De vlegeljaren van Pietje Bell

Part 2

Chapter 24,029 wordsPublic domain

Mien Kuijer genoot van Jannetjes woede, doch haar vreugde steeg ten top, toen Flip opstond en zei:

"Ik stel voor, dat we den naam van Jannetje de Boog vertalen door Jeanne d'Arc."

Een oorverdoovend applaus volgde op deze woorden en er viel bepaald beneden weer kalk van het plafond, want de eigenaar kwam opnieuw binnen, maar nu met de mededeeling, dat de club oogenblikkelijk moest vertrekken.

Dat maakte een eind aan de vergadering.

Piet stelde de leden in marschorde op en commandeerde: voorwaarrts ... Marsch!

Met zeer hoorbaren militairen pas daverde de vroolijke Bende de trap af.

"En ik hoop jullie nooit meer te zien," was het afscheid van den man.

"Dank u, van 't zelfde," zei Pietje. "Valt u niet over de mat."

Dien avond schreef hij in het notulenboek van de club, dat de tweede vergadering zeer geanimeerd en welgeslaagd was afgeloopen.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN EEN VERWAANDEN HUISKNECHT EN DE WEDDENSCHAP IN DE LUNCHROOM.

In een boek leer je den held van het verhaal maar niet zoo op de eerste bladzijden kennen in al zijn bijzondere hoedanigheden, vooral niet een veelzijdigen jongen als Pietje.

Onze vriend nu was natuurlijk niet zoo veranderd, of hij had heel wat van zijn vroegere karakter behouden, en af en toe gaf hij daar de bewijzen van.

Het was merkwaardig, hoeveel vrienden hij had, want iedereen hield van hem om zijn oprechtheid, zijn onuitputtelijken humor en levenslust.

Hij wist altijd den vroolijken kant van de dingen aan te wijzen en hielp daarmee menigeen van een neerslachtige bui af.

Daarbij had Piet vastheid van karakter, een eigen wil en een groote mate van zelfrespect. Dit laatste bracht hem wel eens in botsing met anderen, die probeerden, hem in een hoekje te dringen of te kleineeren.

Piet liet zich niet bazen, de schoolmeesters hadden hem niet voor niets verteld, dat zijn voorouders tachtig jaar lang gevochten hadden voor de vrijheid hunner nazaten, en hij zou wel eens iemand willen zien, die hem die vrijheid ontnemen durfde.

Hij wist--als het te pas kwam--dit zeer duidelijk aan iemands verstand te brengen, en dan zette hij maar weer zijn dictionaire in werking, liet zulk een overvloed van buitenmodel bijvoeglijke- en zelfstandige naamwoorden hooren, dat Servaas de Bruijn er het water van uit den mond geloopen zou zijn.

Op zekeren dag vond Pietje een gouden broche met een schitterenden diamant erin gevat.

Hij bewaarde het kostbare sieraad zorgvuldig en keek dien avond de advertenties in de courant na.

Spoedig vond hij, wat hij zocht. Een der annonces luidde:

VERLOREN

gaande van Beursstation langs Noordblaak naar Schiedamsche Singel 875 een gouden broche met diamant. Tegen belooning terug te bezorgen Westersingel 936.

Het was al wat laat, om er dienzelfden dag nog heen te gaan, maar den volgenden namiddag begaf hij zich naar het genoemde adres.

Het was een rijk heerenhuis, waar hij aanschelde en waar een belachelijk-verwaande lakei de deur opende. De man scheen last van een stijven nek te hebben, tenminste hij liep met den neus in de lucht en keek vanuit die hoogte minachtend op het menschdom neer. Met zijn stem kon hij kinderen bang maken.

"Wel ... wat isser?"

Piet keek een oogenblik verbaasd, maar glimlachte daarop. Hij had al begrepen, wat voor vleesch hij in de kuip had.

"Ik zou gaarne Mevrouw even willen spreken, hier is mijn kaartje," zei hij op beleefden toon.

De huisknecht, zonder het kaartje aan te nemen, wierp zoo mogelijk nog meer het hoofd in den nek en zei:

"En wat heb jij met Mevrouw te bespreken?"

