Part 6
Weet dan, dat ik in een regte lijn afstamme van MERAB, oudste dogter van zijne Israëlitische majesteit, Koning SAUL den eersten. Zij was, gelijk gij weet, eerst aan DAVID verloofd, en, het welk gij noch iemand wist, kreeg van hem, tot pand zijner minne, dezen slinger. Maar haar Koninglijke vader, die vrij onbestendig van aard was, trouwde haar daags daaraan uit aan ADRIËL den MEHOLATHITER; en dewijl hij daarenboven zeer bijgeloovig was, wilde hij, dat deze wonderbare slinger van DAVID, waarin hij een meer dan gewoone kragt onderstelde, aan ADRIËL en de oudste zoons in deszelfs geslagt, ten eeuwigen dage, als een bijzonder eigendom zoude toebehooren: opdat ADRIËL voornoemd, en zijne kinderen en kindskinderen na hem, altijd, gelijk ALEXANDER en CAESAR deeden, zouden kunnen zeggen: ik kwam, ik zag, ik won! 't Gebeurde op zekeren tijd, dat een zeer hevig huis krakeel tusschen ADRIËL en MERAB ontstond over een zaak van het alleruiterste gewigt; te weten, waar de plaats was, daar NOACH zijne ark had gebouwd, en waar deze na den vloed gebleven was. Dit geschil liep zoo hoog, dat 'er een scheiding van huwelijk op volgde: maar naardien zij begreep, dat de slinger eigenlijk aan haar en niet aan haren gewezen' echtgenoot behoorde, maakte zij hem denzelven, s' nachts, voor dat zij scheiden, afhandig, en beschonk daarmede haren jongsten zoon, die de zijde van de moeder gekozen had, en haar overal vergezelde. Dit verwekte in het vervolg wel een groten haat tusschen de broeders en hunne vrienden, zoodat zij dikwijls handgemeen raakten, maar de partij van MERABS zoon behield altijd de overhand; zoodat de slinger van dien tijd af onafgebroken in zijn geslagt gebleven, en alzoo, van vader tot zoon overervende, in mijne bezitting gekomen zij.
Een van deszelfs eigenaars, mijn bet-oud-over-groot-vader, die voor omtrend twee honderd en vijftig jaren leefde, reisde naa _Engeland_, en werd aldaar zeer bekend met een groot digter, die door het stelen van herten zeer beroemd was: zijn naam was, zoo ik dien wel onthouden heb, SHAKESPEARE. Deze leende dien gedugten slinger zeer dikwijls[15] en doodde daarmede zoo veel wild van _Sir_ THOMAS LUZY, dat hij het lot van mijne twee vrienden te _Gibraltar_, ter nauwernood ontging. De arme SHAKESPEARE raakte in de gevangenis; en mijn voorvader bezorgde hem zijne vrijheid op eene zeer zonderlinge wijze. Koningin ELIZABETH, die toen op den throon zat, verviel, gelijk bekend is, in de grootste zelfsverveeling; de geringste zaak ontrustte haar, 't zij zij zig kleedde of ontkleedde, 't zij zij at of dronk; en alle andere verrigtingen, welken wij verzwijgen zullen, maakten haar het leven tot een last. Maar hij leerde haar de kunst, om dit alles door een gemagtigde te verrigten! En welke vergelding, denkt gij, dat die edelmoedige Vorstin in staat was, hem voor zoo gewigtigen dienst te doen aannemen?—geene andere, dan SHAKESPEARE in vrijheid te stellen. Zoo groot was zijne genegenheid voor dezen beroemden schrijver, dat hij met vermaak zijn eigen leven verkort zoude hebben, om de dagen van zijnen vriend te verlengen.
[15] Men verwondere zig niet, dat mijn bet-oud-over-groot-vader dezen slinger op een speeltogtje bij zig had. Volgends den uitersten wil van MERAB moet ieder eigenaar hem altijd bij zig hebben.
