De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee

Part 8

Chapter 83,963 wordsPublic domain

De vermaaken der liefde zijn in de Maan geheel onbekend: aldaar is, zoo wel onder de overige als de kokende dieren, maar eene of liever in het geheel geene kunne: want zij groeijen allen aan bomen van verschillende grootte en gedaante: die genen, waaraan de kokende dieren, of gelijk wij zouden zeggen, de menschen, groeijen, zijn de fraaiste van allen; zij hebben breede, dunne takken, en vleeschkleurige bladen, en brengen vrugten voord als noten, met harde schellen, ten minsten zes voeten lang; als zij rijp worden, 't welk men aan het veranderen van de kleur kan zien, worden ze afgeplukt, met grote zorgvuldigheid bij één vergaderd en weggelegd, zoo lang, als men dit goed vindt: want zij bederven nooit; en als zij het zaad van deze noten willen uitbroeden, werpen zij dezelven in een groten ketel met kokend water, waardoor de noot in weinige uuren zig opent en een volwassen schepsel daar uit springt.

De natuur vormt deze schepsels reeds, eer zij in de waereld komen, tot derzelver verschillende beroepen; uit de eene noot komt een krijgsman, uit eene andere een wijsgeer, uit een derde een godgeleerde, uit een vierde een rechtsgeleerde, uit een vijfde een boer, uit een zesde een lompe kinkel, enz. enz. voord, en een iegelijk hunner begint zig terstond te voltooien, door dat gene 't welk hij te vooren maar in de bespiegeling kende, werkstellig te maaken.

Als zij oud worden, sterven zij niet, gelijk wij; maar verdwijnen, als de rook, in de lucht? Drinken hebben zij niet nodig: want de eenigste uitwaassemingen, welken zij hebben, zijn ongevoelig en alleen bij de ademhalinge. Aan iedere hand hebben zij maar éénen vinger, waarmede zij alles zoo goed kunnen verrigten, als wij, die 'er vier hebben met een duim. Hunne hoofden dragen zij onder den regterarm; als zij op reis gaan, of eenige zware bezigheid hebben, laten zij ze meestal te huis: want zij kunnen dezelven op eenigen afstand gebruiken. Dit ziet men hier dagelijks; en als lieden van rang of aanzien onder de maanlingen begerig zijn om te weten, wat 'er bij den gemenen man omga, blijven zij zelve te huis, dat is, de romp staat in huis, en zenden hunne hoofden derwaards, welke aldaar ongemerkt kunnen tegenwoordig zijn, en keeren op hun gemak terug naa huis, met een verhaal van het gene zij gezien en gehoord hebben.[24]

[24] Dit voorrecht—om zijn hoofd ongemerkt tegenwoordig te laten zijn in het huis van een ander,—hebben in de Maan alleen de lieden van rang en aanzien in de huizen hunner minderen: somtijds kunnen zij in de huizen van huns gelijken insluipen, doch zeldzaam en met zeer veel moeite en voorzigtigheid.

De pitten van hunne druiven gelijken volmaakt naar hagel; en ik ben volkomen overtuigd, dat als een storm of harde wind de wijnstokken in de Maan stuk slaat, en de druiven van de ranken afbreekt, dan die pitten bij ons op de Aarde vallen, en onze hagelbuien maaken. Hierom zoude ik de zulken, die hierin met mij van 't zelfde gevoelen zijn, raaden, dat als het eens weder hagelt, zij dan die hagelstenen verzamelen, om Maanwijn daarvan te maaken. Zij smaakt zeer veel naar het wit Bergsch bier.—Eenige gewigtige omstandigheden heb ik nog vergeten te melden. Zij gebruiken hunne buiken, gelijk wij onze zakken, en dragen daarin alles wat hun gelieft: want zij kunnen die openen en sluiten, even gelijk hunne magen, naar welgevallen. Zij zijn niet belast met darmen, lever, hart of eenig ander ingewand; ook worden zij door klederen niet belemmerd, gelijk ook geen gedeelte van hun lighaam onzienlijk is, noch ongevoeglijk om het te vertoonen.

