De Villa S Der Medici In Den Omtrek Van Florence De Aarde En Ha

Chapter 2

Chapter 23,436 wordsPublic domain

Letterkundige bijgedachten treden in de andere freskoos maar al te zeer op den voorgrond: de vrijheid der inspiratie en de eischen der dekoratie hebben er onder geleden. Als waarschuwend voorbeeld wijs ik op den zegevierenden terugkeer van Cicero, door Francia Bigio, met allerlei archeologisch bijwerk: eene obelisk, eene zuil met scheepssnebben, het liggende standbeeld van den Tiber, en eene restauratie van het Kapitool.

Onder dien doorzichtigen sluier der klassieke herinneringen, herkent men gemakkelijk eene toespeling op de geschiedenis der Medici; de ware hoofdpersoon is niet Cicero, maar Cosmo de Oude, wiens terugkeer uit zijne ballingschap de kunstenaar heeft willen vereeuwigen. Eene andere fresko, van Alessandro Allori, geeft ons den consul Flaminius te aanschouwen, die de Achaïers beweegt hun verbond met Antiochus te verbreken; op een vierde schilderij, van denzelfden kunstenaar, zien wij Scipio aan tafel gezeten met Syphax; de slaven die hen bedienen, de standbeelden, de rijke ornamenten overal aangebracht, geven aan deze compositie een karakter van grootheid en vorstelijke weelde, volkomen passende bij den aanblik van dit prachtige vertrek, waarin het rijke en voor een deel antieke ameublement geheel in harmonie is met de heerlijke dekoratie.

Intusschen valt de regen nog steeds bij stroomen neder; de wegen zijn in modderpoelen veranderd; ik moet terugkeeren. Niet zonder moeite bereik ik den stal, dien ik bij mijn binnentreden in Poggio a Cajano heb opgemerkt; een kales brengt mij, steeds onder plassenden regen, naar San-Donnino, waar ik in den tram stap. Bij het vallen van den avond was ik weder in Florence terug.

II

Naar het schijnt, wilden de eerste Medici zich door het aantal hunner residentiën troosten over de--althans uitwendige--eenvoudigheid, die zij om politieke redenen in acht moesten nemen. Deze vorstelijke verblijven, voor het meerendeel klein van omvang, kunnen niet wel aanspraak maken op den titel van paleis of kasteel: het zijn niet meer dan villa's van rijke patriciërs, die het volstrekt niet beneden zich achten, persoonlijk het oog te houden op de bebouwing hunner velden en de exploitatie hunner goederen. In deze meer burgerlijke woningen wordt vorstelijke pracht vervangen door fijnen smaak en distinctie:--want wij zijn in Toskane, en wel in het Toskane der Renaissance. Maar wie het wezen van den schijn, het echt metaal van het klatergoud weet te onderscheiden, zal ook deze zoo vaak vergeten en verwaarloosde villa's kunnen waardeeren.

De drie villa's, die wij thans zullen bezoeken, zijn slechts ettelijke honderden ellen van elkander verwijderd en kunnen zeer gemakkelijk, hetzij per spoor, hetzij per tram, worden bereikt. Misleid door eene verkeerde aanwijzing, heb ik den langsten weg gekozen: mijn lezer zal zich dus maar moeten getroosten, een weinigje met mij te zwerven. Even als bij mijn uitstapje naar Poggio a Cajano, volg ik de lange en vervelende Via Pistojese; vervolgens, even voorbij het park van San-Donato, sla ik rechts om en betreed nu een dier tusschen heggen of muren ingesloten wegen, die in den omtrek van Florence zoo talrijk zijn. Het land is vlak, en de muur ontneemt mij alle uitzicht: het is mij dus onmogelijk, mij te oriënteeren. Maar den lezer is het genoeg te weten, dat ik, na lange omzwervingen, eindelijk het gehucht Ponte a Mezzo bereikte, dat zijn naam ontleent aan eene brug met één boog over een riviertje, dat zelfs nu, na de regenvloeden der laatste weken, half droog is. Ik volg verder dit riviertje en kom eindelijk te Ponte a Rifredo, waar zoowel een station van den spoorweg als van den tramweg is, en dat ik dus zeer gemakkelijk van Florence uit had kunnen bereiken. Het vlek is allerbekoorlijkst: een aantal kleine huizen liggen schilderachtig gegroept aan den voet der bergen; jammer genoeg, begint de moderne industrie ook den weg naar dit verrukkelijk oord te vinden: reeds verrijzen hier en daar de afschuwelijke schoorsteenen van fabrieken.

