De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee

Part 7

Chapter 73,782 wordsPublic domain

Dewijl ik het geluk heb, mijne Heeren! bij u bekend te zijn, als een allergeloofwaardigst man, die om al de logens van de waereld niet ééne onwaarheid zou willen voordbrengen, moet ik u waarschouwen, dat ik voor het volgend verhaal wegens de afkomst van den Baron niet kan instaan, maar het u mededeele, zoo als ik het te _Venetie_ van verscheiden menschen zeer dikwijls heb hooren verhaalen.

Een van zijne voorvaderen was geboortig van _Bern_ in _Zwitzerland_, en een waterdrager te _Parijs_. Deze man maakte op eene zeer toevallige en koddige wijze kennis met de schoonheid, welke hij om eene zeer zonderlinge rede trouwde, en waarmede hij maar éénen dag in het huwelijk leefde. Deze vrouw was geboren in het gebergte van _Savoie_, en had, volgends den aard van dat land, op beide Sexen zoo grillig werkende, een zeer fraaijen groten wen in haren nek. Zij verliet het huis haarer ouderen, nog zeer jong zijnde. Te _Parijs_, werwaards zij gegaan was, om haar fortuin te zoeken, leefde zij eenigen tijd van de giften, welken eenige jonge Heeren aan haar uit liefde besteedden. Op zekeren nacht ontmoeteden deze twee vremdelingen elkander op straat, en kwamen in één punt samen; (zij hadden beiden een weinig te veel gedronken; ook brandden toen in _Parijs_ des avonds nog geen lantaernen; waardoor men elkander in den donker minder ontwijken konde); in dezen stand werden zij door de ronde gevat, naa de wacht, en 's anderen daags na 't spinhuis gebragt. Beiden verdroot dit opgeslooten en eenvormig leven; beiden dachten op hun ontslag; beiden bedachten hetzelfde middel, en beiden gaven het op denzelfden tijd aan hunne bewaarders te kennen; beiden ontschuldigden hun gedrag door hunne jeugd; beiden zochten het goed te maaken door te zeggen, dat zij aan elkander verloofd waren, en den volgenden dag met elkander in den echt zouden getreeden zijn. Beiden kwamen alzoo volmaakt met elkander overeen; beiden werden zij ontslagen, en door den aartsbisschop van _Parijs_ door den band des huwelijks vereenigd. Maar de jong getrouwde vrouw, die waande van adelijke herkomste te zijn, wilde nooit met een zwitzerschen burger te doen hebben: welke, op zijne beurt, begrijpende, dat hij overal te regt konde raaken, zijne preutsche verliet, met welke hij alleen getrouwd was, om zijne vrijheid weder te krijgen! Deze kiesche vrouw verbond zig kort daarna met een Koning, (wel te verstaan van een poppenspel) reisde met hem op alle kermissen, en kwam eindelijk te _Rome_. Hier viel zij in de ongenade van haren Vorst, werd uit zijn gebied gebannen en huurde een Oesterkelder digt bij het _Vaticaan_.—CÆSAR BORGIA, die veel van Oesters hield, kwam haar dikwijls bezoeken, en bleef wel eens een nachtje over. In één van dezelven ontving de bet-out-over-grootvader van onzen held het eerste bestaan, wiens moeder den volgenden morgen, voor het aanbreken van den dag, _Rome_ verliet.

_Die dit verhaal gelooven wil, moge het doen, of een ander vertelsel volgen, waarvan het ééne mij te _Constantinopel_ gegeven is, het andere te _Rome_. Volgends het laatste zoude hij de zoon zijn van zijns Vaders Vrouw en _GANGANELLI_, ook bekend onder den naam van paus _CLEMENS_ de XIVde, die hem naa Frankrijk zond, eene goede opvoeding bezorgde, en een goed vermogen naliet: naar luid van het eerste was hij de bekende zoon van mevrouw _MARIA WORTHLEIJ MONTAGUE_, door haar bij den groten Heer overgewonnen in, haar bezoek van het serail[20]._

[20] Over dezen zoon van MYLADY MONTAGUE kan de nederduitsche lezer eenige bijzonderheden vinden in de voorrede van den eerwaardigen Heer G. KUIPERS, geplaatst voor de door zijn Eerw. vertaalde reis van d' ARVIEUX naa den groten EMIR, gedrukt te _Utrecht_ bij H. VAN OTTERLOO 1780.