Hunne ogen kunnen zij uit het hoofd nemen, of daar in laten, zoo als zij willen, en kunnen even goed zien, of zij dezelven in hunne handen of in hunne hoofden hebben. Gebeurt het, dat zij een oog verliezen of bezeeren, zij kunnen een ander leenen of koopen, en daarmede zoo goed zien, als met hunne eigen ogen. Uit dezen hoofde vindt men in alle landen van de Maan een groot getal winkeliers in ogen; ook zijn de inwoners in dit stuk, schoon ook hierin alleen, veranderlijk; somtijds zijn de groene, somtijds de geele ogen in de manier.

Deze dingen zullen u zekerlijk zeer vreemd voorkomen, mijne Heeren? maar, indien bij iemand uwer nog eenige schaduw van twijfeling mogt overblijven, weet ik daar niet beter op, dan dat hij zelf eene reis naa de Maan doe, en dan zal hij weeten, of ik een geloofwaardig reiziger ben.

XIX. HOOFDSTUK.

_De Baron trekt over den Teems zonder behulp van een brug, schip, boot, of luchtbol, zelfs zonder zijn eigen wil; hij ontwaakt na een langen slaap; en vernielt een gedrogt, het welk alleen leefde van de verwoesting van anderen._

_Engeland_ ging ik voor de eerstemaal bezoeken in het begin der regeringe van den tegenwoordigen Koning. Ik moest eenige goederen te _Wapping_ gaan bezigtigen, die aldaar voor sommigen mijner Vrienden te _Hamburg_ ingescheept zouden worden, en keerde van daar over het plein van den Tower terug. Hier komende was ik zeer vermoeid, en vond de zon zoo verkwiklijk, dat ik in een kanon kroop om wat uit te rusten, en mij zelven te koesteren—en viel in slaap. Dit gebeurde omtrend de klok van negen uuren, op den vierden van Zomermaand, zijnde 's Konings geboortedag; en al het kanon, 't welk 's morgens vroeg al geladen was, werd stiptelijk ten één uur afgelost, ter gedachtenisse van dien dag. Ik, die niets kwaads vermoedde, ja zelfs niet gedacht had, dat de staat, waarin ik mij plaatste, voor mij gevaarlijk konde worden, werd over de huizen aan de andere zijde van de rivier geschoten, en viel, tusschen _Bermondseij_ en _Deptford_, neder, in een grooten hooischelf, zonder te ontwaaken. Hier bleef ik zoo lang in een vasten slaap liggen, tot dat het hooi zoo dier werd ('t welk omtrend drie maanden naderhand was), dat de boer goed vond zijn hooi te verkoopen. De schelf, waarop ik lag, was de grootste van allen op de werf, en bedroeg meer dan vijfhonderd voeders; waarom men denzelven het eerst aantaste. Het volk, dat met ladders tegen mijn bestede opklom, maakte mij door hun geraas wakker; ik begon te geeuwen, en mij wat uit te rekken; maar mij nog eens willende omkeeren (want ik was nog niet uitgeslapen, en wist volstrekt niets van den staat, waarin ik mij bevond) begon ik te rollen en viel van boven neder op het hoofd van den boer, welken dit hooi toebehoorde; van dezen val had ik zelf het minste leed niet; maar brak den boer den nek. Tot mijn troost hoorde ik naderhand, dat hij een allerverfoeilijkst charakter bezat, en de voordbrengselen van zijnen grond nooit dan voor de buitensporigste prijzen verkogt.

