Part 5
Het weer was verruklijk, en het gezigt van den _Nijl_ was boven alle beschrijving schoon; waarom ik besloot de reis naa _Alexandrie_ te water te doen; dit ging uitnemend wel, tot op den derden dag; maar toen begon die rivier verschriklijk te zwellen, (gij hebt allen, denk ik, mijne Heeren! wel gehoord van de jaarlijksche overstrominge van den _Nijl_) en op den volgenden dag stond het land van beide zijden reeds eenige mijlen ver onder water. Op den volgenden dag was ons vaartuig, met het rijzen van de Zon, verward in eenige heesters, zoo als ik eerst dacht; maar toen het lichter begon te worden, vond ik mij zelven omringd van amandelen, die volmaakt rijp en zoo smaaklijk waren, als ik ze ooit geproefd heb. Het water peilende bevond mijn volk, dat wij ten minsten zestig voeten van den grond af waren, en dat 'er geene mogelijkheid was om voor of agterwaards te komen; omtrend de klok negen uuren, dit is zoo naa als ik het naar gegiste zonshoogte heb kunnen bepaalen, stak de wind schielijk op, en sloeg onzen boeier op zijde. Hij raakte vol water, en in een ogenwenk zagen wij niets meer daarvan: wij reddeden ons zelven gelukkig (wij waren zeven man en twee jongens sterk) door ons stijf vast te houden aan de takken van den boom, waarvoor het vaartuig te zwaar was geweest, doch welken ons even konden houden. In dezen staat moesten wij zes weken en drie dagen doorbrengen, en van amandelen leeven! Ik behoeve u niet te zeggen, dat wij water genoeg hadden. Op den twee-en-veertigsten dag naa ons ongeluk viel het water zoo schielijk, als het gerezen was, en op den zes-en-veertigsten konden wij op het vaste land aan wal komen. Het eerste, dat wij met de grootste blijdschap zagen, was onze boeier, zes honderd voeten liggende van de plaats, daar dezelve gezonken was[12]. Nadat wij onze zeilen en klederen in de Zon gedroogd, en zoo veel voorraad te scheep genomen hadden, als wij tot de reis meenden nodig te hebben, gingen wij de plaats opzoeken, daar wij van daan gedreven waren, en bevonden volgends de nauwkeurigste rekening, dat wij meer dan honderd vijftig mijlen, over huizen en bosschen, landwaards in gedreven waren. Na eene zeer moeilijke reis van vier dagen, welke wij te voet, op looden schoenen, deden, bereikten wij de rivier, die nu wederom binnen hare oevers getreden was, en verhaalden onze lotgevallen aan den _Beij_, die ons zeer beleefdelijk voorzag van alle noodwendigheden, en ons met één van zijne barken verder liet brengen. Zes dagen daarna kwamen wij te _Alexandrie_ aan, daar wij te scheep gingen na _Constantinopel_. Bij den groten Heer werd ik zeer vriendelijk ontvangen, en had de eer om het _Serail_ te zien, waarheen zijne Hoogheid zelve mij geleidde, en mij alle vrouwen, zijne eigene zelfs niet uitgezonderd, aanbood, met vrijheid om uit dezelve zoo vele en die te kiezen, als ik tot mijn eigen vermaak en het vermaak van een half douzijn mijner vrienden zoude meenen nodig te hebben.
[12] Deze boeier was een zaandamsch maaksel, en aldaar verscheiden jaren bevaren bij ..... die deze schuit zoo netjes had onderhouden, en het ijzerwerk zoo gladjes laten schuuren, dat het onverganglijk scheen. Althands hetzelve was in aldien tijd niets het minste verroest geworden.
