De vlegeljaren van Pietje Bell
Part 11
Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke brief heeft mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad?
Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman, die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch een wonderlijk land! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten, kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland, dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer dan honderd-duizend auto's door de straten rijden en honderden treinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik, omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt.
Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal ik dan om een groot kapitaal?
Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier, je hebt immers altijd zoo'n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas.
Denk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten.
Van je toegenegen vriend: Jacob Mantel.
Piet reikte den brief aan Flip over, die met alle aandacht begon te lezen.
"Wel, ik moet zeggen," vond Flip, "dat Jacob ons allemaal de loef afsteekt. Vijf-en-twintig dollar per week en zoo goed als geen kosten. En bovendien nog erfgenaam van een millioen! Jacob behoort tot de menschen, wien nou letterlijk alles meeloopt. Wat kan ik ooit bereiken? Al verkoop ik nu nog twintig jaar lang sigaren, dan ben ik precies evenver als nu. Voor jou is er veel meer kans op succès... de heele wereld ligt voor je open."
"Wat zou jij in mijn geval doen?" vroeg Piet.
"In jouw geval? Kerel, iemand met jouw kansen kan precies doen, wat hij wil. Jacob zegt het ook al in zijn brief. Wanneer jij het er op aanlegt, reiscorrespondent te worden, is de heele wereld jouw. Waarom pak je Jacob's voorstel niet aan en praat er eens met je patroon over?"
Opeens sprong Piet op, zijn stoel omgooiend.
"Flip! Ik doe het! Ik doe het! Maanden en maanden heeft het al in m'n hoofd gezeten. Ik probeer het! Natuurlijk zal ik eerst de toestemming van mijn ouders vragen, maar ik ben zeker, dat ze het mij niet zullen weigeren."
"'t Ellendigste voor mij is," zei Flip, "dat ik je dan kwijtraak. De tijd, dien we samen op deze kamer hebben doorgebracht, is de heerlijkste van mijn leven geweest. Je hebt mij bijna een ander mensch gemaakt met je gesprekken en je boeken, Piet, en ik zal je ontzettend missen."
Piet wachtte niet langer, dan noodig was.
Den volgenden dag vroeg hij den heer Peters te spreken.
Toen de directeur Piets ernstige gezicht bemerkte, keek hij een oogenblik verwonderd op. Piet had altijd een vroolijken trek om den mond en een eenigszins ondeugende uitdrukking in de oogen, zoodat deze plotselinge verandering wel verbazing opwekken moest.
"Wel, wat zullen we nu hebben?" vroeg de heer Peters. "Heeft uw vader weer een belangrijke uitvinding gedaan of komt u me slecht nieuws brengen?"
"Heelemaal niet," zei Piet, die opeens een aanknoopingspunt vond, waardoor zijn gezicht heelemaal opklaarde. "Heelemaal geen slecht nieuws, meneer! Ik ga naar Amerika!"
"Hè... wat... wie???... Ga jij... naar... Amerika? En dat noem je me geen slecht nieuws brengen? En wat ga je daar in vredesnaam uitvoeren?"
"Reisbrieven schrijven voor de Morgenpost!"
De directeur keek Pietje met groote oogen en open mond aan. Hij vergat van verbazing zijn oude gewoonte om zijn personeel met "u" aan te spreken.
"Maar... maar..." begon hij, en hij liep met groote stappen de kamer op en neer, "ik wil je niet kwijt hier... je doet je werk goed... uitmuntend... de redacteurs zijn tevreden... je hebt stijl... pit... goeie vooruitzichten... wat wil je meer? Hoe oud ben je?"
"Binnenkort word ik achttien."
"Binnenkort achttien... nauwelijks de vlegeljaren te boven! En dan naar Amerika! zonder vaste positie... zonder adres... zonder vrienden... niet weten wat te doen... dat kennenwe... dat hebbener al zoovelen geprobeerd... De grootste helft komt terug... een paar komen er... de rest verzinkt in een leven van tobben en ellende..."
"Wel," zei Piet beslist, "ik zal dan behooren tot de weinigen, die er komen. Ik maak mijn eigen werkkring. Ik zend u elke week een feuilleton en maak een studie van het land. Ik zal een contract sluiten met een paar Hollandsche tijdschriften voor geregelde correspondentie... ik heb een vriend te New-York!"
