De vlegeljaren van Pietje Bell

Part 3

Chapter 34,086 wordsPublic domain

"Ik stel voor," opperde Flip, "dat we Nero benoemen tot clubhond van de bende."

"Geen kwaad idee," vond Jacob, "maar zijn baas is geen lid van de vereeniging."

"Heb je geen zin om lid te worden, Ee?"

"Ik heb zoo weinig tijd."

"O ... je behoeft niet mee te spelen," zei Pietje, "als je maar contributie betaalt. 'n Kwartje per week en we maken je opzichter over den clubhond."

"Hee kinderen," riep Harry de meisjes toe, "iemand er op tegen om Eduard en zijn tijger lid van de Bende te maken?"

De dames hadden geen bezwaar, maar protesteerden tegen het woord "kinderen."

"Zeg, ouwe Grootvader," riep Mien terug, terwijl ze Harry een vernietigenden blik toewierp, "waag het niet, mij nog eens een kind te noemen ... volgende week ben ik al zestien."

Piet viel flauw in het gras.

"Help ... politie ... water ... die jongejuffrouw vertelt d'r leeftijd!" schreeuwde hij.

De wandeling was geanimeerd door de vroolijke gesprekken en nu en dan verwisselden de groepjes, zoo liepen ze, genoeglijk babbelend, als een echt gelukkig clubje van jonge menschen, die genieten van hun jonge jaren en den heerlijken zomer.

Pietje, die vol zat met vroolijke geschiedenissen, welke hij voor het meerendeel uit zijn duim zoog, hield den gang er in, als de gesprekken wat verflauwden.

"Zeg lui," vertelde hij, "ik had vroeger een meester, die Ster heette. Het was een aardige oude man. Op zekeren dag bij de rekenles vroeg hij aan de klas: "Jongens, als ik een pond vleesch heb en ik snijd dat in zestien stukjes, hoe heet dan ieder stukje?" Nou, Keessie was knap en zei: "Een zestiende." Best... heel goed... zei meester. "Maar als ik ieder stukje dan weer in tweeën snijd?" Dat wist Keessie óók nog. "Een twee-en-dertigste."--"En als ik dan wéér ieder stukje in tweeën snijd?"--Oogenblik stilte. "Jij Jan?"--"Gehakt Meester," antwoordde Jan, de zoon van een slager."

't Gezelschap lachte, maar de meesten geloofden het toch niet, ze wisten wel, dat Piet altijd van die verhalen er op na hield.

"Je kunt het gelooven of niet," zei Pietje met het ernstigste gezicht ter wereld, "het is zoo waar als ik hier zit, en een uur..."

"Gunst kind, je zit niet, je loopt," merkte Marie van Zanten op.

"En een uur later," vervolgde Pietje onverstoorbaar, "kwam het zoo te pas bij de taalles, dat meester een woord vroeg dat begint met een r en eindigt met een r. Wel, dat ging best, hè? Roer was het woord natuurlijk. Maar Keessie wist er nog eentje.--"Capucijners!"--

"Wat?... Capucijners?"--

"Ja meester dat zijn ook allemaal erretjes!"

"Maak dat je grootmoeder wijs," merkte Harry de Graaf op.

Jacob Mantel protesteerde, hij was kweekeling en leerde voor onderwijzer, en de kinderen op zijn school zouden zooiets niet zeggen.

Maar Piet stond voor zijn verhaal in en ging het nog eens op z'n gemak in het gras liggen betoogen.

Maar ondertusschen werd het schoone van den wandeltocht niet vergeten en Nero gedroeg zich zoo bewonderenswaardig, dat zijn baas bepaald trotsch op hem ging worden.

Zij wandelden langs uitgestrekte landerijen, waarin het talrijke vee graasde. Zoo rustig was alles... er waren weinig menschen op pad, want het was kerktijd... het riet aan den slootkant wuifde heel, heel langzaam... de molens in het polderland staken scherp tegen de blauwe lucht af en hielden ook Zondag.... Wat een rust... in de verte sloeg een torenklok.... ergens blafte een hond.

