koopwaar af zijn."
»O, ik was juist zoo goed als uitverkocht. Dus wat dàt betreft zou ik dadelijk wel met u mee kunnen."
»Welnu, je kunt dan voorloopig mijn bediende wezen en zoo dadelijk met ons afreizen als je wilt."
Thomas was daar zóó verheugd over, dat hij oogenblikkelijk eenige van zijn laatste artikelen tegen verminderden prijs aan de waardin verkocht, het weinigje dat restte stopte hij in zijn knapzak en de leege mand gaf hij aan den ouden paai present, uit dankbaarheid voor het gezond logies, zooals hij lachend beweerde.
Weldra ging het drietal op stap en Thomas wist zóóveel grappen onderweg, dat de tijd als omvloog.
's Avonds kwamen zij aan een dorp nabij de Eendracht en Van Halen meende vandaar met de veerschuit naar Vlissingen te vertrekken.
Zij vonden vrij spoedig een herberg van een goed uitzicht, waar zij een behoorlijk avondmaal benevens logies konden krijgen.
»Tusschen de koeien?" vroeg Andries terstond.
»Neen, neen! we hebben twee ruime logeerkamers, tezamen met drie bedsteden!" zei de waardin.
Van Halen was echter zeer ontstemd, toen de waard hem vooraf om betaling vroeg. Niettemin voldeed hij aan het verzoek, maar alle drie waren zij verontwaardigd over de schandelijk hooge rekening, die de vent hem liet betalen.
Toen ze reeds op hun kamer waren (de beide jongelui hadden het vertrek met de twee bedden gekregen) pruttelde Thomas nog na: »Wat een afzetterij toch! Maar--misschien kan ik dat heer nog wel een poets spelen tot zijn straf, waarvan we schik zullen hebben!"
Hij rommelde wat in zijn knapzak en dolf er een fleschje phosphor uit op, waarna hij precies deed alsof hij iets op den wand ging schilderen.
Andries keek en keek, maar er kwam niets te voorschijn.
»Wat haal je toch uit?" vroeg hij daarom verbaasd.
»Even geduld, maat!" was het antwoord.
Opeens blies Thomas de kaars uit. Ze waren in het donker; en nu las Andries op den wand in geheimzinnig glorend vlammenschrift:
»Wee den afzetter!"
»Wat zeg je er van?" vroeg Thomas met zelfvoldoening.
»Alleraardigst!"
»Nietwaar? Maar nu is _mijn_ werk volbracht en wordt het jouw beurt."
»Dat is te zeggen....?"
»Wel, om de grap volkomen te maken moet jij nu den waard onder het een of ander voorwendsel op onze kamer zien te lokken."
»Dank je hartelijk!"
»Dan zal _ik_ gaan!" zei Thomas beslist. »De kerel heeft het dubbel en dwars verdiend, dat we hem een kleinen schrik bezorgen...."
»Dat ben ik met je eens! Maar toch--neen, laten we het liever niet doen!" gaf Andries in bedenking. »Mijn neef mocht het ons eens kwalijk nemen, en dat zou jij toch zeker óók minder aangenaam vinden, is 't wel?"
Thomas stond even in beraad.
»Je hebt gelijk!" zei hij toen. »Ik ben nog nauwelijks een dag in zijn dienst en mag het er dus niet op wagen, het nu al bij mijn meester te verkerven.--Allo, dan de kaars maar weer aan!"
Met behulp van Thomas' vuurslag en tonteldoos, benevens een eindje zwavelstok, gelukte dat, waarop beiden nog wat babbelden, tot de kaars schier geheel was opgebrand.
Zij hadden nog juist den tijd om er zich bij uit te kleeden, toen gaf zij den geest.
»Toch jammer dat de grap niet doorging!" mompelde Thomas, uit zijn bedstede nog even, met droomerige oogen, op de geheimzinnig glorende bedreiging starend, die nu weer zichtbaar was.
Meteen sliep hij in.
[Illustratie]
VIERDE HOOFDSTUK.
In ongelegenheid.
Daar men reeds November had was het nog donker, toen de waard 's morgens op de deur van Pieter van Halen's kamer klopte.
De kapitein was dadelijk wakker.