"O, dat verandert... Hm... anders een duivelsch plan van je... 'k had je graag hier gehouden, Piet... maar enfin. Wekelijksch feuilleton zeg je, he? Maak het pittig, interessant... Brieven uit Amerika van Pietje Bell... de stad zal opkijken... Wel, laten we zeggen... vijftig gulden per week... om te beginnen... dat wil zeggen, verondersteld dat ik daarvoor twee brieven krijg... dan heb je daar alvast twintig dollar wekelijks... behalve je andere contracten. Is dat aangenomen?"
"Aangenomen, meneer!" riep Piet verheugd.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
PIET VERTREKT NAAR DE NIEUWE WERELD.
Er waren eenige weken heengegaan en Piet had ten slotte de vereischte toestemming van zijn Ouders verkregen en ook reeds een antwoord van Jacob ontvangen, waarin deze hem vol blijdschap meedeelde, dat het huis van den heer Wortelman voor hem openstond.
Twee van de vijf weekbladen, welken Piet zijn werk aangeboden had, namen zijn aanbod aan en sloten ieder een contract met hem.
Sinds zijn eerste bezoek bij de familie Voorschoten was Pietje er nog tweemalen geweest, maar had op beide visite's niets te zien of te hooren gekregen van de zwarte oogen en de "Millions d'Arlequin", maar hij vond het toch vanzelfsprekend, om voor zijn vertrek de familie nog eens te gaan bezoeken.
Dit deed hij op een avond, dat zijn vriend Flip toch niet thuis was.
En ditmaal vond hij de familie weer voltallig.
Bella was niet uit, en zelfs was er nog iemand... een bedeesde jonkman... witblond van haar en angstig-fijn gekleed, met geurende haren en rose vingers... Dit plakplaatje werd aan Piet voorgesteld als... de aanstaande van Bella.
Piet drukte den nieuwen kennis stevig de hand, waarop deze bijna flauwviel. En vanaf dat oogenblik vond Piet de zwarte oogen lang niet zoo aardig meer.
Nadat ze zoo een poosje rustig bijeen gezeten hadden, kwam Pietje met het groote nieuws voor den dag.
"De reden, waarom ik eigenlijk vanavond hier ben," begon hij, "is om afscheid van u te nemen."
"Afscheid?" riep Bella op verbaasden toon uit.
"Afscheid?" herhaalde haar vader.
"Ik ga namelijk naar Amerika," zei Piet.
"Wat... jij ook al?" vroeg de heer Voorschoten.
"Ik ook al?... Wie dan nog meer?"
"Wel, pa gaat ook," zei Bella lachend.
"Ja," vertelde de juwelier, "eens per jaar ga ik naar New York voor zaken en keer dan meestal na eenige weken terug. En wat is de reden van jouw reis, Piet?"
Piet lachte eens en zei:
"Ik werk voor de bladen... heb een paar goede contracten... ik houd wel van werken, maar ik wil vrij zijn."
"Je hebt hier anders een goede positie, Piet," bracht Mevrouw in het midden.
"O ja, mevrouw, heel goed... maar, ziet u... ik kan veel meer, veel beter doen.... Ik houd van vertellen... en dat vertellen doe ik het liefste met m'n pen. Maar om wat te vertellen, moet je wat beleven... en hier beleef ik niets... hier zie ik altijd weer dezelfde stad met dezelfde gezichten... gebeuren iederen dag weer dezelfde dingen... en de wereld is zoo groot, mevrouw, zoo rijk aan stof voor vertellen... en nu ga ik er mijn werk van maken... om de menschen te vertellen van alles, wat er in die groote wereld gebeurt. En dan ook zal ik vrij zijn, echt vrij om te gaan naar iedere stad... ieder land... ieder werelddeel..."
"'t Is toch gewaagd ..." meende Mevrouw.
"Piets leven is heelemaal een waagstuk," lachte de heer Voorschoten, "maar ik heb vertrouwen in zijn onderneming."
"Piet is een idealist," zei Bella, en zich tot den jonkman aan haar zijde wendend, vroeg ze: "Zou je daar ook geen lust in hebben, Teddy?"
