De vlegeljaren van Pietje Bell

Part 9

Chapter 93,905 wordsPublic domain

Jacob rolde zich in zijn bed en hield zich slapende, terwijl Piet zich stijf tegen den muur drukte, naast de deur.

De voetstappen hielden stil ... een luikje werd geopend in de deur en de electrische stralenbundel van een zaklantaarn viel op Jacob's gezicht.

't Licht verdween weer ... 't luikje klapte dicht ... de voetstappen gingen weer verderop.

Piet en Jacob wachtten nog even, tot het geluid der voetstappen verstorven was.

"Luister," zei Piet zachtjes, toen Jacob weer uit het bed gekomen was. "Trek zoolang mijn overjas aan, ik zal om ieder been van je een laken winden, bij wijze van schoen, snap je?"

Jacob liet zich door Piet bekleeden en daarop deed deze hem zijn eigen overjas aan.

Geluidloos kropen ze door de opening van het venster en daalden de brandladder af.

Ruim tien minuten lang liepen ze zwijgend langs de trambaan, toen ze aan een andere halte kwamen, waar een wachtershuisje stond.

Beiden hadden het erg koud en waren doornat.

Piet bemerkte tot zijn groote vreugde, dat de deur van het huisje niet eens gesloten was.

Ze traden er voorzichtig binnen.

De baanwachter was natuurlijk al lang naar bed en had zijn kacheltje met kolen opgeladen, om de warmte in het wachthuisje te bewaren.

Piet stookte het vuur wat op, dat dra begon te snorren en bij die warmte droogden ze hunne doorweekte kleeren.

"En hier hangt me zoowaar een baanwerkerspak aan den muur," zei Piet. "Trek het aan, Jacob, ik zal wel wat geld hier neerleggen voor den eigenaar, hoewel het heele stelletje geen twee kwartjes waard is."

"Het is mij wel honderd gulden waard," zuchtte Jacob. "Wil je mij mee naar je huis nemen, Piet?"

"Natuurlijk," zei Piet, "maar vertel me nu eerst eens, hoe jij in dien gekkenboel verzeild geraakt bent! Toen ik je briefje kreeg, dacht ik eerst, dat het veel leek op een dubbeltjes-roman, en toen weer, dat het een mop van je was, maar nou begin ik toch weer sterk aan den dubbeltjes-roman te denken."

"Wel, het lijkt er een beetje op," zei Jacob. "Men zou niet denken, dat in ons landje in deze beschaafde wereld, zulke dingen konden gebeuren, maar ik zal je bewijzen, dat het nog wèl kan."

"Best, maar kleed je eerst in dit werkpak, dan kunnen we onder 't loopen wel praten."

Buiten gierde de wind, maar de regen verminderde gaandeweg.

Jacob had de lakens ineengerold onder den arm en zonder verder tijdverlies verlieten de jongelieden het wachthuisje.

"Je moet dan weten," begon Jacob, terwijl ze de trambaan volgden, "dat ik een Grootvader heb, die zóó gelukkig is geweest in den handel in Javasuiker, dat hij schatten op schatten gestapeld heeft en wel millionair zal zijn. Nu heb ik het ongeluk, zijn erfgenaam te zijn en zijn naamgenoot, dus wanneer Grootvader sterft, erf ik het grootste deel van zijn eigendommen."

Een andere zoon van Grootvader, mijn vaders broer, heeft zich vroeger aan bedrog schuldig gemaakt en werd onterfd.

Dat is mijn Oom Karel.

Die Oom Karel heeft zich later met Grootvader in zooverre verzoend, dat, als ik niet instaat ben, de erfenis te aanvaarden, deze zal overgaan op Oom Karels kinderen.

Wel, Grootvader is ernstig ziek geworden en zal waarschijnlijk wel sterven, en toen heeft Oom Karel de familie-raad bijeen geroepen en mij geestelijk ziek verklaard. Ik denk, dat hij aan alle tantes, neven en nichten aanzienlijke geldsommen beloofd heeft, want plotseling verklaarden allen mij voor ontoerekenbaar en ze hebben mij eergisteren, zonder er ook maar één dokter bij geraadpleegd te hebben, naar het Sanatorium gebracht. Ik denk, dat het in Oom Karels plan lag, mij hiervandaan stilletjes naar een afgelegen oord in het buitenland te transporteeren, alleen maar om zich meester te maken van die erfenis. De man, die jou het briefje gaf, was een ontslagen patient, die meelij met mij had en je het papiertje zou geven, zonder dat iemand het bemerkte.