XX. HOOFDSTUK.

_De Baron doet een uitstap door de waereld, na een bezoek aan den berg _Etna_ gegeven te hebben; hij vindt zig zelven weder in de zuid-zee; bezoekt _VULKANUS_ op zijne reis; komt bij een _Hollander_ aan boord, waarmede hij landt aan een Eiland van kaas, liggende in een zee van melk; beschrijving van eenige zonderlinge voorwerpen.—Zij verliezen hun compas; hun schip glijdt tusschen de tanden van een visch, onbekend in dit gedeelte van de waereld; hunne moeite, om zig uit die plaats te verlossen; zij komen in de _Kaspische_ zee.—De Baron laat een beer dood hongeren in zijne handen.—Eenige bijzonderheden van een borstrok.—In dit hoofdstuk, 't welk het laatste en het langste is, draagt de Baron zedekundige bedenkingen voor over de deugd van trouw en liefde tot de waarheid._

De reizen van den heer BRYDONE naa _Sicilie_, welken ik met groot genoegen gelezen heb, haalden mij over, om den berg _Etna_ te bezoeken. Mijne reis derwaards, en mijne aankomst aldaar leveren geene bijzonderheden op, die waardig zijn om verhaald te worden. Op een morgen vertrok ik zeer tijdig uit eene hut, alwaar ik des nachts geslapen had, en welke zes mijlen van den voet des bergs gelegen was, met voornemen om dezen vermaarden berg van binnen te onderzoeken, al ware het, dat ik in deze onderneming moest omkomen. Na eenen zwaren arbeid van drie uuren bereikte ik de kruin van den berg, welke toen reeds zederd drie weeken gewoed had. Deze vertoning is door verschillende reizigers bereids zoo dikwerf beschreven, dat ik u niet wil ophouden met een verhaal van zaken, welken u zoo bekend zijn.

Ik wandelde rondom den kelk, welke mij toescheen op zijn minst vijftienmaal groter te zijn dan de punch-kom van den duivel bij _Petersfield_, op den weg naa _Portsmouth_, maar zoo breed niet op den bodem: want aldaar gelijkt dezelve meer naar het naauwste gedeelte van een trechter, dan naar een punch-kom: kortom, ik had mijn besluit genomen; ik sprong 'er in, met de voeten vooruit, en vond mij op 't zelfde ogenblik in een hete trekkas, en mijn lighaam gekneusd en op verscheiden plaatsen gebrand door de gloeiende koolen, die zig, door hunne geweldige opbruizing, tegen mijne nederdaling verzetteden; maar mijne zwaarte bragt mij zeer schielijk op den bodem, daar ik, in het midden van getier en geschreeuw, vermengd met de verschriklijkste vloeken, aanlandde, en, na mijne zinnen weder vergaard te hebben en van de vermoeienis bekomen te zijn, eens begon rond te zien. Oordeelt over mijne verbaasdheid, Heeren! toen ik zag, dat ik in het gezelschap van VULCANUS en zijne Cijclopen gekomen was, en ontdekte, dat zij gedurende de drie laatste weeken met elkander getwist hadden, over het onderhouden van goede orde en behoorlijke ondergeschiktheid, en dat hierdoor dat groot geraas op de bovenwaereld gedurende dien tijd ontstaan was; maar mijne aankomst herstelde den vrede onder hen; zelfs deed VULCANUS mij de eer aan, om pleisters op mijne wonden te leggen, waardoor zij op staande voet genezen waren; ook zettede hij mij veelerleie ververschingen voor, in het bijzonder nectar, en andere fijne wijnen, zulken, tot welken de goden en godinnen alleen recht hebben. Na dit onthaal gebood VULCANUS aan VENUS, dat zij mij alle inschiklijkheid, welke mijn staat vereischte, betoonen zoude. Het is mij onmogelijk, om het vertrek en het ledikant, waarop ik mij ter rust begaf, naar waarde te beschrijven, waarom ik dit ook niet zal ondernemen: het is genoeg u te zeggen, dat geen tong in staat is om daaraan gerechtigheid te laten wedervaren, of van die goedaardige godin te spreken met woorden, welke maar eenigzins met hare verdiensten overeenkomen; de gedachte daar aan alleen maakt mij duiselig.