"Ik ... o neen ..." lispelde het plakplaatje, "ik blijf bij mama."
"Piet," sprak de juwelier, "kom even op mijn kamer, ik zal je wat diamanten laten zien."
Piet volgde hem en, op de kamer aangekomen, zei de heer Voorschoten:
"Luister, Piet, dat van die diamanten was maar een voorwendsel. Ik wou je vragen, met mij samen te gaan naar New-York. We kunnen samen een hut nemen, en ..."
"Maar, mijnheer, U reist waarschijnlijk eerste klasse, terwijl voor mij de tweede goed genoeg is ... u begrijpt ... dat ik ... nog niet ..."
"Ssssst ... je gaat mee als mijn vriend ... desnoods als mijn privé-detective ... ik heb voor een kapitaal aan diamanten bij me. Natuurlijk betaal ik je overtocht, dat is mijn belang, en ook, omdat ik meen, nog wel eenige verplichting aan je te hebben. Laat mij nu een oude rekening met je vereffenen, waarde vriend. Bewaar het geld, dat je al voor de reis bij elkaar had en voeg het bij het honorarium, dat ik je bij aankomst in New-York zal overhandigen."
"Maar ..."
"Piet, nu geen maren of tegenwerpingen. Je weigering zou je mijn vriendschap kosten. Het is dus besloten!"
Piet had van pure blijdschap den heer Voorschoten wel om den hals willen vliegen, maar bepaalde zich er toe, hem zéér stijf de hand te drukken, waarop de juwelier met pijnlijken blik naar zijn vingers keek.
Dien avond werd afgesproken, dat ze zouden vertrekken over veertien dagen met de "Nieuw Amsterdam" en na allen hartelijk gegroet te hebben, begaf Piet zich weer naar zijn kamer, zoo gelukkig als een jongen, die zijn levensweg pas goed gaat betreden en zijn ideaal als een gouden zon voor zich ziet opgaan.
Vader en Moeder Bell waren uit Hilversum overgekomen, om hun jongen uitgeleide te doen en ook de Vroolijke Bende was compleet. Wie geen vrij had, had vrijaf gevraagd en zoo was het een heele drukte op Piets kamer.
Piet had zijn koffers reeds verzonden en alleen een kleine city-bag mee te nemen.
Het was Zaterdagmorgen en een heldere Julizon vroolijkte de stad op.
Het heele gezelschap nam de tram naar de Boompjes en voor het laatst reed Piet door de Rotterdamsche straten, waar als gewoonlijk de draaiorgels gehoord werden. En onwillekeurig dacht Pietje aan zijn kinderjaren in deze stad, aan den tijd, toen hij iedereen helpen wou, wat altijd op een pak rammel uitliep. Hij zag de oude Breestraat weer in gedachten voor zich en de bescheiden schoenmakerij van zijn vader, hij hoorde hem het leer bekloppen, terwijl Vader altijd weer een schoon lied zong, bijvoorbeeld: "Trek maar aan het touwtje" of "O Susanna!"
Vader en Moeder waren een beetje stil, maar de club maakte des te meer lawaai in de open tram.
Oude herinneringen van de Vroolijke Bende werden nog eens opgehaald, opnieuw werd er gelachen om de kostelijke avonturen uit den heerlijken tijd, dien ze achter den rug hadden.
Van de Westerkade bracht een stoombootje hen naar het terrein van de Amerikaansche boot.
Het was een beetje winderig op het water, dat was wel lekker frisch.
Maar een steviger bries greep Eduard Pijpers' hoedje, en rrrrt ... ging het overboord.
"Ooo ... m'n hoed ... m'n hoed vélt in 't wéter, zég!!" gilde hij.
De Bende gierde en 't hoedje dreef snel op de Maasgolven weg.
"Hee, képtein!! képtein!!!" schreeuwde Eetje. "Wil je ésjeblieft m'n hoed hélen."
"Haal 'm zelf!" bromde de man en stuurde onverstoord naar den overkant.
De Nieuw-Amsterdam, kolossaal zeekasteel van de Holland-Amerika-Lijn, lag aan de kade onder stoom.
"'k Zou best meewillen, Piet," zei Mien Kuijer.
"En ik," vond Flip.
