Part 3
„Maar alle deze moeilijkheden, welken gij zoo gelukkig ontsnapt zijt, zijn maar, door een gunstig noodlot, de toevallige oorzaken van uwen roem en uwe grootheid.” Dunkt u dat, mijn Heer? Voegt ge 'er ook BONS bij?....... Ik erkenne, dat het geluk mij veelal gediend heeft; maar beweer ook, dat mijne tegenwoordigheid van geest, mijne mannelijke dapperheid, mijne onvertzaagde kloekmoedigheid, en mijne beproefde ervaring ook het hare daaraan toegebragt hebben. Wie weet niet dat het een met het ander vereenigd den gelukkigen jager, zeeman en soldaat uitmaakt? Hoe? zoude een jager, zee- of krijgsman, die altijd van het lot en zijne goede sterren wilde afhangen, die zig zelven nooit bekommerde over die wetenschappen, welker beoeffening zijn hoofdwerk is, noch ooit dacht op middelen, om met het beste gevolg zijn beroep te kunnen waarnemen,—zoude zulk een, vraag ik, niet van de strafwaardigste onvoorzigtigheid te beschuldigen zijn? Maar nooit heb ik ten dezen opzigte eenige berisping verdient: altijd was ik beroemd, zoo wel van wege de uitmuntendheid van mijne paerden, honden, roers en houwers, als om mijne volmaakte manier van dezelven te gebruiken, zoodat ik over het geheel moge hopen, dat mijner altijd, in de bosschen, aan den haard, en op het veld, met lof gedacht zal worden.—Maar ik zal mij hier niet ophouden met eene brede en volledige beschrijvinge van mijne stallen, jagthuizen, geweerkamers; gelijk anders de Stal- Jagd- en Honden-Edellieden wel gewoon zijn. Doch van éénen mijner honden, mijn lieveling, kan ik evenwel niet nalaten te spreken. Het was een windhond; dag en nacht kon ik hem gebruiken: want als het nacht werd hong ik hem een lantaern aan den staart, en jaagde dan zoo goed of nog beter met hem als op den helderen dag.—Eens (dit was kort na dat ik gehuuwd was) gaf mijne vrouw hare begeerte te kennen om op de jagt te gaan. Ik reed vooruit, om iets op te sporen, en het duurde niet lang, of mijn hond stond stil voor eene groote hoenderkooij. Ik wagtte, en wagtte al op mijne vrouw, die met mijn Luitenant, en een knegt, terstond mij gevolgd waren; maar kreeg geen van allen te zien. Dit maakte mij eindelijk ongerust; waarom ik terug keerde; en toen ik omtrend half weg was hoorde ik een zeer klagend geween, dat kort bij mij scheen te zijn, hoewel ik om mij, of ver af, geen levende ziel kon ontdekken. Ik klom van mijn paerd, legde mijn oor op den grond, en nu hoorde ik duidelijk dat het onder dezelve was, en herkende ook, zeer onderscheidenlijk, de stemmen van mijne vrouw, mijn Luitenant en mijn knegt. Met een zag ik ook, dat niet ver van mij af de opening van een steenkolengroeve was, en nu twijfelde ik niet, of mijne ongelukkige vrouw zou, met haar geleide, daar in gestort zijn. In vollen ren vloog ik naa het eerste dorp, om de gravers te halen, die de verongelukten, na eenen allermoeilijksten arbeid, uit eene diepte van negentig voeten weder boven bragten. Het zeldzaamste was, dat menschen en paerden in dezen vreeslijken val bijna niets beschadigd waren; doch zij hadden zoo veel te meer door angst geleden.—Gij kunt u ligt voorstellen, Heeren! dat 'er aan geen jagen meer gedagt wierd; en daar gijlieden, gelijk ik ligt kan vermoeden, mijnen hond gedurende dit verhaal zult vergeten hebben, zoo zult gij het mij niet kwalijk nemen, dat ik ook niet meer aan hem dagt. Mijn dienst noodzaakte mij den volgenden dag op reis te gaan, 't welk mij veertien dagen ophield. Nauwlijks was ik eenige uuren weder 't huis geweest, of ik miste mijn _diaan_. Niemand had zig om het beest bekommerd: want men had gedagt dat het mij gevolgd was. Hoop en vrees joegen mij terstond naa de streek, daar ik met hem op de jagt had willen gaan; en tot mijne onuitspreeklijke blijdschap vond ik mijn hond nog op dezelfde plaats staan, daar ik hem voor veertien dagen gelaten had. _Piel!_ riep ik, met een sprong hij toe, en ik kreeg vijfëntwintig eenden in één schot. Maar het arme dier was zoo uitgehongerd en afgemat dat het nauwlijks naa mij toe kon kruipen, zoodat ik hem op mijn paerd moest nemen om hem thuis te krijgen. Na eene goede oppassing van weinig dagen was hij weder zoo gezond en vrolijk als te voren; en eenige weken daar na maakte hij het mij mogelijk een raadzel op te lossen, 't welk, waarschijnlijk, zonder hem, voor altijd onöpgelost had moeten blijven.
