De vlegeljaren van Pietje Bell

Part 8

Chapter 83,964 wordsPublic domain

"Jongen kaikeris watten faine ridder ..."

"'t Laikt Piek & Clompenburg wel, Mie."

"Mot je bai 't bruidspaar weese, meheer?"

Piet zag zich spoedig door de steegbewoners omringd.

Het draaiorgel jengelde zonder ophouden.

Het was moeilijk, zich verstaanbaar te maken.

"O heere-m'n-tijd, Kee!!!" gilde een schommelende vischvrouw, "hij komp om een piereverschrikkertje!!! Lussie ook koekies, mooie kanebraaier?"

"Zeg 'm maar," riep Kee van verre uit een raam, "dat-ie de zon in z'n nek laat schijnen, dan krijgt-ie nog wat warms in z'n lijf."

Piet, als altijd vatbaar voor humor, schoot in een lach en keek naar de vriendelijke spreekster, die haar tong tegen hem uitstak en een langen neus maakte. Toen vroeg hij:

"En waar woont nu het bruidspaar?"

"Linksom en je neus achterna, meheer."

Piet wendde zich links en zag een versierde deur, waarop een hevig verguld schild getimmerd was, dat te lezen gaf:

Hulde aan bRuiT en bRuiDegoM

Piet wreef eerst zijn oogen een paar malen uit, omdat hij dacht, dat het Russisch was, maar ten slotte ontcijferde hij het toch.

Een tienjarig meisje in een stijfgestreken jurkje, en met witte, veel te groote handschoenen, die over de toppen der vingers neerhingen, opende hem de deur en vroeg:

"Mot u hier weese?"

"Ik denk het wel," zei Piet. "Ik ben van de krant."

Waarop het kind een paar stappen deed in de richting van de trap, beide handen aan de mond zette, om het geraas van boven te overstemmen en schreeuwde:

"Oomè!!! ... Oome Hain!! ..."

"Wel, wat mot-je?" klonk het minzaam van boven.

"Oome ... hier is een man voor de krante ..."

"Krante? Me hebbe geen ouwe krante ..."

Piet deed een stap nader.

"Ik ben van de Morgenpost," verklaarde hij.

"O ... da's andere koffie ... 'k Doch dat je 'n krante-jood was."

"Kom maar bove ... kee-je de trap zien?"

"Dat gaat wel," zei Piet, op den tast in het donker naar de eerste trede zoekend.

"Nee," klonk het weer van boven, "daar is de trap niet ... dan mot-je nog een beetje verder doorloopen..."

"O..." zei Piet, die vrij dwaas in het donkere portaal met z'n rechterbeen stond te zwaaien.

Toen klom hij naar boven, waarbij een vettig touw hem als leuning diende.

Boven, waar het weer lichter was, zag hij een klein kamertje, versierd met schreeuwend-helle kleuren, benauwd, vòl rook, vòl menschen ...

Flesschen en glazen en kopjes op de tafel.

Twee ouwetjes--beduusd door de ongewone herrie--stil in een groengemaakt hoekje, waarboven alweer zoo'n schild prijkte, vermoedelijk door denzelfden artist vervaardigd.

"Kom d'r in, meheer," zei dezelfde stem, die hem aan de trap met "krantejood" betiteld had.

"Goeiemiddag," zei Piet, "en is dáár het bruidspaar?"

"Ja, 't benne me grootvader en me grootmoeder, vijftig jaar getrouwd. Hier vader, hij is van de krant."

Dit laatste schreeuwde hij den ouden man toe, die zeer doof bleek te zijn, en wees op Piet.

Deze drukte de oudjes de hand en kreeg een stoel naast hen.

Ze zeiden niets en keken maar naar de rumoerige familieleden, die kris-kras door elkaar redeneerden en daarbij den inhoud der flesschen in de glazen en daarna in hun monden lieten verdwijnen.

