De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee

Part 4

Chapter 43,624 wordsPublic domain

Ik reisde met den gewonen postwagen; wanneer wij op smalle wegen kwamen, herinnerde ik den voerman, dat hij op zijn horen zoude blaazen, om andere reizigers op dezen smallen weg te waarschuwen. Hij blaasde uit al zijne magt; maar alle zijne pogingen waren te vergeefsch. Hij kon zijnen horen geen geluid doen geven; dit was onbegrijplijk, en tevens ongelukkig: want kort daarna kwamen wij een anderen wagen tegen, daar het zoo smal was, dat wij niet voorbij elkander konden gaan; hierom sprong ik uit den wagen, en, daar ik zeer sterk was, zette ik hem, met wielen en al wat 'er in was, op mijn hoofd, sprong daarmede over een haag, ongeveer negen voeten hoog, in het veld, ('t welk, als men het gewigt van den wagen in aanmerking neemt, gantsch niet gemaklijk te doen was) en nam een tweeden sprong, waardoor ik weder op den weg kwam, agter het andere rijdtuig; toen ging ik om de paerden: één daarvan nam ik op mijn hoofd, en het andere onder mijn linker arm, en bragt ze op dezelfde wijze bij onzen wagen, spande ze weder voor, en zoo kwamen wij tegen het vallen van den avond gelukkig aan eene herberg. Ik vergat bijna te zeggen, dat het paerd, 't welk ik onder den arm had, zeer vuurig, en niet boven de vier jaren oud was, dat het een grooten tegenzin toonde tegen deze geweldige soort van beweging, niets doende, dan schoppen en slaan; maar dat ik zijne agterste pooten vast hield, met ze in de zak van mijn rok te steken. Toen wij in de herberg waren gekomen, ververschten mijn voerman en ik ons zelven eens regt hartelijk voor alle onze vermoeienissen: hij hong zijn horen aan een spijker naast den schoorsteen in de keuken, en ik zat in den anderen hoek.

Zeer schielijk hoorden wij: _tereng! teng! teng!_ Wij zagen rond, en ontdekten nu de rede, waarom de voerman niet op zijn horen had kunnen blaazen. Zijne geluiden waren in den horen vastgevrozen, en vloogen, nu ze ontdooiden, bij menigte daar uit. De voerman was hier mede zeer in zijn schik, omdat hij ons daardoor ten vollen overtuigde, dat hij waarlijk geblazen had; maar mij verveelde het verschriklijk: want zonder dat de knaap den horen aan den mond bragt, moesten wij, eenige uuren lang, alle de deunen hooren, welken hij dien gantschen dag op zijn horen geblazen had: wij hoorden de _Pruissische marsch_—_Malbroek_—_hoe helder schijnt die zilverde maan_—_viva den Hertog_—en honderd andere dergelijke geliefde deunen.

* * * * *

_Naardien sommige reizigers 'er zig op toeleggen, om meer te verhaalen, dan misschien, strikt gesproken, waar is; zal mogelijk de een of ander van het gezelschap aan mijne geloofwaardigheid twijfelen. Maar dezen zegge ik alleen: dat ik hem, wegens zijn gebrek aan geloof, uit al mijn hart beklaage; en bidde hem, dat hij zijn afscheid neme, eer ik mijne verdere gevallen, welken niet minder wezenlijk gebeurd en wonderlijk zijn, als die ik U heb medegedeeld, begin te verhaalen._

[Decoratieve illustratie]

REIZEN VAN DEN BARON VAN MUNCHHAUSEN.

TWEEDE DEEL.