Ik heb nooit gehoord, dat één van hare majesteits onderdanen, en met naame de _vleescheters_,[16], zoo als zij in dien tijd plegen genoemd te worden, (hoewel ik weet, dat zij door die tijding zeer getroffen waren,) afgekeurd hebben, dat zij zoo geheel zonder allen voedsel leefde. Zij leefde maar zeven en een half jaren, naadat zij zoo matig was geworden.
[16] _Beef-eaters._ Een naam die niet zelden door hen die gaarne rundvleesch aten, en het uit _oeconomische_ oorzaken moesten laten, aan de Koninglijke Garde gegeven wierd.
Mijn vader, die de onmiddellijke bezitter van dezen slinger vóór mij was, en van wien ik hem kort voor mijne reis na _Gibraltar_ erfde, heeft mij daarvan de volgende bijzonderheid verhaald, welke zijne vrienden ook dikwijls van hem gehoord hebben, en aan welker waarheid niemand twijfelt, die den eerlijken ouden man gekend heeft.
Hij wandelde aan het strand bij _Harwich_, met den slinger in zijn zak, en was nauwlijks eén mijl gevorderd, wanneer hij een stout beest, het zeepaard genaamd, ontmoette, 't welk met open muil en groote woede op hem kwam inloopen: een oogenblik stond hij in twijfel wat te doen; maar om zijnen slinger denkende, ging hij honderd treden agterwaards, nam een paar kittelsteenen, welke bij menigte aan 't strand liggen, en slingerde ze beiden zoo behendig naa het dier, dat ieder steen een oog weg nam, en in de holligheden, die zij gemaakt hadden, bleeven zitten. Hierop sprong mijn vader op het dier, ging op deszelfs rug zitten, en dreef het zeewaards in: want met het verlies van het gezigt verloor het ook zijne wildheid, en was zoo tam als een schaap. Mijn vader gebruikte den slinger in plaats van een breidel, en alzoo op zijn uiterste gemak dwars door de zee gevoerd wordende, kwam hij in minder dan drie uuren aan de overzijde, 't welk een weg is van ten minsten dertig hollandsche mijlen. De waard in de drie schenkkannen te _Helvoetsluis_ koft het zeepaard voor zeven honderd ducaten, om daarmede op de jaarmarkten rond te reizen; en mijn Vader ging den volgenden dag weder met de paketboot na _Harwich_.
* * * * *
_Mijn vader deed op deze reis vele zeer aanmerkelijke waarnemingen, welken ik in 't vervolg zal mededeelen._
XII. HOOFDSTUK.
_Een klugt; de gevolgen daarvan.—Het Kasteel van _Windsor_.—De St. _PAULUS_ kerk.—Het gildehuis van de geneesheren, de aansprekers, kosters enz. allen bijkans vernield.—Vaardigheid der kruidmengeren._
DE KLUGT.
Deze berugte slinger stelt zijnen bezitter in staat om alles ter uitvoer te brengen, dat hij onderneemt.
Ik maakte een zoo groten luchtbol, dat de menigte van zijde, welke ik daartoe nodig had, allen geloof te boven gaat. Alle de winkels der kooplieden en de werkhuizen der wevers van _Londen_ en _Westmunster_ waren niet in staat om zoo veel te leveren, als ik nodig had: ik kwam nog eenige duizende ellen te kort, welken ik met een kleinen luchtbol van _Lijon_ ging halen. Met dezen luchtbol en mijnen slinger voerde ik vrij wat klugten uit; als bij voorbeeld: het ééne huis van zijne plaats te nemen, en een ander in deszelfs stede te zetten, zonder de inwooners in 't minste te ontrusten, omdat zij meestal in een diepen slaap waren, of zig vermaakten met de verplaatsingen hunner huizen. Toen de schildwacht aan het Kasteel van _Windsor_ de klok van St. _Paulus_ twaalf uuren hoorde slaan, kwam dit alleen door mijne kunst. Ik bragt deze gebouwen dien nacht naast aan elkander, door het Kasteel over te voeren na _St. George's Field_, en verplaatste het weder vóór dat het dag werd, zonder iemand zijner inwooners wakker te maaken. Niettegenstaande deze zeer aanmerklijke dingen, zoude ik van mijnen luchtbol en deszelfs eigenschappen altijd een geheim gemaakt hebben, als MONTGOLFIER de kunst van vliegen niet bekend had gemaakt.
