De vlegeljaren van Pietje Bell

Part 10

Chapter 103,926 wordsPublic domain

Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.--Opeens zeg ik: Is u Hollander, meneer?--Nou, en toen had je hem moeten zien.--Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.--Hoe heet je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.--David Mantel, de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de kleinzoon van mijn besten vriend.

En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf ik wel wat over New-York, enz.

Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje.

Met beste groeten en 'n stevigen handdruk,

Je vriend, Jacob Mantel.

Piet liep met den brief naar beneden, waar zijn Moeder het avondeten gereed maakte. Hij hield haar den brief voor, gaf haar een klinkenden zoen en zei:

"Van Jacob."

Moeder lachte.

"Wat bedoel je, den brief of den zoen?"

"Beide, moedertje. Lees maar."

Ze zette haar bril op en las met prevelende lippen.

"Wel, wel, die is goed af, Piet. Maar jij mag ons nog niet verlaten, hoor."

"O neen, zoover zijn we nog niet. Later ... misschien ..."

"Ik moet er niet aan denken, Piet, dat jij ons nog eens zult verlaten."

"Wat is dat? Piet ons verlaten?" klonk Vaders stem.

Bell was binnengekomen en had juist Moeders laatste woorden opgevangen.

"Geen sprake nog van," lachte Piet. "We hadden het over Jacob Mantel. Hier is een brief van hem uit New-York".

"Wel, die is goed te land gekomen. De arme jongen verdient het dubbel en dwars. Maar wat moet jij daar nu gaan doen, Piet? Wou je daar ook gaan schoenpoetsen?"

"Dat zal niet noodig zijn," zei Piet.

Moeder stonden de tranen in de oogen.

"Wat nou, moeder?" vroeg vader, haar op den rug kloppend. "Wat ga je nou doen?"

"Piet moet niet weggaan ..." snikte ze.

"Wel, er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt," zei Piet. "Voorloopig heb ik het best naar mijn zin."

"Och," beweerde Vader, rustig zijn pijp stoppend, "ik weet nog niet, wat ik zou doen, als ik in Piets plaats was. Hij is op het oogenblik nog wat jong en onervaren voor zulk een groote onderneming en daarbij heeft hij ons nog, om voor hem te zorgen."

"Toen ik echter zoo oud was als hij, miste ik reeds m'n beide ouders en stond ik vrijwel alleen.

"Ik had een oudere zuster, Cato, en die deed mij in de leer bij een schoenmaker. Sinds heb ik al mijn leven schoenen gemaakt en heb er mij met een vroolijk liedje doorheen geslagen. Maar als ik het nog eens mocht doen ... wel ... ik denk ... dat ik de wereld eens ging bekijken en als Piet daar later lust in heeft, dan zal ik wel de laatste wezen, om hem tegen te houden. Wij beginnen zoetjesaan een dagje ouder te worden, Moeder, en tot nog toe is ons leven niets anders dan werken geweest. En daarom heb ik er eens over gedacht, de zaken aan kant te doen en een aardig huisje in Bussum of Hilversum te huren. Piet zou dan Zondags bij ons kunnen komen."

Moeder had wel lust om buiten te gaan wonen, maar dat ze haar jongen zou moeten afstaan ... neen ... daar moest ze niet aan denken.

Drie weken later werden de deuren van den Tivoli-Schouwburg geopend voor de Soirée van de Vroolijke Bende.

Pietje had herhaalde malen door een berichtje in de courant de aandacht op het feit gevestigd en aangezien in de laatste maanden meer dan eens grappige verhalen omtrent dat lustige clubje in de Morgenpost voorkwamen, was het publiek nieuwsgierig geworden en wilde graag de Vroolijke Bende eens leeren kennen.

Geen wonder, dat dan ook reeds twee dagen voor de uitvoering alle kaarten waren uitgegeven en des avonds aan de cassa het bordje: UITVERKOCHT prijkte.

Vroeg reeds waren de leden present in de kleedkamers achter het tooneel.

Piet, die als schrijver van het tooneelstuk ook dienstdeed als regisseur, had het druk.

Hij liep over het tooneel met al de gewichtigheid van een geroutineerd tooneelmeester.

"Is Boedels hier?" riep hij. "O ben je daar ... is alles present? De schemerlamp, de klok, de vaas met bloemen? En het boekenrekje?"