En nu weet je dus, hoe ik in die inrichting kwam.

"Maar ik weet zeker," zei Piet, "dat niemand in zulk een inrichting opgenomen kan worden zonder een verklaring van een dokter."

"Wel, iemand als mijn oom Karel deinst voor niets terug.

"Hij had de verklaring zelf opgesteld onder den naam van een zekeren dokter Moolerheide, die natuurlijk heelemaal niet bestaat."

"Dat wordt een groote rechtszaak," zei Piet. "Als je wilt, gaat je oom met de familie achter de tralies!"

"Niets daarvan," zei Jacob. "Ik zal je later wel vertellen, wat mijn verdere plannen zijn."

Na ruim drie uren geloopen te hebben, hadden zij de stad weer bereikt en waren spoedig daarna bij Piets woning aangekomen.

Piets ouders waren niet weinig verbaasd, toen hun zoon den volgenden morgen een slaapkameraad meebracht aan de ontbijttafel.

Maar Jacob verklaarde met een paar algemeene en weinigzeggende woorden, dat hij "onaangenaamheden" met zijn familie had gehad en daarvoor Piets gastvrijheid had ingeroepen.

Jacob vertrouwde Piets ouders natuurlijk wel, maar wenschte voorloopig in het geheel niet over de zaak te spreken, daar zou later altijd gelegenheid voor zijn. Uit bescheidenheid drongen Vader en Moeder Bell dan ook niet op verdere uitlegging van het geval aan.

Ze vertrouwden Piet ten volle en later zou deze wel alles verklaren.

Zoo werd het dan afgesproken, dat Jacob voor enkele dagen hun gast zou zijn.

"Zeg, Piet," vroeg Jacob hem, "weet jij niet op een handige manier aan wat kleeren en ondergoed van mij te komen?"

"Waar is dat?"

"Wel, op mijn kamer in Oom Karels huis. Je bent er immers laatst nog geweest?"

"O zeker, dan weet ik er alles van. Hoe laat komt je Oom gewoonlijk thuis?"

"Zes uur 's avonds. Maar mijn neef en nicht, Gerrit en Lucie, zijn meestal om vijf uur al binnen."

"Best ... ik zal wel een maniertje verzinnen. Hebben jullie datzelfde dienstmeisje nog, die zeven kanten tegelijk uitkijkt?"

"Bertha ... ja, die is er nog."

"Mooi, vanavond heb jij je kleeren."

Dien middag belde Pietje bij Jacobs vroegere woning aan.

Het dienstmeisje, dat "zeven kanten tegelijk uit keek", deed de deur open.

"Dag Bertha," groette Piet vriendelijk.

"Dag meneer Bell," sprak Bertha met slissende tong, "meneer Jacob is uit de stad."

"Dat weet ik," zei Piet snel, "en hij stuurt mij hierheen, om wat kleeren en ondergoed te halen, want hij heeft daarvan niet genoeg bij zich. Jacob heeft mij gevraagd, dat voor hem in te pakken en op te zenden."

"O, dat is heel goed," zei Bertha, die klaarblijkelijk van de heele zaak niets wist en werkelijk in den waan verkeerde, dat Jacob "uit de stad" was.

Piet begaf zich naar boven, had in tien minuten Jacobs koffer gepakt en was er spoedig mee verdwenen.

Maar dienzelfden avond kreeg Pietje bezoek van Jacobs Oom.

Hij was zeer deftig gekleed en vroeg aan Vader Bell, of Jacob daar ook was.

Vader zei, dat hij eens zou gaan zien, maar ging natuurlijk de jongelui waarschuwen. Piet kwam met Vader naar beneden en deed zeer vriendelijk.

"U is Jacobs vriend?" vroeg de bezoeker scherp.

"Dat ben ik," zei Piet welgemeend.

"En u heeft dezen middag zijn koffer met kleeren weggehaald?"

"Dat heb ik," zei Piet met 'n lichte buiging.