Op den _30sten_ van herfstmaand, wanneer het gilde der geneesheeren jaarlijksche verkiezing van nieuwe deken en vinders pleeg te doen, en bij die gelegenheid een zeer kostbaren maaltijd te houden, vulde ik mijn luchtbol, bragt dien boven het dak van hun pragtig gebouw, sloeg mijnen slinger om den vergulden kloot, op den top van deszelfs toren geplaatst, en het ander einde van den slinger aan den luchtbol vast gemaakt hebbende, klom ik met het gehele gestigt en al wat daar in was, tot eene onafmeetbare hoogte, alwaar ik die heeren zes weeken lang ophield. Gij vraagt, en dit verwondert mij niet, waarvan zij in al dien tijd leefden? Doch wat dit betreft, zij hadden geen nood ter waereld: want hunne tafel was zoo rijkelijk, of liever buitensporig, schoon maar voor éénen dag, voorzien, dat zij geen gebrek zouden gehad hebben, al had ik hen tweemaal zoo veel tijds in de lucht hangende gehouden.
Hoe wel ik met dit alles niets anders dan eene onschuldige klugt bedoelde, was het echter de oorzaak van vele ongelukken voor verscheiden eerwaardige personen onder de geestelijken, aansprekers, kosters, doodgravers en dergelijken; zij leeden hierdoor, dit kan ik niet ontkennen, zeer veel nadeel: want het is in _Engeland_ eene algemeen bekende zaak, dat zoo lang dit ontzagchelijk gild in de lucht bleef hangen, en die heeren dus niet in staat waren om hunne zieken te bezoeken, in de beide steden _Londen_ en _Westmunster_ niet één mensch stierf, behalven eenige weinigen, die uitgeleefd waren, en sommige zwartgalligen, die, om hier eene of andere niet noemenswaardige onaangenaamheid te ontgaan, geweldige handen aan zig zelven sloegen; en had dit hangen langer geduurd, zoo waren alle de aansprekers, zeer waarschijnlijk, van honger gestorven, of onmagtig geworden, om hunne schulden te betaalen: de kunst der Kruidmengers, welke geduurende dezen tijd buitengemeen werkzaam waren, kwam hen alleen in hun ongeluk nog eenigzins te hulp.
[Decoratieve illustratie]
XIII. HOOFDSTUK.
EEN UITSTAP NAA HET NOORDEN.
