De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee

Part 2

Chapter 24,035 wordsPublic domain

Ik wilde mij nederleggen, om wat uitterusten, aan den dijk van een breed water, 't welk mijne aandacht getrokken had, wanneer ik meende een klaterend geraas agter denzelven te horen; dit deed mij om zien, en ik werd eenen doden gelijk, (en wie zoude niet schrikken?) op het zien van een' leeuw, die ogenschijnlijk op mij aankwam met oogmerk, om mijn jong, mager lijf tot zijn ontbijt te nemen, zonder daartoe mijne toestemming te vragen.—Wat nu te doen in deze ongerustheid? Ik had geen tijd tot eenig overleg; mijn roer was alleen met ganzenhagel geladen; ander loot had ik niet bij mij. Om zulk een dier met zoo zwakke toerusting te doden—daaraan was niet te denken; met dat al hoopte ik, dat ik hetzelve door het schot zoude verschrikken, en het misschien daar door verjagen. Ik lei daarom terstond aan, zonder te wagten, tot dat hij binnen mijn bereik was; maar het schot maakte hem woedend; hij verhaastte zijnen loop, en scheen met vollen spoed op mij aan te rennen. Ik zag naa middelen van ontkominge om; maar dit, zoo het mogelijk ware geweest, verdubbelde mijne verlegenheid, en maakte mijn toestand wanhopig: want op hetzelfde tijdstip, dat ik mij omkeerde,—ik voel nog een rilling als ik 'er om denk—ontdekte ik een ijslijk groten krokodil, met wijd opgesperde kaken, om mij in te slokken. Bedenkt nu, bidde ik U, in welken staat ik mij bevond! Aan de eene zijde het wijde water, waarvan ik reeds gesproken heb; aan de andere zijde eene allerverschriklijkste diepte; een verblijf, zoo als mij naderhand gezegd is, van allerleie vergiftige slangen; van voren een woedende leeuw; van agteren de Goliath onder de krokodillen;—met één woord, ik rekende mij zelven voor verloren, naardien de leeuw nu op zijn agterste zat, juist in het postuur om mij te overrompelen. Onwillig viel ik, vol schrik en angst, op den grond, en de leeuw—zoo als naderhand bleek—sprong over mij heen. Ik lag een geruimen tijd in een' staat, die met geen tong is uit te spreken, niets verwagtende, dan dat ik ieder ogenblik zijne tanden of nagels in een of ander gedeelte van mijn lichaam gevoelen zoude; maar tot alle geluk kwam ik 'er met den schrik af: want eenige seconden plat op den grond gelegen hebbende, hoorde ik een hevig maar ongewoon geluid, verschillende van alle soorten van geluid, welken tot nog toe tot mijne ooren gekomen waren. Geen wonder, waarlijk! want een wijl tijds daar naa geluisterd hebbende, waagde ik het mijn hoofd eens even op te ligten en rond te zien, wanneer ik, tot mijne onuitspreeklijke blijdschap, bemerkte, dat de leeuw, met die verblindende gretigheid, waarmede hij mij bespringen wilde, voorwaards in den gapenden muil van den krokodil gevlogen was! Dus was de kop van den een in den muil van den ander! Beiden worstelden om van elkander los te worden. Op dien zelfden stond dacht ik gelukkig aan mijn' hartsvanger, welke ik op zijde had. Met dit gedugt geweer hakte ik den kop van den leeuw in éénen slag af, en zijn romp viel voor mijne voeten neder! Hierop nam ik mijn ganzen-roer, en rammeide met de kolf den kop van den leeuw zoo vast in den bek van den krokodil, dat hij stikte en stierf: want hij kon de kop noch doorslikken, noch uitspuwen.

Nadat ik alzoo eene volkomen overwinning over mijne beide gedugte vijanden behaald had, kwam mijn vriend mij opzoeken: want ziende, dat ik hem in het bosch niet volgde, keerde hij terug, vrezende, dat ik van den weg was afgeraakt, of dat mij eenig ongeluk bejegend was. Na dat wij elkander over den overwagten en gelukkigen uitslag geluk gewenscht hadden, maten wij den krokodil, en bevonden, dat hij volkomen veertig _Rhijnlandsche_ voeten en zeven duimen lang was.