Ik joeg, namelijk, twee dagen lang, op een haas. Mijn hond bragt hem telkens terug, maar ik kon hem niet onder het schot krijgen.—Het was nooit mijne zaak aan toverij geloof te slaan; ik heb daar toe te veel zonderlinge gevallen beleeft; maar in dit geval was mijn begrip ten einde.—Eindelijk kwam de haas mij zoo nabij, dat ik hem kon treffen. Hij viel; en wat meent ge wel dat ik zag?—de haas had vier pooten onder het lijf, en vier op den rug. Als de vier onderste moede waren keerde hij zich om, als een bedreven zwemmer die op buik en rug zwemt, en liep dan met dezelfde snelheid weder voort. Naderhand heb ik ook nooit zoo een haas weer gezien; en ook dezen had ik gewis niet gekregen, als mijn hond niet zulke buitengewoone bekwaamheden had bezeten. Nooit zag ik beter. Het dier werd oud in mijnen dienst; en was niet zoo zeer wegens zijne grootte, als gezwindheid en eene andere omstandigheid zeer opmerklijk. Altijd heb ik 'er mede gejaagd. Had gij hem ooit gezien, gij zoudt 'er u over verwonderd, en mijne voorkeuze, dat ik met hem altijd ging jaagen, goed gekeurd en geprezen hebben. Hij liep zoo snel, zoo veel en zoo lang in mijnen dienst, dat zijne voetzolen geheel waren afgesleten, zoodat ik op het laatst van zijn leven genoodzaakt was, om hem niet anders te gebruiken als tot een beschutter, in welke hoedanigheid hij mij zederd verscheiden jaren nog uitstekend dient.
Dit brave beest veranderde van kunne. Ja, mijne Heeren! deez' Hij werd een Zij! een teef! Op zekeren dag zette zij een haas naa, die mij toescheen zeer groot en zwaar te zijn. Ik beklaagde mijn arme teef: want zij was met jongen; en evenwel wilde zij zoo hard lopen als ooit. Mijn paerd vloog uit al zijn magt, en nogthans kon ik haar niet dan op een groten afstand volgen. Zeer onverwagt hoorde ik een getier als van een gantsche jagt van honden—maar zoo zagt en flaauw, dat ik niet wist, wat ik daar van maaken moest. Toen ik 'er bij kwam, was ik niet weinig verbaasd! de haas had in den loop geworpen; 't zelfde kwam mijn teef in het naazetten over—'er waren even zoo veel jonge hazen als honden. Door haar bijzonder instinkt liep de eerste, en de andere jaagde, en vong haar, en dus vond ik mij op het laatst bezitter van zes hazen, en even zoo vele honden, schoon ik maar met één begonnen was.
Ik herinner mij deze verwonderlijke teef met hetzelfde vermaak en dezelfde genegenheid, als een schoon poolsch paerd, 't welk voor geen geld te koop was. Het werd mijn eigendom, door een toeval, dat mij gelegenheid gaf om met groot voordeel te toonen, dat ik de kunst van paerden te berijden wel verstond. Ik was op het heerlijk landgoed van den Graaf PRZOBOSSKY, in _Litthauen_, en bleef in de zaal, bij de Vrouwen, thee drinken, terwijl de Heeren beneden in den tuin waren, om een schoon bruin paerd te zien, 't welk zoo even uit de stoeterij kwam. Zeer schielijk hoorden wij een geluid, waardoor wij merkten, dat 'er eenig ongemak was.—Ik haastte mij daarom naa beneden, en vond het paerd zoo wild, dat niemand het dorst naderen of beklimmen. De stoutste rijders stonden verslagen en bedremmeld; wanhoop was op ieders aangezigt te lezen; wanneer ik in éénen sprong agter op het paerd zat, het overhoeds aangreep, het geheel mak en tam kreeg, en het, door mijne kennis van paerden en bekwaamheid in het rijden, in mijn bedwang had. Ik brandde van begeerte om dit aan de Vrouwen te toonen, en haar voor onnutte schrikken te bewaaren; daarom deed ik het door één van de open ramen van de theekamer springen, reed 'er eenigen tijd mede rond, stappende, rennende, of in een vollen galop; op 't laatst deed ik het op de theetafel springen, om op dezelve, in 't klein, de lessen te herhaalen, welken ik het reeds geleerd had: dit stond zeer sierlijk, en gaf aan de Vrouwen geen klein vermaak: want het beestje deed zijne zaken zoo verbazend wel, dat niet één kopje of schoteltje brak. Dit deed haar, en vooral den edelen Graaf, zoo goede gedachten van mij krijgen, dat hij mij, met zijne gewone vriendelijkheid, verzocht, om toch dit jong paerd van hem aantenemen, en het te berijden, om roem en overwinning te behalen, in den veldtogt tegen de _Turken_, welke welhaast, onder het bevel van den Graaf _van Munnich_, stond geopend te worden.