XV. HOOFDSTUK.

_Vervolg van het reisverhaal van _Harwich_ naa _Helvoet_.—Beschrijving van sommige zeedieren en andere voorwerpen, nooit bij eenig reiziger gezien.—Rotsen, op dezen togt liggende, zoo groot als de Alpische bergen; kreeften, krabben van eene buitengewone grootte.—Eene vrouw in het leven behouden.—Hoe zij in zee viel.—De manier van de Amsterdamsche Maatschappij met een goeden uitslag gevolgd._

In het verhaal van mijns vaders reis over het britsch kanaal naa _Holland_ heb ik verscheiden zeer gewigtige zaken overgeslagen, welken wel waardig zijn der vergetelheid ontrukt te worden; waarom ik dezelve hier zal voordragen met zijne eigen woorden, zoo als ik ze hem menigmaal aan zijne vrienden heb hooren verhaalen.

„Toen ik op _Helvoetsluis_ kwam,” zeide mijn Vader, „merkte men op, dat ik zeer bezwaarlijk adem haalde. Door de bewoonders naar de reden gevraagd zijnde, andwoordde ik: het dier, waarop ik van _Harwich_ gereden heb door de Noord-zee, zwemt nooit! dit is de bijzondere eigenschap en gesteldheid van het zeepaard, dat het niet kan drijven of zig bewegen op de oppervlakte van het water. Het liep ongelooflijk snel met mij, van het ééne strand tot het ander over den bodem van de zee, drijvende de visschen in millioenen voor zig heen. Veelen derzelven waren zeer verschillende van alle visschen, welken ik ooit gezien heb; sommigen hadden zelfs het hoofd aan het uiterste puntje van den staart.—Ik kruistte, dus vervolgde hij, een ontzagchelijken reeks van klippen, zoo hoog als het Alpische gebergte, over[21]; aan de voeten van deze bergen zag ik een grote menigte hoge, fraaie bomen, beladen met zeegewassen, als kreeften, krabben, oesters, mosselen, alikrieken, enz. enz. sommige van de welken een karrenvragt, en de minste een goede kruiersvragt uitmaakten! Alle visschen van deze soorten, die bij ons aan strand komen, en op de markten verkogt worden, zijn een veel kleiner dwergagtig soort, of liever spoelvrugten, dat is, zulke vrugten, welken door den slag des waters van de takken der bomen, waaraan zij groeijen, afgespoeld worden, gelijk de vrugten in onze tuinen door den wind worden afgeslagen van de bomen! De kreeftenbomen waren de fraaiste, maar de krabben- en oesterbomen de langste. De Paerlboom is een soort van heestergewas, en groeit aan den wortel van den oesterboom, om welken het zig heen slingert, gelijk de klimop om den eik.—Ik zag ook, welke uitwerksels verscheiden schipbreuken hier gehad hadden; in 't bijzonder van een schip, 't welk verongelukt was door te stooten tegen een zeeberg of rots, welks top maar drie vademen beneden de oppervlakte van het water was. Toen dit schip zonk, viel het op zijde, en drong een zeer groten oesterboom uit zijne plaats. Het was in den rijtijd, wanneer de oesters zeer groen zijn; veelen werden door den geweldigen stoot gescheiden, en vielen op een krabbenboom, welke daar naast aan stond: zij vereenigden zig en hebben een tweesoortigen visch voordgebragt. Ik deed eenige moeite om 'er één op te grijpen en mede te nemen; maar dit gelukte niet; omdat mijn zoutwaterige pegasus altijd veel tegenspartelde, zoo dikwijls ik hem in zijnen loop wilde sluiten: daarenboven was ik toen in een vollen galop op één der rotsen, die in 't midden van mijn weg waren, ten minsten vijf honderd vademen onder de oppervlakte der zee, en het gemis van lucht begon mij zeer hinderlijk te worden; waarom ik ook geen lust had, om mijn tijd te rekken: voegt hier bij, dat mijn toestand in andere opzigten zeer ongenoeglijk was; want ik ontmoette veele groote visschen, die, om naar derzelver open kaaken te oordeelen, niet alleen in staat waren, maar ook groten lust scheenen te hebben om ons te verslinden. Daar nu mijn rosinant blind was, moest ik alleen de wacht houden tegen deze hongerige heeren, 't welk mijne moeilijkheden niet weinig vermeerderde.

[21] De toppen van deze zee-bergen strekken zig, van den onpeilbaren bodem der zee naa boven, uit, tot op een diepte van honderd vademen beneden de oppervlakte van het water.