De mannen zaten in hun hemdsmouwen en rookten zwarte sigaren, de vrouwen bespraken familie-zaken en haalden de afwezigen over den hekel, buiten jengelde het draaiorgel onvermoeid door en er doorheen huilde een lastige zuigeling.

"Een heele feestdag," zei Piet tot den ouden bruidegom, om maar wat te zeggen.

"Zoowat twee uur, denk ik," was het antwoord van den man, die het natuurlijk niet verstaan had.

"Ik zeg ... een heel féést ..." sprak Piet nu wat luider.

"Zoo ... kom je van Weesp?"

Piet gaf het op, bovendien werd zijn aandacht afgeleid door een der Ooms, die al een merkwaardig aantal malen zijn glas gevuld en weer geledigd had en met luider stem zijn meening over de familie zei.

"Nou ... en jullie magge 't allemaal hoore ... ik ben van geen mens bang ... Oom Tinus heit ze allemaal praatjes waisgemaak ... jullie net zoo goed ... en z'n cente ... z'n cente heit-ie netjes zellef gehouwe ..."

"Wat weet jai nou van Oome Tinus z'n cente?" krijschte een tante, met welgevallen haar glaasje uitlikkend.

"Hou jai je d'r nou buiten, Knelia," suste haar buurvrouw.

Maar de Oom sloeg op tafel, dat de glazen en kopjes ervan rinkelden.

"Ik zeg ... asdat Tinus ..."

"Nau ja, we weten dat jij en Tinus ... jij en Tinus .... dronke benne ...?"

"Zeg dat nog is," daagde Oom uit, "als je dat nog is zegt, zal 'k je in me knuisten neme ..."

"Drònke ... drònke," herhaalde de neef, "en dat zeggen wij hier allemaal."

PATS!!! ... kreeg de neef een haal om zijn ooren.

Dat was het sein tot het hoofdnummer van het feestprogramma!

Ieder nam deel aan het gevecht, de mannen sloegen op elkaar in, de vrouwen bewerkten elkanders aangezichten met haarspelden.

Het werd Piet een beetje al te geanimeerd en hij zette zijn hoed op om te vertrekken.

"Jij!" brulde een der gasten hem toe, "wat doe jij hier? Van de krant, hè? Heb jij 't hart in je falie om ons weer 's in de krant te zette ... wáág het is ... dan sla 'k je hoed over je ooge ... kijk zóó!!"

En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoed neer, die hem tot aan den neus over het hoofd zakte.

Hoewel Piet absoluut niet bang was, den hardhandigen geweldenaar een staaltje van zijn vechtkunst te toonen, vond hij het toch maar beter te verdwijnen, omdat hij begreep, dat hij in minder dan geen tijd de heele familie en de heele buurt tegen zich zou hebben.

En Pietje bedankte ervoor, op zulk een jeugdigen leeftijd reeds "gelijncht" te worden.

Zonder een woord te zeggen, trok hij zich den hoed uit de oogen, verliet de vechtende feestelingen en herademde eerst weer, toen hij veilig en wel de hoofdstraat bereikt had ...

In 't steegje klonk nog 't draaiorgel, dansten de buren en vocht de familie, alles ter eere van bruidegom en bruid!

Een paar weken later vond Piet zijn vader in bezorgde stemming.

Vader Bell liep met groote stappen den winkel op en neer, en bleef telkens nadenkend staan voor een groote partij doozen, netjes volgens maat in de muurkast opgestapeld.

Piet kwam fluitend den winkel in en bemerkte al gauw, dat er iets met vader niet in den haak was.

Hij ging naast hem staan, keek eens naar de rijen doozen en zei:

"Dat zijn er heel wat!"

"Tien vakken vol ... elk vak honderd paar ... duizend paar schoenen en geen cent waard."

"Geen cent waard?"

"Wel, dit zijn ouderwetsche, grove schoenen, ... maar ijzersterk. Moeten tien gulden kosten. Maar de menschen koopen tegenwoordig dit soort schoenen niet meer ... ze willen fijne schoenen hebben, lakpunten, knoopen, gummihakken en zolen ... Heb ik ook, meer dan genoeg .... maar hoe kom ik van die oude partij af?"