Ik genoot naderhand dikwijls de eer van 's avonds met zijne Majesteit te spijzigen. Zijn disch is de uitgezogtste van alle de Monarchen der waereld. Op wijn, weet gij, moet men aan tafel niet denken; maar het geene niet openlijk geschied, gebeurd niet zelden in stilte; gewoonlijk stond 'er na den maaltijd een goede fles in zijn Hoogheids Kabinet gereed. Eens gaf hij mij een wenk om hem daarin te volgen. Hij haalde uit een kastje een fles voor den dag, en zei: „MUNCHHAUSEN, gij Christenen weet wel van een goed glas wijn: hier heb ik een flesje Tokaijer, zoo goed hebt gij ze in uw leven niet gedronken.” Zijne Majesteit schonk mij een glas en vroeg: „wat zegt gij 'er van?” „De wijn is goed Z. M. gaf ik ten antwoord; maar vergun mij te zeggen, dat ik ze te _Weenen_, bij wijlen _Keizer Karel den zesden_, veel beter gedronken heb; ik zal uwe Majesteit een fles 'er van bezorgen.”—„Ik houde u aan uw woord; maar wat spoedig.”—„Wat staat 'er op, als ik ze binnen één uur uit den Keizerlijken kelder te _Weenen_ laat brengen?”—„MUNCHHAUSEN, denk niet dat ik den spot met mij laat drijven! doch ik denk dat gij raaskalt.”—„Ik zet mijn kop 'er voor te pand; maar uwe Majesteit weet wel dat mijn kop geen wisjewasje is; wat zet uwe Majesteit 'er tegen?”—„Als de vles in een uur hier is, kunt gij uit mijn schatkamer zoo veel geld en kleinoodien nemen, als de sterkste kaerel kan dragen; maar is hij 'er niet, zoo kost het u den kop: ik laat mij niet bespotten.”
Terstond schreef ik een briefje aan haare Majesteit de Keizerin, met verzoek, om een fles van dien Tokaijer, waarvan ik zoo dikwijls met wijlen zijne Majesteit haren vader gedronken had. Het was vijf minuten over drie uuren toen ik mijnen loper dit briefje ongezegeld ter hand stelde; hij ontdeedt zig van zijn gewicht aan de beenen, en maakte zig op weg; midlerwijl dronk ik met zijne Majesteit verder onze fles ledig.
Ondertusschen was het reeds kwartier voor vieren geworden, en ik begon, dit moet ik bekennen, tusschen beide een weinig beangst te worden: want het scheen mij toe dat Z. M. nu en dan op het Horlogie zag, om, als het tijd was, den scherprichter te laten komen. Ik kreeg nog wel verlof om eens in de lucht te gaan; maar wierd door een paar gedienstige geesten gevolgd, die mij niet uit het oog verloren. In dezen angst, daar de wijzer reeds op vijfenvijftig minuten stond, liet ik mijn Hoorder en Schutter roepen, welken ik mijne verlegenheid te kennen gaf. De Hoorder lag zig plat op den grond neder om te horen of hij mijn Loper niet ergends vernam. Tot mijne ontsteltenis zei hij mij, dat de slungel, een goed end van ons af, in diepen slaap lag te ronken. Zoo dra mijn brave Schutter dit hoorde, liep hij op een hoog Terras, rekte zig uit op zijne toonen en riep met drift: „bij mijn ziel daar ligt de lap, onder een eikenboom, bij _Belgrado_, met de fles naast hem; wagt ik zal hem wakker kittelen.” Hier op mikte hij met zijn roer, en schoot de volle lading in het midden van den boom. Een hagelbui van takken, knoppen en bladen viel op den slaper; dit deed hem ontwaken, en bragt hem, daar hij vreesde zijn tijd verslapen te hebben, zoo spoedig op de been, dat hij, met zijn fles en een eigenhandig antwoord van hare Majesteit, een half minuut vóór vier uuren in des Sultans vertrek aankwam.
Heeren! hadt gij den groten Heer eens zien slurpen! „Gij moet mij niet kwalijk nemen, MUNCHHAUSEN, zei hij, dat ik deze fles voor mij behoude; gij staat te _Weenen_ beter dan ik, en zult wel meer weten te krijgen. Maar ik moet u de weddingschap betalen.” Met een sloot hij de fles in zijn kastje, en liet den schatbewaarder komen, zeggende tegen hem: „laat aan mijn' vriend MUNCHHAUSEN zoo veel uit de schatkamer volgen, als de sterkste kaerel kan mededragen.”