_De Baron zeilt met Kapitein _PHIPPS_—valt twee zwaare beeren aan, welken hij ter naauwernood ontkomt.—Wint het vertrouwen van deze dieren, en vernielt duizend van dezelven; laadt het schip met derzelver hammen en huiden; zendt de eersten overal ten geschenke rond; en wordt daarvoor op alle feesten van de Stad genodigd.—Een verschil tusschen den Kapitein en den Baron, waarin de laatste, beleefdheidshalve, genoodzaakt is toe te geven.—De Baron weigert de eer van een throon._
Het is u bekend, mijne Heeren! dat Kapitein PHIPPS WILD[17] (naderhand Lord R*****) eene reis gedaan heeft naa het Noorden om nieuwe ontdekkingen te doen; en dat ik dezen dapperen en edelmoedigen held, niet als Officier, maar als goed vriend op dezelve verzelde. Toen wij op eene hoge Noorderbreedte kwamen, beschouwde ik de voorwerpen, welken mij omringden, met mijn telescoop, waarmede ik u in mijne ontmoetingen te _Gibraltar_ heb bekend gemaakt. Onder anderen zag ik, dacht mij, twee grote witte beeren in een hevig gevegt op een berg van ijs, welks top veel hoger dan onze mast, en een half uur ver van ons af was. Zoo met een sprong ik buiten boord, met mijn schietgeweer op mijn rug, en klonterde dezen ijsberg op; maar om boven op den top daarvan te komen, was zoo gemakkelijk niet, als ik mij verbeeld had. De oppervlakte van het ijs was zoo oneffen, dat ik niet dan met de uiterste moeite en onbeschrijflijke gevaren tot deze dieren konde naderen. Dan eens ontmoette ik dwars uitstekende punten, tegen welken ik van onderen op moest op kruipen, om ze te boven te komen, of moest een omweg van ten minsten één uur lang maaken; dan eens werd ik op het onverwagtst gestuit door vreeslijke dieptens, over welken ik moest heen springen; en over het algemeen was het ijs zoo glad als een spiegel, zoo dat ik over dezen korten weg meer dan tien uuren doorbragt; eindelijk alle zwarigheden overwonnen en het einde van mijne reis bereikt hebbende, zag ik dat die twee beeren alleen met elkander speelden. Het eerste, dat ik nu deed, was eene berekening van de waarde hunner huiden: want zij waren ieder zoo groot en dik, als vette groninger ossen; het hierover met mij zelven eens geworden zijnde, meende ik aan te leggen; maar mijn regter voet gleed uit, ik viel op mijn rug, mijn geweer ging af, en de geweldige slag beroofde mij voor omtrend een half uur van alle mijne zinnen. Maar begrijpt hoe verbaasd ik was, toen ik, wederom tot mij zelven gekomen zijnde, merkte, dat één van deze dieren, die ik zoo even beschreven heb, mij op mijn buik gelegd had, en mij juist aan den band van mijn broek, die nieuw en van hartsleder was, in zijn bek vast hield. Het was zekerlijk voornemens mij elders heen te sleepen, wie weet waar heen! maar ik haalde dit mes uit mijn zak[18], gaf het eenige houwen in zijn agterpoot, en hakte drie teenen daar af; waarop hij mij terstond los liet en allerverschriklijkst bromde. Zoo als hij van mij weg liep, nam ik mijn roer, en vuurde op hem; waardoor wel deze beer viel, maar ook eenige duizenden zijner witte broederen, die ongeveer een half uur van mij op het ijs lagen te slapen, ontwaakten, en zonder dralen kwamen vliegen naa de plaats, van waar zij het geluid gehoord hadden. Dit zag 'er akelig voor mij uit; en ik was 'er zekerlijk om koud geweest, had ik geen gelukkigen inval gekregen. Ik vilde den beer, kop en al, in de helft van den tijd, welken de meeste menschen tot het villen van een konijn nodig hebben; en stak mij zelven in den huid, mijn hoofd onder het zijne plaatsende. Spoediger, dan ik het u kan zeggen, had het gantsche heir van beeren mij omsingeld; en mijne angst en vrees, gelooft dit vrij, bragten mij in een deerniswaardigen toestand; maar tot mijn grootst geluk veranderde dezelve welhaast op eene verwonderlijke wijs. Allen kwamen ze mij berieken, en namen mij oogenschijnelijk voor een' broeder _Bruno_: dit bemerkende, en ziende, dat onder hen vele jongen waren, niet veel langer, dan ik, wagtte ik niet lang, maar bootste hun maaksel zoo goed na als ik kon. Toen zij allen, één voor één, mij, en het dood lighaam van hunnen broeder, wiens huid nu mijn beschermengel was, beriekt hadden, leefden wij zeer wel met elkander; en ik ondervond, dat ik hen in alles, behalven het knorren, brommen en omhelzen, vrij wel kon naaäapen. Hoe zeer ik nu een beer geleek, was ik echter nog genoeg mensch, om op middelen bedacht te zijn, hoe ik het algemeen vertrouwen, 't welk ik van deze dieren gewonnen had, tot mijn meeste voordeel zoude gebruiken.