"Wie gaf u daar het recht toe?"

"Het recht? Dat weet ik niet. Ik deed het op Jacobs verzoek."--"Op Jacobs verzoek? Is hij dan hier?"

Piet schudde het hoofd, had er schik in, den intriganten oom om den tuin te leiden.

"Hier geweest," zei hij. "Een uur geleden vertrokken naar Amsterdam."

"Hoe laat kwam hij dezen morgen hier?"

"Ongeveer tien uur ... en hij had een inspecteur van politie bij zich."

Oom Karel werd wit.

"Wat ... wat vertelde Jacob u?" vroeg hij.

"Zeer weinig," zei Piet. "Alleen meende ik hem te hooren zeggen, dat hij een schurk achter de tralies ging zetten ..."

De bezoeker voelde zich lang niet op zijn gemak en dacht even na.

De jongen was dus naar Amsterdam ... bepaald de familie daar gaan opzoeken, maar die waren ook in 't spel. Ze zouden dus Jacob wel vasthouden en daarom zou het maar het beste zijn, dat hijzelf er alvast heen ging, om den lastigen jongeling weer terug te brengen. Maar als Jacob de politie erin had gehaald, stond de zaak leelijk.

Zonder verder een woord te zeggen, draaide Oom Karel zich om en verliet den winkel.

Piet ging weer naar boven, waar zijn vriend hem in angstige spanning wachtte.

"Wel, wat zei hij?"

"Ha-ha-ha," lachte Piet. "Die is voorloopig je spoor kwijt. Ik vertelde hem, dat je vanmorgen hier gekomen was met een inspecteur van politie en toen werd hij zoo wit als een ijsbeer ... en ook heb ik maar gezegd, dat je naar Amsterdam was gegaan ..."

"Je hebt me zoo prachtig in deze zaak geholpen, Piet, dat ik je er mijn leven lang dankbaar voor blijf."

Jacobs lippen trilden en zijn mondhoeken trokken zenuwachtig.

"Dat ellendige ... vervloekte geld ..." vervolgde hij met bevende stem ... "wat maal ik er om ... waarom laten ze mij niet met rust? ... laten zij hun centen houden ... ik ben gelukkig met m'n boeken ... met m'n werk ..."

Hier barstte Jacob eerst recht in snikken uit; hij had de laatste dagen ook zooveel verschrikkelijks doorleefd zònder een klacht te uiten of een traan te laten ... maar nu kwam het los ... het opgekropte, het ingehouden verdriet over het groote onrecht, hem aangedaan ...

Piet begreep het gevoelen van Jacob ten volle en liet hem stil begaan.

Hij legde zijn hand op Jacobs schouder en zei:

"Kom, ouwe jongen, laat jij oom Karel en zijn heele kliek naar de maan loopen. Als ik jou was, keek ik ze nooit weer aan en zocht mijn eigen weg. Je hebt je kleeren en je hebben en houwen in je koffertje ... de wereld ligt voor je open ... het eenige, wat je te doen hebt, is te werken ..."

Jacob glimlachte zoowaar weer.

"Piet, wat zou jij dan doen ... ik bedoel ... waarheen? ..."

"O lala ... China ... Japan ... Lutjebroek ... Amerika ... doet er niet toe. Overal wordt brood gebakken. Maar hier moet je vandaan ... zoo gauw mogelijk. De oudelui en ik zullen je wel helpen."

"Beste kerel, hoe kan ik je ooit danken?"

"Door mij altijd 'n brief of 'n kaart te sturen."

"Is dat alles?"

"Door steeds m'n vriend te willen zijn."

"Graag, Piet, graag."

"Uitstekend, afgesproken ... En nou haal je je asjeblieft geen onnoodige zorg of angst in je hoofd, terwijl ik weg ben--want ik moet alweer naar m'n redactie-bureau--en je amuseert je maar met m'n boeken, d'r staan er genoeg."

Een week later was Jacob, de erfgenaam van een millioen, aangenomen als bediende op een Amerikaansche boot.

Het afscheid tusschen hem en Piet was hartelijk.

Jacob beloofde, voortdurend Piet op de hoogte te houden.