"Piet," riep een stem uit een der kleedkamers, "hier is de kapper."

"Kom direct."

Tooneelknechts plaatsten de coulissen.

"De piano hier," wees Piet aan. "Het tooneelstukje gaat pas voor de pauze, eerst hebben we muziek en voordrachten."

"Piet, of je even in de zaal komt."

"Wat is er dan?"

"D'r is een dame met twee dochters en die hebben per abuis inplaats van hun toegangskaarten drie lommerdbriefjes meegebracht ..."

"Dan kunnen ze de voorstelling achter de schuine deur gaan zien .... roep Harry maar ... ik heb het te druk."

"Piet ... de kapperrrrr!!!"

"Jááá, ik kom ... Hee, leg een paar kleine tapijtjes hier over dit kleed. D'r zitten zooveel gaten in, dat een vergiettest er jaloersch van zou worden. Zet die canapé daar in dien hoek, mooi."

Piet haastte zich naar de kleedkamer, waar de kapper zijn ingrediënten uitpakte.

"Goeien avond, meneer Smalt. Hier is de lijst van uw typen. Hebt u geschikte pruiken kunnen vinden?"

"Alles in orde, meneer Bell. Wie eerst?"

"Ik eerst!" riep Mien Kuijer.

Ze zette zich in den stoel en de kapper begon haar gezicht te bewerken met schmink, rood en poeder, maakte haar kastanjebruine haren op, zoodat ze er spoedig uitzag als de alleraardigste dochter des huizes.

De anderen keken vol belangstelling naar de bewegingen van den kapper en wachtten hun beurt af.

"Piet, daar zijn de solisten voor vanavond!"

Twee jongedames in witte avondtoiletten, bedekt door hemelsch-blauwe capes en zware bonten, verschenen in de corridor, gevolgd door een heer in smoking.

Er werden handjes gegeven, er werd voorgesteld en Piet bracht het muzikale drietal naar de hun aangewezen kleedkamers.

"Piet, de kapelmeester van het orkest wil je spreken."

"Allright ... een oogenblik."

Zoo was het Piet voor en Piet na!

Maar eindelijk sloeg het acht uur en een vroolijke marsch weerklonk.

De schouwburg was stampvol.

Natuurlijk waren alle ouders en familie-leden van de clubgenooten present en ook Vader en Moeder Bell, die voor dien avond de zaak gesloten hadden, namen een eereplaats in, daar had Piet wel voor gezorgd.

Na den welkomst-marsch rees het scherm.

Het eerste nummer van het programma luidde:

OPENING EN WELKOMSTWOORD door den heer P. BELL.

Door een portière op den achtergrond verscheen Piet op het tooneel en trad naar voren.

Een hartelijk applaus begroette hem, de menschen stootten elkander aan en gaven 'n knipoogje, alsof ze zeggen wilden: Nu zal je wat hooren!

Piet maakte lachend een paar buiginkjes links en rechts ... maar 't geklap hield eenigen tijd aan, waarop hij de zaal rondkeek met een paar oogen, die zeiden: ben ik nou aan 't woord of jullie?

Maar toen het stil werd, begon hij zijn openingsrede, die hij vergeten had, voor te bereiden.

"Zeer verdachte--ik wil zeggen zeer geachte aanwezigen--het is een groote onderscheiding voor de korfbalclub De Vroolijke Bende zulk een groote massa vrienden en belangstellenden hier bijeen te zien en het is dan ook met een kloppend oog en een traan in 't hart, dat ik u namens mijn handlangers een gelukkig Nieuwjaar ... een hartelijk welkom, wil ik zeggen ... toeroep.

"Zooals u op het programma ziet (en hier begon Piet eerst goed den draak te steken met de verschillende nummers) hebben we ons de medewerking verzekerd van de dames De Bruijn, sopraan en alt van de Koninklijke Hofopera in Noord-Siberië en het dubbelschroef-conservatorium in Delfzijl. De heer Kramp zal de schoone liederen der dames op de piano begeleiden en heeft daarin een wereldberoemde vaardigheid verkregen.

"De heer Kramp is opgetreden voor de voornaamste gekroonde en ontkroonde hoofden van Europa ... den hertog van Luxemburg, Middelburg, Limburg, Uilenburg en Vlooien burg. Hij is bekleed met de orde van den Witten Olifant, Den Zwarten Stier, het Roode Hert en de Cypersche Kat. Wanneer de heer Kramp al zijn ridderorden draagt, heeft hij een heele diergaarde aan zijn borst hangen."

