De Villa's der Medici in den omtrek van Florence De Aarde en haar Volken, 1886
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team
De Villa's der Medici in den omtrek van Florence.
Reeds een vorig maal hebben wij, op onze wandelingen door Toskane, een bezoek gebracht aan een der voormalige villa's van het doorluchtig geslacht der Medici, in den omtrek van Florence. Maar Poggio Imperiale, waarheen wij toen onze schreden wendden, is noch het schoonste, noch het beroemdste van die lustverblijven, waaraan de naam en de herinnering van deze vorstelijke koopmansfamilie, die de evenknie van koningen werd en zich dien rang waardig toonde, verbonden is. Wij willen, steeds aan de hand van onzen voortreffelijken gids, den heer E. Müntz, onze wandeling voortzetten en ook de andere villa's der Medici bezoeken. Toskane is een land, dat onuitputtelijke schatten bergt en dat men niet moede wordt, jaar op jaar in alle richtingen te doorkruisen, overtuigd, telkens iets nieuws te zullen vinden, telkens en telkens teruggevoerd te zullen worden tot dat schitterende, dat overstelpend rijke, dat wondervolle tijdvak in de historie: de italiaansche Renaissance. Wij nemen vol blijdschap den wandelstaf ter hand en laten ons door den fijnen en smaakvollen kunstkenner, den biograaf van Rafaël, rondleiden door de betooverend schoone omstreken van het heerlijke Florence.
I
Met uitzondering van de Cascine, de Viale dei Colli, Bello Sguardo en Fiesole, zijn de onmiddellijke omstreken van Florence weinig bekend. Zelfs onder mijne florentijnsche vrienden was er geen enkele, die Poggio a Cajano, de historische villa der eerste Medici, had bezocht. Careggi is al even weinig bekend. En wie vermoedt zelfs heden ten dage het bestaan van die tooverpaleizen, Castello en la Petraja genoemd? Tot die onbekendheid en verwaarloozing draagt zeker veel bij de moeielijkheid om toegang te verkrijgen tot die villa's, die tegenwoordig tot het kroondomein behooren en waar men niet wordt toegelaten zonder uitdrukkelijke vergunning; maar de schrijvers, wier taak het is het publiek en met name de vreemdelingen voor te lichten, hebben toch ook schuld. Cochin, die in de vorige eeuw over Italië een van die vluchtige, oppervlakkige boeken schreef, waaraan met name de fransche letterkunde van dien tijd zoo rijk is, spreekt met minachting van Poggio a Cajano. "Dit paleis," zegt hij, "heeft niets bijzonder indrukwekkends. Het beste is nog eene kleine portiek van zes zuilen, waarheen een dubbele trap voert; de buitengevel is verder geheel kaal. Rondom de benedenverdieping loopt een terras, dat zeer aangenaam is en van waar men een schoon uitzicht heeft. Men vindt in dit paleis eene kostbare verzameling van kleine schilderijen van de eerste italiaansche en vlaamsche meesters, bijna allen uitmuntend schoon. Wij hebben den tijd niet gehad, de besten op te teekenen, maar de namen staan op de achterzijde te lezen."--Cochin had ten minste nog de moeite genomen, de villa te gaan bezoeken. Maar wat te zeggen van den schrijver van een onlangs uitgekomen boek, dat bepaaldelijk aan de omstreken van Florence is gewijd, en dat de geschiedenis en de beschrijving van Poggio a Cajano in negen regels afdoet? Toch is ook dat weinige nog te veel, wanneer men zich niet eenmaal de moeite geeft, de plaatsen te bezoeken, waarmede men anderen bekend wil maken. Ik mag nu het voorrecht hebben, mijn lezers iets nieuws, bijna iets onbekends, aan te bieden.
De gemakkelijkste manier om van Florence naar Poggio a Cajano te gaan is wel met den stoomtram, die op het plein Santa-Maria Novella afrijdt en alleen gedurende de middaguren stilstaat, terwijl de ritten 's morgens en 's avonds vrij snel op elkander volgen. Daar de afstand tamelijk groot is en een aantal plaatsen onderweg worden aangedaan, zou een enkel rijtuig niet voldoende zijn voor het vervoer van alle reizigers--bijna uitsluitend _coutadini_, landbewoners; de trein bestaat dus meestal uit vier of vijf wagens.