Zoodra wij te huis gekomen waren, en dit buitengewoon en zonderling voorval aan den Landvoogd verhaald hadden, zond hij een wagen met eenige slaven, om de twee dode dieren naa het kasteel te brengen. De huid van den leeuw was geheel onbeschadigd gebleven, met al het hair 'er op. Ik maakte 'er vervolgens tabaksdozen van, welke ik, bij mijne terugkomst in _Holland_, aan eenige aanzienlijke en voorname Heeren ten geschenke aanbood, waar voor Hun Wel Edelen en Hoog Geboren mij duizend dukaten wilden vereeren, dat ik met veel moeite van de hand wees.

De huid van den krokodil liet ik op de gewone manier opvullen; en tegenwoordig maakt ze een zeer aanzienlijk stuk van de verzameling van zeldzaamheden te A.... uit; alwaar de lijmende man met het stokje, of, zoo als hij zig zelven nederig gelieft te noemen, de opziener, dezelve aan iederen nieuwen aanschouwer vertoont, met zoodanige veranderingen en bijvoegselen als hij goed vindt, en waarvan sommigen de waarheid zoo wel als de waarschijnlijkheid in een een hogen graad beledigen. Een dezer oorspronglijke veranderingen luidt: dat de leeuw geheel door den krokodil sprong, en op het punt was om 'er van agteren geheel weder uit te vliegen, zonder den krokodil in het minst of in het meest, zoo als hij zig sierlijk uitdrukt, beschadigd te hebben. Maar dat de grote Baron, gelijk het hem gelieft mij te noemen, dit niet gewaar werd, of hij hieuw den leeuw den kop, zo rasch die voor den dag kwam, met nog drie voeten van den staart van den krokodil 'er bij, af. Ja, deze kaerel heeft zoo weinig eerbied voor de waarheid, dat hij zig niet ontziet, 'er somtijds bijtevoegen: dat, zoodra de krokodil zijne gewone lengte miste, hij zig omkeerde, den Baron den hartsvanger uit de hand rukte, dien opslokte, en hem met zulke gretigheid naa binnen slingerde, dat zijn hart doorboord werd, en hij op het ogenblik dood op den grond nederviel.

Ik behoef u, mijne Heeren! niet te zeggen, hoe onaangenaam de onbeschaamdheid van dezen knaap mij moet zijn. Menschen, die mij niet kennen, zouden, door diergelijke handtastelijke leugens, in onze twijffelzieke eeuw, ligt aanleiding krijgen om zelfs aan de waarheid van mijne bedrijven te twijffelen: iets dat een man van eer in den hoogsten trap grieft en beledigd.

[Decoratieve illustratie]

II. HOOFDSTUK.

_In het welk de Baron toont, dat hij een goed schutter is.—Hij verliest zijn paerd, en vindt een wolf;—welken hij voor zijne slede spant.—Hij belooft het gezelschap te zullen onderhouden met een verhaal van zoodanige dingen, welke deszelfs opmerkzaamheid wel waardig zijn._

In het midden van den winter ging ik op reis naa _Rusland_.—Grillig genoeg! zult gij zeggen, naardien alle menschen de reis naa dat koude land in 't midden van den zomer doen.—Dit was juist de reden waarom ik den winter verkoos: want alle reizigers hebben de wegen door het Noorder gedeelte van _Duitschland_, door _Polen_, _Courland_ en _Lijfland_ als ongemeen slegt beschreven; en niets is natuurlijker en ligter te begrijpen, dan dat zoodanige wegen door vorst en sneeuw veel beter worden. De gemakkelijkste manier van reizen is te paerd: deze verkoos ik daarom. Ook was ik zeer ligt en dun gekleed; en hoe meer ik Noord-Oostwaard voordging, hoe sterker ongemak ik daarvan ondervond. Wat moet dan, in dit barre land en koud weder, niet een oud, arm man geleden hebben, welken ik in _Polen_ op den weg zag liggen, zonder hulp, bevende van koude, en naauwlijks iets aan hebbende, om daarmede zijne naaktheid te dekken!

