De Verwoeste Steden Aan De Straat Van Messina De Aarde En Haar

Chapter 2

Chapter 22,391 wordsPublic domain

Afdalend naar het Corso Garibaldi wijst men ons, waar de zondagmis wordt gehouden. Het is in een klein, laag huisje van één verdieping, dat weinig schijnt te hebben geleden. Boven de deur kan men lezen: "Birra et Liquori". In een vertrek daarachter is het altaar opgesteld op schragen. Daar de kamer te klein is, blijft de helft der geloovigen buiten de deur, en te midden van hen houdt een oud vrouwtje haar ezel bij den teugel.

We komen bij de aanlegplaats van de veerboot, die den dienst tusschen Messina en Reggio waarneemt. Van den 10den Januari af hebben de bootdiensten weer geregeld plaats gehad; maar eerst een week later kon, nadat de wegen waren hersteld, het wagenvervoer worden hervat, zoodat de gewonden zonder overscheping van Sicilië naar het vasteland konden worden overgebracht. Door hun zeer afgeplatten vorm hebben de veerbooten weerstand kunnen bieden aan de hooge golven, die op de kust aansloegen onmiddellijk na de eerste schokken.

De overtocht over de straat is wezenlijk feëriek, en de hooge sneeuwtoppen der Apennijnen en der bergen van Sicilië vormen de treffendste tegenstelling met de oevers, waar de donkere ruïnen grijnzen, die zich als achter citroenboomen trachten te verbergen. Drie kwartier varens op zee, en we komen de haven van Messina binnen, "bella Messina", zooals niet laten kunnen haar te noemen degenen, die haar kenden in den tijd van haar glans. De ontscheping heeft zonder ongevallen plaats. Op deze plek is de kade geheel vernield; van een kleine werf, waar vroeger de koopwaren werden ingescheept, zijn niet anders overgebleven dan verwrongen ijzeren staven.

Bij de pier stond een lang gebouw, waarvan niets dan gescheurde muren zijn blijven staan, laatste sporen van de kazerne, waar vierhonderd karabiniers den dood vonden. Het tooneel is hier veel aangrijpender dan te Reggio; de verwoesting is in haar afgrijselijkheid veel roerender. De kade is hier en daar ten deele in zee gestort, en daar, waar de groote granietplaten de vloeren vormden, gapen nu diepten van zes of zeven meter. Elders is de dooreengewoelde en gespleten grond door water overstroomd, en men kan er niet langs dan over planken, die als brugjes van den eenen naar den anderen kant zijn gelegd.

Van de heerlijke paleizen, waarop Messina zich terecht verhief, wat is er thans van over? Halfingestorte muren en gevels, die een oceaan van ruïnen achter zich verbergen. In een der straten, die van de kaai naar het station voeren, is de afsluitingsmuur van een gasfabriek in één stuk gevallen. Hij beslaat de heele breedte der straat, en de lage karren, met groote, bruine buffels bespannen, rijden erover als over een effen weg. Op het stationsplein heeft men een reeks tenten opgeslagen, die dienen als voorloopige ambulances en tot herberging van enkele stationsdiensten, nu enkel twee vleugels van het stationsgebouw zijn blijven staan; maar hoezeer gescheurd en onvast! De Piazza del Collegio Militare biedt wel den treurigsten aanblik van verwoesting. De eene zijde van het plein was geheel ingenomen door de gebouwen van een militaire school. De bovenverdiepingen stortten in, maar hebben in het vallen den gevel der eerste verdieping gespaard, die nu doodsch en somber, de lijken van meer dan honderd jonge menschen, de gansche schoolbevolking, aan het oog onttrekt. En overal, waar men heen ziet, één enkel schouwspel; puinhoopen, één enkele gedachte, de dood.

De Via Garibaldi, de handelsstraat van Messina, ziet er bedroevend uit. Wat de aardbeving had willen sparen, is een prooi van den brand geworden. Een incidenteele brand, zeggen sommigen; een misdadige, beweren anderen, denkelijk zonder reden.