VULCANUS gaf mij een zeer beknopt berigt van den berg _Etna_; hij onderrigtte mij, dat dezelve niets anders was, dan eene ophoping van de assche van zijn fornuis; dat hij dikwijls genoodzaakt was om zijn volk te kastijden, en dat hij, in zijne drift, de gewoonte had om hun gloeiende kolen na den kop te smijten, welken zij niet zelden met de grootste vaardigheid afkaatste, en bovenwaards naa de waereld wierpen, zoodat dezelve hen niet konden raaken: onze oneenigheden, voegde hij er bij, duuren somtijds drie of vier maanden, en de verschijnselen daarvan op de waereld, denke ik, dat gij stervelingen uitbarstingen noemt. Ook verzekerde hij mij, dat de berg _Vesuvius_ een andere van zijne werkplaatsen was, naa welken hij een toegang had onder het bed der zee, van drie honderd en vijftig hollandsche mijlen, en dat gelijke kijvagien aldaar gelijke uitbarstingen veroorzaakte.

Als een nederig opwagter van Mevrouw VENUS zoude ik hier gebleven zijn; maar sommige bemoeizugtige snappers, die zig in de ondeugd vermaaken, luisterden VULCANUS iets in 't oor, 't welk in hem eene onverzoenlijke jaloersheid verwekte. Op zekeren morgen, wanneer ik, volgends gewoonte, mijne opwagting bij VENUS maakte, nam hij mij, zonder eenige voorafgaande kennisgevinge, onder zijnen arm, en droeg mij naa een vertrek, 't welk ik te vooren nooit gezien had, waarin, naar alle waarschijnlijkheid, een _wél_ was met een zeer wijde opening: hier hield hij mij boven met een uitgestrekten arm, en zeide: „_ondankbaar schepsel, keer weder naa de waereld, van waar gij gekomen zijt_:” en zonder mij tijd tot andwoord en verdediging te geven, smakte hij mij in het midden neder. Ik voelde, dat ik met eene verdubbelende snelheid naa beneden vloog, tot dat de ontsteldtenis mij van allen gevoel en opmerking beroofde. Naar mijne gissing viel ik in zwijn, waaruit ik spoedig ontwaakte, door het vallen in een groten kom waters, verlicht door de stralen van de zon. Van mijne jeugd af heb ik goed kunnen zwemmen, en aardige grappen in het water uitvoeren. In het eerst verbeeldde ik mij wel, dat ik in het paradijs was, in aanmerking van den angst en schrik, waaruit ik maar even bekomen was; doch eenigen tijd rond gezien hebbende, kon ik niets anders ontdekken dan een zeer ruime zee, alwaar men van alle zijden niets dan water zag, en begon nu eerst te gevoelen, dat het hier zeer koud was, en zeer veel verschilde van de luchtstreek van Meester VULCAAN'S winkel. Op eenigen afstand zag ik een ijslijk groot gevaarte, naar een steilen rots gelijkende, op mij aankomen; ras bemerkte ik dat het een druipende ijsberg was, welken ik rondom zwom, tot dat ik een plaats vond, van waar ik deszelfs top kon bereiken, gelijk ik deed, hoewel niet zonder eenige moeite; maar hier nog geen land kunnende zien, begon ik te wanhoopen, dat ik het ooit weder onder mijne voeten zoude krijgen; doch eer het donker werd, zag ik een zeil, werwaards wij zeer snel heen dreven; op een korten afstand riep ik aan het volk van dat schip, het welk mij in 't hollandsch andwoordde, waarop ik in zee sprong en zij mij een touw toewierpen, waarmede ik binnen boord gesleept werd. Op mijn onderzoek, waar wij ons bevonden, werd mij onderrigt, dat wij in den Zuider-oceaan waren, door welke ontdekking alle mijne twijfeling geheel werd weggenomen. Het was nu ontegenspreeklijk, dat ik van den berg _Etna_ gevlogen was door het middenpunt der aarde in de Zuid-zee, 't welk veel korter en beknopter is dan den halven aardbol om te dwaalen.—Deze reis heeft nog nooit iemand vóór mij gedaan, zelfs niet ondernomen; en doordien ze zoo onverwagt opkwam, en zoo snel voordging, heb ik geene waarnemingen kunnen doen; maar zijt verzekerd, mijne Heeren! dat ik bij eene volgende gelegenheid daarop meer bedacht en op alle bijzonderheden opmerkzamer zal zijn.