Maar die landelijke rust zou plotseling wreed verstoord worden.

Nero, tot nog toe rustig en fatsoenlijk, had al een paar malen met bloeddorstige oogen naar een kudde schapen gekeken... het roofdier ontwaakte weer in hem... hij gromde dreigend...

"Koessst, Nero," zei Eduard.

"Wel," vroeg Pietje, "wat is er met onzen clubhond aan de hand?"

"Ik denk," zei Ee, "dat hij idee heeft, die schépen een bezoek te brengen. Stil Nero, blijf bij de bés. Heur je me... heur je me?..."

De meisjes gichelden en de jongens keken elkander aan.

"O," sneed Eduard op, "jullie behoeft niet te denken, dét ik hem niet in bedwéng heb. Ik heb mér zeu met m'n hénd te doen en hij geheurzémt."

Nero keek zijn baas bij deze woorden even aan, alsof hij zeggen wilde: Nou, vrind, dat zullen we dan wel eens zien.

De geweldige bulldog wendde den kop weer naar de grazende schapen in het weiland en--alsof hij plotseling een besluit nam--gaf een onverwachten ruk aan den ketting, die Eduard in de hand hield.

"Hierrr... hierrrr..." schreeuwde Ee, die voelde, dat er iets gebeuren ging.

Maar Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.

Sneller en sneller liep de hond en sneller moest Eduard mee.

De bende gierde van het lachen.

"Leg zout op zijn staart," riep Flip.

"Licht hem een beentje," schreeuwde Pietje.

De hond ging op hol.

Eduard kon hem niet meer houden en bovendien scheurde de ketting hem bijna het vleesch van de handen. Nero rukte zich los en met reuzesprongen bereikte hij de rustig grazende schapen.

Een paniek ontstond tusschen de arme dieren en ze stoven verschrikt uiteen, angstig blatend, vluchtend in de richting van de boerderij.

Eduard stond doodsangsten uit en de anderen niet minder.

Nero rende tusschen de schapen en joeg ze op. Het was een geluk, dat de hond gemuilkorfd was en dus niet in staat te bijten.

Plotseling kwamen vanuit een schuur drie boerenknechts aanhollen.

Ze zwaaiden met stokken en liepen op Nero toe. De hond liet de schapen in den steek en richtte zich op de knechts.

"Hier Nero," schreeuwde Eduard.

"Hierrr hond," riep de heele Bende.

Maar ze hadden evengoed kunnen roepen: "mooie aardbeien," want de hond was veel te druk met zijn aanvallers bezig.

Het was maar goed, dat de knechts met hun drieen waren, want nu kreeg de hond er zoo geweldig van langs, dat hij het spelletje gauw opgaf en zoowaar op de vlucht sloeg.

Maar nu begon de pret pas.

De knechts kwamen naar ons gezelschap toe.

"Zeg eres," begon de grootste van het drietal, "van wie is die hond?"

"Van mij," zei Ee.

"Waarom stuur jij die hond op mijn schapen af mooie jongen met je zije dassie?"

En tegelijk greep hij Eetje bij de borst en rammelde hem stevig door elkaar.

"Dèt... dèt heb ik niet gedaan," beefde Eduard verschrikt.

Pietje Bell zag, dat Eduard geen portuur was voor den knecht en zich niet zou kunnen verdedigen.

"Nou, jou aangekleede aap," vervolgde de boer tot Ee, "ik ga jou met m'n stok een aframmeling geven, die je leeren zal, schapen op te jagen."

De stok ging omhoog en...

"Wacht even, vrind," zei Piet vriendelijk tot den boer, en met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.

"Au... au... verdikke... la-los," schreeuwde hij.

Pietje voldeed aan het verzoek en glimlachte.

"'t Spijt me," zei hij, "maar m'n vrind hier is pas ziek geweest en daarom zal ik de aframmeling voor hem in ontvangst nemen, tenminste, als je daar kans toe ziet."