"Iets van groot belang," zei Piet geduldig.

"Mevrouw heeft wel wat anders te doen, dan naar zulke jongens te luisteren. Er worden gasten verwacht en de familie heeft toch geen tijd om naar je te luisteren."

"Ik denk," zei Piet, "dat Mevrouw de zaak, waarover ik kom spreken, minstens even belangrijk zal vinden als de voornaamste gast, en als u even mijn kaartje wilt geven, zult u Mevrouw heel wat last en onrust besparen."

De huisknecht scheen Piets aandringen impertinent te vinden en kon niet inzien, wat voor belangrijks de jongen met Mevrouw te bespreken kon hebben. Het maakte hem ongeduldig en hij wenschte van den bezoeker verlost te zijn.

"Praatjes," zei hij driftig, "we koopen toch niets aan de deur."

"Praatjes? Als u wist, waarvoor ik kwam, zoudt u dat niet tegen mij zeggen."

"Zeg dan, wat je wilt."

"Ik wilde Mevrouw spreken ..."

"Waarover?"

"Dat is mijn zaak."

Driftig wilde de ingebeelde lakei de deur dichtgooien, maar Piets voet was in den weg.

"Marsch ... van de deur ... kwajongen!... ik telefoneer de politie..."

"Wel man," zei Piet, de deur weer openduwend, "je bent hier heelemaal niet op je plaats, je moet solliciteeren voor bewaarder in de gevangenis voor ongeneeslijke misdadigers ... je hebt nog niet eens beleefdheid genoeg voor portier van den Krententuin in Veenhuizen ... telefoneer de politie maar, dan ziet die nog een ouwe kennis ... En zeg nou aan je Mevrouw ... sterrekijker, kijk me eens an als je durft ... dat ik de gouden broche gevonden heb met den diamant erin ... mijn naam is Pietje Bell.... Heerenstraat 234... Je kunt 't komen halen, als je eerst excuus vraagt voor je onbeschofte hoffelijkheid tegenover een fatsoenlijk bezoeker... Saluut Lukas ... 'k wensch je veel heil en zegen en kiespijn."

Met open mond en een gezicht als iemand, die zijn zeventigjarige grootmoeder over een hek ziet springen, keek de huisknecht Pietje na.

"Hee... hola.... JONGEHEER.... JONGEH-E-E-RRR..." riep hij hem toe.

Maar Piet hoorde dat natuurlijk niet.

"Jongeheer ..." en hijgend kwam de lakei hem achterop .... "komt u alsjeblieft binnen ... Mevrouw zal u zeer gaarne te woord staan ..."

Piet schudde het hoofd en zei:

"Heerestraat 234 ... Sterrekijker ... val niet over de stoep ... Bye, bye ..."

Toen sprong hij op een passeerende tram en was spoedig uit het gezicht.

Denzelfden dag kwam niet de knecht, maar wel Mevrouw persoonlijk de broche halen. Zij verontschuldigde zich herhaalde malen, nadat Pietje haar een zeer aanschouwelijk verhaal had gedaan omtrent het optreden van den bediende.

Zij was zeer verontwaardigd over 's mans ongemanierdheid, had er al meer klachten over gehad en dit zou zeker de laatste maal geweest zijn, want zulke ingebeelde personen kon zij niet gebruiken.

Piet moest een belooning aannemen voor al de moeite en onaangenaamheid, die hij ondervonden had, en ofschoon hij herhaaldelijk weigerde en bedankte, het slot was toch, dat hij een bankbiljet van 25 gulden in zijn zak had, toen de dame vertrok.

Het geval met den huisknecht bewijst, dat Pietje Bell zich niet liet afgrauwen en snauwen, en dat dengene, die het met hem probeeren wou, dan ook maar de gevolgen moest ondervinden.