Doch wij treden liever de kerk binnen, wier voorgevel met portiek geheel overeenkomt met de voorgevels van zoo vele kerken in Toskane, maar die roemen mag op het bezit van twee kostbare terra-cotta's uit de school van de della Robbia. Aan de kerk grenst eene zaal, bestemd voor de bijeenkomsten van een liefdadig genootschap, de Compagnia della Misericordia.

De weg van Ponte a Rifredo naar Careggi is wederom tusschen muren ingesloten en vrij eenzaam. Na verloop van een half uur ongeveer begint de weg te dalen, en een geruisch als van vallende wateren dringt tot mijne ooren door. Weldra bespeur ik eene snelvlietende beek, die met groot gerucht door haar rotsig bed voortsnelt; aan de overzijde verrijzen, op een kleinen heuvel, een gekanteelde toren en, op korten afstand, eene villa, voor het grootste gedeelte achter het geboomte verborgen. Weldra sta ik voor de "Villa Medicea di Careggi".

Careggi! deze naam heeft beteekenis in de geschiedenis der beschaving. In dit nederig verblijf, door Michelozzo voor Cosmo, den Vader des vaderlands, gebouwd, hield de platonische Akademie hare eerste zittingen; daar putte Florence, en op haar voetspoor geheel Europa, voor het eerst nieuw leven uit de werken van den goddelijken wijsgeer. Uit dezen kring der Medici ging voor een goed deel de geest uit, die het aanschijn der wereld zou veranderen en de moderne beschaving in het leven roepen. En ook voor de bijzondere geschiedenis van Florence heeft deze plek groote beteekenis. Daar stierven, acht-en-twintig jaren na elkander, de onsterfelijke grootvader en de niet minder beroemde kleinzoon, Cosmo en Lorenzo il Magnifico. De eerste, tot hoogen ouderdom gekomen, ging heen, betreurd en geëerd door zijne medeburgers, die hem den schoonen titel van Vader des vaderlands schonken; de tweede, weggerukt in de kracht van den mannelijken leeftijd--hij telde eerst vier-en-veertig jaren--nam den vrede van Europa met zich in het graf. Inderdaad, ware Lorenzo in het leven gebleven, dan zou Karel VIII van Frankrijk meer dan waarschijnlijk nooit die noodlottige expeditie hebben gewaagd, die het begin was der italiaansche oorlogen en de bron van onberekenbare verwarringen, van onafzienbare rampen en verwikkelingen, waarvan de gevolgen zich maar al te zeer, tot in deze onze dagen, hebben doen gevoelen. De dood van dien zeldzamen man, staatsman, dichter, onovertroffen kunstbeschermer, heeft iets buitengewoon dramatisch. Poliziano en Pico della Mirandola hadden, luid snikkend, het vertrek van den stervende verlaten, toen de strenge prior van San-Marco verscheen, Savonarola, de onverbiddelijke tegenstander der Medici. Wat is er in die sterfkamer, tusschen die twee mannen voorgevallen? Niemand kan het met zekerheid zeggen. Volgens eene vrij algemeen aangenomen overlevering, zou Savonarola, eer hij de biecht van Lorenzo wilde aanhooren, hem drie voorwaarden hebben gesteld. De eerste, dat hij onbeperkt vertrouwen zou stellen in de goddelijke genade en barmhartigheid; de stervende antwoordde, dat hij daarvan geheel doordrongen was. De tweede, dat hij de goederen, die hij zich onrechtmatig had toegeëigend, zou teruggeven of door zijne zonen doen teruggeven; Lorenzo dacht een oogenblik na en boog toen het hoofd, ten teeken van toestemming. De derde voorwaarde eindelijk was, dat hij aan het florentijnsche volk zijne vrijheden zou teruggeven; toen wendde Lorenzo, zonder te antwoorden, het gelaat af, en Savonarola ging heen zonder hem de absolutie te geven. Eenige uren later, op den achtsten April 1492, blies il Magnifico den laatsten adem uit.