De club schaarde zich vol belangstelling om het geval, want allemaal kenden ze Piets ongeëevenaarde vechtkunst, die door zijn komische kalmte en de bedaardheid, waarmede hij zijn tegenstanders aanvatte, nog veel onbegrijpelijker werd.

"Je kunt den stok wel weer opnemen," zei Pietje, "want die neem ik je toch weer af."

"Dat zullen we zien," riep de knecht, raapte den knuppel op en ging er Piet mee te lijf.

Maar hij had den stok evengoed thuis kunnen laten, want met een bliksemsnellen draaigreep had Piet hem dien ontnomen en slingerde hem ver weg. Daarop nam hij den rechterarm van zijn aanvaller en boog dien achterwaarts en omhoog, zoodat de knecht geheel machteloos was.

"Ga je gang nou maar," zei Piet, "en geef me een pak slaag."

De heele bende juichte.

"Goed zoo, Piet. Mooi zoo... houd hem vast."

"Laat los... laat los..." schreeuwde de knecht.

Men zal bemerkt hebben, dat Piet zich alleen verdedigde en niet aanviel, want dat liet hij aan den ander over.

De boerejongen zag dan ook in, dat hij tegen Piets vreemde vechtwijze niet opgewassen was en gaf het op.

"Komaan," zei Piet, hem loslatend en op den schouder kloppend, "laat ik je nou even vertellen, vrind, dat we 't heelemaal niet zoo kwaad bedoeld hebben. Dien grooten hond hebben we pas vandaag voor het eerst en we wisten niet, dat het zoo'n kwaaie was. We konden hem niet houden en hij rukte zich los. 't Spijt ons erg, jullie zoo'n moeite veroorzaakt te hebben. Weet je wat, Eetje, geef jij die knechts wat voor hun Zondag en dan gaan we weer op stap."

Eduard was blij, dat hij er zoo afkwam en gaf ze ieder een kwartje.

De knechts keken nog wel een beetje raar en de grootste wreef nog wel pijnlijk zijn arm, maar daarbij bleef het toch en getroost door de kwartjes gingen ze weer terug.

"Die Piet, die Piet," zeien de meisjes, "dat is me toch een vechtersbaas."

Maar Piet protesteerde.

"Nee kinderen, dat ben ik niet, ik daag niemand uit en ik val niemand aan. Maar wie het met mij probeeren wil, mag gerust zijn gang gaan... tien tegen een, dat ik hem in vijf tellen buiten gevecht stel, en, wanneer het noodig is, hem een tarentella laat dansen, waarvan de dansmeester aan het hof van den keizer van Lutjebroek een koliek van nijd en jaloerschheid krijgt."

Eduard ondertusschen had Nero teruggebracht, die heel wat kalmer geworden was.

"Weet je wat ik doe, lui?" zei die. "Ik ga weer terug met Nero, anders bederf ik jullie plezier voor den heelen dag. Wie weet wat een last we nog met den hond krijgen en dén zou Piet weer én 't vechten moeten. Tot ziens heur, en veel genoegen véndég."

En zoo zette de Vroolijke Bende den wandeltocht naar Delft voort, minus Eetje en den clubhond.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE NIEUWE BETREKKING.

Op zekeren avond las Pietje de volgende advertentie in de Morgenpost.

JOURNALIST.

Aan het bureau van dit blad kan geplaatst worden een jongste bediende, 16 jaar, ten einde als verslaggever te worden opgeleid. Sollicitanten moeten zich aan een klein vergelijkend examen onderwerpen. Brieven met volledige inlichtingen worden ingewacht tot uiterlijk Dinsdag 12 uur v.m. bij de Directie.

Piet sprong op, gooide zijn stoel om en liep naar Vader in den winkel.

Hij had zich tot nog toe nog geen duidelijk idee gevormd, vanwat hij eigenlijk wenschte te worden.