Evenmin was hij verlegen in het publiek en hij kon soms op straat of waar dan ook plotseling een grap uithalen, waar hij een ieder kostelijk mee amuseerde. Hij was een vrije Hollandsche jongen, nietwaar, en dit leven was zijn leven, nietwaar, en niemand behoefde hem te vertellen, wat hij wèl en wat hij nièt doen mocht. Als hij zin had, om iets te doen, wel, dan deed hij het, en al vond een ander het nu dwaas, dat maakte voor hem geen verschil.

Op een avond wandelde hij met Flip Buitenhuis door de stad.

Het duurde niet lang, of zij ontmoetten Mien Kuijer en Marie van Zanten.

"Dag kindertjes," zei Piet... "Quo Vadis?"

"Overal en nergens," zei Marie. "We wandelen."

"En wij promeneeren," zei Flip, "dat is nog deftiger."

"Zeg menschen," vertelde Piet, "ik heb vanmiddag een halfsleet gulden gevonden in een ouwe jas ..."

"Van z'n vader ..."

"Van mezelf ... en nou dien ik motie in om dat kapitaal te verbrassen in den eersten den besten Lunchroom."

"De motie is er door," oordeelde Flip. "Ik verwed er een cent onder, dat de dames meegaan."

"Hij verwedt een cent," riep Mien ... "gut, wat ben jij roekeloos."

"Hij verwedt nooit meer," zei Piet. "Toch heeft hij eens vijf centen verwed, maar toen was hij in een toestand van groote opgewondenheid."

Op den hoek van een straat stond een jongen met couranten.

"Nieuws-belaaaaaad!!!..."

"'n Heel goeie stem," merkte Flip op.

"Gaat nog al," vond Piet.

"Toen ik klein was," vertelde Flip, "kreeg ik zangles van een tante. Ik heb een reuze-geluid ...."

Ze namen plaats aan een tafeltje in de American Lunchroom, bestelden thee en gebakjes.

"Jouw stem," beweerde Piet luidruchtig, "is niet veel. Ik wed, dat ik harder kan schreeuwen dan jij."

"Stil toch," vermaande Marie, "de menschen kijken naar ons."

Maar Flip wond zich op.

"Denk nou niet, Piet, dat je tegen mijn stem op kunt..."

"Ik wed met je om de vertering, dat jouw bassie een mussche-sjilp is, vergeleken bij mijn orkaan."

"Om de vertering? Aangenomen ... ik begin ..."

"Flip, je doet het niet, hoor," zei Marie angstig, want ze kende Pietje en Flip door en door en wist, dat ze tot alles in staat waren.

Mien Kuijer grinnikte en wachtte vol spanning.

"Jij begint," zei Piet, "het woord is: Wafels."

Flip schoof z'n stoel wat achteruit, zette beide handen aan den mond en riep:

"Waaaaaaaafels!!!"

"Ha-ha-ha-ha... is dat alles?" vroeg Piet. "Met zoo'n piepgeluid zong de baker mij vroeger in slaap. Man, ik heb je niet eens gehoord. Let nou eens op mijn geloei..."

Piet ging staan, sperde zijn mond wijd open en schreeuwde:

"WAAAAAA... fels!!!!"

De kopjes en schoteltjes rinkelden ervan, twee dames vielen flauw en de oberkellner kwam met een agent naar het tweetal toe.

"'n Paar gekken uit Meerenberg ontsnapt," zei hij, "reken ze asjeblieft in."

"Kom maar mee," zei de agent.

"Maar agent, luister... wij zijn nette lui... Mijn vader is fabrikant..."

"Jawel, jawel," zei de politie-man, "mijn vader is Julius Ceasar en ik ben Napoleon... Kom maar gauw mee..."

Marie van Zanten en Mien Kuijer bleven achter en waren genoodzaakt, de thee en de taartjes te betalen.

Op het Politie-bureau was de uitleg spoedig door Pietje gegeven.