Piet opende een der doozen en bekeek het stevige schoeisel.

"Ziet er sterk en solide uit," meende hij.

Toen zette hij zich op een stoel neer en dacht na.

"Weet jij er soms wat op?" vroeg Vader.

"Misschien, op 't oogenblik nog niet."

Al maar keek Pietje naar die duizend doozen. Gedurende zijn werken aan de Morgenpost was hij vaak met handelslui in aanraking gekomen, had veel geleerd omtrent zakendoen.

Aan vader had hij al lang geleden bewezen, dat geregeld adverteeren in de courant steeds nieuwe klanten aanbrengt en hij begreep, dat er ook een middel moest zijn, om Vader van deze partij schoenen af te helpen.

"Wel vader," zei Piet, "ik moet nu naar het bureau, maar ik zal er goed over denken."

Op den weg naar het kantoor passeerde Pietje verscheidene schoenwinkels, maar geen ervan deed iets bijzonders.

En toen schoot Piet opeens een verhaal te binnen, dat Flip hem verteld had.

Het was gebeurd in Flips sigarenwinkel.

Daar was op zekeren dag een heer binnengekomen met de vraag naar goede Manilla sigaren.

Flip gaf hem de beste, die er maar te krijgen waren, merk: Bouquet.

De klant nam een kistje mee op proef, maar bracht het den volgenden dag weer terug met de boodschap, dat ze niet naar genoegen waren en hij betere verlangde.

"Best meneer," had Flip gezegd, het kistje weer aannemend. Maar Flip had geen betere, en wist, dat er ook geen betere te koop waren. En daarop had hij dezelfde sigaren in een nieuw kistje gedaan en ze heetten nu: Perfectos.

Toen de klant dit kistje mee naar huis genomen had, kwam hij denzelfden dag nog zeggen, dat deze Manilla's veel beter waren en bijzonder naar zijn genoegen.

Piet dacht, als dat met sigaren gebeurd is, kan het ook wel met schoenen.

En op het verhaal van Flip baseerde hij zijn plan.

Wat drommel, daar had zijn vader duizend paar schoenen, niet bijzonder fraai en fijn, dat is waar, maar ijzersterk en mooi genoeg voor de werkdagen!

En wat je de menschen voorzei, dat zeien ze na, vooral wanneer het in de krant stond.

De krant!!... een idee!!

Al zoovele malen had hij verslag gegeven van de opening eener nieuwe zaak, van het aan de markt brengen van een nieuw artikel.

Een nieuw artikel!

Dáár had je 't.

Vaders duizend schoenen waren het nieuwe artikel. Wel, veel erger, ze waren een nieuwe uitvinding!

Een nieuw soort leer... NIJLPAARDEN leer!!!!!

Pas uitgevonden... Als dat niet werkte!!!

Piet verhaastte zijn schreden en op het kantoor aangekomen, meldde hij zich bij den directeur.

"Wel, jonge vriend, wat kan ik voor u doen?" was de vriendelijke begroeting.

"Mijnheer," begon hij, "mijn vader heeft een zeer belangrijke uitvinding gedaan. Een uitvinding, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen op het gebied der schoen-industrie."

"Komaan, en waarin bestaat dat?"

"Wel meneer, verleden jaar bracht een kennis van vader, die op de Middellandsche Zee vaart, de huid van een nijlpaard mee en gaf die aan ons cadeau.

"Eerst liet vader het ding aan een spijker hangen, maar later kwam hij op de gedachte de huid te looien en als leer te bewerken."

"Ja... en toen?"

"Het leer viel een beetje grof uit, maar door herhaalde bewerkingen slaagde mijn vader er in, het zacht en buigzaam te maken en ten slotte maakte hij er een paar schoenen van, zoo sterk, dat ze maanden gedragen kunnen worden."

"Wel, die uitvinding is goud waard!"