Onophoudelijke regens hadden mij gedwongen, het uitstapje van dag tot dag uit te stellen. Eindelijk kon ik niet langer wachten, en ondernam ik den tocht, hoewel donkere, onheilspellende wolken den hemel bedekten, en een koude vochtige wind mij rillen deed. Maar, wie weet, misschien zal ik vergoeding vinden in nieuwe natuurtooneelen. Het is niet ieder en niet dikwijls vergund, de vallei van den Arno in nevelen gehuld en in een modderpoel herschapen te zien, vooral niet in September.
Langen tijd slingert zich de tramweg door de straten der stad, doorgaans zoo vroolijk en uitlokkend, nu naargeestig en somber als de hemel zelf; dan komen wij aan de voorsteden en bereiken eindelijk het open veld met de klassieke muren, afgewisseld door hagen en boomen, waarlangs zich wijngaarden ranken. Te midden van het grijze landschap rust de blik met verrukking op de donker blauwe bergen op den achtergrond. Toch is het op den weg levendig genoeg, in spijt van het slechte weer; telkens ontmoeten wij karren op twee wielen en zoogenaamde chars-à-bancs, bestuurd door boeren met een vilten hoed, een grijs buis en dito broek, als hadden zij deze kleur gekozen om in overeenstemming te zijn met de thans alles overheerschende tinten in de natuur. Wij rijden over den Mugnone, eene beek, die men hier overal ontmoet en die wel de gave der alomtegenwoordigheid schijnt te hebben; dan komen wij aan San-Donato, de vroegere bezitting van vorst Demidoff; de trein rijdt langs een prachtig park, slechts door een hek afgesloten, en waarvan de treurwilgen, de populieren en platanen eene zeer welkome afwisseling bieden te midden der eindelooze olijfboomen. Een weinig verder zien wij zelfs, tot onze verrassing, echte groene weilanden, waarin eene kudde schapen loopt te grazen. Wij blijven nu in de vlakte, tot wij het doel van onze reis hebben bereikt.
Te Peretola gekomen, houdt de trein op het kleine kerkplein stil. De lokomotief verlaat ons, ik geloof om naar Prato te gaan; en onze wagen wordt in een omnibus herschapen, waarvoor twee paarden worden gespannen. Ik maak van het oponthoud gebruik, om de kerk binnen te treden: eene doodeenvoudige dorpskerk, maar die een werk bezit van de della Robbia, dat zoo goed als onbekend is. Dit uitnemende kunstwerk, deels in marmer, deels in terra-cotta, stelt Christus voor, ter halverlijve, door engelen gesteund, met de Madonna aan zijne linker- en Sint-Jan aan zijne rechterhand, terwijl God de Vader van boven op de groep neerblikt.
Maar de voerman klapt met de zweep: het is tijd om te vertrekken. Wij rijden door de eindeloos lange straat van Peretola; of liever, door een zeker aantal dorpen, die allen op elkander volgen, zonder dat ge aan wat ook bespeuren kunt, waar het eene ophoudt en het andere begint. Deze rit is zoo weinig mogelijk pittoresk. De smalle bedompte straat, de opeenvolging van kleine huisjes, allen naast elkander langs den straatweg in het gelid staande, de eenvormige bouwstijl: dit alles vormt de scherpste tegenstelling met de dorpen in het gebergte, waaraan de herinnering onuitwischbaar in het geheugen blijft gegrift.--Zijn wij inderdaad buiten of nog altijd in eene voorstad van Florence? Daar is grond voor die vraag. Het armoedig, slordig voorkomen der vrouwen, die voor de deur harer grauwe huisjes staande stroohoeden vlechten, zooals de boerinnnen bij ons kousen breien, bewijst dat wij ook hier boerinnen voor ons hebben. Maar wat beteekenen dan die petroleumlantarens en die snorkende opschriften? Deze tegenstrijdigheid springt vooral in het oog te Brozzi, dat wij weldra bereiken. Daar ziet men winkels, die in groote letters brommende opschriften voeren, als: (in het fransch) _Au petit salon de la mode_, waarmede een kapperswinkel wordt bedoeld; of wel _Birreria e deposito di ghiaccio_ (bierhuis en depôt van ijs), of _Bauco di lotte_ (loterijkantoor), of _Armaiuolo e fabbro_ (zwaardveger en smid); en daarnevens ziet ge boeren, die barrevoets en met hun schoenen in de hand loopen, om hun schoeisel voor slijten te bewaren. Welk een disharmonie en wat vergrijp aan de lokale kleur!