Na den florentijnschen opstand van 1527 had de villa het hard te verantwoorden; zij werd ten deele een prooi der vlammen. Alessandro de Medici, de eerste hertog van Florence, liet de noodige herstellingswerken uitvoeren, en vertrouwde de dekoratie aan Pontormo en Bronzino toe; alle sporen der verwoesting waren weldra uitgewischt. De opvolgers van hertog Alexander toonden minder belangstelling voor de geliefkoosde residentie van Cosmo en Lorenzo; de dynastie van Lotharingen verkocht de villa in 1779 aan de familie Orsi. In 1848 werd Careggi het eigendom van een rijken Engelschman, sir Sloane, wiens weduwe nog heden de villa bewoont. De laatste eigenaar heeft rondom de villa een prachtigen tuin laten aanleggen; midden door heerlijk geboomte, bloeiende heesters en bloemperken voert men mij naar het huis, dat niets groots of indrukwekkends heeft. Terwijl men mijn kaartje aan de meesteresse des huizes ter hand stelt, beschouw ik op mijn gemak de binnenplaats, den cortile, waarop men mij gelaten heeft. Deze inderdaad fraaie binnenhof, met zijn sierlijke zuilengalerij, is in een wintertuin herschapen. De vrij diepe put herinnert mij onwillekeurig aan den put, waarin de geneesheer van Lorenzo zich verdronk, uit vrees dat men hem beschuldigen zou, zijn patiënt vergiftigd te hebben.

Intusschen wordt de gevraagde vergunning bereidwillig verleend, en onder het geleide van een italiaanschen bediende wandel ik door eene reeks van vertrekken, allen getuigende van de hooge waarde, die sir Sloane aan de historische herinneringen zijner villa hechtte. Hier zie ik eene moderne schilderij: Cosmo, de opdracht van een boek ontvangende; ginds de portretten van Pico della Mirandola, van Leo X; Lorenzo il Magnifico den geboortedag van Plato vierende; voorts een marmeren borstbeeld van Plato. Ook vindt men in de geheel veranderde en misvormde vertrekken nog eenige oude meubelen, onder anderen een monumentaal ledikant, waarin, naar mijn gids beweert, Lorenzo zou zijn gestorven. Ongelukkig is dit bed niet ouder dan de zestiende eeuw.--Ook hier geeft het inwendige meer dan het uiterlijk belooft: de woning is zeer ruim en kon zonder moeite de kunstenaars en litteratoren herbergen, die Cosmo en Lorenzo om zich verzamelden; zelfs bood zij nu en dan gastvrijheid aan vorstelijke bezoekers. Onder de kunstwerken, die de villa versierden, wordt in de eerste plaats genoemd een schilderij van Memling, waarvan Vasari melding maakt. Het kost echter eenige moeite, zich dien vroegeren toestand voor den geest te roepen, te midden van die engelsche meubelen en karpetten, van zeer middelmatige schilderijen en beeldwerken, van de rumoerige, karakterlooze dekoratie onzer moderne salons. Zulke vergrijpen tegen den goeden smaak doen u niet minder onaangenaam aan bij de beschouwing van den achtergevel, waar men zich zelfs niet heeft ontzien, ijzeren kolommen aan te brengen! Daarentegen is de tuin bewonderenswaardig: Engeland, op het terrein der kunst overwonnen, handhaaft zijn roem op dat der horticultuur.

Poggio a Cajano en Careggi hebben ons de bescheiden pracht getoond van de eerste Medici; Castello en la Petraja zijn de residenties van vorsten en dagteekenen uit een tijd, toen de zucht naar weelde en schittering de behoefte aan kalmte en stille huiselijkheid op den achtergrond had gedrongen. Bovendien hebben wij hier niet alleen te doen met de herinnering aan de Medici, hertogen, later groothertogen van Toskane geworden; andere herinneringen van zeer veel jongeren datum en van zeer kieschen aard, onaangename en lastige herinneringen, komen zich daarbij voegen. Ik was daarmede ten eenemale onbekend, en kon dus ook eerst later het raadsel oplossen van het weinig beleefde onthaal, mij ten deel gevallen van de zijde van ondergeschikte beambten, die in deze dagen van triomfeerende onbescheidenheid en schaamtelooze publiciteit, uit den aard der zaak, in iederen vreemden bezoeker een reporter meenden te zien.