"Goud meneer? Diamant, radium! Toen heeft Vader driehonderd nijlpaarden laten vangen en villen en uit die driehonderd huiden heeft hij precies duizend schoenen gemaakt. Ze zijn een wonder!

"Wel, wel," lachte de heer Peters. "Wat kan jij ze vertellen! Maar wat wou u nu eigenlijk? Mij 'n paar ervan verkoopen?"

"O, u kunt er zooveel van koopen, als u maar wilt. Maar dat bedoel ik nu niet."

"Wat dan?"

"Och, vader adverteert geregeld in de Morgenpost en nu wou ik een stukje in de kolommen zetten."

"Wel, daar is niets tegen ... ga je gang ... Bell."

Daar was het Piet alleen om te doen en na den directeur bedankt te hebben, verliet hij het vertrek.

Dien avond luidde de advertentie van vader Bell aldus:

GROOTE UITVINDING op het gebied der SCHOEN-INDUSTRIE. Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEER De STERKSTE schoen ter wereld.

Alleen Zaterdag a. s.--Verkoop begint twaalf uur v.m. 10 gulden--10 gulden--10 gulden--10 gulden Alle maten voorhanden.--Let wel.--Alleen Zaterdag.

P. BELL'S SCHOENENMAGAZIJN

Heerenstraat 234

En onder de rubriek stadsnieuws schreef Piet een zeer uitgebreid en fantastisch verhaal over vaders uitvinding en de nijlpaarden.

Dat was Donderdag-avond.

Den volgenden dag kwamen al een paar concurrenten-schoenhandelaars bij vader Bell informeeren naar de nieuwe uitvinding, maar vader zei niet veel, alleen, dat hij 't nog geheim moest houden.

Pietje kwam Vrijdags thuis met een pak etiketten, waarop met groote letters in rood en zwart gedrukt was:

DE STERKSTE SCHOEN TER WERELD.

N. P. Leer.--Tien gulden.

Vrijdagavond ging er een extra groote advertentie in de krant, waar Piet weer al zijn vernuft aan besteed had.

Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de deur te wachten en die rij groeide gestadig aan.

Om kwart voor twaalf was er geen houden meer aan en Vader telefoneerde naar het Politie-bureau om een paar agenten, teneinde de orde te bewaren.

Een der koopers, een jonge man, die zag, dat Vader en Moeder Bell de drukte alleen niet aankonden, bood zijn diensten voor dien dag aan, hetgeen maar al te gaarne aanvaard werd.

Er was geen tijd tot eten ... het eene paar schoenen vloog na het andere ... ieder wilde een stel nijlpaarden-schoenen hebben ... en heel den dag hield de stroom van koopers aan.

En toen vader dienzelfden Zaterdag-avond den winkel om 12 uur sloot, was er van de duizend paar schoenen niet één over.

Zoo'n dag had hij nog nooit meegemaakt ...

"Wel vader," vroeg Piet, "heeft mijn plan gewerkt?"

"Jongen, je idee was Amerikaansch ... maar ... zie je ... ik heb nog nooit van mijn leven zaken gedaan op die manier ... want ... zie je ... het is toch eigenlijk géén nijlpaardenleer ..."

"Wat doet dat er toe? Zijn 't geen bèste schoenen?"

"O ja, puikbest ... beter dan menig andere ..."

"Dus in ieder geval hebben de menschen beste waar voor hun geld, nietwaar?"

"Zeker, jongen."

"Wel wat doet de naam er dan toe? Olifanten, konijnen, nijlpaarden of spinnekoppenleer ... als 't maar sterk en goed is!"

"En dát is het, Piet."

ELFDE HOOFDSTUK.

PIET HELPT ZIJN VRIEND JACOB UIT EEN LEELIJK GEVAL.

Piet mocht soms zoo graag op zijn kamer zitten en zijn gedachten laten gaan.

Heel vaak kon hij--ondanks zijn ingeboren vroolijkheid--ernstig aan zijn schrijftafel zitten, zijn werk maar voor een poosje laten liggen en niets anders doen dan droomen, droomen ...