Te San-Donnino moeten wij iets langer ophouden. De aan Sint-Andreas gewijde kerk is een nederig en zeer vervallen gebouw, maar haar schilderijen verdienen, naar men mij verzekerde, zeer de aandacht. Ik treed binnen en richt mij aanstonds naar de fresko, die het eerste zijaltaar ter linkerhand versiert. Niet iederen dag overkomt ons het geluk, een Domenico Ghirlandajo--want met niemand minder hebben wij hier te doen--te ontdekken in een dorpje, waarvan geen enkel hand- of reisboek melding maakt. De fresko toont ons de Madonna, zittende in eene soort van nis tusschen twee heiligen, waarvan de een een zwaard, de ander een pijlkoker in de hand houdt; op den schoot der Heilige-Maagd zit het Kind, geheel ontkleed. De kompositie is, zoo als men ziet, hoogst eenvoudig: maar welk eene rust, welke harmonie en nobele fierheid in de figuren; en hoe juist heeft men Ghirlandajo den voornaamsten schakel genoemd in de gouden keten die Rafaël met Masaccio verbindt. In schitterende talenten wordt hij door vele andere schilders overtroffen; maar van weinigen maken de werken een zoo bekoorlijken, zoo rustigen, weldadigen indruk.
Een oude baksteenen toren, dien ik in de verte bespeur, noopt mij eene zijstraat in te slaan, die naar het station loopt. San-Donnino ligt aan den spoorweg van Florence naar Empoli. Maar naderbij komende, zie ik dat de toren alle karakter mist; ik haast mij dus de reis naar Poggio a Cajano te vervolgen.--Ik zal nu maar verder niets zeggen van die eindelooze aaneenschakeling van dorpen, die niets landelijks hebben, en van velden, met maïs en dergelijke gewassen beplant. Na een nieuwen rit, nog langer dan de vorige, begint het landschap van karakter te veranderen: de akkers worden vervangen door weilanden; in plaats van de eentonige vlakte krijgen wij bergen, groote en kleine, die weldra den weg versperren. Blijkbaar naderen wij het einde van onzen tocht; en dat is goed ook, want het begint weer te regenen en de weg wordt een modderpoel.
Bij het binnenkomen van het vlek of dorp Poggio, valt mij aanstonds het _caffé e buffet del tramway_ (welk een barbarisme!) in het oog. Ik behoef dus niet te vreezen, van honger te zullen sterven; een koetsier komt, met den hoed in de hand, naar mij toe, en vraagt beleefd, of ik een rijtuig verlang; er bestaat dus ook gelegenheid om naar de stad terug te keeren, al mis ik den tramway. Na nogmaals--zeker voor den tienden keer na mijn vertrek uit Florence--over een brug te zijn gegaan, kom ik eindelijk te Poggio a Cajano. De voornaamste straat, breed en ter wederzijde van trottoirs voorzien, is omzoomd door eene dubbele reeks van kleine huizen met eene verdieping en een alles behalve smaakvol ijzeren balkon. Omstreeks het midden van het vlek begint de weg te stijgen; daar begint ook, naast een fraai huis uit de zeventiende of achttiende eeuw (later hoorde ik dat daar de rentmeester van de villa woont), een reusachtige muur, die een groot deel van den heuvel schijnt te omsluiten; aan de andere zijde verrijzen een aantal koffiehuizen, gaarkeukens, logementen, meest allen van den minsten rang, ondanks hunne klinkende namen.
Ik stel tot den namiddag het onderzoek uit van dien geheimzinnigen muur, die het hoogste punt van Poggio a Cajano inneemt, en vervolg mijn weg tot aan den voet der bergen, op ettelijke honderd schreden afstands. Eindelijk ben ik dan in de vrije lucht, te midden der echte natuur. Hoewel de regen bij stroomen neervalt, adem ik met wellust de geuren in van het naburige bosch. Zulk een genot is een zeldzaamheid in de omstreken van Florence, die al te zeer bebouwd zijn en waar geen duimbreed gronds door den menschelijken arbeid ongebruikt wordt gelaten.