[17] Of deze PHIPPS WILD, een afstammeling is van dien JONATHAN WILD _den Groten_, wiens leven en daden zoo nauwkeurig en aardig beschreven zijn door den geestrijken en vernuftigen Heer H. FIELDING, meldt de Baron noch de Engelsche uitgever zijner avonturen: de inwoners en de belanghebbende kooplieden van St. Eustathius zullen dit misschien willen gelooven.—
[18] De Baron toonde hierop dit vreeslijk werktuig aan zijne vrienden, die meenden, dat zij een lang en breed, scherp tweesnijdend mes, zoo als een bakkers biscuit-mes is, zien zouden. Maar ziet, het was niet anders, dan een tamelijk knipmes.
Ik had van eenen ouden veld-wondheeler hooren zeggen, dat een wond in de ruggegraat doodelijk is, en dat hij, die ze ontvangt, op 't zelfde tijdpunt sterft. Hiervan besloot ik nu een proef te nemen, en nam wederom toevlugt tot mijn knipmes, waarmede ik den zwaarsten van allen vlak van agteren in den nek tusschen de schouders stak, echter niet zonder zeer grote vrees en ontroering, als niet twijfelende, of het schepsel, zoo het den steek overleefde, zoude mij aan duizend stukken gescheurd hebben. Maar ik was hierin boven alle verwagting zeer gelukkig: want het beest viel dood aan mijne voeten neder, zonder eenig geluid te geven, of één droppel bloeds te storten. Dit gaf mij moed en een voornemen, om ze allen op dezelfde wijze te vernielen, het welk ik met het grootste gemak van de waereld, in minder dan anderhalf uuren, verrigtte: want schoon deze dieren hunne gezellen zagen vallen, hadden zij geen vermoeden hoe genaamd wegens de oorzaak van derzelver dood. Toen zij allen dood voor mijne voeten lagen, hield ik mij zelven voor een tweeden SIMSON, die zijne duizenden verslagen had.
Maar ik mag niet gaarn van zulke kleinigheden zoo lang spreken, en zeg daarom nog alleen: dat ik wederom naa het schip ging, en drie vierde gedeelte van de manschap met mij nam, om mij te helpen in het villen van de beeren, en derzelver hammen en huiden aan boord te brengen; 't welk wij in weinige uuren deeden, en het schip daar mede vol laaden. De andere stukken van deze dieren wierpen wij in zee; zij zouden zekerlijk wel even goed geweest zijn tot spijze als de hammen, zoo ze behoorlijk waren behandeld geworden; daaraan twijfel ik althands niet; maar wij konden in ons schip niet meer bergen.
Zodra wij te huis gekomen waren, zond ik, uit naam van den Kapitein, eenige hammen ten geschenke aan de Lords van de Admiraliteit, aan de Lords van de Thesaurie, aan den Lord-Major en de Gemeenten van London, aan ieder lid van de verschillende handeldrijvende maatschappijen, en de overigen vereerde ik aan mijne bijzondere vrienden; van allen kreeg ik de hartelijkste dankzeggingen; maar bovenal van de stad, welke mij eens vooral op hare jaarlijksche maaltijd, ter gelegenheid van de verkiezing van eenen nieuwen Lord-Major, noodigde.