"Want," had Piet gezegd, "terwijl jij in veiligheid bent, Jacob, zullen Vader en ik een oogje in 't zeil houden, je begrijpt me, he?"

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE IJSCLUB EN DE SOIRÉE VAN DE VROOLIJKE BENDE.

De winter, die tot half Januari het menschdom vergast had op de eene regenbui na de andere, soms afgewisseld met wat natte sneeuw, begon zich op den zestienden van een anderen kant te laten zien.

Den avond te voren waren de straten nog nat en modderig van de aanhoudende regens, maar des nachts draaide de wind naar het noorden en begon het opeens zoo sterk te vriezen, dat de straten weldra ijsbanen leken en het verkeer groote moeilijkheden opleverde.

Het was Zaterdag en dus wat drukker dan gewoonlijk, wat nog meer verwarring gaf.

Het was zoo glad, dat Piet--die bovendien zich dien morgen nog verslapen had en zeer gehaast was--twee stappen achteruit gleed als hij er één voorwaarts deed.

Hij draaide zich dus om en liep weer naar huis en bereikte op die manier de Morgenpost-bureaux.

Een paar dagen vroor het buitengewoon en Piet vertelde aan zijn ouders, dat het zoo koud was, dat de ijskegels aan zijn vulpenhouder hingen, als hij er mee schrijven wou.

Het duurde dan ook niet lang, of de groote plassen buiten de stad openden hun ijsbanen en weldra wapperde de driekleur van de vele rieten tentjes, waar heete anijsmelk, korstjes en polkabrokken verkocht werden.

Waar er maar een gelegenheid van openbaar vermaak was, kon men de Vroolijke Bende vinden.

De jongelui van de club hadden "gezelligheid" tot een van hun grootste deugden gemaakt en ze zochten elkaar dan ook altijd weer op.

Zelfs wanneer een hunner een apart uitgaanspartijtje had, noodigde hij altijd een der anderen uit, met hem mee te gaan en zoo was het niet meer dan vanzelfsprekend, dat Piet den volgenden Woensdagmorgen Mien Kuijer opbelde.

Mien was thuis en nam bij het weerklinken van de schel de telefoon van den haak.

"Hallo ... wie daar?"

Piet hoorde dadelijk aan de stem, dat Mien het was.

"Hallo Mientje ... Pietje Bell!"

"O ben jij 't, Piet? Wat scheelt er aan?"

"'n Heeleboel, kind. Ik heb vanmiddag vrij en ga naar de ijsclub. Heb je zin om mee te gaan?"

"Nou, asjeblieft ... Dolletjes ... Wacht even, 'k zal Moes vragen."

Piet wachtte even, maar gauw kwam ze weer terug.

"Hallo Piet ... ben je daar?"

"Heelemaal. Wat zei Hare Majesteit?"

"'t Is goed, Piet, kom je me halen?"

"Met de stafmuziek. Kan je zwieren?"

"Beter dan jij?"

"Dat doe ik met je. Nou, om twee uur dan. Dag zwierbol!"

"Dag idioot, kom niet te laat hoor. Anders ga 'k met Harry."

"Moest je 't hart eens hebben ... Dag wurm!"

Precies twee uur was Piet present.

Hij had zijn blinkende kunstrijders-schaatsen over den schouder, 'n pet en 'n wit wollen sporthemd stonden hem flink bij de korte pofbroek en de sportkousen. Met z'n gezond, door de kou frisch-rood gekleurd gezicht was hij het type van den fikschen, kerngezonden Hollandschen jongen.

Mien had een witte baret en een wit manteltje, waarover haar kastanje bruine lokken met 'n witten strik bijeengebonden, neerhingen.

"Wel Piet," zei Miens moeder, "dat is nu eens aardig van je, om Mientje te komen halen."

"Och," zei Piet, "alleen heb je er weinig aan, en wij leden van de Vroolijke Bende houden van gezelligheid."

"Misschien zien we de rest van de Bende ook nog op de ijsclub," giste Mien.

"Daar heb je kans op. Ik hoop het."

"Waarom? Heb je aan mijn gezelschap niet genoeg?" pruilde ze.

"O jawel, maar hoemeer zieltjes, hoemeer vreugd. En dan heb ik ook nog een kansje om eens met Marie van Zanten te rijden. Die zwiert fijn."