Daarop ging de man naar het andere logeervertrek, om ook de jongelui te wekken.
Thomas en Andries, wijl ze zoo laat naar bed gegaan waren, sliepen evenwel als egels in den winter.
Toen de waard dus op zijn herhaaldelijk geklop slechts een kreunend antwoord kreeg, deed hij eindelijk de deur open..... Maar hij gaf een schreeuw van ontzetting, toen hij daar plotseling het nog altoos glorend vlammenschrift in het oog kreeg.
»Tooverij!" riep de man ontsteld en holde als dol naar de gelagkamer.
»O, die schelmen! Ze hebben ons huis betooverd!" riep hij zijn vrouw toe.
De waardin, die juist het ontbijt voor het drietal klaar zette, stiet van schrik haast de olielamp om.
»Loop dadelijk naar den schout!" riep ze bevend. »Loop! en laat de deugnieten gevangen nemen!"
De waard snelde de deur uit.
»Weg schelmen, weg schavuiten!" gilde het vrouwmensch, toen de drie logeergasten zich een oogenblik later aan het ontbijt kwamen zetten. En overhaast nam zij de vlucht.
»Lieve hemel, wat scheelt je meesteres toch?" vroeg Van Halen aan den knecht die juist binnenkwam.
»Ik zou je raden, dat jullie je maar zoo gauw mogelijk uit de voeten maakt," zei deze gemoedelijk: »De baas is naar den schout; hij raasde en tierde, dat jullie zijn heele huis hadt betooverd."
De kapitein haalde de schouders op. Toch zette hij de jongelui tot spoed aan; hij wenschte liever niet in moeite te komen, wijl dit maar oponthoud geven kon.
Toen de waard met den schout en twee dienders in de herberg terugkwam, waren de logeergasten dan ook reeds verdwenen.
In allerijl repten de drie reizigers zich naar de rivier.
Op hun navraag kregen zij daar tot hun groote teleurstelling ten antwoord, dat de veerschuit al voor een half uur vertrokken was en zij, voor de eerst volgende, tot den namiddag dienden te wachten.
Dat zag er dus gek voor hen uit, te meer wijl inmiddels de dag reeds was aangebroken.
Langzamerhand verzamelde zich een hoop volk rondom het drietal en na heel veel vragen bood eindelijk een oud man met zijn twee zoons hun zijn schuit aan.
Een der omstanders vond het bespottelijk.
»De stroom is te sterk voor drie man op de riemen," meende hij.
»Dan zal ik helpen roeien!" verklaarde Van Halen.
»Dat behoeft niet," zei de oude man. »De vent spreekt alleen uit afgunst; hij is de eigenaar van de andere schuit."
Er was een stijve koelte en zij hadden vlak voor den wind; de schipper zette een breed zeil uit en, tegelijk roeiend, staken zij met een goeden gang van wal.
De stroom maakte veel bochten en daardoor kregen zij af en toe den wind op zij. Dan gingen allen aan loef, om te beletten dat de schuit te sterk overhelde, behalve een kind van omstreeks een jaar of vijf, de kleinzoon en lieveling van den schuitenvoerder. De guit was, een oogenblik voor zij aan wal staken, aan boord geslopen en daar hij te licht was om verandering in de vracht te brengen, beschouwden zij hem als boven, of liever als onder het reglement.
Zij zeilden lustig voort, onbewust dat zij vervolgd werden door den schout, den waard uit de herberg en twee dienders, schoon hun vervolgers hen begonnen in te halen; want was de wind sterk, de stroom was het niet minder.
Opeens vroeg een der jonge schippers aan het kleine appelgezicht, wat hem toch scheelde.--Zijn neefje was namelijk met een hangend lipje bij het roer gekomen en toen in tranen uitgebarsten.--Hij deed hem allerlei vragen, eerst op vleienden toon, daarna kortaf: Of hij zich gestooten had? Of hij geschrikt was? Of hij het koud had? Of hij misselijk was? Of hij mal was?
Op alles gaf het kind een onveranderlijk »hu! hu! hu!" tot antwoord.
»Weet ook een van jullie, wat den kleinen schreeuwleelijk scheelt?" bromde de schipper ongeduldig.