Een merkwaardige omstandigheid is de indruk, dien de ramp maakte op de weinige bewoners, die buiten waren op het oogenblik van de eerste schokken.

Een van hen, een bakker, die even te voren uit zijn werkplaats was gekomen, vertelde mij het volgende van die tragische oogenblikken: "Ik had pas mijn werk gedaan en daar ik door een kleinigheid was opgehouden, haastte ik mij naar huis, naar mijn vrouw en twee kleine meisjes. Gaande door de Via del Primo Settembre, stapte ik vlug voort; maar de lucht kwam mij zwaar voor, en ik voelde mij niet prettig. Het was nog geheel donker, maar ik kon toch een kar uit de tegenovergestelde richting zien aankomen, met een muilezel bespannen en een pleintje overstekend. De voerman had de grootste moeite, om zijn dier vooruit te krijgen. Het leek zenuwachtig en ongeduldig, deed telkens zijsprongen en ging dan weer in vaart vooruit, om even daarna stil te staan. Om het wilde dier uit den weg te blijven, week ik ter zijde op het pleintje; dat was mijn redding. Op dat oogenblik scheen de grond onder mij weg te gaan; met trillende beenen bleef ik onbewegelijk staan, niet in staat een lid te verroeren. Enkele seconden lang leek het mij, dat de huizen aan het plein een afgrijselijken dans uitvoerden. Ik zag muren instorten; een dicht stof omhulde alles, en ik voelde brokken steen aan mijn voeten vallen. Ik had volstrekt geen geluid gehoord, maar op dat oogenblik kreeg ik de gewaarwording van een gruwelijk lawaai, dat maar steeds aanhield, zonder dat ik het had hooren beginnen.

Ik merkte de haastige schreden van de menschen, die zich trachtten te redden, als witte schaduwen voorbijschuivend in den nacht. Ze gaven geen geluid, schreeuwden in het geheel niet! Ik dacht, dat het einde der wereld daar was, wachtte den dood af, onbewust nu en niet meer in staat, te denken en te begrijpen. Toen klonk er een luguber gebalk verschrikkelijk boven het lawaai uit; de muilezel, verpletterd onder een vallenden muur, gaf den doodssnik, en het was als een scheuring van de stilte, een vreeselijke uitbarsting van menschelijk geklaag, dat als een orkaan losbrak, een wanhoopsgegil, dat ten hemel steeg.

Eerst toen kwam de herinnering aan mijn vrouw en kinderen bij mij boven; zonder te denken aan het gevaar, liep ik voort; een verblindend licht deed mij schrikken, en ik had een gevoel, of ik in de lucht werd opgetild..... Toen ik weer bij kennis kwam, was het dag; maar de zon stond al laag bij den horizon. Ik lag op het dek van een stoomboot, die mij eerst te Palermo aan wal zou zetten, waar door een bovenmenschelijk toeval ik eenige dagen later mijn vrouw en mijn dochtertjes gezond en wel terugvond."

Als diegenen, die om zoo te zeggen als toeschouwers de ramp hebben bijgewoond, hebben moeten gelooven aan het vergaan der wereld, is het zeer waarschijnlijk, dat er onder de in hun eigen woning begravenen zeer velen zullen zijn geweest, die geloofd hebben aan een bijzondere ramp, die hen alleen trof. Aan den anderen kant zijn er plaatsen, waar de schokken maar zoo licht zijn gevoeld, dat het is kunnen gebeuren, dat een man, die door den eersten schok was wakker geworden en die niets bijzonders om zich heen zag, weer is gaan liggen, tot het licht was, en toen eerst, buiten gekomen, een indruk kreeg van den omvang der ramp.

Wij hebben de terugreis gemaakt met dien ontsnapte, zonder dat hij het wist, en hij heeft ons verteld van zijn ontsteltenis en van zijn angst, dat hij gek was geworden, toen hij het monsterachtige schouwspel vóór zich zag.