"En ik met Harry," plaagde Mien. "Die trekt je zoo heerlijk mee!"

"Wel, om te beginnen zal ik je maar meetrekken," lachte Piet, "want we staan hier mooi onzen tijd te verpraten."

"Dag schàttemoes," riep Mien en ze vloog haar moeder aan, of ze voor goed op reis ging.

"Dag kinderen, amuseer je. En om zes uur thuis Mien. Zal je ervoor zorgen, Piet?"

"In orde, mevrouw. Ik zal ze in vloeipapier pakken en niet kreukelen. Of anders plak ik wel een postzegel op haar gezicht en stop ze in een brievenbus."

Lachend gingen ze op stap, beiden verlangend naar de heerlijke ijsbanen.

Vertrouwelijk stak Mien haar arm door dien van Piet en zoo wandelden ze naar de halte, vanwaar ze de tram namen naar de ijsclub.

De vier banen van de ijsclub waren over de geheele lengte met vlaggen versierd. Het was koud, maar stil, helder weer en de vroolijke muziek van het Huzaren-regiment weerklonk over de vlakte, waar reeds honderden rijders van het mooie ijs genoten.

Zooals het een beleefden en galanten jonkman betaamt, bond Piet de schaatsen voor Mien aan.

Ze zat op een stoeltje, terwijl hij geknield de schaatsen vastmaakte.

"Au, niet zoo stijf, duvel!" riep ze.

"Kom ze moeten stevig zitten, anders rij je ernaast."

"Nou ... wacht even ... ja, zoo is 't goed."

"Tot uw dienst, Hoogheid."

Daar kwamen zoowaar Flip en Marie aanzwieren.

"Bonjour luidjes," riep Flip hen toe. "Harry en Spinnetje zijn ook aan 't krabbelen. We zijn dus al met ons zessen."

"Is de baan goed?" informeerde Piet, die zijn slachtoffer losliet en een paar sierlijke krullen maakte, om zijn schaatsen te probeeren.

"Buitengewoon fijn ... geen geultje en geen krasje."

"Kom mee, Mien," inviteerde Piet. "Eerst maar een baantje om!"

Ze kruisten de armen en met breede, krachtige slagen voerde Piet haar met zich mee.

"Gut, wat zwier jij," riep Mien, "dat kan ik niet."

"Larie ... kan iedereen ... Zet je voeten buitenwaarts neer. Juist zoo ... zie je nou wel? Rustig aan nou ... fijn."

Zoo zweefden ze over de ijsbaan, naijverig nagekeken door menigeen.

Aan het einde van de baan kwam Harry hen een eindje tegemoet.

"We zullen een lollig stelletje beleven," vertelde hij hun. "Eetje is op de baan verschenen. Hij heeft een compleet sport-costuum, maar heeft nog nooit gereden."

"Wat ... heeft hij nog nooit schaatsen gereden?" vroeg Mien verbaasd.

"Neen ... dit is de eerste maal. Hij wou niet voor de anderen onderdoen en is daarom ook maar gekomen."

"Stil ... daar komt hij."

Als een levende reclame voor zijn Vaders zaak kwam Eduard aankrabbelen.

Zijn lichtgrijs sportkostuum sloot hem nauw om de magere leden, de pet leek wat te groot, en de handen had hij gestoken in roodbruine glacé handschoenen, die te meer in 't oog liepen, omdat hij voortdurend met de armen in het rond zwaaide.

Lachend om zijn eigen armen- en beenengemaai naderde hij de anderen, slippend, struikelend en cirkels in de lucht teekenend ...

"Dég lui! Ook op de schétsen véndég?"

"Nee, heelemaal niet, we loopen stelten," zei Piet.

"Je rijdt al aardig, Ee," zei Mien.

"O, 'k begin pés ... Mér 't gét best ... 't gét best ... En tegelijk gleed Eetje onderuit en smakte met z'n zit-vlak een ster in 't ijs.

"Zeker," zei Flip, "'t gaat best."

"Zal ik een baantje met je rijden?" vroeg Piet, daarbij de anderen een knipoogje gevend.

"Heel grég, Piet, heel grég."