»Kijk liever dezen kant eens uit," zei zijn broer. »Begrijp jij soms wat ze daar nazitten?"
De oude man en zijn andere zoon keken en zagen toen vier mannen, die op den Oostelijken oever voortgingen.
Zij hielden even op met roeien en staken aan het stuur de hoofden geheimzinnig bij elkaar, beurtelings blikken op hun passagiers en op de voetgangers werpend, die ze reeds herkend hadden.
Beter dan zich in bespiegelingen te verdiepen was het hun echter geweest, wanneer ze getracht hadden het geheim van het appelgezicht te doorgronden.
»Als het is zooals ik vrees," fluisterde een der jonge schippers, waarom hun dan geen kans gegeven om te ontsnappen? Laat ons op den rechterwal aanhouden."
De oude man weigerde beslist.
»Ben je gek, moeten wij ons last op den hals halen voor vreemden? Neen, laat ons liever naar bakboordzij sturen: houd het altijd met den sterken arm! dat is mijn leus. Wat zeg jij, Willem?"
»Ik zeg, vader, dat je voor mijn part kunt doen wat je wilt!"
Een windvlaag maakte op de onpartijdigste wijs een eind aan de oneenigheid van den ouden en den jongen schipper. Het kleine vaartuig ging overzij, de mannen sprongen aan loefzij om het in evenwicht te houden, doch zagen op hetzelfde oogenblik tot hun schrik, dat aan lij een plas water de schuit van het eene eind tot het andere vulde. En in 't volgend oogenblik zagen zij niets meer, maar zij voelden den stroom, den kouden snellen stroom.--Het appelgezicht had de prop uit het hoosgat getrokken.
De dienders wonden de touwen van hun middel.
Van Halen en Thomas konden zwemmen als een eend, doch zelfs de beste zwemmer moet, wanneer hij met een schuit omslaat, vóór hij zwemmen kan, eerst zinken.
Het donkere water borrelde boven hun hoofd, toen kwamen zij boven, voor een oogenblik bijna doof en blind. Terstond daarop zagen zij echter alle twee de schuit het onderst boven en menschen die er zich aan vasthielden. Zij schudden hun hoofden als poedelhonden en zwommen er naar toe, uit een zekere onberedeneerde navolgingsdrift, maar eer zij het vaartuig bereikten, hoorden zij achter zich een stem die niet luid maar met diepe droefheid riep: »Vaarwel, het is gebeurd met me!"
Zij keken om en daar was de arme Andries bezig met te zinken, wijl hij in 't geheel niet zwemmen kon. Zijn gezicht was bleek en zijn wijd open oogen stonden met een wanhoops-uitdrukking naar zijn vrienden gewend.
Thomas en Van Halen zwommen naar hem toe, als dollen het water doorklievend, doch eer zij hem bereikt hadden, zonk de arme jongen.
Van Halen dook naar hem. De gerechtsdienaars knoopten eenige touwen aan elkander en wierpen het eind van de lijn in het water.
De kapitein deed een greep en Andries voelde zich met zulk een krachtigen ruk opgetild, dat hij met het halve lijf boven water kwam.
»Grijp mij nu niet beet! Grijp me niet beet!" riep Van Halen, in grooten angst dat Andries dien noodlottigen misgreep zou doen.
»Wees niet bang!" gorgelde Andries.
Toen Van Halen zag dat zijn neef begrip van den toestand had, herkreeg hij onmiddellijk zijn moed en bedaardheid weer.
»Op je rug!" zei hij bits, en een slag vooruit doende, hielp hij tot de vereischte beweging.
»Je hand op mijn schouder!... Mooi zoo!"
»En op _mijn_ schouder je andere hand," zei Thomas nu.
Het gelukte en moeizaam worstelden de beide zwemmers toen dwars door den stroom. Slechts een oogenblik hadden zij geweifeld welken kant uit te zwemmen, zonder het noodlottig belang van een zoo eenvoudige keuze te weten: toen, ziende dat de westelijke oever een weinig nader was, zwommen zij daarheen, in plaats van als zoete jongens naar de gerechtsdienaars te zwemmen en zoo een nieuw avontuur tegemoet te gaan.