"Wel, meneer de Commissaris, het gebeurde zoo. Wij bevonden ons met onze dames in den lunchroom, toen mijn vriend en ik een dispuut begonnen over onze stem. Dit jongmensch beweert, dat hij zangles heeft gehad, maar dat moet dan bepaald van een doofstomme geweest zijn, want hij maakt nog geen muis aan 't schrikken. Wel, en toen probeerde ik hem dat te bewijzen, door hem te laten roepen: wafels. 't Was precies, of hij fluisterde, meneer de Commissaris, en daarom heb ik hem eens laten hooren, welk een enorm geluid ik bezit. Ik heb toen ook geroepen: wafels, maar ik zie heelemaal niet in, hoe ik daarvoor gearresteerd kan worden... iedereen kan dat doen, als hij er lust in heeft."

De commissaris wendde zich tot den agent.

"Wat is eigenlijk de reden van deze arrestatie?"

"De ober zei, dat het twee verpleegden uit Meerenberg waren."

Er was een algemeen gelach, waaraan de agent zelf meedeed.

"Ge kunt gaan," zei de commissaris, "maar doe dergelijke weddenschappen liever niet in lunchrooms, maar op het voetbalveld."

"Komaan," zei Pietje, terwijl ze het Politie-bureau verlieten, "laten we gauw de meisjes weer ophalen, die zullen wel met de vertering opgescheept zitten. Je hebt dan meteen gelegenheid, je weddenschap te betalen."

"Ik?" vroeg Flip.

"Wel, wie anders? Heb ik het soms verloren? Wie heeft het hardste geschreeuwd?"

"Nou, mij goed, ik zal wel opdokken. Zeg Piet, ik ken dien Politie-commissaris nog van vroeger, hij is al jaren aan dit bureau. Als kleine jongen had ik eens een cent ingeslikt en in haar zenuwachtigheid liep mijn moeder met mij naar het politie-bureau. Een dokter werd geroepen en haalde twee halve centen uit mijn maag te voorschijn. Het geld was in dien tijd gewisseld."

"Dat is nog niets vergeleken bij wat mij eens als kind overkomen is," zei Piet. "Ik was zes jaar en had een politie-fluit gevonden en die bij ongeluk ingeslikt. Nou had ik juist in dien tijd de kinkhoest en telkens als ik een hoestbui kreeg, kwamen alle agenten uit de buurt aanloopen, om te zien, wat er aan de hand was."

Al pratende hadden de twee vrienden den lunchroom weer bereikt, maar de dames waren vertrokken.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE CLUBHOND.

Eduard Pijpers was 'n type.

Gekleed naar de laatste mode, damesachtig fijn, was al zijn denken en doen gewijd aan mooie kleeren en mooie dingen.

Hij was een van Piets vroegere schoolmakkers, maar behoorde niet tot zijn bijzondere vrienden. Eduard werd door alle kennissen genoemd "Eetje."

Die naam gaf zijn type prachtig weer.

Eetje was driemaal op de H. B. S. blijven zitten, had vervolgens zijn geluk in den fruithandel geprobeerd, maar omdat hij meer vruchten opat, dan verkocht, had Papa hem bij zich in de kleermakerszaak genomen. Broeken en jassen kun je niet opeten.

Dit aangename jongmensch was de eenige onder Piets kennissen, die rookte.

Turksche cigaretten of een heel licht Havana-sigaartje. Deze gewoonte had hem een klant gemaakt van Flip, die hem het rookmateriaal verkocht.

Eduard deed altijd zeer voornaam, had een hoogen dunk van zichzelf en sprak met een stem als een Haagsch luitenantje.

Op zekeren avond stapte Eduard den sigarenwinkel van Buitenhuis binnen.

"Hallo, Eetje," verwelkomde Flip hem.

"Goeien-évend," was de wedergroet. "Zág Flip, hab je nog vèn die kleine Hévéné's vén verleden week?"

"O ja, nog genoeg voor je heele leven. Hoeveel wensch je er, tien, twintig, honderd, 'n paar duizend?"

"Merci, merci ... geef me er veef."

Er kwam een ander jongmensch den winkel binnen, vergezeld van een reusachtigen hond. Het was een Engelsche bulldog, ruim een meter hoog, met 'n kop als een tijger. Breed stond het dier op zijn geweldige pooten, hij had een loerenden blik, die weinig vertrouwen inboezemde.