VII. HOOFDSTUK.

_De Baron verhaalt zijne avonturen op eene reis na Noord-Amerika, welken de aandacht van den lezer wel waardig zijn.—Pots van een walvisch.—Een zeemeeuw behoudt een matroos in 't leven.—Het hoofd van den Baron zakt in zijne maag—een gevaarlijk lek gestopt _a posteriore_._

Ik ging te _Portsmouth_ aan boord van een nieuw Engelsch oorlogschip, van honderd stukken, en veertien honderd koppen, naa Noord-America op reis; op welke niets merkwaardigs gebeurde, tot omtrend drie honderd _Fransche_ mijlen van de rivier _St. Laurens_, wanneer het schip met een verbazend geweld stiet (zoo wij meenden) tegen een klip; hoewel wij met het lood geen grond konden pijlen tot op drie honderd vademen[8]. Het gene in deze omstandigheid nog verwonderlijker is, en alle begrip te boven gaat, is dit: dat wij met dezen stoot ons roer verlooren, dat onze boegspriet door midden brak, dat alle onze masten opscheurden van boven tot beneden, en dat twee derzelven over boord vielen; een arme matroos, die boven in de raê zat om het zeil vast te maaken, vloog ten minsten drie mijlen ver van 't schip weg; maar gelukkiglijk reddede hij zijn leven: want in zijnen vaart viel hij op een zeemeeuw, die hem weder bragt, op dezelfde plaats, van welke hij gevallen was. Een ander uitwerksel van den stoot, welken wij kregen, was deze: dat zij, die tusschen deks waren, met hunne hoofden, op eene ijslijke wijs, tegen het dek gesmeten werden, zoo dat zij terug rolden als kloten. Maar met mij liep het zoo goed niet af: want mijn hoofd werd tusschen mijne schouders zoo diep ingedrukt, dat het zonk tot in de maag; en het liep eenige maanden aan, eer het zijne oude plaats wederom kon innemen. Terwijl wij allen nog even, verbaasd waren van de algemeene en onuitspreeklijke verwarring, waarin dit stooten ons gebragt had, ontdekten wij, waar het van daan kwam. Een zeer grote walvisch, die zig bakerde in de zon, was in slaap gevallen, op een diepte van zestien voeten water. Dit dier was zoo boos geworden over de manier, waarop wij het wakker gemaakt hadden, (want in het overzeilen was zijn neus door ons roer wat bekrapt geworden) dat hij de galderij geheel, en op zijn minst een vierde gedeelte van het halfdek met zijn staart in stukken sloeg, terwijl hij op het zelfde oogenblik ons daags anker, 't welk volgends gewoonte bij het voorsteven hing, tusschen zijne tanden nam, en met het schip ten minste eene lengte van zestig duitsche mijlen voordliep: en wie weet waar hij ons gebragt had, als niet gelukkiglijk het kabel gebroken was: wij verlooren daardoor beiden het anker en den walvisch; maar wanneer wij eenige maanden daarna naa _Europa_ wederkeerden, vonden wij denzelfden walvisch, slechts weinige Engelsche mijlen van dezelfde plaats, dood drijven op het water. De visch was meer dan honderd Rhijnlandsche roeden lang; waarom wij maar een zeer klein gedeelte van een zoo groot gedrogt aan boord konden krijgen. Wij zetteden derhalven onze sloepen uit, en konden niet, dan met veel moeite, zijn kop afhakken, waarin wij tot onze grote blijdschap het anker en nog boven de veertig vademen van het kabel vonden. Dit lag verborgen aan de linker zijde van den bek, vlak onder de tong; 't welk de waarschijnlijke oorzaak van deszelfs dood was: want de tong was aan dien kant heel zeer gezwollen, en voor een groot gedeelte ontstoken.—Dit was het eenigst buitengewoon toeval, 't welk ons op de reis bejegende. Evenwel had ik bijna nog een gedeelte van ons ongeluk op dien dag vergeten te melden, te weten: terwijl de walvisch met het schip weg zwom, sloeg hij een lek in hetzelve, waardoor zoo veel water in liep, dat wij het met alle onze pompen niet konden lens houden. Maar tot ons geluk ontdekte ik het lek; het was een groot gat van omtrend één voet over het kruis. Gij zult mij wel willen gelooven, dat dit geval mij een zeer groot genoegen gaf! als ik u verhaald zal hebben, hoe dit schoone schip met man en muis behouden werd door een zeer gelukkige inval! ik vulde het gat met mijn ..., zonder mijn broek uit te trekken; ja ware het nog groter geweest, ook dan nog zoude ik het hebben kunnen stoppen: waarover gij u niet zult verwonderen, als ik u zegge, dat ik eigenlijk uit _Westphalen_ afkomstig ben[9]. Terwijl ik op deze bril zat, had ik het waarlijk vrij koel; maar de timmerlieden verlosten mij weldra uit dezen onaangenamen staat.