„Toen wij de hollandsche kust naderden, en wij niet meer dan twintig vademen water boven ons hoofd hadden, meende ik een menschelijke gedaante in vrouwen klederen, gevende nog eenige tekenen van leven, voor mij op den grond te zien liggen; en daar digt bij zijnde zag ik dat zij haare hand beweegde, welke gevat hebbende bragt ik haar als een lijk aan het strand. Een kruidmenger, die pas te vooren door Dr. HAUWES te _Londen_ onderwezen was, volgends de manier van de Maatschappij der drenkelingen te _Amsterdam_, behandelde haar zeer wel naar de kunst, en zij bekwam weder. Zij was de niet geliefde wederhelft van een man, die als schipper op den hollandschen paketboot op _Londen_ voer, en had, zoo als hij de haven uitzeilde, gehoord, dat hij een hoer bij zig aan boord had. Zij volgde hem in een open boot naa; en nauwlijks had haar man haar aan boord geholpen, of zij wilde hem met zoo veel drifts aanvliegen, dat hij het raadzaamst oordeelde na stuurboord te wijken, en alzoo liever te zien, dat zij hare vingers in de golven dan op zijn aangezigt tekende. Zoo als hij dacht, gebeurde het ook: want geen tegenstand ontmoetende viel zij aan den anderen kant van het schip weder in het water; waardoor het mijn ongelukkig lot werd, om den eersten grond te leggen tot de wedervereeninge dezer twee echtgenoten.

„Ik kan mij zeer natuurlijk verbeelden, welke vervloekingen deze man op mij uitgespogen zal hebben, toen hij bij zijne terugkomst zag, dat dat lievertje hem opwagtte, en van haar vernam, hoe zij wederom in de waereld was gekomen. Dan, hoe groot het ongeluk moge zijn, 't welk ik dezen armen drommel gedaan heb, hoope ik, dat hij het mij bij zijn dood in liefde zal vergeven hebben, naardien mijn oogmerk goed was, hoe zeer de gevolgen, dit moet ik bekennen, allerverschriklijkst geweest zijn.”

Van _Holland_ sprekende, kan ik niet nalaten bij deze gelegenheid hier eene opheldering nopens den laatsten oorlog met _Engeland_ medetedeelen. Mij op de vloot van den admiraal PARKER bevindende barstede ik met alle de schepelingen van spijt, dat die laffe, weeke _Hollanders_, na ons zoo schandelijk in onze hoop en verwagting bedrogen te hebben, nog victorij durfden kraaien, door op de plaats van het gevegt te blijven liggen, terwijl wij, Meesters van de zee! met allen spoed een goed heen komen moesten zoeken. Terwijl de andere Officieren, zig aan hunnen spijt overgevende, het hoofd lieten hangen als een bies, begon ik op middelen bedacht te zijn, om de schande van dien dag door eene of andere schijnbare uitwerkselen en vrugten van onzen heldenmoed eenigzins te verminderen. Het middel was allerheerlijkst; doch gelukte mij maar ten deele. Ik liet naamlijk terstond al het stukkend glas en porcelein, 't welk op de vloot was, brengen aan boord van den admiraal, smolt het en blaasde een glazen duikerklok, naar de beschrijving van _Desaguliers_, zoo groot, dat twaalf mannen onder denzelven konden zitten en op den bodem van de zee wandelen. Zoo dra was alles niet vervaardigd, of ik begaf mij met zes timmerlieden en de nodige gereedschappen op reis, met voornemen, om de gehele _Hollandsche_ vloot te vernielen. Dit gelukte ons naar wensch met het eerste schip, in welks boeg wij een gat hakten, zoo laag en zoo groot, dat het noch gevonden noch gestopt konde worden. Hierop begaven wij ons naa de andere schepen; maar het opkomend onweder sloeg de boot, welke onze luchtbuizen bestierde, om ver, en wij moesten, tot onze innerlijkste smert, ons voornemen laten vaaren, om zelve behouden te blijven. Den Officier met de vier roeiers van de boot namen wij bij ons in de klok, welken wij omkeerden, en kwamen op deze wijs gelukkig bij den admiraal aan boord; die zig egter wel gewagt heeft, om in zijn berigt aan de LORDS van de admiraliteit de ware oorzaak van het zinken van _Holland_[22] optegeven.

[22] Deze was de naam van dit vijandelijk schip.