Op ontelbare annonces had hij geschreven, maar geen der uitkomsten was aanlokkelijk geweest, en na informatie was hij er ten slotte niet eens op af gegaan. Deze advertentie echter trok hem bijzonder aan. Hij had een zekere handigheid in het weergeven van zijn gedachten en de door hem geschreven verslagen van de club waren het lachsuccès van de vergaderingen.

Deze annonce bracht hem op een idee: hij zou zijn aanleg voor schrijven in praktijk brengen als journalist.

"Vader, lees eens."

"Wat is het, jongen, een brand?"

"Veel erger, vader, er wordt een jongste bediende gevraagd aan de Morgenpost, om als verslaggever te worden opgeleid... en dat ben ik."

"Ben jij dat? Wie zegt dat?"

"Dat zeg ik."

Bell las de advertentie, keek Pietje met groote oogen aan en vroeg verbaasd:

"En durf jij dat aan?"

"Wel vader," zei Piet, "ik ga er direct heen."

"Maar je moet per brief antwoorden, staat hier."

"Jawel vader, dat kennen we. Misschien krijg ik dan niet eens antwoord. Neen, ik weet beter."

Vijf minuten later was Pietje op weg, en toen hij de bureaux van de Morgenpost bereikt had, vroeg hij aan den portier den directeur te spreken.

De man zette een bedenkelijk gezicht en zei: "Ik denk niet, dat het gaat."

Maar Piet gaf den man een dubbeltje en nu was het merkwaardig om te zien, hoe gemakkelijk het wél ging.

"Kom maar mee," sprak de man, "we zullen probeeren."

Ze beklommen een trap en kwamen op een breede corridor met tal van vertrekken. Eén ervan was de Directeurskamer.

"Klop hier maar aan," zei de man, "en zeg het aan den bediende hier."

Pietje deed zooals hem gezegd was en stond eenige oogenblikken later tegenover een aangenaam uitziend jongmensch, dat den toegang tot het allerheiligste van den Directeur bewaakte.

"Wat wenscht u?" was de vraag.

Piet zette een gewichtig gezicht.

"Wilt u zoo goed zijn, even belet te vragen voor mij bij de directie, ik heb een zeer dringende zaak te bespreken."

Dit scheen indruk te maken, maar toch vroeg de bediende even:

"Kan ik de boodschap ook aannemen?"

"Dat zal niet gaan," beweerde Piet op denzelfden gewichtigen toon, "het is daarvoor een veel te belangrijke kwestie."

"Een oogenblik dan."

Twee minuten later keerde de jongeman terug.

"Het spijt me," zei hij, "maar de Directeur heeft op het oogenblik geen tijd."

"Ik evenmin," zei Piet snel en keek daarbij op zijn horloge, "en als ik hem niet gauw te spreken krijg, ga ik naar een andere courant en dat zal de Directie later ten zeerste betreuren."

"Wacht u nog even," zei de bediende, zich bedenkend, "ik zal nog eens zien."

Piets argument scheen geholpen te hebben, de jonge man keerde terug met de mededeeling:

"Gaat u maar binnen."

Zoo deed Piet.

Het was een ruim en hoog vertrek, met zware tapijten belegd. Een reusachtige antieke kast bedekte bijna den heelen muur, in de kamer was een groot schrijfbureau, waaraan de Directeur gezeten was.

"Wel, jongmensch," begon deze, "wat had u mij voor belangrijks mede te deelen?"

"U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden," zei Piet, "en u heeft hem al gevonden ook."

"Is 't waar, wel, waar is hij dan?"

"Ik ben het."

"Is dat alles, wat u mij te zeggen heeft?"

"Pardon, er is nog iets. Denk eens, wat een moeite ik u bespaar, door zelf dadelijk hierheen te komen. Denk eens aan de vijfhonderd brieven, die op de advertentie zullen komen en aan al het werk, dat die u zullen veroorzaken. Per slot van rekening zult u mijn brief eruit pikken en het met mij probeeren."

"Gelooft u, jonge vriend, dat ge op deze manier een kans hebt, de positie te krijgen?"