Een steile rotsige weg voert naar de twee kerken van Poggio a Cajano, die, wonderlijk genoeg, buiten het vlek, op eene moeilijk te bereiken hoogte zijn gebouwd en zich door niets bijzonders onderscheiden. Op een open plek gekomen, ontrolt zich voor mijne oogen een prachtig panorama: rechts en links met bosch begroeide bergen, met villa's bedekt; voor mij, de reusachtige muur, op de vier hoeken met een paviljoen versierd en binnen zijn gordel de eenvoudige en majestueuse villa der Medici omsluitende; in de verte eindelijk, die welbekende en altijd even schoone dekoratie: de belfroot van Arnolfo, de campanile van Griotto, de koepel van Brunellesco, Florence, in een woord, in al hare heerlijkheid.
Nu ik een blik heb geworpen op de villa der Medici--die villa, verheerlijkt door de herinnering aan zooveel groote mannen en door zooveel kunstwerken;--besef ik dat het eene onvergeefelijke handeling zou zijn, indien ik niet al mijn beschikbaren tijd aan haar alleen wijdde. Ik daal dus zoo spoedig mogelijk van den heuvel af, en bewonder gaandeweg de reusachtige muren en fondamenten, waarop de patricische villa rust, en die door de gesteldheid van het terrein werden gevorderd. Zij maken eenigermate den indruk van eene vesting: en toch is hier alles slechts op genieten berekend; de eigenaars schijnen niets anders bedoeld te hebben, dan te midden van een grooten tuin, een prettig, vriendelijk, zonnig huis te bouwen, waarin zij konden uitrusten van de beslommeringen der regeering. Uitwendig maakte dit huis weinig vertooning: de eerste Medici wenschten zooveel mogelijk alle opzienbarende pracht en weelde te vermijden. Zij moesten rekening houden met de prikkelbaarheid der florentijnsche burgerij, die door het ten toon spreiden van vorstelijke staatsie en grootheid, licht tot wantrouwen en naijver kon worden geprikkeld. Het was hun om het wezen der macht te doen, niet om den uiterlijken schijn: deze zou van zelf volgen, waar het eerste gewonnen was; zij vermeden dus alles wat aanstoot geven kon, en stelden zich schadeloos, door binnen de wanden hunner villa's alle genietingen en alle kunstschatten bijeen te brengen, die maar eenigszins binnen hun bereik konden liggen.
In zijn voortreffelijk en zoo boeiend boek over Lorenzo il Magnifico, schetst baron Reumont ons, hoe zijn held zijn vrijen tijd verdeelde tusschen Careggi en Cajano, halfweg tusschen Florence en Pistoja, op den laatsten heuvel van den Monte-Albano. In 1479 kocht Lorenzo de' Medici dit landgoed van Giovanni Rucellaï, een niet minder uitnemend kenner en beschermer der kunst, den stichter van den voorgevel van Santa-Maria Novella. Rucellaï had dit domein op zijn beurt gekregen van zijn schoonvader, een groot burger, een vurig, onzelfzuchtig beschermer van kunst en letteren, Pallas Strozzi. De nieuwe villa, door den vriend van Lorenzo, Giuliano da San-Gallo, gebouwd, werd weldra het vereenigingspunt van den schitterenden kring, die zich rondom il Magnifico schaarde. Poliziano heeft dien kring in eene zijner schoon berijmde verzen bezongen; Michele Verino beschreef hem in proza; Ermolao Barbaro en Pico della Mirandola werden daar als gasten ontvangen. Eene waterleiding, zoo verhaalt de heer Reumont, voerde het drinkwater van de hoogten van Bonistallo aan. Uitgestrekte boomgaarden en moestuinen dienden Lorenzo voor zijne proefnemingen op zoölogisch en botanisch gebied, want de groote Maecenas stelde evenveel belang in de scheppingen der natuur als in die der kunst. Hier zag men zijne moerbeziënboomen; elders zeldzame dieren, tot zelfs in Spanje en in Egypte gekocht. Lorenzo mag met recht de stichter der acclimatatietuinen, in den besten zin van dat woord, worden genoemd. Zijne verwonderlijke werkzaamheid omvatte alles: hij wijdde zijne aandacht zoowel aan de goudfazanten, wier afstammelingen nog tot voor weinige jaren het park bevolkten, als aan de varkens van Calabrië, de runderen van Indië, misschien zelfs aan de giraffen van Afrika, want het was door zijn toedoen, althans door zijne medewerking, dat dit zonderlinge dier voor het eerst in de vallei van den Arno werd gezien.