Bij het kruispunt der Vier Fonteinen, aldus genoemd naar de versiering op de vier hoeken, treden we dat deel der stad binnen, dat het meest is gehavend; het is slechts een hoop puin, en niets wijst er meer aan, waar de straten waren en waar zich de huizen bevonden. Een verschrikkelijke chaos, waar duizenden dooden onder rusten.....

Met moeite onzen weg vervolgend naar het Westen der stad, bereiken we de nauwe straatjes van het Academiegebouw en zijn omgeving. De boeken uit de Bibliotheek liggen over den grond gestrooid tusschen het materiaal van een kuiper. In die smalle straten, die weinig lucht krijgen, is de reuk onuitstaanbaar. Op de derde verdieping, waarvan de gevel is ingestort, is een hond wanhopig aan het huilen, en dat eenzame geklaag in de doodsche stilte, die over de stad hangt, heeft iets oneindig treurigs en sombers, dat iemand doet rillen. Misschien waakt hij daar boven naast het lijk van zijn meester.....

Wij worden genoodzaakt, op gevaar af, twintigmaal te vallen, een reusachtigen hoop balken en steenen te beklimmen, die den eenigen weg verspert, voor ons beschikbaar. Op den top is treurig een man gezeten op een stuk van een kroonlijst en houdt, met iets vermoeids in al zijn doen, toezicht op de arbeiders, bezig met het opruimen van het puin. Groot en forsch, met energieke trekken en sobere gebaren, lijkt hij ons vijf-en-dertig of veertig jaren. We spreken hem aan, en hij antwoordt in het Fransch. Hij is ingenieur en leidt de opgravingen, die op de plek, waar nog zoo kort geleden zijn huis stond, worden gedaan. Met enkele woorden en met eentonige, klanklooze stem vertelt hij ons, rustig en gelaten, alsof hij van een vreemde sprak, zijn droevige geschiedenis. "Dit hier was mijn huis, waar ik woonde met mijn kleinen jongen van een jaar en mijn broeder. Toen de dood is gekomen, heb ik mijn kind in de armen genomen en heb getracht, mij te redden, maar verder herinner ik mij niets meer. Ik ben vijf uren onder de puinhoopen blijven liggen; steenen beletten mij, mijn beenen vrij te maken; en ik hield steeds mijn jongentje tegen mij aan. Toen men ons is komen bevrijden, leefde ik nog, maar in mijn armen was mijn zoon gestorven."

"En uw broeder?"

"Dien heb ik pas gisteren weergevonden, maar hij heeft niet geleden; hij moet dadelijk gestorven zijn, want hij had aan de slaap een diepe wonde."

En toen we hem vroegen, of hij dacht dat er in zijn huis veel slachtoffers zouden zijn, zei hij: "Ja, wij woonden daar met een vijftigtal menschen en ik ben op het oogenblik de eenig overgeblevene."

We zijn allen dieper bewogen, dan we willen laten blijken. De eenvoudige toon, die zoo diep geschokt en vermoeid klinkt, waarop die man ons die dingen heeft gezegd, heeft den diepsten indruk op ons gemaakt. En toch is zijn geschiedenis lang niet een der verschrikkelijkste.

In het hospitaal Della Pace te Napels was een klein meisje uit Messina. Twee dagen lang was ze half begraven gebleven onder het puin, waar alleen haar linker been onder uit kwam. Den tweeden dag ging er een uitgehongerde hond voorbij, zag het been en wierp er zich gulzig op. Halfdood en te zwak, om te roepen of zelfs om een beweging te maken, voelde het meisje, dat het dier aan haar voet knaagde, en toen men haar bevrijdde, was de voet verscheurd.

Als men met de overlevenden spreekt, is er vooral één zaak, die de aandacht trekt. Het schijnt, dat de feiten, waar ze over spreken, niet henzelven betreffen; het is of ze onbewust een van buiten geleerde geschiedenis vertellen, waarbij ze in het geheel niet betrokken zijn, en toch zijn zij zelf de slachtoffers.