"Hou vast dan ... nee niet zoo ... bee jij betoeterd!! Armen gekruist. Nou, sla uit je linkervlerk ... mooi ... nou je rechter ... nee, bee-je gek, niet allebei tegelijk!"

"Ho-ho! ... ik vél...." sidderde Eetje.

"Nee, je valt niet, ik heb je vast ... zet maar niet zoo'n benauwd gezicht ... Komaan ... een-twéé ... een-twee ..."

Geholpen door Piet ging 't nu vrij goed, maar toen ze bijna aan 't eind van de baan waren en een stevig vaartje hadden, liet Piet Eetje opeens los en gaf hem nog een flinken zet, waardoor de hulpelooze jongeling als een pijl uit den boog voortvloog en met wijd-geopende armen op de massa toeschouwers afschoot.

Hij werd met een hoera-tje opgevangen en sloeg zijn armen om een dikke dame, vergeefs een steunpunt op het gladde ijs zoekend.

"Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!" riep de dame, die door Eet je bijna gewurgd werd.

Alle omstanders gierden het uit.

"Ik ... ik kan niet!" hijgde Eduard en bleef almaar uitglijden en krabbelen, steeds de dame om den hals hangend.

Maar daar kwam de echtgenoot van de dame te hulp.

"Laat los!" bulderde hij en tegelijk greep hij Eetje in de lenden, tilde hem op en duwde hem met een flinke vaart over de ijsbaan.

Eetje gleed op één schaats voort, 't andere been omhoog houdend en weer met beide armen wijd uitgestrekt, totdat hij wat teveel achter-overhelde en met een duidelijk hoorbaren smak een tweeden ster op het ijs maakte.

Eduards zitdeelen waren door deze athletische toeren zóó beschadigd, dat hij van verdere pogingen afzag, en op dezelfde plek zijn schaatsen afbond. Daarna voegde hij zich maar bij de toeschouwers.

De Vroolijke Bende bleef rijden, tot het donker begon te worden en ging toen in een groepje huiswaarts.

"Wanneer wordt onze Soirée nu gehouden?" vroeg Mien.

"Over drie weken," zei Harry, "ik heb vanmorgen den Schouwburg gehuurd."

"Dan mogen we wel voortmaken met ons programma."

"Wel, het tooneelstukje zit er al bijna in en voor de rest hebben we de aparte nummers maar in te vullen."

Pietje had voor de winter-soirée van de club een tooneelstukje geschreven, een klucht in twee bedrijven.

Gedurende de laatste vier weken hadden de leden het ijverig onder zijn leiding ingestudeerd en het beloofde wel een succes te worden.

Hij had het speciaal voor de leden van de club ineengezet en voor ieder een geschikte rol geschreven.

Harry zou de huisheer zijn en Marie de huisvrouw, Mien hun groote, kattige dochter, Jannetje de Boog een voorname huurster, Eetje een verwaand kostganger, Flip een reiziger in wijn en hijzelf een Engelschman, terwijl voor Spinnetje, die weinig speeltalent bezat, de rol van dienstmeisje was bestemd.

"Vergeet niet de repetitie van morgenavond," zei Piet.

Vroolijk babbelend over de komende soirée kuierden ze gezellig naast elkander voort, tot ze weer de tram konden nemen naar huis.

Galant bracht Piet zijn dame weer thuis.

"Wel bedankt Piet," zei Mien. "Gaan we morgen weer?"

"Op je kattenoogen! Wat denk je, dat ik wel ben ... Millionair? 'k Moet werken hoor. Dag garnaal!"

Toen Piet dien avond thuiskwam, lag er een brief voor hem.

Een brief uit Amerika! Van Jacob natuurlijk!

Haastig verbrak hij het couvert en las:

New-York, 2 Januari 19....

Riverside Drive 1490

Beste, trouwe Vriend!

Hier is dan m'n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt, Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, en je beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was dan ook meer dan erg.

Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest, waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had, bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn middelen zeer beperkt waren.

Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend, wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo'n groote kerel als ik, als een klein kind aan het huilen.--Wel Piet, en na die huilpartij voelde ik me opgelucht en m'n angst was verdwenen.--Wat drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met gereedschappen hebben moest. "Een dollar," zegt hij--en ik betaalde hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels, lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar.

Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna drie dollars per dag.