De zaal daverde van het gelach, maar Pietje vervolgde met een leuk gezicht, zelf af en toe meegrinnekend:

"Verder zal ondergeteekende u eenige malen vervelen met zijn flauwe voordrachten, gedurende welke u evengoed de zaal uit kunt gaan en een kop koffie kunt drinken, en ook nog prijkt op ons program een tooneelstukje in twee bedrijven, waarin de leden van de Vroolijke Bende u blijken van hun onbedrevenheid in het Tooneelspel zullen geven.

"En met dit korte, ernstige woord, waarvan ik hoop, dat ge er dezen avond bij het huis gaan iets van zult meedragen ter overdenking, verklaar ik dezen feestavond geopend."

Een vroolijk, langdurig handgeklap dankte Piet voor zijn schoone woorden.

Naast Piets vader zat toevallig de vader van Jannetje de Boog, die zijn boerderij voor dien avond verlaten had om de Soirée van zijn dochter bij te wonen.

De man was zoo goedlachs, dat hij bij iederen zet van Piet diens vader een stomp in de zij gaf.

Vader Bell lachte eerst maar mee, maar toen de stompen al harder en harder werden, nam hij maatregelen en onder een schaterend "Ha-ha-ha" gaf hij den buurman zulk een geweldigen por in de ribben, dat deze verbaasd zijn lachen inhield en van verdere stompen afzag.

De dames de Bruijn en heer Kramp waren te goed in de stad bekend, dan dat Piets grappenmakerij hun eenige schade kon doen.

Bovendien, men kende Piet ook maar al te goed en zijn onschuldige ironie werd dan ook door de optredenden zelf met hartelijk lachen als een grap opgenomen. Iedereen wist, dat de Vroolijke Bende steeds zijn naam eer aandeed en niet van vormelijkheid hield of van droge, stijve redevoeringen.

Men kwam hier voor zijn plezier en, wel... men hád het!

Dat nam niet weg, dat de liederen van de zangeressen met stille bewondering werden aangehoord en allen een dankbaar applaus oogstten.

Maar toen het tooneelstukje aan de beurt was, kwamen de lachspieren weer in werking.

Mientje Kuijer veroverde stormenderhand aller harten door haar lieve verschijning, haar welluidende stem en haar alleraardigst spel.

Alida Specht was een echt Spinnetje en had heel wat lachsucces, terwijl de anderen uitstekend hunne rollen vervulden.

En Piet, die een Engelschman voorstelde, deed met zijn gebroken Hollandsch zóó herhaaldelijk de zaal in schaterlachen uitbarsten, dat hij telkens even moest wachten tot het gegier bedaard was eer hij weer verder kon gaan.

Na het zakken van het scherm was er een aanhoudend geroep om den schrijver van het stukje en de zaal weergalmde van het geroep:

"Pietje Bell!! ... Pietje Bell!!! ..."

En weer rees het scherm en kwam de held van den avond naar voren ... lachend en buigend ... en daverend weerklonk het applaus uit den stampvollen schouwburg.

Vader en Moeder Bell straalden van trots en genoegen, want, nietwaar, dat was hùn zoon, hùn Piet!

DERTIENDE HOOFDSTUK.

OP EIGEN BEENEN.

De winter verstreek en de lente deed zijn intocht.

Maar hoemeer het schoone jaargetijde naderde, hoemeer Vader Bell zijn plan, om de zaken aan kant te doen en rustig te gaan leven overdacht en met Moeder besprak.

"Ik zou wel liever onzen jongen meenemen," zei Vader, "maar hij heeft hier zijn werk en op een dorp kan hij weinig uitvoeren. Het liefste zou ik willen, dat hij met een vriend op kamers ging en ons elke week bezocht."

Moeder had eerst nog wel wat bezwaren, maar ze verlangde toch ook naar wat rust in de natuur, en ten slotte stemde ze toe.

Piet werd met de nieuwe plannen in kennis gesteld. Onze vriend was er in het eerst niet bijzonder mee ingenomen.

Zijn ouders waren zijn allerbeste vrienden en aan het ouderlijke huis, waar hij altijd zoo gelukkig was geweest, voelde hij zich sterk gehecht.