* * * * *

_De vertaler verwagt, dat de nederlandsche lezer, dien de ware oorzaak van dit verongelukken niet onbekend is, weinig geloof aan dit verhaal zal geven._

XVI. HOOFDSTUK.

_Dit hoofdstuk is zeer kort, maar behelst eene daad, waarvoor de gedachtenis van den Baron dierbaar moet zijn bij iederen _Engelschman_, bijzonderlijk bij allen die in 't vervolg het ongeluk zullen hebben van krijgsgevangenen te worden._

Op mijn hertogt van _Gibralter_ naa _Engeland_ reisde ik door _Frankrijk_, 't welk ik zonder eenigen hinder doen konde, omdat ik geen engelsche van geboorte was. In de haven van _Calais_ zag ik een schip binnen loopen, waarop een menigte _Engelsche_ matrozen als krijgsgevangenen waren. Zoo als ik hen zag, nam ik het onverwijld besluit, om dezen braven lieden hunne vrijheid weder te bezorgen. Tot dat einde maakte ik twee vleugels, ieder van welken honderd-en-twintig voeten lang en twee-en-veertig voeten breed waren: deze vleugels aan mijn lijf vast gemaakt hebbende vloog ik op, met het aanbreken van den dag, toen alle menschen, zelfs de wacht op het dek, nog sliepen. Toen ik boven het schip was, maakte ik met mijn slinger drie ijzeren haken aan de drie masten vast, en het schip alzoo eenige voeten uit het water opgeligt hebbende vloog ik het kanaal over na _Dover_, alwaar ik in een half uur aankwam.

Wat de _Engelsche_ gevangenen en _Fransche_ wachten aanbelangt: zij waren al twee uuren in _Dover_ geweest, eer zij ontwaakten; wanneer de _Engelschen_, bemerkende waar zij zig bevonden, hunnen staat met dien der _Franschen_ veranderden, en wedernamen, het gene dezen hun ontroofd hadden; _en niet meer_: want zij waren te edelmoedig om wederwrake te nemen, en de _Franschen_ op hunne beurt te plunderen.

Van deze vleugelen heb ik in den oorlog met _Holland_ nog eenige keeren gebruik gemaakt, doch zelden. Ik bezocht hunne scheepstimmerwerven,—waarop, voor ons _Engelschen_, met al te grooten ijver en voordvarenheid gewerkt wierd—om zoodanige hindernissen daar te stellen, als geschikt waren om derzelver arbeid te vertraagen; of zo dit niet gelukte, die schepen voor hen onbruikbaar te maaken; het welk ik deed door de kielen van sommige schepen aan de helling vast te nagelen, waardoor ze niet wilden afloopen, of om ver vielen; of door de bouten en pennen in den boeg los te maaken of die daar uit te haalen, zoodat het schip zoo spoedig zonk, als het te water kwam. enz. enz.[23]

[23] Hierom heb ik altijd moeten lachen over de _Hollandsche_ Patriotten, als ik hen in hunne nieuwspapieren hoorde klagen over werkeloosheid—over hunne ongegronde en ongerijmde staatkundige naarvorschingen naar de oorzaaken—hun ijdel geschreeuw van verraad en omkoopinge. Ik was geen _Hollander_, deed het buiten weten van een ieder, en kon daarvoor derhalven geen geld trekken.—Zoude de Baron met zijne vleugels wel door het Ministerie gebruikt zijn, om de tijding der vredebreuke en de instructien aan den Heer RODNEY over te brengen?

Na het einde des oorlogs heb ik deze vleugelen aan den gouverneur van het Kasteel van _Dover_ geschonken, om aldaar ten eeuwigen dage bewaard, en aan de nieuwsgierigen vertoond te worden.

XVII. HOOFDSTUK.

_Eene reis naa Oost-indien.—De Baron spreekt van een vriend, die hem nooit misleidde; wint honderd guinees door zijn vertrouwen op den neus van zijnen vriend.—Wild opgestooten in zee.—Eenige omstandigheden, welken, zoo men hoopt, den lezer niet weinig zullen vermaaken._