Nu had Eduard verbazend veel liefhebberij in honden en kocht en verkocht ze nu en dan. Hij zei altijd, dat hij een kenner was.

De eigenaar kocht wat sigaren en onderwijl bestudeerde Eduard het kolossale dier.

"'n Préchtbeest, meneer," zei-die eindelijk.

"Ja," zei de eigenaar, een sigaar bij 't gasvlammetje aanzuigend. "'t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen."

"Efstènd?" informeerde Eetje. "Hoe dèt zoo?"

"Wel ziet u, ikzelf ben erg aan den hond gehecht, maar de oudelui houden niet van dieren en nu ben ik wel genoodzaakt, hem te verkoopen."

"Wèt vrègt u voor 'm?" vroeg Eduard.

"O, ik kan dadelijk 50 gulden voor hem krijgen van iemand. Maar die kerel behandelt zijn dieren niet goed, en daarom verkoop ik hem liever voor wat minder geld aan een hondenvriend. Het is een alleraardigst dier en heel vertrouwd met kinderen."

Flip schoot in een lach.

"Hij ziet er anders niet naar uit, meneer. Als u 't mij vraagt, is 't een echte bloedhond en ik zou hem nog niet op mijn ergsten vijand willen lossturen."

"O, dat is alleen maar zijn voorkomen. Hij is een lieve hond, nietwaar, Nero?"

Nero hief zijn bloeddorstigen kop op en gromde, alsof hij zeggen wilde:

"Als je dat nog eens zegt, vreet ik je op."

"Inderdéd... 'n éllerérdigst dier," zei Eetje. "Geef me 'n poot, Nero?"

Nero loerde hongerig naar den uitgestoken hand en bromde dreigend, waarbij hij zijn geweldige slagtanden liet zien.

"Oho... kélm... kélm... niet zoo boosérdig," suste Eduard.

"Weet u misschien een kooper voor den hond?" vroeg de eigenaar, die bijzonder veel haast scheen te hebben, om van het dier af te komen. "Maar hij moet een goed tehuis krijgen, anders geef ik hem niet."

"Ikzelf ben een hondenkenner," zei Eduard. "Wat moet ik u voor den hond geven?"

"Veertig gulden, omdat u het bent."

"Dèt ken ik niet betélen, wérde heer."

"Wat had u gedacht?"

"Ik zél u 'n tientje geven."

Het jongmensch dacht even na en zei:

"Tien gulden is een koopje voor zoo'n hond, maar als u me belooft, goed voor hem te zijn, wil ik hem wel voor dien prijs afstaan."

"In orde," zei Eduard. Hij betaalde den prijs en nam den hond over.

Nero's vroegere meester nam niet eens de moeite, afscheid van hem te nemen en ook de hond scheen er zich bitter weinig van aan te trekken. De verkooper had de tien gulden en Eduard voelde zich de trotsche bezitter van den meest bloeddorstig-uitzienden hond in de heele stad.

Flip sloeg zich op de knieën van pret.

"Ha-ha-ha-ha..." schaterde hij. "Een koopje, Ee, een koopje. Wat ga je met den leeuw uitvoeren?"

Maar Eduard was te druk bezig, zich de vriendschap van den hond te verwerven.

"Is 't geen préchtdier?" zei hij. "Kom hier Nero, zoete hond, heur, zoete hond."

Flip had een idee.

"Weet je wat," zei-die, "morgen gaat de club een wandeltocht maken naar Delft. Ik inviteer jou en den hond op dat uitstapje, dan hebben we nog wat plezier onderweg. Kom om negen uur bij de Heulbrug."

"Efgesproken," zei Eduard, "ik neem de invitétsie gérne én."

Eduard stak een sigaartje aan, deed dat zorgvuldig in een barnsteenen pijpje, zei: "adieu zág" tot Flip en leidde voorzichtig den tijgerhond naar buiten. Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht. Maar de dames deden een paar stappen terzijde, als ze het paar zagen naderen, moeders trokken angstig hun kinderen naar zich toe en de mannen keken het stel na en zeien: da's een kwaaie, hoor.