Ik verzuimde geen ogenblik om dit bevel te doen gelden, en begaf mij met mijn sterken kaerel naa de schatkamer; daar hij zig zoo wel belaadde, dat het kleinste gedeelte overig bleef. Met dezen buit begaf ik mij regelregt naa de haven, daar ik een tamelijk groot schip huurde en terstond met mijne vijf bekwame bedienden onder zeil ging, om mijn buit in zekerheid te brengen, vóór dat eenig beletzel kon tusschen beide komen. Het geen ik gevreesd had gebeurde, nauwlijks was ik twee mijlen van de wal, of ik ontdekte dat de gantsche _Turksche_ vloot mij met volle zeilen kwam nazetten; ik moet bekennen dat mijn hoofd, dat nauwlijks weer vast begon te staan, op nieuw aan 't waggelen raakte. Mijn windmaaker bemerkte dit niet zoodra, of hij sprak mij moed in, plaatste zig bij het roer, met zijn linker neusgat naa de _Turksche_ vloot en het regte naa ons zeil, en blies zulk eene menigte wind, dat de Vloot, vrij gehavend aan masten en wand, naa de haven wierd terug gedreven, en mijn schip binnen weinig uuren gelukkig in _Italie_ aanlandde. Doch ik had van mijnen schat weinig nut: want de armoede en beedelarij is daar zoo groot, en de Politie zoo slegt, dat door mijne goedhartigheid een groot deel van denzelven in handen der beedelaars geraakte, terwijl het overige mij, op mijne reis naa _Rome_, op het geheiligd gebied van _Lorette_, ontnomen werd door eene bende rovers; wier geweten hen daarover niet veel onrust zal veroorzaakt hebben: want de buit was nog zoo aanzienlijk, dat het gantsche gezelschap, zoo voor zich zelf als voor zijne erven en nakomelingen, voor het duizendste gedeelte daarvan volkomen aflaat voor alle bedrevene en nog te bedrijven zonden, uit de eerste en beste hand te _Rome_ kon koopen.
[Decoratieve illustratie]
X. HOOFDSTUK.
_De Baron geeft zijnen ouden Vriend, den Generaal _Elliot_, een bezoek in de belegering van _Gibralter_.—Doet een Spaansch oorlogschip zinken.—Ontwaakt eene oude vrouw op de Afrikaansche kust.—Vernielt al het geschut van den vijand; maakt den Graaf van ... verschrikt, en jaagt hem naa Parijs.—Verlost twee Engelsche verspieders, met dienzelfden slinger, waardoor _Goliath_ ter neder werd geslagen, en doet de belegering van _Gibralter_ opbreken._
Geduurende de laatste belegering van _Gibralter_ ging ik met een vloot voorraadschepen, onder het bevel van Lord HOWE, een bezoek geven aan mijnen ouden vriend, den Generaal ELLIOT, die door de roemrijke verdediging dezer plaatse onverwelklijke laurieren behaald heeft. Nadat de wederzijdsche blijdschap, die bij eene onverwagtte ontmoeting van twee oude vrienden altijd pleeg te ontstaan, bedaard was, ging ik den staat der bezettinge onderzoeken, en de verrigtingen van den vijand opnemen; ten welken einde de Generaal mij vergezelde. Ik had een overheerlijken telescoop van DOLLAND bij mij, waardoor ik ontdekte, dat de vijand juist naa die plaats, alwaar wij ons bevonden, een vier-en-twintig ponder wilde losbranden. Ik gaf den Generaal te kennen, wat werk zij onder handen wilden nemen; hij zag daarom ook door het glas, en vond mijne gissing gegrond. Terstond beval ik, met verlof van den Generaal, dat aldaar een agt-en-veertig ponder van de naastgelegene batterije zoude gebragt worden; dit stuk stelde ik zoo nauwkeurig (ik heb verscheiden jaren als konstapel onder de _Poolsche_ Geconfoedereerden gediend) dat ik geen ogenblik aan eene goede werking twijfelde.