"Ik ben er zeker van," zei Pietje, "want een verslaggever moet er als de kippen bij zijn, speciaal een verslaggever van de Morgenpost. Ik lever u elken dag vijftig nieuws-berichten, en als er geen nieuws gebeurt dan maak ik nieuws."

De directeur wist niet, of hij Pietje de deur moest uitgooien of hem dadelijk in dienst stellen. Hij streek zijn knevel eens op, keek Piet over zijn bril heen aan en dacht na.

Ik wil eens zien--dacht hij bij zichzelf--of het den jongen ernst is.

Een goed reporter laat zich nooit afschepen en houdt tot het laatste toe vol. Was het den jongen ernst of stelde hij zich maar wat aan?

De proef zou genomen worden.

De directeur drukte op een knopje en de bediende verscheen.

"Laat dit jongemensch uit."

Piet groette beleefd en verliet het vertrek.

Bij den portier informeerde hij naar de woonplaats van den Directeur en op welken tijd deze thuis was.

Dit bleek des avonds na zes uur te zijn.

Dienzelfden avond zeven uur belde Piet bij de woning aan. Het was een groot heerenhuis aan den Eendrachtsweg. Piet bedacht, dat de heer Peters--de directeur--nog niet eens zijn naam wist en dat gaf hem gelegenheid, zijn kaartje aan de dienstbode te overhandigen.

Hij werd in de voorkamer gelaten, waar spoedig de heer Peters verscheen.

Maar nauwelijks had deze Piet bemerkt, of hij riep vol verbazing uit:

"Wel... de brutaliteit... Wat verlangt u nu weer?"

"Ik wilde u een zeer belangrijk schrijven overhandigen, mijnheer."

En bij deze woorden reikte Piet hem een groote enveloppe over. Het was de vereischte sollicitatie-brief, keurig geschreven en duidelijk gesteld.

"Die kunt u morgen op het bureau in de bus doen, ik doe geen zaken thuis."

"Maar mijnheer? Morgen gebeurt er iets verschrikkelijks," zei Pietje met ontsteld gezicht.

"Iets verschrikkelijks? Wat is dat nu weer?"

"Morgen voor twaalf uur zult u vijf-, zeshonderd brieven van totaal ongeschikte sollicitanten hebben te lezen... iedere brief neemt minstens twee minuten... dat is twaalfhonderd minuten voor de zeshonderd brieven of een arbeid van twintig uren..."

"Bedankt voor de inlichting. U kunt gaan, en als u weer aan de voordeur van mijn huis komt, laat ik u door de politie wegjagen."

Piet groette alweer beleefd en verliet het huis.

Hij bemerkte, dat een zijgang langs het huis liep naar den achtertuin.

Vijf minuten later kwam de meid den heer Peters vertellen, dat het jongemensch er weer was.

"Wat?... alweer?... wat drommel, ik heb hem zooeven gezegd, dat ik hem door de politie zou laten wegjagen, als hij weer aan de voordeur kwam."

"Jawel, meneer," zei de meid, "maar het jongemensch zei, dat u niets gezegd had van de achterdeur."

"Hm... al goed... laat hem weer in de voorkamer."

Piet volgde de meid voor de tweede maal en wachtte lijdzaam af, wat hem nu weer te beurt zou vallen.

Hij had al ruim tien minuten daar gezeten, toen de deur héél langzaam geopend werd en een klein meisje naar binnen kwam. 'n Leuk typetje, lange bruine krullen met 'n breed rose lint, groote vraagoogen en kersemondje.

Ze was misschien vijf jaar. Eerst nam ze Piet eens op en kwam toen naar hem toe.

"Ik ben Mies," zei ze gewichtig.

"Aangenaam kennis te maken," zei Piet, "mijn naam is Pietje Bell."

"Niets geen mooie naam," vond ze.

"Verschil van smaak, ik vind 'm prachtig."

"Kan jij verhalen vertellen?" vroeg Mies, tegen Piets knie aanleunend.

"Dat zal waar wezen," zei Piet. "Der was eens..."