Ik nam eenige ververschingen en begaf mij ter ruste. Maar hoe onbeleefd zijn toch de _Hollanders!_ want hun mijne ontmoetingen en wedervaren zoo nauwkeurig verhaald hebbende, als ik nu aan U gedaan heb, scheen het, of sommigen, waaronder de schipper zig bijzonderlijk onderscheidde, die zulks door zijne gebaarden en half uitgesproken woorden klaarlijk liet blijken, aan mijne geloofwaardigheid twijfelden; welke belediging ik wel moest opkroppen, vooral om dat hij mij zoo gemaklijk aan boord van zijn schip genomen had, en toen juist bezig was in mij met het nodige te gerijven.

Ik vroeg hen, werwaards de reis geschikt was? en kreeg hierop ten andwoord: „om nieuwe landen te ontdekken, en waarnemingen te doen; en dat, _zoo mijne geschiedenis waar was_, zij niet geheel vrugteloos zouden te rug keeren.” Wij waren nu juist in de streek van Kapitein COOK'S eerste reize, en kwamen den volgenden dag in _Botanij-baai_. Deze plaats zoude ik in geenen deele aan de Engelsche regering als een verblijf voor schurken, geschikt om hen te straffen, kunnen aanbeveelen; zij zoude bij mij liever geschikt worden tot eene beloning voor verdiensten, naardien de natuur hare beste geschenken alhier met eene zeer milde hand overal gestrooid heeft.

Wij bleven hier maar drie dagen; en vier dagen na ons vertrek kregen wij een allerhevigsten storm, waardoor wij alle onze zeilen verlooren, de boegspriet in stukken brak en de top van de grootste mast van boven neder kwam, welke op het kastje viel, waarin ons compas was, en hetzelve met het compas geheel verbrijzelde. Allen, die ooit op zee geweest zijn, weten, welke gevolgen zoodanig een verlies kan hebben. Wij wisten niet, waarheen wij nu moesten stuuren; maar ten laatste bedaarde de storm, en werd gevolgd door eene gestadige heldere koude, welke ons geduurende drie maanden lang bijbleef, zoodat wij daardoor eene verbaazende weg moeten afgelegd hebben. Eindelijk merkten wij de grootste verandering op, in alles wat ons omringde; onze adem werd lichtgevende stralen; onze neuzen werden onthaald op de aangenaamste geuren van specerijen welken men zig verbeelden kan; zelfs had de zee hare gedaante veranderd, en was wit in stede van groen!! Weinig tijds na deze zonderlinge verandering ontdekten wij land, en op eenen kleinen afstand genaderd zijnde, zagen wij een rivier, welke wij, na die zes mijlen ver opgezeild te hebben, bevonden dat overal wijd en diep en enkel melk was, van den zuiversten en aangenaamsten smaak. Hier ankerden wij en ontdekten welhaast, schoon door het zonderlingste toeval van de waereld, dat het Eiland bestond uit een zeer grote kaas: want één van de bootsgezellen liep weg, zoodra wij aan land waren gekomen, maar kwam zeer schielijk wederom, om dat hij zig verbeeld had, dat hij overal kaas, waarvan hij een onverwinnelijken afkeer had, onder zijne voeten vond: wij lagchten hem wel helder uit; maar vrugteloos: want hij bleef stout en sterk staande houden, dat het gantsche land als met kaas bezaaid was: dit nader onderzoekende, bevonden wij, dat hij volkomen gelijk had, en dat het geheele Eiland, gelijk ik te vooren reeds heb opgemerkt, niet anders was dan een kaas van eene verbazende grootte! De inwoners leefden voornaamlijk van denzelven, en zoo veel zij daarvan bij dag gebruikten, groeide de kaas 's nachts wederom aan. Hier was een overvloed van wijnstokken met zware trossen druiven, welken geperst wordende niets dan melk leverden. Wij zagen ook de inwoners op schaatsen rijden over de room van de melk, daarop liggende als bij ons het ijs in 't water, schoon zoo dik niet en in het geheel niet hard; zij gingen zeer regt op, en hadden eene goede houding; zij waren negen voeten hoog, en hadden drie benen en eenen arm; over het geheel was hun voorkomen innemend; zij speelden op een jagthoren, welke bij volwassenen op het midden van het voorhoofd groeit, met veel bekwaamheid; zij zonken nooit, maar liepen en wandelden over hunne melk, als wij over onze weiden.