Maar aan den anderen kant begreep hij, dat zijn Vader en Moeder, na zoovele jaren van arbeid wel een paar jaartjes rust verdiend hadden en ook lachte het idee van "op eigen beenen te moeten staan" hem wel weer toe.

Maar nu kwam de kwestie van een kamervriend ter sprake.

Deze moeilijkheid werd echter spoediger opgelost, dan men wel verwacht had.

Flip, die nog altijd met succes den sigarenwinkel van zijn vader beheerde, had sinds drie jaren bij een tante gewoond, daar zijn Moeder vroeg gestorven en zijn Vader bijna voortdurend op reis was.

Nu kwam deze tante te overlijden en moest er voor Flip een nieuw verblijf gezocht worden.

De zaak werd met Flips vader besproken en het slot was, dat toen Vader Bell voordeelig zijn zaak van de hand had gedaan en naar Hilversum vertrokken was, waar hij met Moeder een allerliefst huisje aan den weg naar Laren bewoonde, Pietje en Flip hun kamp opsloegen in een groote, gezellige kamer aan den Singel. Ze hadden ieder een slaapkamertje erachter en tot Flips groote vreugde was er ook een piano aanwezig. Daarbij hadden ze een "engel" van een kamerverhuurster, een bejaarde juffrouw, die liever een troep vroolijke jongelui op haar kamer had dan een paar ouwe brombeeren.

Juffrouw Roest heette ze en ze was een helder uitziende vrouw met schrandere oogen, maar met een mond, die bijna nooit stilstond.

Keurig-zindelijk was ze, dat moet gezegd, en haar kamers zagen er proper en welverzorgd uit.

En toen begon de juffrouw Piet en Flip een staaltje van haar praatkunst te geven.

"Nou, heeren, ik heb verstand van kamers verhuren, asjeblieft! Ouwe menschen kan je heel den dag naloopen en bedienen, maar jongelui zijn veel gauwer tevreden. Die gaan den heelen dag naar hun werk en zoo heb je zelf op die manier ook nog wat aan je kamer. Is 't geen mooi uitzicht op den Singel? Gunst, heeren, ik ben best in mijn schik met u, en je moogt je gerust amuseeren hier, zooveel je maar wilt. Piano spelen ook, daar houd ik van. Ik heb een muzikant hier op de kamers gehad, die speelde heel den dag en zoo mooi, zóó mooi, dat je d'r draaierig van werd. Nou maar, die muzikant was ook heel dikwijls draaierig, maar dat kwam, omdat-ie zooveel glaasjes rum dronk. Hij had ten slotte zooveel rum gedronken, dat-ie rummetiek in z'n vingers kreeg en toen had-ie de muziek eraan gegeven en was chauffeur geworden. Maar dat had ook niet lang geduurd, want toen hij op een keer weer eens erg last van rummetiek had, reed hij zoo hard met zijn auto tegen een boom, dat hij eruit vloog en zes meters onder den grond schoot. Hè-hè-hè ..." en de juffrouw schommelde van 't lachen ... "en toen was de begrafenis ook meteen afgeloopen."

"Wel, juffrouw," zei Flip, "ik geloof wel, dat wij het met elkaar zullen vinden."

Dat vond de juffrouw ook en als de heeren wat noodig hadden, mochten ze het gerust zeggen.

Binnen een paar dagen was de kamer een museum van bezienswaardigheden geworden. De twee vrienden hadden er al hun rijkdommen heengebracht en weldra prijkten de muren met tallooze portretten, sportprenten, programma's, balboekjes en een niet te beschrijven verzameling van allerlei voorwerpen, waarvan een ieder zijn eigen geschiedenis had.

Flip werd nu des avonds om zes uur door een ouderen bediende afgelost, zoodat hij de avonden vrij had en die met Piet op de kamer kon doorbrengen.

Hij had tot op heden nooit veel aan lezen gedaan, maar Piet gaf hem mooie en goede boeken en daar begon Flip hoe langer hoe meer liefhebberij in te krijgen. Heele avonden bracht hij lezende door, terwijl Piet aan zijn schrijftafel werkte.

Zoo gingen de dagen rustig heen, en juffrouw Roest begon zich al over die kalme jongelui te verbazen, toen een nieuwe huurder wat leven, of liever gezegd wat lawaai in de brouwerij bracht.