"Nog niet beginne... broer moet het ook hooren..."

En weg huppelde ze de kamer uit, kwam twee minuten later terug met een driejarig broertje aan de hand.

"Nou komme we op je knie zitten," zei Miesje.

"Welja, dat is goed... doe maar net of je thuis bent," berustte Piet.

Hij trok de peuters op zijn knie en terwijl de groote, bruine kijkers van het tweetal vragend tot hem opzagen, begon hij:

"Nou dan... D'r was eens een verschrikkelijke groote reuze-leeuw, die een knecht wou hebben. Die knecht moest natuurlijk ook een dier wezen, een beest uit het bosch. De leeuw had heele lange haren en die moesten elken avond uitgekamd en gechampooi'd worden en z'n nagels moesten gemanicuurd en z'n staart uitgeborsteld worden. Maar dat werk deed meestal mevrouw de leeuwin. Begrijp je dat?"

"Nee," zei Mies.

"Best, ik ook niet," zei Piet. "Nu sliep de leeuw elken dag heel vast en kon des avonds bijna niet wakker worden.

"Hij had al verschillende soorten wekkerklokken geprobeerd, maar hij sliep er vierkant doorheen. Het geblaf van den hond en zelfs het gebrul van den tijger konden hem niet uit zijn slaap wekken.

"Nou enne toen zette hij een advertentie in de Morgenpost..."

"Van Pa," zei Mies.

"Juist, de Morgenpost van Pa. En den volgenden morgen kwamen al de beesten uit het bosch, want die hadden natuurlijk allemaal de krant gelezen. Ieder op zijn beurt, ook de mug."

"Wat kom jij hier doen?" vroeg de leeuw.

"Wel, Sire Majesteit van Leeuwenburg," piepte de mug, "ik kom op die advertentie."

De leeuw lachte zoo hard, dat een paar honderdjarige boomen, die op honderd meter afstand stonden, van schrik omvielen.

"Ga maar gauw naar huis," zei de leeuw, "we kunnen jou toch niet gebruiken."

"Dat zal je gewaar worden," dacht de mug. Des avonds kwamen de dieren uit het bosch probeeren, om den leeuw wakker te maken. De hond miauwde, de kat blafte, de kip kraaide en de haan kakelde, de ezel brulde en de tijger balkte, het schaap loeide en de koe blaatte, maar de leeuw sliep precies, alsof er een liedje voor hem gezongen werd.

"Schuif een eindje om," zei de mug, "daar kom ik." De dieren begonnen allemaal te lachen, maar de mug stoorde zich daar niet aan. Hij vloog naar het hol van den leeuw en zonder aan te kloppen ging hij binnen.

"Wat een lawaai met al die beesten aan de deur," zei de mug tegen de leeuwin. "Ik zal zijne Majesteit wel even wekken."

"O ja," viel Mies in de rede, "ik weet het al... en toen prikte de mug den leeuw in zijn neus."

"Wie zegt dat?" vroeg Piet.

"Dat zegt Juf."

"Juf weet 'r niks van... dat deden die ouderwetsche muggen... mijn mug beet den leeuw in het puntje van zijn staart en toen sloeg de leeuw zoo hard met zijn staart tegen den muur, dat al de schilderijtjes op den grond vielen. Nou en toen was-ie gelijk wakker, dat begrijp je. Hij hoorde het geloei en gebrul van de dieren en was met een paar sprongen buiten zijn hol.

"Hij brulde verschrikkelijk en had in minder dan geen tijd twee koeien, drie paarden, vijf kikvorschen en tien olifanten verscheurd... brrrrr... En de mug? Wel, die kreeg de betrekking van Koninklijke Hofstaartprikker van Zijne Majesteit de Koning. Mooi hè, en nou is 't uit."

"Vertel nog eens wat," inviteerde Mies.

Maar de deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.

"Wel, wel, kijk me dat daar eens," zei mijnheer. "Zeg snuiters, iedereen loopt zich suf te zoeken naar jullie. Gauw naar bed en met Juf mee."