Ja, ze vonden het eigenlijk allemaal, maar wat ze wel het aller-àllernaarste van de heele zaak vonden, dat was dat ze Piet gingen verliezen, de ziel van de Vroolijke Bende. Jacob, die altijd de leiding had gehad, waren ze ook al kwijt, en nou Piet weer. Op die manier bleef er niets meer van de club over.
"Hoor eens, luidjes," zei Piet. "Mijn vertrek mag de club niet uiteen doen vallen. Blijft bij mekaar, jongens, blijft bij mekaar. Bekijk de dingen altijd van den besten kant en ga nou niet onverschillig worden en elkaar loslaten. De club moet blijven bestaan en nieuwe leden moeten er weer bij komen. Als je je gedrukt voelt, probeer dan eens een deuntje te zingen of te fluiten, wat zegt u, vader?"
"Zeker, jongen, altijd maar vroolijk zijn," zei Vader, een traan uit zijn oog wegpinkend.
Toen betraden ze het terrein van de booten en werden na verkregen toestemming toegelaten.
Daar ontmoette Piet den heer Voorschoten, die druk bezig was met het regelen zijner bagage.
Allen mochten op de boot komen en toen ze de weelderige inrichting van de eerste klasse zagen, riepen ze vol bewondering:
"Maar Piet, je gaat op reis als een koning!"
In den salon bleven ze nog even praten ... trokken vader en moeder Piet even terzijde.
"Jongen," zei Moeder, "heb je nou heusch wel alles? En je geld, is dat veilig? En heb je 'n zakdoek ... en je zeep ... en ... en ... zal je gauw eens overkomen, jongen, en veel, héél veel schrijven?"
De zware stoomfluit dreunde ...
"Van boord!!"
Piet omhelsde zijn ouders die tranen in de oogen hadden.
Toen kwam de club aan de beurt.
Alle vrienden drukten Piet hartelijk de hand en--was het afspraak of toeval--eerst Marie van Zanten, toen Alida Specht, toen Jannetje de Boog en ten slotte Mien Kuijer (die deed er 't langst over) die allen gaven Piet een klinkenden zoen op beide wangen.
De heer Voorschoten beloofde aan Vader en Moeder een oogje op Piet te houden en daarna verlieten ze met de jonge vrienden de boot.
Ten tweeden male dreunde de stoomfluit ... de bruggen werden ingetrokken ... de kabels losgegooid.
En langzaam dreef de kolossale stoomer de rivier op.
Piet en zijn geleider stonden op het dek, wuifden naar den wal.
De Vroolijke Bende wuifde terug en Piet hoorde hen nog van verre roepen:
"Dag Piet!!!"
Drie sleepbooten trokken den geweldigen zeekolos naar het midden der rivier, daar lieten ze hem los en met eigen kracht begon de Nieuw Amsterdam zich voort te bewegen.
Kleiner en kleiner werden de figuren aan den wal.
En allen wuifden, wuifden maar met hoeden en zakdoeken.
Piet voelde een prop in de keel, toen hij allen, die hem zoo lief en dierbaar waren, uit het oog zag verdwijnen.
Wat hadden ze toch allen een goeden tijd doorgemaakt!
En wat zou de toekomst brengen?
Maar Piet slikte den brok weg, richtte zich op en haalde eens diep adem.
Onder hem stampten gedempt de machines, die hem naar de nieuwe wereld zouden overbrengen ... naar het land van zijn droomen en idealen.
Hij had zijn weg nu eenmaal gekozen, recht vooruit lag het doel ...
De vlegeljaren had hij achter den rug, en nu zou hij moeten toonen, dat het hem ernst was met het leven ... dat hij man ging worden ...
Maar daarin voelde hij zich sterk ... hij wist wat hij wilde ... en wilde wat hij kon ...
Zoo moest hij er komen!
De laatste huizen van Rotterdam verdwenen aan den horizon en Piets lippen fluisterden glimlachend een laatsten groet naar de stad, waar vele vrienden en kennissen nog dikwijls in hun vroolijke gesprekken herdenken zouden de jeugd en
De Vlegeljaren van Pietje Bell.
EINDE
AANTEEKENING
[1] Dof gajes .... Politie in burger, rechercheurs.