Ik bleef den vijand gadeslaan, tot dat ik zag, dat hij het lont aan het stuk aanbragt, waarop ik het sein gaf, dat ons stuk ook zoude losbranden. De twee kogels ontmoeteden elkander bijna op het midden, en zij bonsten met een allerverschriklijkst geweld tegen elkander. De uitwerking was niet minder verbazende. De kogel van den vijand vloog met zulk een geweld terug, dat hij den kaerel, die het stuk had afgeschoten, het hoofd afsloeg, benevens nog zestien anderen, welken dezelve in zijn voordsnellen naa de kust van _Barbarije_ ontmoette; maar hier was zijne kragt reeds dermate gebroken, dat hij, na nog drie masten van schepen, die aldaar in een regte lijn agter elkander in de haven lagen, doorboord te hebben, niets meer konde uitvoeren, dan door het dak eens armen daglooners hut, staande omtrend vijftig roeden landwaards in, te vliegen; waarna hij eindelijk smoorde in den mond van eene oude vrouw, die op haar rug lag te slaapen, en het overschot van hare tanden weg nam. De man van deze vrouw kort daarna te huis komende wilde den kogel uit den mond trekken; maar te vergeefsch: hierom beukte hij denzelven naa binnen met een moker tot in de maag; van waar die goede oude sloof deze pil volgends den natuurlijken loop naa beneden kwijt raakte. Maar dit was de eenigste dienst niet, welken wij van onzen kogel hadden: want hij dreef niet alleen den vijandelijken kogel terug, gelijk ik beschreven heb, maar volgends het oogmerk, 't welk ik daarmede had, ging de onze voord, en ligtte dat zelfde stuk van den vijand, 't welk tegen ons gebruikt was, uit zijn affuit, en wierp het in het ruim van een schip, dat het door de kiel heen vloog. In één oogenblik was dat schip vol water, en zonk met meer dan duizend spaansche matrozen, behalven een zeer aanmerklijk getal soldaten, waarvan niet één gered werd. Dit was een bij uitstek goed werk; hiervan ben ik verzekerd: evenwel wil ik de verdiensten daarvan niet aan mij zelven alleen en geheel toeschrijven: mijn vernuft en oordeel speelden zekerlijk wel de voornaamste rol in deze beuzelarije (wat betekenen toch eenige duizende menschen tegen een schonen barren klip!); maar mijn goed geluk stond mij ook hier een weinig ten dienste: want de man, die onzen agt-en-veertig ponder geladen had, had bij verzinning een dubbele maat kruid genomen: buiten welken gelukkigen misslag wij nooit zoo goed, boven alle verwagting, zouden geslaagd hebben, vooral in het terug kaatsen van s' vijands kogel.
De Generaal ELLIOT wilde mij een aanzienlijken post bij de artillerie geven, om dezen mijnen bijzonderen en gewigtigen dienst eenigszins te beloonen; maar ik wees alles van de hand, behalven zijne dankzegging, welke ik van hem op den avond van denzelfden dag, in tegenwoordigheid van alle de Officieren van de bezetting, over tafel ontving.
Naardien ik voor de Engelschen, die boven allen twijfel een zeer braaf volk zijn, zeer vooringenomen ben, wilde ik van deze benauwde plaats niet vertrekken, voor dat ik een nieuwen en gewigtigeren dienst aan de bezetting gedaan had; waartoe ik binnen drie weeken gelegenheid kreeg. Mij als een Priester gekleed hebbende, sloop ik om één uur in den morgenstond uit de vesting, ging door de voorposten en kwam ongemerkt in 't midden van het vijandelijk leger. Hier begaf ik mij naa de tent, waar in de Graaf van A****, benevens den opper-bevelhebber, en verscheiden andere van de voornaamste Officieren, krijgsraad hielden, en hun plan, om den volgenden morgen een storm op _Gibraltar_ te waagen, voor de laatste maal overwogen. Mijne vermomming was hun ongeluk: want veelen hadden te slaafschen eerbied voor het heilig kleed, 't welk ik aan had, dan dat zij mij uit hunne vergadering durfden weg jaagen, gelijk ik verdiend had; evenwel moet ik aan 't gezond verstand van anderen dit recht doen, dat ik op hun gelaat de duidelijkste blijken van ongenoegen en wantrouwen bespeurde, en de grootste genegenheid, om den heer Pastoor eens helder den mantel te laten uitvegen; maar zij durfden zulks niet openlijk vertoonen, noch daaraan toegeven; uit vrees, dat zij het blind en bijgelovig gemeen, welks gunst en genegenheid zij niet door een gewaanden ijver voor den Godsdienst (dien gewonen kunstgreep van staatkundige en heerschzuchtige deugnieten!) maar door hunne ervarenis en dapperheid gewonnen hadden, van zig verwijderen en vervremden zouden. Ik kon derhalven aldaar zeer gerust en veilig blijven, en hoorde alles, wat 'er omging, tot dat zij scheidden, om zig nog eenige uuren ter ruste te begeven. Toen ik zag, dat het gehele leger, zelfs de schildwachten, in den diepsten slaap gedompeld waren, ging ik zonder toeven aan 't werk; al hun geschut (meer dan drie honderd stukken van agt-en-veertig tot vier-en-twintig ponden ijzers) ligtte ik van de affuiten en ging ze meer dan een half uur ver in zee brengen. Daar ik moederziel alleen was, en zelfs geen kleinen jongen tot mijner hulpe had, was dit het zwaarste werk, dat ik ooit onder handen heb gehad; behalven toen ik met het befaamde turksch stuk geschut, door den Baron de TOTT zoo zwierig beschreven in zijne gedenkschriften, waarvan straks nader, over de straat van _Constantinopel_ zwom. Daarna stapelde ik alle de affuiten en legerkarren, in 't midden van het leger, op elkander, nemende dezelven twee aan twee onder mijne armen; zoo omdat 'er haast bij 't werk was, als omdat ik door het kraaken van de wielen niet gehoord en ontdekt zoude worden. Dit maakte een schoone vertooning: want de berg van affuiten en karren was ten minsten zoo hoog, als de rots van _Gibralter_[13]. Toen ontstak ik een lont, slaande met een stuk van een agt-en-veertig ponder tegen een vuursteen, welke twintig voeten boven den grond lag op een wal, door de Mooren bij hunnen inval in _Spanje_ opgeworpen; en stak daar mede den gantschen boedel in brand. Ik had haast vergeten te zeggen, dat ik alle de ammunitiewagens boven op den top van dezen berg had geworpen.