Maar de huiden zond ik aan de _Czarin der Tartaren_, tot winterklederen voor hare Majesteit en het hof; waarvoor hoogstdezelve mij een brief van dankzegginge met haar eigen hand schreef, en door een buitengewoonen gezand zond, mij haare hand en kroon aanbiedende. Doch ik, die nooit naa Koninglijke waardigheden dong, bedankte hare Majesteit in de allerbeleefdste woorden voor deze gunst. Denzelfden gezant was bevolen, op mijn andwoord te wagten, en hetzelve _in persoon_ aan hare Majesteit over te brengen, waardoor hij drie maanden afwezig was. Het weder andwoord overtuigde mij ten vollen van de sterkte harer genegenheid en van hare grootmoedigheid; hare laatste ongesteldheid was alleen veroorzaakt (zoo als zij, die tedre ziel! zig onlangs in eene geheime onderhandeling met een der Rijksgroten uitliet) door mijne wreedheid. Wat schoons de sexe in mij moge zien, kan ik niet begrijpen: maar deze Vrouw is de eenigste Souvereine Vorstin niet, die mij haare hand heeft aangeboden.
Sommige onbescheiden menschen hebben, alleen door wangunst, verspreid, als of Kapitein PHIPPS WILD, op dezen togt, niet zoo diep, als hij had kunnen doen, in het Noorden ware doorgedrongen. Maar hier moet en zal ik mij van mijnen plicht ten zijnen opzichte kwijten: ons schip was in een zeer goeden staat en nette orde, tot dat ik het met eene zoo verbazende menigte beerenhuiden en hammen geladen had, dat het dwaasheid zoude geweest zijn om verder te willen gaan; naardien wij nu nauwlijks tegen een labberkoeltje bestand waren, ik laat staan tegen die hooge bergen van ijs, welken wij hooger om den noord ontmoet zouden hebben.
Deze Kapitein heeft zig naderhand dikwijls beklaagd, dat hij in de eer van dezen dag, welken hij met nadruk den _beerenhuids-dag_ pleeg te noemen, niet gedeeld had[19]. Daar bij benijdt hij mij niet weinig de eer van deze overwinning, en tracht die op allerlei wijzen te bezwalken, waardoor wij meer dan eens de hevigste woorden met elkander daarover gehad hebben, en wij elkander tegenwoordig niet zien of spreken: nu verzekert hij stoutelijk, dat 'er geen verdienste in gelegen is, dat ik de beeren misleid heb, omdat ik mij met een beerenhuid overdekte; ja hij verklaart, dat hij wel zonder deze vermomming onder hen had durven gaan, en dat zij hem nogthans voor een beer zouden aangezien hebben.
[19] Ik weet met zekerheid, dat hij zig bij de Lords van de Admiraliteit te meermalen beroemd heeft, dat hij alleen door zijn beleid en moed alle de beeren gevangen had; waardoor hij zig zoo diep in de gunst en de goede gedachten van die Heeren heeft ingedrongen, dat zij hem voor den bekwaamsten man hielden, om een slag van gewigt te doen in één der laatste oorlogen, waarin hij zig wonder wel boven alle menschelijkheid en geheel naar beeren aard gedragen heeft. _Aantekening van den Engelschen uitgever._
Thands is hij een edel Pair van 't rijk; en daar ik te wel bekend ben met goede manieren, wil ik mij over een zoo teder punt met zijn Lordschap in geen verschil inlaten.