[Illustratie: III.]
Nooit had ik een aangenamer geschenk kunnen ontvangen, noch waarbij ik mij gunstiger voorspellingen konde doen bij de opening van den veldtogt, in welken ik het eerst als krijgsman dienen zoude. Een zoo fraai, zoo vuurig, en zoo vinnig paerd—zoo mak als een lam, en te gelijk een BUCEPHALUS, deed mij gestadig denken aan mijnen pligt als krijgsman en edelman—aan den jongen ALEXANDER, en de verbazende dingen, welken hij in 't veld verrigt heeft.
Wij trokken te veld, met oogmerk, zoo het onder anderen scheen, om den roem der Russische wapenen, welke in den laatsten veldtogt van _Czaar_ PETER aan de _Pruth_ een weinig geleden had, weder te krijgen; en dit oogmerk bereikten wij volkomen, door verscheiden zeer vermoeiende maar roemrijke togten, onder het bevel van den zoo even genoemden grooten Generaal.
Zedigheid verbied ieder enkel lid van een leger zig de grote voordelen en overwinningen, door hetzelve behaald, toe te schrijven, naardien, volgends het gewoon gebruik, de roem daarvan geheel en alleen ingeöogst wordt door de legerhoofden, hoe gering ook hunne bekwaamheden dikwijls mogen zijn; of, 't gene nog verkeerder is, door de Vorsten, of Koningen, die nooit, dan op vrolijke feestdagen, of bij den wapenschouw hunner troepen, kruid geroken, nooit een slagveld gezien hebben, noch, buiten de Wagt-parade, ooit een Corps in slagorde zagen.
Ik wil mij ook geenszins eenig bijzonder gedeelte toeschrijven van den roem, welken wij in verscheiden gevegten met den vijand behaalden: wij deden alle onzen pligt, welk woord, in de taal der patriotten, krijgslieden en edellieden, van eene zeer uitgebreide en verschillende betekenis en gewigt is; naardien het geenszins om 't even is, op welke plaats en in welke omstandigheden men zig bevinde, om den waren zin van de woorden eed, pligt, eer, geweten en dergelijken wel te kunnen bevatten, en zig daarnaar behoorlijk te gedragen.—Maar deze zaken zijn te verheven, dan dat burgerverstanden ze alle zouden kunnen bevatten.
Een geval kan ik, echter, niet nalaaten hier te melden. Het bevel hebbende over eene bende Huzaren, met last en magt om naar bevinding van zaken te handelen, deden wij verscheiden togten. Het voordeel, 't welk wij daarin op den vijand behaalden, meen ik, dat billijk aan mijn beleid, en het goed gedrag mijner brave lieden, welken ik ten strijde en ter overwinninge aanvoerde, moet toegeschreven worden. Eens hadden wij het in de voorhoede zeer heet, toen wij de _Turken_ in _Oczakow_ terug dreven. Mijn _Poolschman_ bragt mij altijd in 't heetste vuur. Hier had ik één der eerste voorposten, en zag den vijand tegen ons opkomen in een dikke wolk van stof, waardoor ik noch hun wezenlijk getal noch hunne waarachtige oogmerken ontdekken konde. Om ons zelven insgelijks door een wolk van stof te dekken, was wel eene gewone voorzigtigheid, maar hierdoor kreeg ik nog geen kondschap van den vijand, noch het beandwoordde aan 't oogmerk, waartoe ik was uitgezonden. Hierom liet ik de flanken aan de beide vleugels zich verstroijen, om zoo veel stof te maaken, als zij konden; maar ik hield regt aan op den vijand, om hem zoo veel te nader onder de oogen te zien. Dit laatste gelukte mij zeer wel: want de vijand stond en vogt maar zoo lang, tot dat hij door mijne flanken in beweging, en aan 't wijken gebragt werd, en geheel in wanorde geraakte. Dit was het ogenblik, om met vuur op den vijand in te vallen.—Wij sloegen hem volkomen, en maakte eene schrikkelijke slagting onder denzelve—wij dreeven hem niet alleen te rug tot aan de wallen hunner stad, maar zelfs door de stad heen, 't welk onze bloeddorstigste verwagting zelfs te boven ging.