[13] Hoe de Baron in staat was, alle deze karren zoo spoedig en gemaklijk bij elkander te krijgen, is ligt te begrijpen!! Maar hoe hij ze zoo hoog heeft kunnen brengen zouden wij nooit hebben kunnen bezeffen, had hij ons zijne verwonderlijke kunsten, waarbij van GUSSUM en deszelfs waardige Opvolger, de heer RIDDER M. I. I. PINETTI, WILLEDALE DE MERCI, Professor en Demonstrator der Phijsica, maar kinderen zijn, niet medegedeeld in het slot van dit, en in het XII. hoofdstuk.
Ik had het brandbaarste onder op den grond gelegd, met zoo veel overleg en oordeel, dat alles in één oogenblik in ligter laaie vlam stond.—Om alle vermoedens voor te komen, had ik een spaanschen soldaat stillekens den nek omgedraaid; trok zijne klederen aan, en ging in zijne plaats schildwacht houden: ook was ik de eerste, die allarm maakte, en de grootste verbaasdheid toonde. Het geheele leger was verstomd; en het algemeen besluit was, dat de vijand de schildwachten omgekoft hebbende, zeven of agt regimenten gebruikt had, om deze ijslijke verwoesting uit te regten. Mr. DRINKWATER verhaalt, in zijne geschiedenis van deze beroemde belegering, dat de _Spanjaarden_ een zeer zwaar verlies leeden door een brand, welke in hun leger ontstond, maar waarvan men de oorzaak nooit geweten heeft. En hoe zoude hij die hebben kunnen weten? daar ik, hoe zeer ik door dit werk van weinige uuren in éénen nacht, de eenigste ben, aan wien de _Engelschen_ het behoud van _Gibraltar_ te danken hebben, deze zaak echter nooit voor dezen dag aan iemand, zelfs niet aan den Generaal ELLIOT, heb bekend gemaakt. De Graaf van A**** liep met zijn gantschen stoet van schrik weg; zij stonden op den gantschen weg niet ééns stil, hoewel zij te voet waren, tot dat zij _Parijs_ bereikt hadden, alwaar zij binnen veertien dagen aankwamen. Ja deze akelige brand had hen dermate ontsteld, dat zij wel drie maanden lang niets ter hunner herstellinge konden gebruiken, maar gelijk de cameleon van den wind leefden.