[8] De vertaler gist, dat de zetter van het oorspronglijk werk hier den Baron een lelijken trek gespeeld hebbe; want dat de Baron een schrijffout begaan zoude hebben, houdt hij voor onmogelijk. Het diepst, dat men kan peilen is honderd vijftig vademen. Hij heeft het niet durven veranderen; want dit zoude zoo goed geweest zijn, als aan de geloofwaardigheid van den Baron te twijfelen:

[9] Dit wil zeggen, dat de Ouders van den Baron aldaar gewoond hadden, en hij alzoo in _Westphalen_ geboren was. Want op eene andere plaats beroemt hij zig op zijn koninglijk bloed.

VIII. HOOFDSTUK.

_De Baron baadt zig in de middellandsche zee.—Hij ontmoet zeer onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn voornemen, in de gewesten van hitte en duisternis, waaruit hij zig redt door het dansen van den hornpijp.—Verschrikt zijne verlossers, en komt weder aan het strand._

Ik was eens in het grootste gevaar van de waereld, om in de middellandsche zee, op de zonderlingste manier, zonder medewerking der geneesheeren, en buiten weeten van eenig mensch, om het leven te raaken. Op een zomerschen agtermiddag baadde ik mij, in die vermaaklijke zee, digt bij _Marseille_, wanneer ik een zeer groten visch, met zeer wijd opgesperde kaken, met de grootste snelheid op mij zag aankomen. Hier was geen tijd te verliezen; en het te ontwijken was niet mogelijk. Ik maakte mij daarom terstond zoo klein, als in mijn vermogen was, trekkende mijne voeten zoo hoog op, en sluitende mijne handen zoo naabij het lijf, als ik maar kon. In deze houding was ik in een ogenblik tusschen zijne kaken en in zijne maag. Hier was ik een poos in den stikdonkersten nacht, en de onverdraaglijkste hitte; gelijk gij u ligt zult kunnen verbeelden: tot dat ik eindelijk begon te begrijpen, dat wanneer ik den visch wat pijn aandeed, hij wel blijde zoude zijn, als hij mij wederom kwijt was. Daar ik ruimte genoeg had, begon ik alle mijne jongens spellen één voor één te beproeven; als tuimelen, hinkelen, springen, klouteren enz.; maar niets scheen hem zoo lastig te vallen, als de vaardige beweging mijner voeten, met het dansen van den hornpijp. Nauwlijks was ik daarmede begonnen, of ik moest weder uitscheiden, door zijn horten en stooten; ik ging echter weêr voord, en hij brulde vreeslijk; op het laatst ging hij volkomen regt op zijn staart in het water staan, met zijn kop daarboven uitstekende, waardoor hij ontdekt werd door het bootsvolk van een italiaanschen koopvaarder, die daar juist voorbij zeilde, en hem binnen weinig minuten harpoende. Zoodra hij aan boord gehaald was, hoorde ik het volk met elkander overleggen hoe zij hem best zouden opsnijden, om den meesten traan te krijgen. Ik was dus in geen geringe benaauwdheid, dat zij mij omhals zouden brengen met die werktuigen, waarmede zij dit vreemde werk verrigten wilden. Hierom begaf ik mij zoo naa bij het middenpunt, als ik konde: want in de maag van dit schepsel was ruimte genoeg voor twaalf menschen: en ik verbeeldde mij natuurlijk, dat zij met de ingewanden zouden beginnen. Maar mijne vrees was weldra gestild: want zij begonnen met den buik van onderen af open te snijden. Zoodra ik eenige schemering van licht gewaar werd, schreeuwde ik uit al mijn magt (want ik sprak italiaansch) dat men mij met allen spoed verlossen zoude uit eene plaats, daar ik bijkans gestikt was. Het is mij onmogelijk om naar waarheid te beschrijven de maat en de soort van verbaasdheid en ontsteldtenis, welken op ieders aangezigt geschilderd waren, toen zij de stem van een mensch uit het binnenste van den visch hoorden; maar vooral, toen zij een levendig wel geschaapen naakt mensch uit deszelfs lighaam met een statigen tred zagen te voorschijn komen; met één woord, Heeren! ik verhaalde hun de gantsche gebeurdtenis, zoo als ik ze u verhaald heb, terwijl zij van verbaasdheid verstomden.