Op eene reis, die ik naa Oost-indien deed met Kapitein HAMILTON, nam ik een heel besten vriend, waarvan ik zeer veel hield, mede: ik zoude hem, om mij van de gemene spreekwijze te bedienen, voor geen goud zoo zwaar als hij was, hebben willen verkoopen. Het was de beste brak, dien ik ooit zag. Nooit heeft hij mij bedrogen. Wanneer wij op zekeren dag, volgends de beste waarneemingen, nog ten minsten drie honderd mijlen van land af waren, stiet mijn hond aan: hem meer dan een uur lang met verbaasdheid aangezien hebbende, zeide ik het tegen den Kapitein en alle de andere Officieren aan boord; hen verzekerende, dat wij naabij land moesten zijn, naardien mijn hond wild rook. Dit verwekte wel een algemeen geschater; maar verminderde geenszins de goede gedachten, welken ik van mijnen vriend had. Na lang voor en tegen sprekens hierover, zeide ik stout tegen den Kapitein, dat ik op WIM'S neus meer vertrouwde dan op de oogen van alle de zeelieden aan boord, en dat ik onbeschroomd mijn vragt 'er onder verwedden wilde, (te weten honderd guinees) dat wij binnen een half uur wild zouden opdoen. De Kapitein (een goedhartig man) lachte op nieuw, en begeerde dat Meester CRAWFORD, de scheeps-chirurgijn mijn pols zoude voelen; het welk hij deed, en verzekerde, dat ik volmaakt gezond was: hierop geraakten zij met elkander in het volgend gesprek, het welk, ofschoon zij zeer zagt spraken, en ik op eenigen afstand ware, ik egter verstaan kon.

_Kapitein._ Het leutert hem zekerlijk in den bol: als een man van eer kan ik zijne weddingschap niet aannemen.

_Heelmeester._ Ik denk daar anders over: hij is volmaakt gezond en bij zijn verstand (indien men ooit zeggen kan, dat zulke honden-gekken bij hun verstand zijn, waaraan ik twijfel); maar hij verlaat zig liever op de reuktepelen van zijnen hond, dan op het oordeel van alle de Officieren aan boord! hij wil zijn geld gewis verliezen, en verdient zulks rijkelijk.

_Kapitein._ Zulk een zotskap, die zoo dwaas wil wedden, kan niet gezond zijn; en aan mijn kant zoude het niet braaf zijn, hem te staan.—--Evenwel—als hij met zijn geld nog eens voor den dag komt, zal ik hem medenemen.

Terwijl dit gesprek duurde bleef WIM al in dezelfde houding staan, en versterkte mij hoe langer hoe meer in mijn gevoelen. Ik stelde de weddingschap andermaal voor; en zij werd aangenomen.

Eenigen tijd, nadat ik mijn hond had zien aanstooten, waren sommige matrozen gaan visschen in de grote sloep, welke agter aan het schip met een touw vast was (het was schoon en stil weder); maar weinige oogenblikken na onze weddingschap harpoenden zij een buitengewoon groten haai, welken zij aan boord bragten. Toen zij dien opsneeden, om de traan daarvan te bewaaren, ziet, zoo vonden zij in de maag van dit dier niet minder dan _zes koppels levendige Patrijzen_!

Deze vogels waren zoo lang in die plaats geweest, dat ééne van de hennen op vier kiekens zat, en juist het vijfde uitpikte, toen de haai geopend werd.

Deze jonge vogels werden opgekweekt met een nest jonge katten, die maar weinige minuten te vooren in de waereld waren gekomen! De oude kat was daar zoo mal mede, als met hare eigen jongen, en niet weinig verlegen, toen de oude hare zorgen en bestier ontvloog. Wat de andere patrijzen aangaat, daar waren vier hennen onder; ééne of meer derzelven zaten, geduurende de reis, aanhoudend te broeden, en alzoo hadden wij in de kajuit altijd overvloedig wild op tafel. Aan mijn besten WIM gaf ik, uit dankbaarheid (want hij had honderd guinees voor mij gewonnen) dagelijks de beenen, en somtijds een gehelen vogel, te kluiven.

XVIII. HOOFDSTUK.

Een tweede (maar toevallig) bezoek aan de Maan.—--Het schip door een warrelwind afgenomen tot eene hoogte van duizend _Hollandsche_ mijlen boven het water, daar het een anderen dampkring ontmoet, en in eene ruime haven in de Maan aankomt.—Eene beschrijving van de inwoners, en de wijze waarop dezelven aldaar ter waereld komen.—Dieren, gewoonten, wapens, wijnen, planten, enz. enz. enz.

Ik heb u reeds gesproken van eene reis, die ik naa de Maan gedaan heb, toen ik naa mijn zilveren bijl zocht: naderhand deed ik nog eene reis derwaards, maar op een veel aangenamer en vermaaklijker wijze. Ook vertoefde ik aldaar toen lang genoeg, om het merkwaardigste te zien; 't welk ik u nu zoo nauwkeurig, als mijn geheugen toelaat, zal beschrijven.