De beide villa's, wier namen ik zoo even noemde, zijn van Careggi duidelijk zichtbaar. De weg daarheen, voortdurend door muren ingesloten, is zeer vervelend. Aan het einde van de lange straat, waaruit het dorp bestaat, begint eene fraaie, met kastanjes beplante laan, die, langs de villa Corsini, naar de koninklijke villa leidt, die tegen de helling van den heuvel is aangelegd. Het uitwendig voorkomen van het huis is hoogst eenvoudig: de voorgevel bestaat uit eene benedenverdieping, met een poort, in zoogenoemd _opus rusticum_, in het midden, en een bovenverdieping met een balkon. Van het inwendige kan ik niets zeggen; want de toegang tot de appartementen is ten strengste verboden; men zegt, dat er fraaie schilderijen van Pontormo, Bronzino en andere meesters hangen. Door eene bijzondere gunst wordt het mij vergund, in den tuin te wandelen, die alleen reeds de moeite van het bezoek loont. Deze tuinen zijn een schepping van den eersten groothertog, Cosmo, die de versiering opdroeg aan den bekwamen beeldhouwer Nicoló Tribolo (geboren in 1485, gestorven in 1550). Een smaakvol marmeren bekken, versierd met een kind op een arend gezeten; eene monumentale fontein met bronzen kinderfiguren en de groep van Herkules en Antaeus, trekken al dadelijk de aandacht. Verder ziet men in deze tuinen, prachtige oranjeboomen in potten, boschjes van laurieren, standbeelden, en in het hoogste gedeelte eene kunstmatige grot met eene gansche menagerie van bontgeverfde dieren, met stalaktiten en wat daar verder toe behoort.

Een trap voert naar een heerlijk boschje van steeneiken en cypressen, wier donker gebladerte een uitnemend contrast vormt met den zonnigen, kleurigen tuin aan uw voet.--Ook aan Castello knoopt zich de herinnering van vele beroemde namen: Benvenuto Cellini, die, in 1552, hier door Cosmo zeer onvriendelijk ontvangen werd; Bianco Capello, die hier herhaaldelijk haar verblijf hield, en Borgognone, den rijk begaafden veldslagenschilder.

Men heeft van Castello naar la Petraja slechts weinige minuten te gaan. Een koninklijke tuinier brengt mij, langs eene met bosschages en rotsen omzoomde laan, naar het hek dat de villa afsluit. Wij wandelen een eind door het open veld, gaan langs de kleine parochiekerk van Castello, en komen aan een tweede hek, dat toegang geeft tot de villa la Petraja. Het park, dat zich voor ons uitbreidt, is verrukkelijk schoon: steeneiken en eeuwenoude cypressen, rotsen en watervallen vormen een geheel, dat door grootschheid en majesteit indruk maakt.