Of wel hij wandelde tot buiten de stad en liet zich dan aan den kant van het water in het gras neer.

Dan luisterde hij naar het zacht-ruischende riet en staarde in de blauwe lucht waarin heel, héél hoog een leeuwerik jubelend opsteeg.

In zulke oogenblikken van eenzaamheid in de rustige natuur kon Piet soms zoo haken en snakken naar vrijheid.

Daarmee bedoelde hij geen lui, ledig, werkeloos leven ... verre van dat!

Maar hij wilde onafhankelijk zijn, niet alle dagen weer datzelfde lijntje volgen van gisteren en eergisteren.

Hij wilde werkend het leven en de wereld zien ... hij kon zich niet tevreden stellen met ergens een vaste betrekking met een vast weekloon en vaste vrienden en een vast adres.

O ... dat vaste!!

Neen, hij wilde de menschen over de heele wereld leeren kennen en dan vertellen van hun leven, hun daden, hun gedachten ...

Ja, het was alles wel goed en mooi hier ... zijn brave liefhebbende ouders ... zijn beste vrienden ... heel die Vroolijke Bende... zijn werk aan de courant... o ja maar er was zoo'n stil verlangen in hem om deel te nemen aan de gróóte dingen in het leven ... en te reizen ... en vreemde landen te zien....

En de leden van de club nu--och, het waren allemaal beste, brave luidjes hoor, maar och heden, zoo vreeselijk oppervlakkig en gewoontjes ... alleen Jacob Mantel kon wel eens ernstig praten en Harry ook wel ... maar de meeste anderen waren toch niet meer dan fladderende vlinders, alleen uit op pretmaken en aangenaam den tijd passeeren ...

Wel, Pietje zelf kon daaraan meedoen ... en niet zoo'n beetje ... maar daarmee kon je toch je leven niet heelemaal vullen en een jongen had toch een levensdoel, nietwaar? En idealen, nietwaar?

En dan kon Piet droomen, droomen van zijn toekomstig leven ... een leven vol van afwisseling....

Geen kalm, recht lijntje van altijd weer dezelfde kleine levensdingen ... maar een bruisende vloed van krachtige golven ... een leven met alles wat het leven geven kan ... vreugd en leed, genietingen en ontberingen, lachen en tranen en dan ... door worstelen tot overwinnen!!

Dan zou hij één vriend willen hebben ... één trouwen makker, die alles met hem zou meemaken en met wien hij kon meeleven ... die ook wilde, wat hij wou.

Van zulke gedachten was Piet ook weer op zekeren avond vervuld, toen hij--laat nog--een brief naar de post ging brengen.

Het was guur najaarsweer en het had al dagenlang geregend, zoodat de straten er modderig uitzagen.

Gedoken in de kraag van zijn jas, huiverend in den killen wind na de gezellige warmte van zijn kamer, haastte Piet zich voort.

Hij had juist den brief in de bus gedaan en den terugweg ingeslagen, toen hij zich op den schouder voelde tikken en een vreemde man hem vroeg:

"Is u Mr. Bell?"

Piet knikte en wilde juist wat vragen, toen de vreemdeling hem een papiertje in de hand duwde en haastig verdween.

Eerst wilde Piet den man naloopen, maar deze was zoo spoedig uit zijn oog verdwenen, dat hij die gedachte liet varen en het papier openvouwde:

Beste Vriend!

Ik zit in grooten nood. Help mij! Kom dadelijk per stoomtram naar Westdijke, Sanatorium. Schel niet aan. Fluit aan den achterkant van 't gebouw. Daar zal ik alles uitleggen. Kom vlug.

Jacob Mantel.

Nu verbaasde Piet zich niet gauw over iets, maar dit leek toch wel een beetje al te kras!

Zou het een grap wezen?

Het leek wel iets van een dubbeltjes-roman.

Maar ... het mòcht eens wáár zijn ... géén grap ... géén dubbeltjes-roman, maar werkelijke ernst ...