De ongemeene gezwindheid van mijnen Litthauër deed mij de eerste onder de vervolgers zijn. Hier door zag ik, dat de vijand de andere poort van de stad hals over kop uitvloog, en had wel lust om hem verder naa te zetten; maar eene markt ziende, oordeelde ik het voorzigtigst om daar stil te houden, en mijn volk bij één te zamelen. Ik hield stil, mijne Heeren! op de markt; maar oordeelt over mijne verbaasdheid, dat ik mijn volk een gantsch eind voor uit moest zijn, naardien ik geheel alleen was en niet éénen Huzaar hende of omtrend mij kon gewaar worden! Zijn zij eene andere straat ingeslagen? Of wat is 'er van hun geworden? Zekerlijk konden zij niet verre meer agter zijn, en moesten zig, ieder ogenblik, bij mij voegen. Terwijl ik mijne brave maats wagtte, wandelde ik met mijn paard naa eene waterleiding op de markt, en drenkte het. Het beest dronk ongemeen veel—met eene onverzaadlijke gretigheid; maar welke zeer natuurlijk was: want toen ik naa mijne manschap om zag, zag ik dat mijn arm beest zijn agterste gedeelte, tot aan de lendenen toe, kwijt was, als of het in tweeën ware doorgehakt; het water liep er weder uit, zoo als het 'er inkwam, zonder mijn paerd eenigszins te verfrisschen of eenig goed te doen! Hoe dit toegekomen ware, bleef voor mij eene verborgenheid, tot dat eindelijk mijn knegt van eenen anderen kant kwam aan jagen, en onder een vloed van trouwhartige gelukwenschingen en kragtige vloeken mij verhaalde, dat, wanneer ik den vijand zoo kort op de hielen na binnen volgde, men het schof[5] had laten vallen, (dit had ik in de drift niet bemerkt) waar door het agterste gedeelte van mijn paerd glad was afgeslagen; eerst had dat gedeelte geweldig tegen de deuren rondom zich geslagen, en was vervolgens naa eene weide, daar kort bij, gelopen, daar ik het waarschijnlijk nog wel zou vinden.—Terstond wendde ik, en in een verbazend snellen galop bragt mijn overig half paerd mij in de weide. Ik vond, tot mijne groote blijdschap, hier de afgeslagen helft weder; en tot mijne verwondering zag ik dat dezelve zich met eene bezigheid vermaakte, die zoo wel was uitgedagt, dat tot heden toe geen _Maitre des plaisirs_, met al zijn vindingrijkheid, in staat was, om een vermaak uit te denken dat beter voor een hoofdeloos wezen voegt; om het met één woord te zeggen, het agterdeel van mijn wonderpaerd had in die weinige ogenblikken reeds eene gemeenzame kennis gemaakt met de merries, die in de weide liepen, en scheen bij de vermaaken van zijnen Harem alle zijne geledene smerten te vergeten. Hierbij kwam nu zekerlijk de kop zoo weinig in aanmerking, dat zelfs eenige veulens haar aanwezen aan deze uitspanning te danken hadden, hoewel zij onbruikbaare misgeboorten waren, welken alles ontbrak wat hun Vader miste toen hij hun voortbragt.
[5] Het schof of _port-cullis_, zijn zwaare vallende deuren, met scherpe punten van onderen. Men laat ze neervallen, om het binnen komen van een vijand in eene versterkte stad te beletten.
[Illustratie: IV.]