Maar Eduard vatte dat alles slechts als bewondering op en voelde er zich te gelukkiger om.

Een politie-agent, die al een poosje verdacht naar den hond gekeken had, sprak Eetje eindelijk aan.

"Een mooi beest, meneer."

"Dat zou ik meenen," was het antwoord.

"Is het ùw hond?"

"Zeker, nètuurlijk. Ik ben 'n kenner, heb verstand vén honden."

"Dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zijn belastingpenning laten zien? En dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zeggen, waarom de hond geen muilband aanheeft?"

"Beste vriend, ik heb het dier zoo juist gekocht."

"Dat zeggen ze allemaal. Van wie?"

"O, ik weet z'n ném niet."

"Dacht ik wel. Ik zal u moeten bekeuren. 't Spijt me wel. Als u Maandag direct den hond aangeeft voor de belasting, komt u er misschien met een lichte boete af, maar dan hebt u nog het procesverbaal vanwegens den muilband. Hoe is uw naam?"

"Eduard Pijpers."

"Woonplaats?"

"Goudsche Singel 457."

"Hoe oud?"

"Zeventien."

"In orde, u zult er wel meer van hooren."

Eduard vervolgde zijn weg en rekende uit, dat met de kosten van twee boeten van 25 gulden plus de belasting en hetgeen hij al voor den hond betaald had, het lieve diertje hem op ongeveer 65 gulden kwam te staan. Die ontdekking was niet bepaald verheugend en het maakte hem nijdig op den hond.

Nero bleef even staan en of Eduard al aan den ketting trok, het baatte niets. Onnadenkend in zijn drift gaf hij den hond een schop. Nero uitte een vervaarlijk gebrul en deed een nijdigen beet naar Eduards beenen. Gelukkig hapte hij mis en Eetje gebruikte nu allerlei zoete woordjes, om het monster tot kalmte te brengen. Met een bezwaard gemoed bracht hij zoo spoedig mogelijk den hond thuis.

Achter het kantoortje was een kleine binnenplaats met een ledig hondehok, en daar legde hij zijn viervoetigen makker aan den ketting en liet hem voorloopig aan zijn lot over.

Zondagmorgen.

Acht uur sloeg de klok van den St. Laurenstoren, toen Eduard beneden kwam.

Hij opende het raam van het kantoortje, dat op de binnenplaats uitzag en keek naar het hok.

"Nero... Nero... pssst... pssst..."

De hond stak zijn grimmigen kop naar buiten en zoodra hij zijn nieuwen baas ontdekte, zette hij een keel op van geweld. Wou-wou-wou-rrrrrr...

"Hij heeft honger," dacht Eduard en hij vond het maar het beste, een heel brood te halen en hem dat te geven. Uit den bakkerswinkel op den hoek haalde hij een lang roggebrood, zoo groot en zwaar, dat een paard er een indigestie van gekregen zou hebben.

Hij herinnerde zich nog te goed, hoe Nero hem gisteren trachtte te bijten, en daarom waagde hij zich nog niet bij den hond.

Vanuit het raam hield hij hem het brood voor en op het gezicht daarvan ging het dier nog veel erger te keer.

Het leek wel, alsof de hond in geen dagen iets te eten had gehad, en omdat Eduard ervoor bedankte, hem het brood vriendelijk aan te reiken, wierp hij het hem toe. Met een gebrul als een tijger, die een stier aanvalt, wierp Nero zich op het brood en had het in een paar minuten verslonden. Daarop keek hij naar zijn baas met een gezicht, alsof hij zeggen wou:

"Is dat alles?"

"Goeie genade," sprak Eduard in zichzelven, "zou hij nog niet genoeg hebben?"

Daarop begon de hond weer te blaffen, dat hooren en zien een mensch verging.

"Komaan," dacht zijn jonge baas, "we zullen in vredesnaam nog maar zoo'n brood halen. Maar als hij van plan is, op die manier door te eten, dan is hij een dure kostganger."

Hij keerde spoedig met een tweede roggebrood terug en presenteerde dat den hond op dezelfde manier.

