De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee

Part 9

Chapter 91,485 wordsPublic domain

Op den tweden dag na onze gevangenis in dit gewest der duisternisse, ging ik bij laag water, gelijk wij zeelieden plegen te spreken, als ons schip aan den grond zat, met den schipper en eenige andere Officieren, hebbende ieder een toorts in de hand, eens wandelen, en ontmoeteden eene zeer grote menigte menschen van allerleie natien, ten getale van meer dan tien duizend; zij vergaderden om met elkander te overleggen, hoe zij hunne vrijheid zouden weder krijgen, hebbende sommigen hunner reeds verscheiden jaren in de maag van dit beest geleefd. Juist als de voorzitter dezer vergaderinge ons zoude beginnen te zeggen, tot welk einde wij bij den anderen waren gekomen, werd onze plaag dorstig, en dronk op deszelfs gewone manier; het water stortte met zoo veel gewelds naa binnen, dat wij allen verpligt wierden ons wederom naa onze schepen te begeven, of gevaar liepen van te verdrinken, zoodat sommigen nog moesten zwemmen, en naauwlijks hun leven reddeden. Doch weinige uuren daarna waren wij gelukkiger: want toen kwamen wij bijëen, zoodra het dier zig ontlast had. Ik werd tot voorzitter verkozen, en stelde voor, om de twee grootste masten, welken in de vloot waren, aan elkander te hegten, en als onze plaagbast den bek weder opende, dan gereed te zijn om dit houtje daarin te rammeien, en hem alzoo te beletten, dat hij dien niet weder sloot. Deze voorslag werd door de _gantsche vergadering goedgekeurd_, en tot een besluit gemaakt: het welk een ieder der aanwezenden met het stellen van zijn merk bekragtigde. Tot dit werk werden ettelijke der sterkste en onvervaardste kaerels uitgekozen, die hetzelve nauwlijks in gereedheid hadden, toen onze kerkervoogd den bek opende; maar onze brave manschap hunnen slag waarnemende, plaatsten op 't zelfde ogenblik het eene einde der masten tegen het verhemelte, en boorde het ander einde door de tong van dit dier, zoodat het zijnen bek niet weder konde toedoen. Nu werd het zeer ras hoog water; wij bemanden met der haast eenige sloepen, en lieten ons op deze wijze in de waereld boegseeren; wordende, na veertien dagen in deze duisternis gezeten te hebben, op de aangenaamste wijze door het verkwiklijk daglicht verrast.

Wanneer wij allen van dit veel bevattend dier ons afscheid genomen hadden, monsterden wij onze vloot, en bevonden ons vijf-en-dertig zeilen sterk, van alle volken onder den hemel. De twee masten lieten wij in den bek zitten, om te beletten, dat anderen in denzelfden afschuwlijken kuil der duisternisse en onreinigheid geen schipbreuk zouden lijden. Een onderzoek, in welk gedeelte van de waereld wij ons bevonden, was onze eerste bezigheid, waarmede wij een zeer geruimen tijd doorbragten; wanneer ik, na lang vergeefsch zoekens, eindelijk uit eenige waarnemingen ontdekte, dat wij in de _Caspische_ zee waren, welke een gedeelte van het land der _Kalmucksche Tartaren_ bespoelt. Niemand kon begrijpen, hoe wij hier gekomen waren, naardien deze zee geene gemeenschap met andere zeeën heeft: één van de lange inwoners van het kaas-eiland, welken ik met mij genomen had, gaf 'er deze oplossing van: dat het gedrogt, in wiens maag wij zoo lang opgesloten waren geweest, ons hier gebragt had door onderaardsche kanalen; maar ons weinig daar over bekommerende, stevenden wij naa land, en ik was de eerste die voet aan wal zettede. Dewijl onze schepen ons hier van geenen dienst waren, verkogten wij ze allen aan den groten Heer; en ik nam aan om dezelven met mijn slinger en vleugels uit de _Caspische_ naa de _Oost-zee_ te brengen, om in eenen volgenden Oorlog tegen _Rusland_ gebruikt te kunnen worden.—Nauwlijks was ik landwaards in gegaan of 'er kwam een grote beer op mij aanloopen, en wilde mij te lijf; maar ik greep hem bij zijne voorpoten, in iedere hand één; kneep hem, dat hij lustig schreeuwde, en hield hem op deze wijze zoo lang, tot dat hij van honger stierf.

Van hier reisde ik, voor de tweede keer, naa _St. Petersburg_, alwaar een oud vriend mij een zeer goeden brak, een jong van die berugte teef, waarvan ik meermalen gesproken heb, welke jongen wierp terwijl zij een haas naa zettede, vereerde. Ik had het ongeluk hem kort daarna te verliezen, door een schot van een lompen onbezuisden jager, die op hem schoot in plaats van op een nest met veldhoenders, welken hij had opgestoten. Van het vel van dit schepzel heb ik dezen borstrok gemaakt (welken de _Baron_ na dien tijd altijd droeg, en bij dit verhaal aan zijne vrienden toonde) welke het vermogen heeft om mij, zelfs tegen mijnen wil, te brengen, ter plaatse daar wild is, zoo menigmaal ik in dien tijd op het veld ben. Als ik binnen een snaphaan schot kome, is het nog nooit anders gebeurd, of _één van de knopen vliegt van mijn borstrok af, en valt op de plaats, daar het wild is_, het welk, dan opvliegende, mij nog nooit muslukt is te raaken: want ik ga altijd wandelen met geladen geweer en overgehaalden haan. Eer de jagttijd aankomt, zal ik weder een nieuw stel knopen in gereedheid hebben.