Ik ging op reis om nieuwe ontdekkingen te doen, zijnde daartoe aangezocht en gedrongen door een verren bloedverwant, die waarlijk geloofde, dat 'er zoodanig een volk, en van die grootte, als GULLIVER beschrijft in het rijk van _Brobdingnag_, zoude te vinden zijn. Ik voor mij hield dat verhaal wel voor een verdigtsel; maar dewijl hij zeer rijk was, en mij tot zijnen eenigsten erfgenaam verklaard had, wilde ik hem niet tegenspreken, en ondernam de reis. Wij zeilden met een aanhoudend gunstigen wind naa de Zuid-zee, daar wij voorspoedig, doch zonder eenige aanmerklijke ontmoeting, aankwamen, behalven dat wij vliegende mannen en vrouwen zagen, die in de lucht beurtelings handjeplak speelden en een menuet dansten.

Ook zeilden wij het Eiland _Otahite_, waarvan Kapitein COOK spreekt, en waarvan daan hij OMAI mede nam, gelukkig voorbij; maar agttien dagen daarna ontstond 'er een geweldige orkaan, welke ons schip ten minsten duizend mijlen boven het water opligtte, en in die hoogte hield, tot dat een labberkoeltje van alle kanten in onze zeilen woei, en ons op eene verwonderlijke wijze hooger en hooger op voerde. Zes weeken lang op deze wijze boven de wolken voort gereisd hebbende, ontdekten wij een groot land, als een lichtgevend Eiland, rond en helder, alwaar wij in een zeer goede haven aanlandden, en terstond aan wal gingen. Wij bevonden, dat het bewoond was. Verre beneden ons zagen wij eene andere waereld, en daarin steden, bosschen, boomen, bergen, stroomen, zeeën, enz. enz. welke wij gisten, dat onze aarde was, die wij verlaten hadden. Hier zagen wij verbazend grote figuren, die drie hoofden hadden, en op gieren reedden; en om u van de grootte dezer vogelen eenig denkbeeld te geven, moet ik u zeggen, dat derzelver vleugels zoo breed waren als ons groote zeil, en wel zesmaal zoo lang (ons schip was van zes honderd tonnen). De inwooners van de Maan (want wij hoorden nu, dat wij in de Maan waren) rijden niet, gelijk wij op deze waereld doen, te paerd, maar zij gaan op deze vogels eens op een pleiziertogtje uit vliegen. Wij vernamen, dat de Koning van dit Eiland met de ZON in oorlog was. Zijne Majesteit wilde mij met een gezantschap daarheen vereeren; maar ik bedankte hem daardoor zeer beleefdelijk.

In _die_ waereld zijn alle dingen van eene buitengewoone grootte; een gemene vlieg bij voorbeeld, is ten minsten zoo groot als bij ons een schaap; als zij oorlogen, zijn hunne voornaamste wapens radijzen, welken zij gebruiken als pijlen; zij die daardoor gewond worden sterven op het ogenblik, hoezeer die radijzen noch van natuur noch door kunst vergiftigd maar zeer gezond en smaaklijk zijn om te eten. Als zij geen radijs meer hebben, maaken zij hunne pijlen van de toppen van de aspergien, en hunne schilden van paddestoelen, die aldaar altijd te vinden zijn.

[Illustratie: VII.]

Hier zagen wij ook eenige inboorlingen uit de hondsstar: koophandel deed hun dit zwervend leven verkiezen. Hunne aangezigten waren gelijk die van grote doggen, en hunne oogen stonden op het tipje van den neus. Oogleden hadden zij niet; maar als zij sliepen, bedekten zij hunne ogen met de tong. Over het algemeen waren zij twintig voeten hoog; maar wat de inboorlingen van de Maan betreft, de kortste derzelven was meer dan zes-en-dertig voeten lang; zij werden aldaar niet genoemd menschen, maar kokende dieren: want zij maakten hunne spijs wel gereed, gelijk wij doen, met vuur; doch dit kostte hun zoo min als de maaltijd eenigen tijd: want zij openen hunne regterzijde, en zetten de gantsche hoeveelheid in ééns in de maag, welke zij dan weder toesluiten, tot op denzelfden dag in de volgende maand; naardien zij zich niet meer, dan twaalfmaal in een jaar, of iedere maand maar éénmaal, het innemen van spijs vergunnen: eene schikking die bij een ieder mensch, behalven bij vraten en lekkerbekken, moet en zal goedgekeurd worden.

[Illustratie: VIII.]