Daar ik nu zulke onwederleglijke bewijzen had van het leven van de beide gedeelten van mijn paerd, liet ik terstond onze paerdensmit komen; zonder zich lang te bedenken kwam deze op den inval, om de beide delen, terwijl ze nog tamelijk warm waren, wederom aan elkanderen te voegen. Hij naaide ze vast met takjes en jonge spruitjes van laurierbomen, welke juist bij de hand waren.—De wond genas; en wat kon een zoo beroemd paard niet te beurte vallen? de spruitjes maakten wortel in deszelfs lighaam, groeiden op en maakten een priëel, in de gedaante van een munnikskap, zoo dat ik naderhand altijd op andere togten kon uitgaan onder de schaduw van mijne eigene en mijns paerds laurieren.
Van iemand, die een paerd als het mijne kon berijden, zult gij, Heeren! ook wel andere behendige bedrijven willen gelooven, die U anders misschien wat fabelachtig zouden voorkomen. Eens dat wij eene stad belegerden, had de bevelhebber een bijzonder belang om de inwendige gesteldheid der plaats te weeten. Het scheen ten uiterste moeilijk, ja bijna onmogelijk, om door alle de voorposten, wachten en werken binnen te geraaken, en 'er was geen geschikt voorwerp voorhanden, om zoo iets met hoop van eenen gelukkigen uitslag, te ondernemen. Misschien een weinig te voorbarig in ijver en moed, plaatste ik mij naast een 36 ponder, die op dat ogenblik op de stad zou losbranden, en, _wip!_ op den kogel, met oogmerk om mij in de vesting te laaten brengen; maar toen ik omtrend halfwege door de lucht was kreeg ik allerlei bedenkingen in den kop, die ik niet kon oplossen. „Ja, dagt ik, gij zult nu wel binnen komen; maar hoe 'er weder uit? hoe zal het u in de vesting gaan? zal men u niet aanstonds voor een spion nemen, en u aan de eerste galg de beste hangen? zulk een bed van eer zal u weinig roem nalaten.” Ik nam hierom een kort besluit, en bediende mij van de gelegenheid dat een kogel, eenige schreden van mij af, uit de vesting naa ons leger snelde. _Wip!_ van dien op welken ik zat op dezen over, en zoo kwam ik met onverrigte zaaken, maar nogtans behouden, in het leger terug.
[Illustratie: V.]
Zoo ligt en vaerdig ik in het springen was, was ook mijn paerd, slooten noch heggen beletteden mij ooit den kortsten weg te nemen. Eens zette ik op hetzelve een haas naa, die dwars over den gemeenen weg liep, wanneer juist een koets, met twee jonge dames 'er in, dien weg kwam, tusschen mij en den haas. Mijn paerd vloog zoo snel, zonder zich te stooten, door de koets heen, waarvan de glazen opgetrokken waren, dat ik nauwlijks den tijd had om mijn hoed aftenemen, en de dames voor deze vrijpostigheid verschoning te vragen.
[Decoratieve illustratie]
VI. HOOFDSTUK.
_De Baron wordt krijgsgevangen, en voor slaaf verkoft.—Hoedt de bijen van den Sultan, welken aangevallen worden door twee beeren.—Verliest een bij en een zilveren bijl, welken hij naa de beeren smijt; doch die, door het verdraaijen van zijnen arm, opvliegt naa de Maan, maar welken hij, door eene vernuftige uitvinding, naa beneden brengt.—Valt bij zijne terugkomst op de aarde, en redt zig zelve uit eene diepe kuil.—Redt een wagen, welke den zijnen, op een smallen weg ontmoet, op eene zonderlinge wijze. Wonderbaar uitwerksel van de vorst op den posthoren van zijn koetsier._
Ik was nogtans niet altijd gelukkig[6]. Ik had zelfs het ongeluk, dat ik voor de overmagt der vijanden moest bukken, en door hun krijgsgevangen gemaakt, en, het welk nog erger, maar bij de _Turken_[7] altijd gebruiklijk is, tot slaaf verkoft werd. In dezen staat van vernederinge, was mijn dagelijks werk wel niet hard en zwaar, maar eerder zonderling en vervelende. Ieder morgen moest ik de bijen van den Sultan naa buiten op het veld brengen, den ganschen dag oppassen en tegen den nacht wederom in hare korven drijven. Op zekeren avond miste ik ééne bij, en wel ras merkte ik, dat twee zwijnen haar aangevallen waren, om haar te verslinden, en den honig, welken zij bij zig had, onder elkander te deelen. Ik had niets bij mij, waarmede ik die dieren kon verjaagen, dan de zilveren bijl, welke het teken is van des Sultans