Als een nest met patrijzen op deze wijze, door het vallen van een knoop onder dezelven, gestoord wordt, vliegen ze altijd op in een regte lijn agter elkander. Op zekeren tijd vergat ik den hagel, en latende mijn laadstok in den loop, schoot ik denzelven zoo regt door de vogels heen, als of de kok ze aan 't spit gestoken had; ook had ik vergeten een prop op het kruid te doen, waardoor de laadstok zoo heet wierd, dat de vogels volkomen gaar waren, eer ik te huis was.

Zoodra ik in _Engeland_ terug gekeerd was, volvoerde ik dat gene, het welk mij het naast aan 't hart lag; te weten een bestaan te zoeken voor den kaas-eilander, welken ik mede gebragt had. Mijn oude vriend, de Heer WILLEM VAN KAMEREN, die aan mij alle zijne denkbeelden over het aanleggen van chineesche tuinen, met welker beschrijving hij zoo veel roems verworven heeft, verschuldigd is, toonde zig in een gesprek, het welk ik kort na mijne wederkomst met hem hield, zeer verlegen om een middel, om de nieuwe vierkante lantaarns te ontsteken; hij merkte aan dat de gewone manier met ladders hier niet gevolgd kon worden; mijn geboren kaas-eilander kwam mij in 't hoofd, die van negen voeten, welke zijne lengte was toen ik hem mede nam, tot tien en een halven voet gegroeid was: ik bragt hem bij dien Heer, die hem met het aanzienlijk ampt van ontsteker der nieuwe lantaarns begunstigde. Ingevolge hiervan is hij tegenwoordig bezig, om in zijne zakken onder een groten klok een lamp te brengen, in plaats van die welken de Heer WILLEM VAN KAMEREN zoo opzigtelijk in 't midden van een vierkanten lantaarn geplaatst had.

_Drukfouten, dus te verbeteren._

Bladz. 5 reg. 5 horirzontaal _lees_ horizontaal ------ 16 reg. 10 wilde _lees_ wilden ------ 19 reg. 8 _hunner_ lees _deszelfs_ ------ 20 reg. 13 zal _lees_ zag ------ 63 reg. 7 _bijen_ lees _beeren_ -------- ----- 2 v. o. _welken_ lees _welke_ ------ 86 reg. 3 _schiet_ lees _de Baron schiet_ ----- 183 reg. 5 v. o. zij _lees_ zijn ----- 185 reg. 5 linkerzijde _lees_ regterzijde.

* * * * *

VOOR DEN BINDER.

Plaat I te plaatsen tegen over Blad 22 II --------------------------- 35 III --------------------------- 51 IV --------------------------- 58 V --------------------------- 61 VI --------------------------- 84 VII --------------------------- 184 VIII --------------------------- 185

+--------------------------------------------------------+ | | | NADERE OPMERKINGEN BETREFT SPELLING: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de | | originele, (zeer) verouderde spelling. | | Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. | | Variaties in spelling zijn behouden. | | De oude schrijfwijze is blijven staan van bijv.: | | welsprekenheid, hende, al, toonen, luisterden, | | gebaarden, gebeurenissen, muslukt. | | | | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: dan vert haalde hij—geheel | | C: dan verhaalde hij—geheel | | B: Baron—Ongeval van des | | C: Baron.—Ongeval van des | | B: lek gestopt_ _a posteriore_ | | C: lek gestopt _a posteriore_._ | | B: zijne gantsche klêerkamer in verwarring | | C: zijne gantsche kleêrkamer in verwarring | | B: paerd legde mijn oor op den | | C: paerd, legde mijn oor op den | | B: onder het schot krijgen—Het was | | C: onder het schot krijgen.—Het was | | B: van onderen, Men laat ze neervallen, | | C: van onderen. Men laat ze neervallen, | | B: van mij af, nit de vesting naa | | C: van mij af, uit de vesting naa | | B: onverwagt gezelschap—Komt, tegen zijn | | C: onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn | | B: onderscheiden.” | | C: onderscheiden. | | B: laten, brak. Ware de _Ballon_ | | C: laten, brak.” Ware de _Ballon_ | | B: wakker kittelen,” Hier op mikte | | C: wakker kittelen.” Hier op mikte | | B: Phijsica, maar klnderen zijn, niet | | C: Phijsica, maar kinderen zijn, niet | | B: zijne ark bouwde—De geschiedenis | | C: zijne ark bouwde.—De geschiedenis | | B: roemrijke manier—Koningin | | C: roemrijke manier.—Koningin | | B: de Koninglijke Garde gegeven wierd. | | C: de Koninglijke Garde gegeven wierd | | B: Lord R***** eene reis gedaan heeft | | C: Lord R*****) eene reis gedaan heeft | | B: mans voorouders—Eenige weinig of | | C: mans voorouders.—Eenige weinig of | | B: dezer twee echtgenoten.” | | C: dezer twee echtgenoten. | | B: de chirurgijnmijn pols zoude | | C: de scheeps-chirurgijn mijn pols zoude | | B: aldaar niet genoemd schen, maar | | C: aldaar niet genoemd menschen, maar | | B: welken de Heer KILLEM VAN WAMEREN zoo | | C: welken de Heer WILLEM VAN KAMEREN zoo | | | +--------------------------------------------------------+