Pietje dacht even na ... Jacob in het Sanatorium te Westdijke? Wel, dat was een soort van krankzinnigen-gesticht ... Wat ter wereld had Jacob dáárheen gevoerd?

Met het briefje in de hand stond Piet onder het licht van een straatlantaarn. De regen begon met hernieuwde kracht te vallen ...

Hij stak het papiertje bij zich en keek op zijn horloge.

Bij tienen.

Om elf uur ging de laatste stoomtram en die kon hij gemakkelijk halen.

Toen liep hij nog even langs zijn huis, waar Vader juist den winkel sloot.

Piet vertelde hem, dat het wel laat zou zijn, voor hij terug kwam, en Vader nam daar genoegen mee, overtuigd, dat Piet een goede reden had en niet voor plezier uitging in dit weer.

In ruim een uur bracht de stoomtram Piet te Westdijke, een klein vlek op een der Zuid-Hollandsche eilanden.

Piet was de eenige, die aan het open, verlaten station afstapte.

Het was trouwens niet meer dan een halte, een overdekt perronnetje, door één klaaglijke olielamp verlicht.

De wind gierde door de telegraafdraden ... de rossige wolken joegen door het luchtruim en de kille regen daalde gestadig neer ...

"Brrrr ..." rilde Piet, "dat ziet er hier ook gezellig uit ... En wat een donker gat is het hier ... Heelemaal geen lantaarns!"

Wel, er waren lantaarns langs den weg, maar de wind had ze al lang uitgewaaid. Maar dat kwam er niet op aan ook, want de bewoners van het gehucht waren allemaal te bed en wie had er nu nog lantaarns op den weg noodig?

Ondertusschen stond Piet mooi in 't donker en wist niet eens, welken weg hij moest inslaan naar het Sanatorium.

Bovendien maakte opnieuw de gedachte zich van hem meester, dat het tóch misschien maar een grap was ... om hem eens een poets te spelen ...

Maar neen ... dat was niets voor Jacob ... Flip zou wellicht zooiets doen ... Jacob niet ... die was daar heelemaal de jongen niet naar.

Vergeefs poogde hij met zijn oogen de duisternis te doordringen, toen hij opeens voetstappen hoorde.

Klompen deden het grint kraken en vanuit het donker kwam de gedaante van een man te voorschijn.

Hij nam den lantaarn uit het wachthuisje--er kwam geen tram meer voor den volgenden morgen--en ging er weer mee terug.

Piet, die door den man niet opgemerkt was, riep hem aan:

"Hallo daar ... Goeien avond!"

De man schrikte zoo hevig van dat plotselinge geroep in het middernachtelijk uur, dat hij aan geesten dacht en het op een loopen zette.

Maar dat was heelemaal Piet's bedoeling niet en omdat hij in dien man zijn eenige redding zag, liep hij hem na.

Doch dat deed den vluchteling eerst recht op hol slaan en Piet zag, hoe de man op korten afstand een tamelijk groot gebouw binnen rende.

"Bepaald een groote boerderij," dacht Piet.

Maar dat had hij mis.

Het bedoelde gebouw was het Sanatorium, waar de wisselwachter van de stoomtram des avonds den nachtportier van die inrichting gezelschap hield en een partijtje kaart met hem speelde.

Ontsteld kwam hij de portiers-kamer binnenhollen.

"Blaarveld ..." riep hij, en zakte, naar adem snakkend, op een stoel ... "Op de baan ... geesten ... één liep mij na ... waarachtig!!!"

"Weet je 't zeker?" vroeg de portier, die veel over geesten gelezen had en niet tot de dappersten behoorde.

"Beslist man ... beslist ... Hallo daar ... zei die ... en nog wat... Sluit asjeblieft de deur..."

De portier was lang niet op zijn gemak ... je zat hier in een krankzinnigen-gesticht en daar kon je juist zóóiets verwachten ...