Ik beklaagde de arme ziel!—Hoe zeer ik zelf allergeweldigst door de gestrengheid van de lucht getroffen wierd, legde ik mijn mantel over hem heen, en hoorde te gelijk een stem van den hemel, mij wegens dat liefdewerk zegenen, zeggende:

_„Hiervoor, mijn zoon, zult gij nog in dezen tijd beloond worden.”_

Ik ging voort: nacht en duisternis omringden mij. Ik kon huis noch hof zien. 't Gantsche land was met sneeuw bedekt, en ik was geheel onbekend met den weg.

Vermoeid steeg ik eindelijk van mijn paerd af, en bond het vast aan iets, 't welk naar een stronk van een' boom geleek, en een weinig boven de sneeuw uitstak. Uit voorzorg nam ik mijne pistolen onder den arm, en legde mij in de sneeuw neder. Hier sliep ik zoo vast in, dat ik mijne ogen niet opende, voor 's anderen dags op den vollen middag. Onbeschrijflijk was mijne verbaasdheid, toen ik zag, dat ik in het midden van een dorp was, liggende op een Kerkhof. Mijn paerd kon ik nergends vinden; maar weldra hoorde ik het even boven mijn hoofd. Opwaards ziende, zag ik het aan zijn' toom hangen, aan den weêrhaan van den toren. Nu begon ik de zaken eerst te begrijpen: toen ik 's nachts aankwam, was het Dorp geheel met sneeuw overdekt; maar het weder was zeer schielijk veranderd, zoo dat ik in den slaap, zeer zagtkens, naar mate de sneeuw smolt, nederzakte tot op het Kerkhof. Het gene ik in den donker voor den stomp van een boom, een weinig boven de sneeuw uitstekende, genomen, en waaraan ik mijn paerd vast gemaakt had, bleek nu het kruis of weêrhaan van den toren geweest te zijn.

Zonder lang talmen en overleg nam ik één van mijne pistolen, en schoot den breidel midden door; mijn paerd kwam beneden, en ik vervolgde mijne reis.[3].

[3] Zoude de Baron zoo ongevoelig geweest zijn, dat hij zijn paerd, 't welk zoo lang gevast had, niet behoorlijk gevoerd zoude hebben? Neen. Hij liet een spint haver geven. Maar hij verzwijgt het—enkel uit zedigheid—om niet te veel van zijne gevoeligheid te zwetsen.

[Illustratie: I.]

Mijn reisgezel maakte het op weg zeer wel—maar toen ik meer in de binnenste delen van _Rusland_ kwam, zag ik, dat fatsoenlijke lieden aldaar in den winter niet te paerd reizen: hierom onderwierp ik mij, gelijk ik altijd doe, aan het gebruik van het land,—nam eene slede met één paerd bespannen, en draafde rustig op _St. Petersburg_ aan. Op dezen togt zag ik, in 't midden van een uitgestrekt bosch—ik kan mij niet wel herinneren, of het in _Lijfland_ of in _Ingermerland_ zij voorgevallen; en om beide landen zoude ik gene onwaarheid willen zeggen—een vreeslijke wolf jagt op mij maken, met al de drift van een razenden winterhonger. Welhaast overviel hij mij. Er was geen mogelijkheid om te ontkomen. Ik ging werktuigelijk plat op den grond van de slede liggen, en liet mijn paerd, of het mogelijk ware ons te redden, zoo hard loopen, als het kon. Het gene ik wenschte, maar nauwlijks kon hoopen of verwagten, gebeurde echter een ogenblik daarna. De wolf scheen mij in 't geheel niet te bedoelen: althans hij sprong over mij heen; en woedend op het paerd aanvallende, begon hij het agterdeel van het arme dier, 't welk van pijn en schrik te sterker liep, terstond te verscheuren en van één te rijten. Daar de wolf over mij heen sprong, spreekt het van zelven dat dit het eerste middel van mijn behoud was, niet alleen; maar dat hij ook op de agterste delen van mijn paerd aanviel. En dit was het tweede middel van mijn behoud, zoo wel, als van den verbazenden spoed, waarmede ik te _St. Petersburg_ aankwam. Als ik bespeurde, dat ik geheel ongemerkt voorbij gegaan en behouden was, ligtte ik mijn hooft eens behendig op, en ontdekte met schrik, dat de wolf zig ruim half in het lichaam van het paerd had ingedrongen; waartoe hij zig den weg met vrij wat geweld en kragten moet gebaand hebben; maar nauwlijks was hij daarin zoo ver gevorderd, of ik trok 'er mijn voordeel uit, en sloeg hem, met mijn zweep, uit al mijn magt. Deze onverwagte aanval op zijn agterkwartier verschrikte hem niet weinig; hij liep voorwaards uit al zijn magt; het paerd viel dood op den grond; maar te gelijk liep de wolf in deszelfs plaats in 't gareel. Ik deed van mijnen kant niets, dan aanhoudend op den wolf te slaan, tot dat wij beiden, op een vollen draf, behouden te _St. Petersburg_ aan kwamen. Dit was niet weinig tegen ons beider _respective_ verwagting, en nog meer tot verwondering van de aanschouwers.