[Illustratie: VI.]

Na dat ik eenige ververschingen genomen had, sprong ik in zee, om mij af te wasschen, en ik zwom naa mijne klederen, welken ik op dezelfde plaats weer vond, daar ik ze gelaten had. Naar de beste berekening, welke ik heb kunnen maaken, was ik juist twee uuren, negentien minuten en zeven en dertig seconden in de maag van dit dier opgesloten geweest.

[Decoratieve illustratie]

IX. HOOFDSTUK.

_Avonturen in _Turkije_ en op de rivier de _Nijl_—de Baron schiet een luchtbol boven _Constantinopel_ naa beneden, en vindt een franschen proefondervindlijken Wijsgeer daaraan hangen.—Gaat in gezantschap naa Groot _Cairo_, en vermeerdert onder weg zijn gevolg met vijf persoonen van uitstekende bekwaamheden.—Keert van daar terug langs den _Nijl_, alwaar hij zeer onverwagt wordt opgehouden.—Wint een weddingschap met den Groten Heer.—Proeven der bekwaamheden van zijne bedienden._

Toen ik in den turkschen dienst was, vermaakte ik mij dikwerf met zeilen op de zee van _Marmora_, van waar men een heerlijk gezigt heeft op de gantsche stad _Constantinopel_, en door welke het Serail van den groten Heer bespoeld wordt. Wanneer ik op een zekeren morgen verrukt was over de schoonheid van het weder en de helderheid van de lucht, zag ik iets, gelijkende naar een kloot, ongeveer twaalf duimen groot, waaraan, zoo het mij toescheen, nog het een of ander was vastgehegt. Terstond nam ik mijn grootste en langste ganzenroer, waarmede ik nooit uitgaa, of ik doe 'er het een of ander mede op, zoo zulks binnen mijn bereik is: ik zettede daar een kogel op, en schoot naa den bol, maar 't was mis; ik herhaalde den schoot met twee kogels, doch vergeefsch; 't voorwerp was te ver van mij af; toen nam ik dubbeld kruid en vijf of zes kogels, welke allen het ding raakten, en aan den eenen kant eene grote opening daarin maakten, en het in zee deden tuimelen. Oordeelt over mijne verwondering, toen ik maar zes voeten van mij af een zeer fraai verguld schuitje, met een man en een stuk van een schaap 'er in, 't welk wel half gebraden scheen te zijn, hangende aan eene verbazend grote Ballon, zag nedervallen. Van mijne verbaasdheid een weinig bedaard zijnde, gebood ik mijn volk om, zoo digt als mogelijk was, bij dezen vremden luchtreiziger bij te draaijen.

Schoon ik terstond merkte, dat hij een Franschman was, nam ik hem echter bij mij aan boord, met voornemen, om hem in zijn fraai verguld schuitje weder over boord te zetten, zoo hij aan mijne nieuwsgierigheid niet voldeed, en mijnen dienst, dat ik hem van dezen gevaarlijken togt gered had, met geene volledige dankbaarheid beandwoordde[10].

[10] De Baron, die zoo even een overtuigend bewijs gaf van zijne deftige westphaalsche geboorte: geeft hier een proef van zijne Engelsche opvoeding.

Hij was van zijnen hemelschvluggen tuimel in zee zoo ongesteld, dat hij een geruimen tijd geen woord konde spreken; doch zig een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij het volgend verslag van zig zelven en zijne reis. „Het is omtrend zeven of acht dagen geleden,” zeide hij, „want den eigenlijken tijd kan ik u niet nauwkeurig en bepaald opgeven, naardien ik de rekening kwijt ben; omdat ik het grootste gedeelte van dezen tijd in die streken, alwaar de Zon nooit ondergaat, heb doorgebragt—voor omtrend zeven of acht dagen was het, dat ik te _Land's End_, in 't Graafschap _Cornwall_ in _Groot-brittannie_[11], mijne luchtreis aanvaardde in dit schuitje, waaruit ik zoo plotseling ben neergevallen, hangende aan een zeer grote _Ballon_. Ik nam een schaap mede, om met hetzelve proeven op den dampkring te nemen: maar tien minuten na het opgaan van de _Ballon_, veranderde ongelukkiglijk de wind, en in plaatse van mij te brengen naa _Exeter_, alwaar ik meende neder te komen, dreef de wind mij zeewaards, boven welke ik gisse dat ik zederd al dien tijd gedreven heb: want ik was veel te hoog, om water van land te kunnen onderscheiden.