Den volgenden morgen bevinden we ons te midden der puinhoopen; de heldere hemel, de zon, die aan alles fleur en leven bijzette, had onze sombere stemming van den vorigen dag verdreven. Op de oneffen kaden en de uit de voegen geraakte straatsteenen zien we wagens en karren, getrokken door groote buffels met kromme horens. Dat is de eenige plaats, waar men nog een schijn van leven kan waarnemen. Bergbewoners komen naar beneden uit hun dorpen en geleiden hun ezels, beladen met manden radijs of oranjes en sinaasappelen, hoog opgestapeld in rieten korven, aan elken kant van het dier bijna tot op den grond afhangend. De kleine karren, de carettini, zoo fraai geschilderd, gaan voorbij, tot boven aan toe volgeladen met de voorwerpen, die de vluchtelingen dagelijks uit de ruïnen te voorschijn halen.

Een zwarte rook stijgt op uit het plein vóór het gemeentehuis, de Municipia, waar de brand nog niet is gebluscht. Na eenige dagen onder de asch te hebben gesmeuld, is hij weer begonnen, en soldaten zijn bezig, hem te bestrijden. Iets verder op de kade is het standbeeld van Neptunus niet in het minst beschadigd; de naar de stad het gelaat wendende god heeft zijn impassibel gezicht behouden.

Als we te midden van de ruïnen ons onderzoek voortzetten, zien we een groep huizen, die volkomen onbeschadigd is gebleven; nauwelijks ziet men er een paar scheuren in. Op den hoek van den muur leest men de woorden op een bord: "Allen gered!" geruststellende verzekering voor de menschen, die misschien nog in ongerustheid zijn over het lot hunner daar wonende nabestaanden. Ongelukkig zijn dergelijke uitzonderingen zeldzaam en vaker moest men eigenlijk de tegengestelde verklaring aanplakken met de woorden: "Allen omgekomen!"

Van de kathedraal, een meesterwerk uit de twaalfde eeuw, die aan alle voorafgaande aardbevingen weerstand had geboden, zelfs aan die van 1783, zijn nu het gewelf en de gansche rechterzijde ingestort. De mooie goudmozaïeken met purperen inlegsels, die aan de palatijnsche kapel in Palermo deden denken, liggen op den grond. Wij komen een man tegen, die netjes, maar armoedig is gekleed en die ons voorstelt, voor ons opgravingen te doen in de puinhoopen, want sedert enkele dagen nog maar staat men aan de eigenaars der huizen toe, nasporingen te doen en puin op te ruimen.

De toenemende duisternis noodzaakt ons naar de boot terug te keeren, die naar Napels zal vertrekken. Nauwelijks zijn we aan boord van de paketboot Scylla, of we hooren de brandklok. In de betrokken lucht stijgen rookwolken op, en op een paar honderd meter van ons verwijderd zien we een enorm vuur. Het is een zeilschip, waarvan de uit benzine bestaande lading vuur heeft gevat. Het is geheel nacht, maar de reusachtige vlammen, die uit het schip opstijgen, verlichten de helft der haven. Tot zoo dichtbij, als de voorzichtigheid het toelaat, zijn torpedobooten genaderd en zonder ophouden beschieten zij den vuurhaard met projectielen. Weldra valt de mast met één slag met een droog gekraak, gevolgd door het gesis van het vlammende hout, dat in de golven wordt gebluscht.

Drie uren lang zagen wij het vuur zijn vernielingswerk voortzetten. Een vreeselijk schouwspel inderdaad, dat schip in vlammen, dat zijn licht uitgiet over de doode stad, in duisternis gedompeld. Met een soort van verlichting zien we ten laatste het vuur dooven en eindelijk alles duister worden. De aanblik van de donkere zee is een rust na zulke tooneelen. Toen het dag werd ontwaakten wij tegenover Capri en de oevers van Sorrento, en, Napels maar even aandoende, vertrekken we dadelijk weer naar Rome, Genua en Frankrijk.