De nieuwe huurder was warempel alweer een muzikant, maar ditmaal een dilettant, die lid was van een muziekkorps en een zeer lieflijk instrument bespeelde.

Het was de Turksche trom.

Elken avond na zijn souper begon de musicus te studeeren.

Tsching-tsching-tsching-boem!!! .... Tsching-boem-tsching!!!

Den eersten avond, toen Piet en Flip dit geluid hoorden, dachten zij, dat het onweerde en beiden keken naar de lucht.

Maar langzamerhand ontdekten zij het ware van de zaak!

"Ik laat me levend villen, als dat geen Turksche trom is," riep Piet.

"Je hebt gelijk! ... Hier boven!!"

Tsching-boem!!! Tsching-boem!!! Tsching-boem!!!!

"Maar dat is om gek te worden! Hee daar boven! Hou op!!"

Tsching-boem-boem!! Tsching-boem-boem!!!

"Zeg, Flip, die vent is krankzinnig ... dat kunnen we zoo niet uithouden!"

"Laten we naar boven gaan en hem vragen, op het dak te gaan zitten."

"Vooruit dan!"

De beide vrienden beklommen de trap en klopten aan.

Tsching-boem-boem!!!

Piet beukte nu zijn vuist op de deur.

"Alors ... wat isser ... Entrez!"

De jongelui traden binnen.

Een vervaarlijk groote trom stond in het midden der kamer, een muzieklessenaar met 'n studie-boek ervoor, een kort, dik Franschmannetje met zwarten snor en puntbaardje er achter.

Verbaasd keek hij de binnentredenden aan.

"Ah ... les messieurs ... kaat u zitte ... U isse van benee ... premier etage? ... Oui, oui ... voila des cigarettes ... excusez moi ... iek studeere ... oui ... iek speel ien de orchestre ..."

"Pardon," verzocht Piet, "als u zoo goed wilt zijn, even te luisteren?"

"Loister? ... Mais oui ... iek loister ... wat 'ad u?"

"Ik at snijboonen met worst," zei Piet, "maar daar gaat het nou niet over. Is u van plan nog lang op dat hoofd van Jut te slaan?"

"Oofd fan Juut? Comprends pas ... isse niet 'oofd fan Juut ... isse die kroote tromme ... fan die orchestre ... moet iek studeere ... oui ... chaque soir ... ielken oavend ..."

"Elken avond?? Groote genade, moeten wij elken avond in die herrie zitten?"

"'Errie ... dies noem u 'errie? Isse la musique ... isse ma chambre ... iek betaal die propriétaire ... kan iek doen wat iek verkies, n'est-ce pas? Vous jouez du piano ... eh bien ... watte wil u..."

"Maar waarde heer, dat gaat niet aan," zei Flip, "dat lawaai maakt een mensch gek!"

"Oh ... pas du tout ... kaat wel aan ... isse niet zoo erk..."

"Nou, meneer," zei Piet, "we zullen er dan wel eens met de juffrouw over spreken."

"Kaat uw kang ... ça m'est égal .... bonsoir mes amis!"

Tsching-boem-boem!!!

BAM!!! sloeg Piet de deur dicht.

Maar de juffrouw kon er ook niets aan doen.

De man betaalde zijn huur, nietwaar en zoolang hij de boel niet beschadigde kon ze weinig zeggen. Het zou immers niet den heelen avond duren?

Toen besloten Piet en Flip zelf maatregelen te nemen.

Na een uur studie hield de muzikant op.

Het leek wel de stilte na een zwaar onweer.

"Zeg, Flip," zei Piet, "morgen ben je jarig!"

"Ik? Je bent dronken ... ik ben pas jarig geweest."

"Zeur niet ... Als ik zeg, dat je morgen jarig bent, dan ben je morgen jarig."

"Nou, mij best ... ik ben morgen jarig ... maar ik tracteer niet, als je dat maar weet."

"Hoeft ook niet, luister."

En Piet fluisterde zijn vriend iets in de ooren, wat dezen de handen op de knieën deed slaan van pret.

"Onbetaalbaar!" riep hij, "als dát niet werkt, helpt niets!"

Den avond daarna sleepten de vrienden de volgende muziek-instrumenten naar binnen: een zinken waschkuip, deksels van potten en pannen, kermis-toeters en een groote bel.