Op dit Eiland, of op deze kaas, groeit zeer veel koorn, welks airen volkomen toegemaakt brood, als paddestoelen, voordbrengen. Op onze wandelingen over deze kaas ontdekten wij nog zeven andere stromen van melk, en twee van wijn.

Zestien dagen voordgereisd hebbende, kwamen wij aan de andere zijde van het Eiland, en vonden aldaar blaauwe aarde, zoo als de kaaseters die noemen, welke allerlei fijne vrugten oplevert: want in plaats van millioenen mijten, welken men natuurlijk uit dezen grond verwagt zoude hebben, bragt dezelve alle soorten van persiken, abrikozen, en duizend andere allersmaaklijkste vrugten, welken wij niet kenden, voord. De bomen, welken van eene verbazende grootte waren, waren vol met vogelnesten, onder anderen van een ijsvogel, dat boven alle beschrijving groot was, ten minsten vijfmaal zoo groot in deszelfs omtrek als de koepel van de _St. Pauluskerk_ te _London_, en gemaakt, gelijk wij dit op nader onderzoek bevonden, van de grootste bomen, welken ik ooit gezien heb, die zeer kunstiglijk in elkander gevlogten waren: in dit nest waren ten minsten, (laat mij wel bedenken, want ik zou niet gaarne iets vergrooten) vijfhonderd eieren, en ieder ei was zoo groot als een gemeen oxhoofd; wij konden de jongen er in zien en hooren piepen. Een dezer eieren met zeer grote moeite opengehakt hebbende, kwam een nog gantsch vederloos jong daar uit, 't welk egter veel groter was dan twintig volwassen gieren. Zoo als wij dit jong uit zijnen kerker verlost hadden, schoot de oude ijsvogel toe, en onzen schipper in één van zijne klaauwen krijgende, vloog hij met hem wel een mijl hoog in de lucht, sloeg hem vreeslijk met zijne vlerken, en liet hem toen in zee vallen.—De inwoners verhaalden ons, dat deze vogels hunne jongen nooit uitpikken, maar met de eieren, zoo hoog als mogelijk is, in de lucht vliegen (waartoe het ééne nabuurig paar het ander altijd helpt; sommige eieren, welken wat groter dan gewone zijn, moeten zelfs door zes vogels tot die hoogte opgevoerd worden) en dezelven dan laten vallen, wanneer de dop door de ontvlambaare lucht in den brand en het jong volwassen er uit vliegt.—Deze is de _Phenix_ der ouden.