"Daar gulzigaard, en nou krijg je niet meer."

Met dezelfde bloeddorstigheid als den eersten keer wierp de hond zich op het nieuwe maal en verslond dat weer even gretig, hoewel nu wat langzamer.

Hij scheen verzadigd te raken en liet zoowaar een klein stuk liggen.

Eduard probeerde hem nu voorzichtig te naderen en hield hem het overgebleven stuk brood voor, maar Nero draaide den kop om. "Merci, eet 't zelf maar."

Het werd tijd, zich naar de plaats van samenkomst te begeven, want hij had de uitnoodiging van Flip niet vergeten en verheugde zich nu op het wandeltochtje, waarbij hij natuurlijk verschrikkelijk met den reuzehond kon geuren en de bewondering opwekken der jongedames.

Na zijn ouders goedendag gezegd te hebben en Nero een muilkorf te hebben voorgedaan, begaf hij zich op weg.

Het was heerlijk Zondagsweer--'n zonnetje en 'n blauwe lucht.

De straten waren stil van rust en 'n enkele vroege wandelaar liep kalm van 't zonnetje te genieten. Nero liep rustig naast zijn baas voort, snuffelde hier en daar eens en gedroeg zich over het algemeen netjes.

Bij de Heulbrug, de plaats van afspraak, was het grootste gedeelte van de Vroolijke Bende al present. Pietje Bell was er het eerste geweest met Harry en in een groepje waren de anderen komen aanzetten, behalve Alida Specht.

Flip had de bende in geuren en kleuren het geval verteld van Eduard Pijpers en zijn bulldog, en de club was het er algemeen over eens, dat het gezelschap van dat tweetal een vermaak zou worden.

"Daar komt hij zoowaar aan," zei Jacob Mantel, en hij wees naar de Schiekade, waar onze vriend met Nero deftig kwam aanstappen.

"Hemelsche goedheid," riep Marie van Zanten uit, "wat een beest ... het lijkt wel een leeuw!"

"Voorzichtig nou allemaal, luidjes," maande Flip aan, want die wist ervan. "Pas nou een beetje op, anders bijt-ie je in je vlerk."

"Goeie-mogge èllemél," zei Eetje, toen hij de groep genaderd was.

"Morgen, Ee, ... krimmeneelen wat 'n stier heb jij daar bij je. Noem je dat een hond? 't Lijkt wel een rhinoceros," zei Pietje.

"Wat een prachtige kop," zei Mien Kuijer, en ze streelde Nero.

"Pas op, pas op," zei Marie.

Nero keek van den een naar den ander met oogen, die zeiden: nou, dat is me ook een stelletje om mee uit te gaan.

"Zeg, waar blijft Spinnetje toch?" vroeg Flip, "zou ze niet meekomen?"

"Ik mag 't lijen," zei Mien, "dat wurm heeft altijd wat op mij aan te merken."

"Tut-tut," zei Jacob, die de vrede in de Bende bewaarde, "denk er om, de eerste bepaling van ons reglement zegt: Vriendschap is ons aller doel en streven..."

"Nou," beweerde Mien, "dat mag je dan haar wel eens vertellen, die Spin ..."

"Sssssst ... daar komt ze."

"'k Ben laat, hè?" hijgde Alida, buiten adem. "Gunst, ik kan er niets aan doen, ik moest op het laatste oogenblik Pa's overhemd nog strijken en dat vragen ze je natuurlijk altijd, als je de meeste haast hebt. Bonjour Ee, ... gunst, is dat jouw hond?"

"Komaan menschen," zei Piet, "op die manier staan we hier morgenochtend nog."

De Vroolijke Bende zette zich in beweging en wandelde het smalle pad af, dat langs de molens voert.

De meisjes in haar kleurige toiletjes voorop, daarachter de jongens in groepjes van twee of drie, kuierde het gezelschap rustig voort, genietend van den zomerschen Zondag.

De hond stapte rustig mee, bromde wel een enkele maal tegen een passeerenden boer, maar gedroeg zich heusch als een fatsoenlijk mensch.