Toen de meest beminde zoon van Lorenzo zijn naam Giovanni de' Medici verwisselde tegen dien van Leo X, vergat hij de geliefde villa van zijn beroemden vader niet. Op zijn bevel en onder zijn toezicht werden daar belangrijke werken uitgevoerd, en de versiering der groote zaal werd aan kunstenaars van den eersten rang opgedragen, als Andrea del Sarto, Francia Bigio, Jacopo de Pontormo. De kunst- en letterlievende Paus, de Helleen op den troon van Petrus, die zijn naam aan de eeuw gegeven heeft, bezocht zelfs, ten jare 1515, de villa van Poggio a Cajano, die door hem nieuwen luister zou ontvangen. Maar zijn dood deed de werkzaamheden staken; eerst in 1580 kon Alessandro Allori de ontworpen verfraaiingen ten einde brengen. In dien tusschentijd had Cosmo I zich herhaaldelijk te Poggio a Cajano opgehouden. Benvenuto Cellini heeft ons het verhaal nagelaten van de pogingen, die hij, ten jare 1559, in deze zelfde villa, bij Cosmo aanwendde, om zijn eeuwigen tegenstander Bandinello ten val te brengen. Omstreeks dienzelfden tijd werd de villa versierd met eene reeks tapijten, jachttafreelen te water en te land voorstellende, geweven naar de kartons van Stradano.
Weinige jaren later werd Poggio a Cajano getuige van eene droevige tragedie, die meer dan de herinnering aan zoo vele beroemde en uitnemende personen, er toe heeft bijgedragen om de aandacht der geschiedschrijvers en ook der menigte op deze villa te vestigen. De om hare schoonheid en haar geest, zoowel als om haar grenzenlooze eerzucht en verraderlijke kuiperijen befaamde Bianca Capello had het eindelijk zoo ver weten te brengen, dat haar minnaar, de groothertog Frans II, haar had gehuwd en naast zich op den troon van Toskane verheven. De schitterendste toekomst scheen voor haar weggelegd. De senaat van Venetië, vergetende dat hij openlijk de dochter had gebrandmerkt, die met haar minnaar het vaderlijk huis was ontvlucht, zond nu een schitterend gezantschap om bij het huwelijk tegenwoordig te zijn en huldigde haar als eereburgeres van San-Marco. De dood van den eenigen erfgenaam van Frans II, den zoon zijner eerste gemalin, liet haar het veld vrij voor ver strekkende ondernemingen; dolk en giftbeker hadden haar ontslagen van gevaarlijke vijanden of onbescheiden medeplichtigen. Zij besloot nu, hare macht voor goed te bevestigen, door zich met haar schoonbroeders te verzoenen; inderdaad gelukte het haar, den kardinaal van Medici naar Poggio a Cajano te lokken. Was er bij hetgeen nu volgde toeval of misdaad in het spel? Wie zal het uitmaken: slechts dit is zeker, dat de groothertog, op den achtsten October 1587, plotseling werd aangetast door eene kwaadaardige koorts, die kort daarop ook de schoone Bianca aangreep. Beiden stierven eenige uren na elkander.
Deze herinneringen rezen in mij op, terwijl ik aan de poort der villa schelde, waarboven nog het in marmer uitgehouwen wapen der Medici prijkt. De portier, in de koninklijke liverei gedost, voert mij door een grooten tuin, waarvan het voornaamste sieraad bestaat in een rij oranjeboomen, in reusachtige aarden potten geplant, en geleidt mij naar den ingang van het huis, waar hij mij overlevert aan een ouden bediende, die mij tot cicerone zal verstrekken.