[11] Dit is de westelijkste uithoek van _Engeland_; van daar is de reis na _Exeter_ noordoostwaard aan, en dus geheel over land, ter lengte van 140 engelsche mijlen. Hij had dus op zijn voorgenomen togt geen gevaar van water, al ware hij nog tweemaal die lengte voordgevlogen: want eer hij aan den noordoostelijksten hoek bij _Yarmouth_ aankwam, had hij _Engeland_ in deszelfs grootste lengte moeten overvliegen.

„Mijn honger, dus vervolgde hij, werd zoo scherp, dat de voorgenomen proeven over de lucht en de hitte daarvoor moesten wijken. Op den derden dag moest ik het schaap reeds dooden, en daar ik toen oneindig ver boven de Maan, en zoo digt bij de Zon was, dat ik mijne wenkbraauwen zengde, plaatste ik het schaap, waarvan ik de huid eerst had afgevild, in dat gedeelte van mijn schuitje, alwaar de Zon kragt genoeg doen kon, om het vleesch te braaden, of met andere woorden, alwaar de schaduw van de _Ballon_ de Zon niet hinderde, zoo dat het vleesch binnen twee uuren gebraden was. Dit is in al dien tijd mijn eenigst voedsel geweest.”

Hier hield hij op, en was verbaasd over de voorwerpen, welken hem omringden. Toen ik hem zeide, dat het 't _Serail_ van den groten Heer was, scheen hij boven mate getroffen te zijn, omdat hij gemeend had, dat hij in een geheel andere streek was. „Mijne lange vlugt,” voegde hij 'er bij, „is daardoor veroorzaakt, dat een zeker koord, 't welk vast zit aan een klepje in de _Ballon_, om daardoor de ontbrandbare lucht uit te laten, brak.” Ware de _Ballon_ niet aan stukken geschoten, gelijk verhaald is, het zoude met hem gegaan zijn, als met _Mahometh_, en hij was tot aan den jongsten dag tusschen hemel en aarde blijven hangen.

De grote Heer, bij welken ik door de _Keizerlijke_, _Russische_ en _Fransche_ gezanten was ingeleid, gebruikte mij tot een zaak van zeer groot gewigt te groot _Cairo_; waarvan ik zeer veel wetenswaardige bijzonderheden, dienende tot ophelderinge van den opstand der _Noord-amerikaansche_ Colonien, en deszelfs eerste en waaragtige oorzaken, zoude kunnen verhaalen—indien de gantsche zaak niet van die natuur was, dat ze voor eeuwig een geheim moest blijven.