Ondanks de restauraties, in de laatste jaren op last van Victor-Emanuel aangebracht, heeft de villa zelve veel meer karakter dan Castello. Een soort van wachttoren, van boven met twee buitengalerijen prijkende, schijnt nog eene herinnering aan den tijd, toen la Petraja een sterke burcht was, die achtervolgens aan de Brunelleschi, do Strozzi, de Salutati, en eindelijk, sedert het laatst der zestiende eeuw, aan de Medici behoorde, en die vroeger meer dan eene belegering had door te staan. Onder leiding van den architekt Buontelanti (gestorven in 1608) werd de oude middeleeuwsche burcht in een modern lusthuis herschapen. Het merkwaardigste gedeelte van de villa is de oude "cortile", de binnenplaats, die thans met glas overdekt en in een salon veranderd is. Die salon, met zijn dubbele rij van zuilen, waartegen hertenkoppen bevestigd zijn,--tropeëen, door Victor-Emanuel van zijne jachten medegebracht,--ziet er echt vorstelijk uit; de freskoos die de wanden versieren, het schitterend licht dat uit den glazen koepel daalt, verhoogen nog het effekt. Ik zal die freskoos, die als dekoratie haar verdiensten hebben, maar niet beschrijven: zij verdienen onze aandacht niet in een land, waar men de meesterstukken uit den gouden tijd der kunst bij honderden telt. Toch zijn daaronder, die historisch belang hebben: tafreelen, als de samenkomst van Leo X en Frans I te Bologna, de kroning van Karel V, de instelling der orde van Sint-Stefanus, en meer anderen van dien aard, trekken van zelf de aandacht, afgescheiden van hunne kunstwaarde.--De kleine kapel bevat een schilderij, die bijna niet te zien is, en die aan Andrea del Sarto wordt toegeschreven. Hoe jammer dat deze Heilige Familie (de Madonna, het kind Jezus, Sinte-Elisabeth, Sint-Jan de Dooper) zoo donker van kleur geworden is; de ordonnantie maakt een zeer gunstigen indruk.

De dekoratie der vertrekken van la Petraja is zeer veel rijker, maar misschien minder smaakvol, dan die van Poggio a Cajano. In een der salons rondom den overdekten cortile, zie ik zes zeer kostbare tapijten, de geschiedenis van Don Quichote voorstellende en in 1781 in de fabriek der Gobelins vervaardigd.--Ik zal mij niet verdiepen in eene beschrijving van de eerste verdieping, met haar billardzaal, haar badkamers, haar slaapvertrekken, waarin de bedden op koninklijke gasten schijnen te wachten. Ondanks den overvloed van meubelen en het zeer zorgvuldig onderhoud, is toch niet alles volkomen zoo als men het wenschen zou. Zoo maken, bij voorbeeld, de perzische tapijten eene vrij povere figuur in de oude kapel, naast de freskoos van Poccetti.

Bij het beklimmen van den toren ontdek ik een zeer bescheiden kunstwerk, nog dagteekenende uit de eerste tijden van la Petraja: namelijk eene kleine Madonna, ter halver lijve, van geschilderd stuc, met het Kind en engelen. De stijl is die van de vijftiende eeuw. Ongelukkig heeft men dit interessante stuk, als al het overige, bijgeschilderd.

Ter linker- en ter rechterzijde van de villa liggen uitgestrekte tuinen, waarin zich een aantal volières bevinden, die tegenwoordig onbewoond zijn. Men verhaalde mij, dat de vroegere vorsten van Toskane hier eene allermerkwaardigste verzameling vogels, waaronder zeer kostbare en zeldzame exemplaren, hadden bijeengebracht. Wat er, na de verdrijving der oude dynastie, van die verzameling geworden is, weet ik niet: in ieder geval is er nu geen spoor meer van over. Gelukkiger waren de twee reusachtige steeneiken, wier stam eenige ellen in omtrek meet, en die een sieraad zijn van den tuin ter linkerhand. Tusschen de zware takken van die eeuwenoude boomen, heeft men een soort van terrassen of plankenvloeren aangebracht: de bezoekers van de villa kunnen dus, des verkiezende, te midden van het lommer, eenige ellen boven den grond, een luchtje scheppen, of hunne siësta houden. Terwijl ik deze eerwaardige boomen aanzag, kwam onwillekeurig de gedachte in mij op aan hetgeen zij zouden kunnen verhalen, ware hun, als den eik in Tennyson's gedicht, de gave der waarneming en der spraak geschonken. Onder den lommer dezer breede takken hebben de Medici gewandeld, omgeven door hunne schitterende hofhouding, door al de statige pracht van een italiaansch hof der zeventiende eeuw; deze eeuwenoude boomen zagen de vorsten uit de doorluchtige dynastie van Lotharingen, wier bestuur, onder zoo menig opzicht, voor Toskane eene weldaad was. Maar ook hunne eerwaardige kruinen bogen onder den storm der omwenteling, die meer dan eenmaal dat schoone land teisterde; vreemden kwamen en namen de paleizen van de oude vorsten in bezit; de schitterende, roemrijke steden van het eens zoo rijk geschakeerde Italië, die metropolen die zelven eenmaal staten en mogendheden waren, daalden af tot den rang van provinciesteden; de vorstelijke paleizen en villa's, over het geheele schiereiland verspreid, zijn het eigendom geworden van eene enkele dynastie, groot geworden ten koste van alle anderen. Welk eene erfenis is, ook onder dat opzicht, het huis van Savoye in den schoot gevallen! Maar wij moeten ook aan deze dynastie gerechtigheid laten weervaren: vergetende op welke wijze en door welke middelen zij in het bezit dezer schitterende erfenis is gekomen, moeten wij erkennen dat zij de nalatenschap harer voorgangers in eere houdt en toont hare schatten op prijs te stellen.