Zooals ik zeide, is de bouwstijl van de villa ten hoogste eenvoudig: noch schilderachtige uitbouwsels, noch monumentale zuilen, noch karyatiden; van voren gezien, gelijkt het gebouw op een vierhoek, bestaande uit eene beneden- en twee bovenverdiepingen, met een op pilaren rustende portiek, die de benedenverdiepingen omgeeft en ter hoogte van de eerste verdieping een terras of balkon vormt. Deze vrij plompe portiek is--ik haast mij dit er bij te voegen--een toevoegsel van later tijd, en mag dus niet op rekening gesteld worden van den oorspronkelijken bouwmeester Giuliano da San-Gallo, wiens werk onder meer dan een opzicht misvormd werd. Eerst als men om het gebouw heenwandelt, bespeurt men dat aan de zijgevels de uiteinden vooruitsteken en dus een soort van vleugels vormen. Het voornaamste sieraad van den voorgevel bestaat in eene zeer fraaie loggia, versierd met maskers en het wapen en devies van de Medici. De fries van het fronton dezer loggia is versierd met geëmailleerde terra-cotta's van een eigenaardigen stijl, waarin men reeds de richting der zestiende eeuw meent te bespeuren. Men ziet daar verschillende kleine witte beeldjes, fijn en geestig bewerkt, goed uitkomende tegen den blauwen achtergrond. Voor zoover ik, bij een haastigen oogopslag en onder den aanhoudenden slagregen, kon oordeelen, vormen deze groepjes allegorische voorstellingen, onder anderen van den landbouw.
Het uitwendige van de villa geeft volstrekt niet den indruk van het aantal en den omvang der zalen en vertrekken, die zij bevat. In de benedenverdieping vindt men een theater, eene zeer ruime overwelfde eetzaal, die op het prachtige park achter de villa uitziet; en ook de kamer, waar, volgens de overlevering, Bianca Capello gestorven is. In de laatste verdienen de aandacht de zeer smaakvolle dekoratie uit de zestiende eeuw en een fraaie schoorsteen, door twee thermen gedragen. "E tradizione," zegt de inscriptie, "che queste ristaurate sale ospitassero nel secolo XVI la bellissima Bianca Capello."
Op de eerste verdieping bezoeken wij eerst een gemoderniseerden salon met de portretten ten voeten uit van de Medici, en vervolgens nog eene tweede eetzaal, versierd met wapentropeeën en freskoos, voorstellende de overwinningen der Medici, benevens talrijke allegorische figuren. Maar ik wijd ter nauwernood eenige opmerkzaamheid aan deze vertrekken, en spoed mij naar den prachtigen salon, dien ik in de verte bespeur. En is het niet inderdaad een ongedacht voorrecht, in eene half vergeten villa eene kunstschepping te vinden, die al de majesteit en bevalligheid der renaissance in haar besten tijd in zich vereenigt, een salon, gebouwd en versierd op last en volgens aanwijzing van niemand minder dan Leo X? Ik waag mij niet aan eene beschrijving van dit in waarheid vorstelijk vertrek. De hooge gewelfde zoldering prijkt in het midden met het pauselijk wapen, met het bijschrift: _Leo decimus pontifex max. Aulam hanc illustrare et ornare coepisset_ (sic).--_Franciscus Medices magnus dux Etruriae secundus magnificentius perficiendam curavit._
Het blazoen en het devies der Medici leveren het hoofdmotief voor de dekoratie van deze monumentale zoldering; daar zijn de vier verbonden ringen, de saamgebonden lauriertakken, de vederen, de "palle" of ballen, al te gader welbekende emblemata in de florentijnsche kunst; afwisselend rood, blauw of zwart gekleurd, komen zij op het voordeeligst uit tegen den schitterend rijken gouden grond.
Onder de freskoos, die de wanden versieren, is er eene, die aanstonds de aandacht trekt, zoowel door de toovermacht van haar koloriet, als door het opschrift, luidende: "_Anno Domini MDXXI Andreas Sartius pingebat et a.d. MDLXXX Alexander Allorius sequebatur_;" met andere woorden: in 1521 begonnen door Andrea del Sarto, in 1580 voortgezet en voltooid door Alessandro Allori. De fresko verbeeldt Caesar, die in Egypte de schatting ontvangt der overwonnen natiën. In het midden troont de gelauwerde dictator in eene nis, en luistert naar de redevoeringen, die de afgezanten tot hem richten; ter rechter- en ter linkerzijde ziet men mannen van allerlei nationaliteit en zelfs kinderen, die paarden, honden, giraffen en zeldzame vogels als schatting aanbieden. Dit is eene toespeling op de zoölogische liefhebberijen van Lorenzo il Magnifico. De ordonnantie der schilderij laat te wenschen over, maar het koloriet en de levendigheid der voorstelling verdienen alle hulde. Ik behoef er natuurlijk niet bij te voegen, dat er hoegenaamd geene sprake is van historische waarheid of lokale kleur. Andrea del Sarto heeft Florentijnen uit zijn tijd en omgeving geschilderd, en ik zal mij wel wachten, hem daarvan een verwijt te maken.