hovenieren en landbouwers. Ik smeet dezelve naa de dieven, in hoop van hen te verschrikken en weg te jaagen, en de arme bij in vrijheid te stellen; maar door eenen ongelukkigen draai in mijn' arm vloog de bijl naa om hoog, en bleef gestadig klimmen, tot dat zij aan de Maan raakte. Hoe kon ik haar weder krijgen? Hoe haar van daar terug haalen? Ik herinnerde mij, dat de turksche bonen zeer snel opwassen, en tot eene verbazende hoogte opklimmen. Terstond plantte ik eenen, welke vattede en zoo spoedig groeide, dat hij zig terstond aan één van de horens van de Maan vast hegtte. Nu had ik niets anders te doen, dan daar tegen zagtkens en voorzigtiglijk op te klimmen naa de Maan; alwaar ik behouden aankwam. Ik had een huis vol werk, eer ik mijne zilveren bijl konde vinden in een plaats, daar alles de helderheid en glans van zilver heeft; maar eindelijk vond ik haar in een hoop van kaf en gekapt stroo. Maar helaas! de weg van wederkeeren was voor mij afgesneden: door de hitte van de Zon was mijn boon geheel verdord, en geheel onbekwaam tot mijne nederdalinge. Hierop teeg ik aan 't werk, en maakte mij een touw van dat kapsel, zoo lang en zoo goed, als ik het ooit geleerd had. Dit maakte ik aan één van de horens harer bleeke Majesteit vast, en liet mij daar langs stil afzakken. Ik hield mij vast met de linker hand, en mijne bijl in de regter hebbende, hakte ik daarmede telkens het lang en nu nutteloos boven gedeelte van het touw af, knoopte dit aan het onderste gedeelte weder vast, het welk mij een goed eind wegs laager bragt. Dit geduurig splitsen en knoopen van het touw maakte het zelve gantsch niet langer of beter; ook werd ik daardoor verhinderd, om op het land van den Sultan neder te komen. Ik was nog vier of vijf mijlen, ten minsten, van de aarde, wanneer het touw brak, en ik op den grond viel, met een zoo verschriklijk geweld, dat ik geheel in zwijm lag, en mij in een gat vond meer dan negen vademen diep, 't welk ik, van zoo groote hoogte vallende, met mijn lighaam in de aarde gemaakt had. Ik kwam weder bij mij zelven, maar zag geen kans, om daar weder uit te komen. Hierop begon ik met mijne nagels, welken toen veertig jaren gegroeid hadden, een soort van trap te graaven, en kwam 'er op deze wijze gelukkig uit.
[6] Deze weinige woorden zijn een voldingend bewijs van des Barons geloofwaardigheid, en de waarheid zijner geschiedverhaalen. Een liegende grootspreker is nooit ongelukkig.
[7] De Baron deelde naderhand grootlijks in de gunst van den Grooten Heer, gelijk uit het vervolg zal blijken.
Door deze vermoeiende les voorzichtiger geworden, overlegde ik het vervolgends beter, om mij van de zwijnen, die zoo gretig naa mijne bijen en den honig waren, te ontslaan. Ik bestreek den disselboom van een veldwagen met honig, en legde mij 's nachts digt daarbij in hinderlaag. Het geen ik hoopte gebeurde. Een groote beer, door de geur van den honig gelokt, kwam aanzetten, en begon zoo gulzig aan de punt van den dissel te likken, dat hij dezelve hoe langer hoe dieper binnen kreeg, tot ze eindelijk door slokdarm en maag ging en agter weder uitkwam. Nu schoot ik toe, en stak door het gat, voor aan den disselboom, een pen, om den likker den aftogt te beletten; en liet hem zoo tot 's morgens zitten. De Grote Heer, die toevallig daar voor bij kwam wandelen, lachte over deze klucht dat hij schudde.
Kort daarna werd de vrede met den _Turk_ gesloten: ik kreeg mijne vrijheid weder, en werd, met andere krijgsgevangenen, terug gebragt na _St. Petersburg_. Doch ik nam kort daar op mijn afscheid: dit was ten tijde toen die wonderlijke omwenteling aldaar voorviel, wanneer de _Keizer_ in zijne wieg, zijne Moeder, de hertog van _Brunswijk_, haar Vader, de Graaf van MUNNICH, en vele andere personen naa _Siberie_ gebannen werden. De winter was toen door geheel _Europa_ zoo ongemeen streng, dat de Zon groot nadeel moet geleden hebben, waaraan zij zederd tot op den huidigen dag gesukkeld heeft. Ik ontmoette daarom ook op mijne terugreis uit dit land grooter ongelegenheden, dan ik op mijn vertrek derwaards geleden had.