Op korten afstand van die eerwaardige boomen ziet men zeer interessante beeldjes in marmer, apostelen en profeten voorstellende, en uit de veertiende eeuw afkomstig. Evenals de vrouwenbeelden in den tuin van Castello, prijkten ook dezen, benevens een aantal anderen, eens aan den voorgevel van de kathedraal te Florence.

Het voornaamste sieraad van den tuin is ongetwijfeld de fontein, in smaak en sierlijkheid niet onderdoende voor die te Castello en, evenals deze, het werk van Tribolo. Het onderste gedeelte bestaat uit een marmeren bekken, waarin goudvisschen zwemmen. Satyrs, op dolfijnen gezeten, dragen een tweede bekken, versierd met bloemkransen, die door naakte geniusjes worden gehouden; uit dit bekken verrijst een met bloemen, kinderfiguren (_putti_) leeuwenklauwen versierde piedestal, waarop een derde, kleiner bekken rust, waarin eene badende nimf, die als Venus Anadyomene hare haarlokken uitwringt, een fijnen kristallen waterstraal laat vloeien. Dit bronzen beeld is het werk van Jean Bologne, die daarmede het bewijs heeft geleverd, dat hij zoowel de vrouwelijke bevalligheid, als de mannelijke kracht wist weer te geven.

Wilden wij al de villa's der Medici in den onmiddelijken omtrek van Florence bestudeeren, dan zouden wij nog een bezoek moeten brengen aan la Topaja, de oude villa van Varchi, den vriend van Michel-Angelo, den onafhankelijken geschiedschrijver van de florentijnsche republiek. Deze villa, die, naar men mij zegt, niets bijzonder belangrijks heeft, ligt een weinig boven la Petraja. Maar om haar te mogen bezoeken, moet men de tusschenkomst inroepen van hooggeplaatste personen, tot wie ik schroom mij te wenden. Bovendien heeft het uitstapje naar Careggi, naar Castello en la Petraja mijn geheelen dag in beslag genomen. Deze dag was welbesteed, immers ik mag mij vleien te hebben aangetoond, welke kunstschatten en welk eene wereld van herinneringen deze vergeten monumenten van den ouden tijd bezitten.

Te aangenamer was het mij, mijne lezers juist naar deze lustverblijven, waarnaar gewone toeristen niet omzien, wier bestaan zij zelfs niet vermoeden, te voeren, omdat ook in ernstiger en degelijker werken dan toeristen-handboeken, van deze villa's weinig of geen melding wordt gemaakt.

Moge mijne toch nog onvolledige beschrijving althans dit hebben uitgewerkt, dat de aandacht van enkelen, van ware, ernstige beminnaars van kunst en historie, ook op deze monumenten van Italië's rijk verleden worde gevestigd. Laat de stroom der alledaagsche toeristen hen dan voorbijgaan; voorwaar, ze verliezen niets daarbij. En de toeristen zelven: och, ook hun schaadt het niet, want wie op de moderne manier Italië bereist, ziet en kent inderdaad niets van dat wonderland, dat men, als de pelgrim van weleer, voet voor voet moet doorwandelen, overal toevende en telkens terugkeerende naar dezelfde plek. Wie dat niet doen kan, blijve liever te huis of trekke naar een mode-badplaats: 't is beter voor hem en vooral voor Italië.