Daar alle _Hollanders_ wel kunnen zwemmen, was onze schipper weder spoedig bij ons, en wij keerden terug naa ons schip, maar langs een anderen weg, dan wij gekomen waren, op welken wij zeer aardige en vreemde dingen zagen. Wij schooten twee wilde ossen, hebbende ieder één horen, welke tusschen de ogen dezer dieren groeit: maar hiervan hadden wij naderhand grote spijt, toen wij vernamen, dat de inwoners dezelve temmen, en gebruiken, als wij onze paarden doen, om daarop te rijden of hunne goederen te vervoeren: ons werd gezegd, dat het vleesch daarvan uitstekend lekker is, maar niet gebruikt wordt, omdat deze menschen enkel van kaas en melk leven.

Toen wij tot op drie dagreizen ons schip genaderd waren, zagen wij drie mannen bij de beenen aan een zeer hogen boom hangen; op ons vraagen naar de reden dezer strafoefeninge, hoorden wij, dat zij alle drie reizigers waren geweest, en hunne Vrienden bij hunne terugkomst misleid hadden, door plaatsen te beschrijven, welken zij nooit gezien hadden, en dingen te verhaalen, die nooit gebeurd waren. Hoe ongelukkig zouden bijna alle reizigers van grote en kleine togten, in onze meer bekende en beschaafde landen, zijn, als dergelijke wet ook bij ons stand greep! Doch ik zou daarmede, wat mij aangaat, geen medelijden hebben, zoo min als dat deze wet mij op dit kaas-eiland eenigen kommer gaf, om dat ik mij altijd stiptelijk tot waaragtige gebeurenissen bepaald heb.

Aan boord komende maakten wij ten eersten zeil, en verlieten dit zonderling eiland, doch niet zonder nieuwe redenen van verbazinge: naardien alle de bomen op het strand, welker getal zeer groot was, en waar onder eene menigte zeer hoog en zwaar waren, ons tweemalen groeteden op één tempo, en terstond hunne voorige houding, welke zeer regt was, aannamen.

Na drie dagen zeilens, (waar? wisten wij niet, omdat wij zonder compas waren) kwamen wij in een zee, welke zig geheel zwart vertoonde; maar welke wij, die proevende, bevonden zeer goede wijn te zijn, zoodat wij heel veel moeite hadden, om te beletten, dat het scheepsvolk zig niet dronken zoop: doch na verloop van weinige uuren zagen wij ons omringd door walvisschen en andere ontzagchelijke groote dieren, één van welken zig zoo groot vertoonde voor het oog, dat men daarvan geen begrip konde krijgen. En daar wij dit verschriklijk dier niet zagen, voor dat wij digt bij hetzelve gekomen waren, slingerde dit gedrogt ons schip, met al zijn staande en loopend want in zijnen bek, tusschen zijne tanden, welken langer waren dan de grote mast van het grootste Oorlogschip. Na eenigen tijd hier gezeten te hebben, opende het dier den bek zeer wijd, en nam in één teug eene zoo onmeetlijke hoeveelheid waters in, dat ons schip, 't welk ten minsten vijfhonderd tonnen groot was, als met den snelsten vloed naa binnen in zijne maag vloog; alwaar wij zoo stil lagen, of wij ten anker waren, en in een dodelijke kalmte. De lucht was hier, gelooft dit vrij, zeer heet en hinderlijk. Hier vonden wij kabels, ankers, boten, sloepen en een aanmerklijk aantal schepen, welken dit dier had ingezwolgen, waarvan sommige geladen waren, anderen niet. Hier moesten wij alles bij het kaarslicht verrigten; zon, maan, noch sterren konden wij hier zien, om eenige waarnemingen te doen. Onze schepen dreeven tweemaal daags, en zaten tweemaal daags aan den grond; of met andere woorden, tweemaal daags hadden wij ebbe en vloed; waarvan de oorzaak deze was: als het dier dronk, hadden wij hoog, en als het zijn water maakte, hadden wij laag water; de hoeveelheid van water welk dit dier iedere keer inzwolg, was, volgends eene zeer gematigde berekening, meer dan 'er in het meir van _Geneve_ is, schoon dit dertig mijlen in den omtrek bevat.