Beide mannen zaten bevend en zwijgend bijeen en luisterden naar 't huilen van den wind.

"Ik ga ... nog niet ... naar huis ..." zuchtte de baanwachter, "ik blijf je nog wat gezelschap houden."

"Ja, dat is wel goed," antwoordde de portier met een zucht van verlichting.

Intusschen had Piet, wat langzamer, den weg gevolgd en ontdekte, dat hij niet een boerderij, maar een veel grooter gebouw voor zich had.

Flauw schemerde een wit bord aan den ingang, maar het was onmogelijk, iets erop te lezen in deze ondoordringbare duisternis.

Slechts één raam was verlicht, dat van de portierskamer.

Piet probeerde een lucifer aan te strijken, dichtbij het bord.

Maar pas bij de zesde las hij een brokstuk: Sana ...

"Wel," dacht Piet, "dat is meer geluk dan wijsheid. Hier is dus het Sanatorium! Nu probeeren, om ongemerkt aan den achterkant te komen ..."

Hij sloop over het bruggetje, dat naar den ingang leidde en liep voetje voor voetje, telkens wachtend en luisterend, langs den zijkant van het gebouw.

Het gieren van den wind en het kletteren van den regen zorgden er wel voor, dat er van zijn bewegingen niets gehoord werd.

Aan den achterkant nam hij, voor zooverre hij het in den nacht onderscheiden kon, het huis eens op.

Het had twee verdiepingen ... langs den muur liep een ijzeren brandladder.

Piet floot het signaal van de club en herhaalde dat eenige malen.

"Stil ... hoorde je dat?" vroeg de baanwachter.

"Neen ... 't is de wind," zei de portier, die ook beefde.

Aan de achterzijde zag Piet, hoe voor een der ramen iets wits heen en weer gezwaaid werd.

De ijzeren brandladder liep langs dat raam.

Vlug klom Piet er tegen op en zag spoedig, hoe iemand achter het raam een handdoek zwaaide, hoewel hij het gezicht van den persoon niet kon onderscheiden.

Maar toen de ander zijn gelaat tegen het glas drukte, zag hij het toch, hoewel onduidelijk.

Het was inderdaad Jacob Mantel.

Luid spreken was natuurlijk onmogelijk en zou dra de bewakers gewekt hebben.

"Als ik maar eerst bij hem ben," dacht Piet, "dan zal ik er wel meer van hooren."

Maar het groote venster was van stevige sloten voorzien, en hoewel er geen tralies voor waren, was het niet mogelijk, het zonder sleutel te openen.

Piet trachtte door gebaren Jacob instructies te geven, maar dat was niet eens noodig, aangezien Jacob de zaak al lang en breed uitgedacht had.

Hij nam een deken van zijn bed en drukte die tegen een der groote ruiten van het venster aan.

Daarop gebaarde hij Piet, de ruit in te duwen.

Pietje kende dergelijke kunstjes vanuit de rechtszaal.

Hij trok zijn jas uit, rolde die op en drukte langzaam steeds sterker en sterker tegen het glas, dat het met een scherpen knars afknapte.

't Geluid ging in den wind verloren.

Jacob ving geluidloos de stukken in den deken op, terwijl Piet de overige brokken uit de sponningen trok.

Dat alles gebeurde zonder spreken.

Toen klom Piet met eenige moeite naar binnen en zette zich bij Jacob op het bed neer.

Deze legde den vinger op den mond en luisterde.

Maar alles bleef stil.

"Piet," fluisterde Jacob dicht aan het oor van zijn vriend, "laten we heel, héél zacht spreken. Ik moet hier vandaan ... zoo gauw mogelijk ... Ik zal je later alles verklaren ... alles vertellen ... Maar ik moet hier weg ... Het ergste is, ik heb hier geen kleeren ... die hebben ze mij ontnomen ..."

"Maar ..."

Snel legde Jacob zijn hand op Piets mond.

Voetstappen naderden in de corridor.

"Vlug ... kruip weg ... de nachtronde ..."