Om half acht verschenen de leden van de Vroolijke Bende op uitnoodiging van Pietje, om den verjaardag van Flip te vieren.

Maar Piet had ze al gauw op de hoogte gebracht met den stand van zaken.

"We weten geen ander middel," besloot hij, "om van den muzikant af te komen en ik denk wel, dat het middel werken zal."

Het gesprek dwaalde echter van het een op het ander.

Ze bekeken de kamer en de vele foto's en juist wou Piet de geschiedenis gaan vertellen, die verbonden was aan een geëmailleerd bordje, waarop te lezen stond: "Deur sluiten s. v. p." toen opeens de muzikant weer aan 't studeeren ging.

Tsching-tsching-boem!!!

Dadelijk greep ieder zijn muziekinstrument.

Piet sloeg met een hamer op de zinken waschkuip, Harry luidde de groote bel, Flip speelde erbarmelijk hard en valsch op de piano, de anderen toeterden op de hoorns of sloegen potdeksels tegen elkaar en wie zijn mond vrij had, zong een ander lied dan zijn buurman.

Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee bewoners van het huis flauwvielen en de rest op straat vluchtte.

De groote trom tsching-boemde nog even door.

Kletterend, donderend, gillend, stampend, schreeuwend, bellend en schetterend daverde het onmenschelijke, barbaarsche orkest zijn hemeltergende muziek door de woning en het duurde geen vijf minuten, of er werd hevig op de deur gebonsd. Het was juffrouw Roest met den Franschman.

"Doorspelen," commandeerde Piet.

Met de handen aan de ooren stonden de juffrouw en de muzikant de Vroolijke Bende, die wel een troep losgelaten kermisgasten leek, aan te staren.

"Hou op... hou op!!!" schreeuwde toen juffrouw Roest.

En de Franschman voegde er bij:

"Isse skande... sacré bleu... maak tout le monde siek!!"

"Ah, monsieur..." zei Piet lachend, "gaat u zitten... U is van boven?... Tweede étage?... Juist, juist... hier zijn sigaren... excuseer ons... wij studeeren... dit is ons orkest... wij studeeren elken avond..."

"Ielken oavond... ielken oavond dees 'erie?"

"Herrie? Dit noemt u herrie? Dat is muziek, waarde heer... dit is mijn kamer... ik betaal de juffrouw... kan ik dus doen wat ik verkies.... U speelt de groote trom... wel, wat wilt u?"

"Maar dit kan ik niet toestaan," zei juffrouw Roest, "dit gaat te ver, meneer Bell."

"Och kom," zei Piet, "zoolang monsieur van u toestemming heeft, om dit huis met zijn helsche muziek onbewoonbaar te maken, zoolang zal mijn orkest hem daarbij helpen. Dus juffrouw, de groote trom eruit of u verliest òns en de rest van de huurders."

"Isse skande... isse criminal... mais je me vengerai... iek zal maatrekele neem... iek betaal niet ma chambre... compris?"

"Komprie? Komprie?" barstte juffrouw Roest los. "Je lijkt zelf wel een komprie. Jawel, m'n huur niet betalen en mij nog uitschelden voor komprie! Je kunt vertrekken met 't eind van de week; verstaan? Komprie... wel heb je ooit!"

De Franschman ging mopperend weer naar boven.

De jongelui moesten juffrouw Roest beloven, nimmer meer tot zulke radicale middelen over te gaan, hetgeen ze met genoegen deden.

Maar de groote trom werd niet meer gehoord en den volgenden Zaterdag vertrok de onruststoker met zijn "'oofd fan Juut".

Drie maanden verstreken, zonder dat er iets bijzonders voorviel in het leven van Pietje.

De dagen waren volkomen aan elkander gelijk, de jongelui leefden rustig samen, ieder zich wijdend aan zijn arbeid.

Soms vergezelde Flip zijn vriend, als die naar de een of andere uitvoering ging of een concert moest "verslaan," maar meestal brachten ze hunne avonden samen op de kamer door.

Op zekeren dag was er een tweede brief van Jacob uit Amerika aangekomen.

Piet was zeer benieuwd, hoe het zijn vriend in de nieuwe wereld verging en las:

New-York, April 19.... 1490 Riverside Drive.

Beste kerel,