* * * * *
_Zo iemand van 't gezelschap mogte te kennen willen geven, als of hij twijfelde aan de waarheid van deze gebeurdtenis, dien bekeure ik voor een stoop brandewijn, om denzelven in één teug uit te drinken; en om de flesch of de kom waaruit hij gedronken heeft, insgelijks naa binnen te slaan._
* * * * *
Twee maanden, naadat ik dezen dienst aan de belegerden gedaan had, zat ik, met mijnen vriend, ELLIOT, te ontbijten; wanneer een bom (want ik had geen tijd gehad om zoo wel de mortieren, als het kanon van den vijand weg te brengen) in de kamer viel, daar wij zaten, en zig op de tafel nederzette. De Generaal verliet, gelijk de meesten doen zouden, terstond de kamer; maar ik vatte ze op, eer zij barstte, en nam ze mede naa den top van de rots. Van hier den vijand, op eene hoogte bij de zeekust gelegerd, beschouwende, ontdekte ik een groote menigte volks, onder elkander heen en wederloopende; maar met het bloote oog kon ik niet onderscheidenlijk zien, wat zij eigenlijk uitvoerden. Ik was juist bezig met mijn teleskoop te stellen, wanneer ik bespeurde, dat twee van onze Officieren, waarvan de één een Generaal, de ander een Colonel was, met welken ik den voorgaanden avond had doorgebragt, en die te middernacht waren uitgegaan, om het vijandelijk leger te bespieden, gevangen waren genomen, en nu regelregt na de galg gebragt werden, om opgehangen te worden. Ik had de bom nog in mijne hand, maar de afstand was te groot, om ze uit de hand weg naa den vijand te werpen; zeer gelukkig herinnerde ik mij dat ik denzelfden slinger, waarvan DAVID zig in het slaan van GOLIATH bediende, in mijn zak had; ik legde mijn bom daarin, en slingerde dezelve, dat zij midden onder het volk nederviel, en zoo als zij viel, barstte. Zij vernielde allen, die zig aldaar bevonden, behalven onze twee brave helden, die 'er behouden af kwamen, door dat zij zoo hoog gehangen waren: want zij waren even afgestoten; maar een stuk van de bom vloog met zoo grote kragt tegen den voet van de galg, dat dezelve terstond omver viel. Onze twee vrienden voelden niet zoodra den vasten grond onder de voeten, of zij zagen rond naa de oorzaak, waarom zij schier zoo spoedig nedergelaten werden, als zij waren opgehangen. Oordeelt over hunne verwondering, mijne Heeren! wanneer zij zagen, dat de wacht, de beul en alle de nieuwsgierige aanschouwers het in 't hoofd gekregen hadden, om de reis naa de andere waereld vroeger, dan zij, aantenemen. Zij wisten niet, maar vreesden, of hier onder wel niet iets anders schuilen mogt; waarom zij hunnen tijd niet wilden verspillen, gelijk die geleerde, die, een kop van een hollandschen tabakspijp op den kant van den _Teems_ gevonden hebbende, drie jaren agter één aanhoudend zijne hersenen[14] versleet, om te onderzoeken, hoe dezelve daar gekomen ware; en ten laatste besloot, dat een oud wijf van _Hilversum_, 't welk voor keukenmeid op een zeeuwschen smokkelaar gevaren had, den geheelen pijp misschien uit den tandeloozen mond had laten vallen; waarom hij nog zes dagen na den steel zocht, maar te vergeefsch. Hierom maakten zij, zonder verwijl, elkanders onbeleefde stroppen los, renden naa het strand en namen een spaansche boot met zes mannen daarin, door welken zij zig na een van onze schepen lieten roeien, en behouden daar aan boord kwamen: van waar zij, terwijl ik nog bezig was om den Generaal ELLIOT te verhaalen, hoe ik met de bom geleefd had, bij ons kwamen, ons om helsden, en wij met elkander den dag aangenaam en vrolijk ten einde bragten.
[14] De Baron vergist zig hier: de man had niets in zijn hoofd, 't welk naar hersenen geleek.
XI. HOOFDSTUK.
_Een belangrijk verslag van de voorouders van den Baron.—Een verschil over de plaats, waar _NOACH_ zijne ark bouwde.—De geschiedenis van den slinger, en deszelfs hoedanigheden.—Een begunstigd digter wordt ingeleid, maar op geen roemrijke manier.—Koningin _ELIZABETH_, en hare gaaf van onthouding.—De vader van den Baron kruist van _Engeland_ naa _Holland_ op een zeepaard, 't welk hij voor zeven honderd dukaten verkoopt._
Ja! ik zal aan uw verlangen voldoen, mijne Heeren!—immers zie ik aan uwe ogen, dat gij begeert te weten, hoe ik in 't bezit van zoo groten schat, als de bovengemelde slinger is, gekomen ben—onder één beding echter, dat gij van deze mijne openhartigheid geen misbruik maakt, en de huistwisten, welken onder mijne voorvaders hebben plaats gehad, en altijd behooren geheim gehouden te worden, niet verder voord verhaalt.