Ik zal u niet ophouden, mijne Heeren! met een verhaal van de staatkunde, kunsten, wetenschappen en andere merkwaardigheden van deze overheerlijke Hoofdstad van _Rusland_; noch met de verschillende treken en vermaaklijke voorvallen, welke ik bij de beschaafde inwoners dezer landen, alwaar de vrouw van den huize altijd gewoon is de gasten met een kus te ontvangen, gehad heb. Liever bepaal ik mij tot een groter en edeler voorwerp van uwe aandacht, tot paerden en honden; van welken ik bevonden heb, dat _Rusland_, zoo wel als van vossen, wolven en beeren van allerleie soort, meer bezit, dan elk ander gedeelte van de waereld, bekwaam tot zulke kunsten, veelerlei oefeningen, zwierige en behendige verrigtingen, welke den Edelman beter uitmaken dan het muffe Grieks, of Latijn, of alle de soorten van reukwerken, optooizels en versierselen van _Fransche_ vernuften en kappers.

III. HOOFDSTUK.

_Eene zonderlinge ontmoeting tusschen den neus van den Baron en den post van eene deur, met derzelver wonderlijk gevolg.—Hij schiet vijftig koppels ganzen en ander gevogelte met één schot.—Jaagt een vos uit zijn vel.—Leidt een oude zog naa hare woning, op eene nieuwe wijze; en vangt een wilden beer._

Daar het eenigen tijd aanliep eer ik bij het leger geplaatst werd, leefde ik ettelijke maanden in de volmaaktste vrijheid; dat is te zeggen, ik verspilde mijn tijd en mijn geld zoo goed, als de beste edelman het ooit gedaan heeft. Gij kunt U ligt verbeelden, dat ik een goed gedeelte van beiden verloor buiten de Stad, in 't gezelschap van zulke heeren, die best weten, welk gebruik zij van het open veld en de bosschen moeten maken. De herinnering van deze vermaken geeft mij altijd nieuwe kragten, en verwekt gedurig eene nieuwe begeerte in mij, om dezelven nog eens te herhalen.

Op een zekeren morgen zag ik door het vengster van mijne slaapkamer, dat een wijde plas, welke daar niet ver af was, overdekt was met wilde ganzen en eenden. Zonder dralen nam ik mijn roer uit den hoek van de kamer, en liep de trappen af, en met zoo groote vaart uit het huis, dat ik mijn hoofd zeer onvoorzigtig tegen den post van de deur stiet. Het vuur sprong mij de ogen uit. Dit toeval belette echter mijn voornemen niet. Maar nauwlijks was ik binnen 't bereik van 't schot gekomen, of ik bemerkte, tot mijn smert, dat door den geweldigen stoot, welken ik zoo even gedaan had, de steen van den haan was afgevlogen. Wat nu gedaan? hier was geen tijd te verliezen. Gelukkig herinnerde ik mij, welke uitwerking de stoot op mijn gezigt gehad had; ik opende daarom de pan, leide aan op de vogels, en sloeg met mijn vuist tegen één mijner ogen[4]. Door een goeden slag sprongen de vonken 'er uit; het schot ging af, en ik raakte vijftig koppels ganzen, vier koppels eendvogels en drie koppels teerlingen.—Tegenwoordigheid van geest is de ziel van alle mannelijke oefeningen. Soldaten en zeelieden mogen daaraan veelmaal hun behoud te danken hebben; jagers en schutters hebben, voor hunne beste slagen, aan dezelve geen mindere verpligting.