XIV. HOOFDSTUK.
_Onze Baron overtreft den Baron _DE TOTT_ in alle opzigten; nogthans mislukt hem ééne zaak.—Valt in ongenade bij den groten Heer, die bevel geeft om zijn hoofd te brengen.—Ontkomt dit gevaar, en gaat aan boord van een schip, waarmede hij na _Venetie_ vertrekt.—Afkomst van den Baron _DE TOTT_, en bijzonderheden van s' mans voorouders.—Eenige weinig of niet, bekende bijzonderheden van vroegeren tijd._
De Baron de TOTT maakt van een eenige zaak meer ophefs, dan vele reizigers, die hun gantsche leven hebben doorgebragt met de verschillende delen van de waereld door te reizen. Ik voor mij, al was ik uit den mond van een mortier van _Europa_ na _Asia_ gevlogen, zoude ik daarvan naderhand niet half zoo veel gesnoefd hebben, als hij doet van het afschieten van één turksch kanon. Zijn gezegde nopens dit verwonderlijk stuk komt, naar mijn beste onthoud, hier op neder: _„De Turken hadden onder het kasteel, nabij de Stad, aan den oever van de vermaarde rivier de _SIMOIS_, een onzagchelijk groot metalen stuk kanon, 't welk een marmoren bal van _ELF HONDERD PONDEN_ zwaarte schieten kon. Ik was begeerig, zegt de _TOTT_, om het af te schieten, om dat ik nieuwsgierig was, welke uitwerksels het doen zoude. Het volk, dat ik bij mij had, sidderde op dezen voorslag, naardien zij zig verzekerd hielden, dat het niet alleen het kasteel, maar ook de gantsche Stad verwoesten zou: doch hunne vrees verminderde op mijne betere onderrigtingen aanmerklijk, en ik kreeg vrijheid om het aftesteken. Om het te laaden had ik niet minder dan _DRIE HONDERD EN DERTIG PONDEN KRUID_ noodig, en de kogel weegde, gelijk gezegd is, _ELF HONDERD PONDEN_. Toen de kanonnier de kogel aanstampte, liepen de overigen weg, zoo ver als zij konden: ja het was niet dan met de uiterste moeite, dat ik den _PACHA_, die juist op slag kwam, konde beduiden, dat 'er geen gevaar was: hij, die het lont moest aanleggen, beefde als een riet. Ik ging eenige steenworpen agter hem staan, gaf het sein en voelde een schok, als van eene aardbevinge! Op den afstand van drie honderd vademen borst de kogel in drie stukken, welken over de straat heen vloogen, in de bergen aan de overzijde belandden, en de oppervlakte van het water door de gantsche breedte van het kanaal deeden op bruischen.”_
Dit is, zoo nauwkeurig als ik het mij kan herinneren, het berigt van den Baron de TOTT, wegens het grootste stuk geschut in de bekende waereld. Toen ik aldaar, niet lang daarna, was, werd in het gantsche ottomanische rijk van niets anders gesproken, en men beschouwde dit afschieten van dat verschriklijkst geschut als een bewijs van s' Barons buitengewonen moed.
Voor een Franschman wilde ik niet onder doen: daarom nam ik dit zelfde kanon op mijne schouders, en na het volmaakt in evenwigt gelegt te hebben, sprong ik daarmede in zee, en zwom naa de overzijde; van waar ik het ongelukkiglijk wederom wilde brengen op zijne voorige plaats. Ongelukkiglijk, zegge ik: want toen ik het in de hand nam, om het over te werpen, gleed het een weinig te vroeg uit, en viel daardoor in het midden van de straat, alwaar het nu in zee ligt, zonder eenig vooruitzigt om het ooit weder van daar te krijgen. De grote Heer nam dit betoon van mijnen moed en mijne kragten zoo euvel op, dat, niettegenstaande de grote gunst, waarin ik, gelijk ik reeds gezegd heb, (niettegenstaande de schathistorie, die ik u verhaald, en die hij mij vergeven had,) bij zijne Hoogheid stond, die wreede Turk bevel gaf om mij het hoofd af te slaan, en dit alleen, om dat ik een nutteloos stuk van ijdelen pragt in 't water had laten vallen. Eene van zijne Sultanes, welker grote gunsteling ik was, liet mij met den meesten spoed hiervan kennis geven, en tevens berigten, dat ik mij bij haar kon verbergen, terwijl men naar mij zocht; van welke en andere gunsten ik het gereedste gebruikt maakte.
Maar den zelfden nacht begaf ik mij aan boord van een schip, 't welk gereed lag om naa _Venetie_ te stevenen: wij ligtten het anker en waren binnen drie tellens uit het gezicht van _Constantinopel_.
Deze laatste gebeurdtenis, welke mij zoo gantsch mislukte, en waarbij ik het leven bijkans inschoot, had ik misschien niet behooren te verhaalen; maar daar dezelve niet strekt tot mijne oneer, wilde ik ze niet agterhouden.