Het afscheid viel de kleintjes zwaar.

"Kom je morgenavond weer?" vroeg Mies.

"Dat hangt er van af," zei Piet, "het zou best kunnen, dat ik hier morgenavond weer ben."

De kinderen werden weggebracht.

"Luister, jongeman," sprak de heer Peters. "Je lijkt me aardig doortastend en niet gauw uit het veld geslagen. Welnu, ik wil het eens met je probeeren."

De directeur vroeg hem nog eenige inlichtingen aangaande het onderwijs, dat hij genoten had, las den brief door en zei hem, zich den volgenden Maandagmorgen om half negen te melden bij den stads-redacteur.

"Dank u wel, mijnheer," zei Piet, "ik zal er zijn en voor u werken, dat de vonken eraf vliegen."

"Wel?" vroeg zijn vader, die met moeder in het kantoortje achter den winkel zat.

"Dierbare ouwetjes," zei Pietje plechtig, "ik heb de eer u edele te berichten, dat uw zoon Pieter benoemd is tot jongste redacteur van de Morgenpost. En ik verzoek u, mij vanaf heden met de mij daarbij toekomende onderscheiding te behandelen."

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN UITSTAPJE NAAR SCHEVENINGEN.

Zoo had Piet dus nog een week den tijd.

Hij hield het echter voorloopig nog geheim, zou ze later wel allemaal verrassen met het feit, dat hij "redacteur" was, wat blieft u?

Intusschen deed hij trouw mee aan de oefeningen van de club en als Pietje er was, wel dan was het altijd feest.

Flip Buitenhuis, die altijd vol vroolijke plannen zat, had het idee geopperd, om met de heele club een uitstapje te maken naar Scheveningen, en wel op den eerstvolgenden Zaterdag.

Het plan was met algemeene stemmen aangenomen, en ook Eduard Pijpers, die inmiddels, zonder Nero, lid van de club was geworden, zou meegaan.

Flip, die daartoe van allen het meest geschikt was, zou ceremonie-meester gedurende den tocht zijn en tevens kassier voor de algemeene onkosten.

Natuurlijk bleef ieder vrij om voor eigen rekening meerdere of mindere uitgaven te doen.

Om kort te gaan, dien Zaterdagmorgen--het weer was, wat men maar wenschen kon--was de gansche Vroolijke Bende aan het station van de Electrische present.

Kwart voor negen wees de klok en over een kwartier zou de trein vertrekken. Hun vroolijk gepraat en gelach vervulde de hooge hal, waar de loketten waren. Ze waren met hun negenen, een nog zomersch gekleed clubje van pretmakers, die er eens een ongegeneerd-fijnen dag van gingen nemen.

Pietje ging met Flip de kaartjes halen.

"Negen retours Scheveningen--vier vooruit--en vijf achteruitrijden," zei Piet.

"Denkt u soms, dat ik hier voor mal sta?" vroeg de beambte geprikkeld, hem de kaartjes toeschuivend.

"Groote hemel, wat kunt u goed gedachtenlezen," zei Flip.

Grinnekend schoof de troep langs de controle, waar de kaartjes geknipt werden, en dan de trappen op naar het perron.

Ze gingen in een groep bij elkander zitten, pakjes en mantels en taschjes in de netten werpend.

Mien Kuijer hing uit het raam.

"Gut," riep ze uit, zoodat alle overige passagiers naar haar keken, "kijk me daar eens een regiment aankomen, die moeten we hier niet hebben, hoor."

't Heele gezelschap leunde nu naar buiten.

"Is deze trein voor Scheveningen?" vroeg een dikke, puffende, róódgloeiende burgerjuffrouw, die twee karbiezen, drie hengselmandjes en zeven kinderen met zich voortzeulde.

"Jawel," antwoordde Flip, "maar dan moet u in den volgenden wagen gaan zitten."

"O juist, dank u wel," was het antwoord en het regiment marcheerde naar den anderen wagen.

Er werd gefloten en de trein zette zich in beweging.