Ik ging derwaards met al de pragt en staatsie van een afgezant der hoge en verhevene Porte; onderweg had ik gelegenheid mijn stoet met eenige zeer bekwaame voorwerpen te vermeerderen: want toen ik nauwlijks eenige mijlen van _Constantinopel_ verwijderd was, zag ik een klein, schraal man met de grootste gezwindheid dwars over het veld loopen, schoon hij aan elk been een stuk lood van wel vijftig ponden zwaarte had hangen. Ik riep: „hoe zoo haastig en waarheen, Vriend! en waarom bezwaart gij u in uwen loop met zulken last?” „Ik ben gaf hij mij ten antwoord, voor een half uur uit _Weenen_ gegaan, daar ik bij een voornaam Heer in dienst was; ik gaa naa _Constantinopel_ om daar wederom een dienst te zoeken; door het gewicht aan mijne beenen heb ik mijne snelheid, die mij thans niet te pas komt, wat willen maatigen: want _moderata durant_ pleeg mijn overleden preceptor te zeggen.”—Deze _Azahel_ behaagde mij, en ik nam hem in mijn dienst. Na eenigen tijd te hebben voortgereisd vond ik een kaerel, digt aan den weg, op een schoon grasveld liggen, zoo stil als of hij sliep; doch hij was wakker en luisterde met zijn oor zoo opmerkzaam op de aarde, als of hij de tegenvoeters wilde beluisteren.—„Waar luistert gij naa, mijn Vriend?” vroeg ik. „Ik luister tot tijdverdrijf, om te hooren hoe het gras groeid!—en kunt gij dat?—o dat is een beuzeling!—Koom dan in mijnen dienst, Vriend, wie weet wat 'er al niet kan vallen te hooren.” De kaerel sprong op en volgde mij.—Een weinig verder stond een jager op een heuvel met een aangelegd geweer, en schoot in de ruime lucht.—„Veel geluks, veel geluks, jager! Maar waarop schiet gij? Ik zie niets als de ruime lucht.”—„Ik neem de proef van dit nieuwe geweer. Gints op den haan van den Munster tooren te _Straatsburg_ zat een spreeuw, die ik 'er af heb geschoten.” Die mijne drift voor de edele kunst van jagen en schieten kent, zal zig niet verwonderen dat ik dezen uitmuntenden schutter terstond om den hals viel. Het spreekt van zelfs dat ik niets spaarde om hem ook in mijnen dienst te krijgen.—Ik reisde met mijnen stoet vervolgens door verscheiden landen en steden, tot aan den berg Libanon. Hier vond ik voor een bosch van cederbomen een stevigen kaerel staan, trekkende aan eenen strik, die om het gantsche bosch gespannen was. „Wat trekt gij daar, mijn Vriend?” vroeg ik hem. „Ik moet timmerhout halen, en heb mijn bijl vergeten: nu moet ik mij zoo goed redden al ik kan.” Met deze woorden rukte hij in eens het gantsche bosch, dat een vierkante mijl groot was, op den grond, of het riet was. Gij raadt ligt wat ik deed: ik had deze kaerel niet laten gaan, al had het mij het gantsche inkomen van mijne Ambassade gekost.—Tot in het Egyptische gebied voordgereisd zijnde, verhief zig een zoo geweldige storm, dat ik het met wagen en paerden nauwlijks over end kon houden, en vreesde in de lucht gevoerd te zullen worden. Van zeven windmolens, die ter linker zijde van onzen weg op eene rei stonden, slingerden de wieken zoo snel om hunne assen, als het spinwiel van de vaardigste spinster. Niet ver daar van daan, aan de regter zijde, zag ik een kaerel staan, veel gelijkende naar _John Falstaf_, welke zijn regter neusgat met zijn voorsten vinger toehield. Zoodra deze kaerel onzen angst en verlegenheid zag, wendde hij zig naa ons, en boog zig eerbiedig voor mij. Eensklaps deedt zig geen windje meer voelen, en de zeven molens stonden plotslings stil. Verwonderd over dit voorval, dat mij niet natuurlijk scheen toe te gaan, schreeuwde ik den tovenaar toe: kaerel wat is dat! zit de duivel u in 't lijf, of zijt gij de duivel zelf? „Verschoon mij, uwe Exellentie: ik maakte daar voor mijn' meester, de molenaar, een weinig wind; en om de zeven molens niet te laten omvallen, heb ik mijn eene neusgat toe gehouden.” Ei! Ei! een uitmuntende knaap, dacht ik bij mij zelven: die kaerel kan u te pas komen als gij eens bij stil weer op zee zijt, of als het u, bij uwe terugkomst, aan adem hapert, om alle uwe zonderlinge lotgevallen te water en te land te verhaalen.—Wij wierden het spoedig eens, en de windmaker liet zijne molens staan en volgde mij.

Eindelijk kwam ik in groot _Cairo_ aan. Zoodra ik aldaar mijnen last naar wensch had uitgevoerd, dankte ik mijn gantsch nutloos gevolg af, en behield alleen de vijf die ik onderweg had aangenomen, om met deze als een ampteloos burger de terug reis te doen.