[4] De ogen van den Baron hebben dit vuur naderhand altijd behouden; zij schenen vooral meer verlicht te zijn, als hij deze bijzonderheid verhaalde.

In een heerlijk bosch in _Rusland_ ontmoette ik eens een zeer fraaien zwarten vos, wiens kostbaar vel ik niet gaarne met een kogel of hagel wilde schenden. Ik trok daarom den kogel, welke op mijn geweer stond, terstond af, en nam, in stede daarvan, een zeer scherpen groten spijker; ik gaf vuur, en raakte den vos zoo knap, dat ik zijn pluim aan den boom vast spijkerde. Hierop liep ik daar naa toe, trok mijn houwer, gaf hem een kruissnede over den kop, en zweepte hem toen zoo lang, tot dat hij uit zijn pels geworsteld was, en denzelven aan mij overliet.

Toeval en goed geluk verbeteren niet zelden onze misslagen: hiervan had ik, kort daarna, een zonderling voorbeeld, wanneer ik, in het midden van een digt bosch, twee wilde zwijnen vast aan en regt agter elkander zag lopen. Mijn kogel trof ze niet; maar alleen het voorste, dit was een jonge beer, liep weg, en het agterste, eene oude zog, bleef onbeweeglijk staan, als of het aan den grond genageld ware. De zaak nader onderzoekende, bevond ik, dat de zog van ouderdom was doof en blind geworden, en dat zij zig alleen vast hield aan den staart van haren zoon, die zijne moeder, volgends zijnen kinderlijken pligt, leidde. Dewijl de kogel tusschen beiden doorgegaan was, had dezelve dezen nieuwerwetschen leiband, welken de zog altijd in den bek hield, midden doorgeschoten. Haar vorige leidsman kon haar derhalven niet meer voordtrekken, en zij bleef ogenbliklijk zoo onbeweeglijk stil staan als een boom. Ik vatte daarom het stuk staart, 't welk zij nog in den bek had, leidde het oude beest daaraan naa hare woning, zonder eenige vrees aan mijne zijde, en zonder eenigen tegenstand en vermoeden van eenig kwaad aan de zijde van het hulpeloos oud dier.

Deze wilde zoggen zijn anders zeer verschriklijk; maar de beeren zijn nog veel stouter en gevaarlijker. Hiervan heb ik eens een gelukkige proef gehad, wanneer ik in 't geheel niets bij mij had om mij te verdedigen. Juist als ik bezig was mij agter een eiken boom te verbergen, sprong het woedend dier met zoo veel geweld op mij aan, dat het zijne slagtanden zoo diep in den boom sloeg, dat het zijnen aanval niet kon hervatten, noch de tanden 'er weder uit krijgen.—Ho! ho! dagt ik, nu zal ik u wel haast hebben;—en terstond nam ik een steen, waarmede ik zijne slagtanden zoo vast in den boom timmerde en zoodanig boog, dat hij zig niet kon verroeren. Het zwijn moest daar blijven en wagten tot dat ik van het naaste dorp terug kwam, waarheen ik ging om touwen en een kar, om het beest wel deugdelijk te binden; en zoo bragt ik het levendig en behouden in de Stad.

IV. HOOFDSTUK.

_Aanmerkingen over het St. Hubert's hert.—De Baron schiet een hert met kersenstenen; het verbazend gevolg daarvan.—Doodt een beer door eene buitengewone vaardigheid; zijn gevaar aandoenlijk beschreven.—Wordt overvallen door een wolf, welken hij 't binnenste buiten keert.—Wordt besprongen door een dollen hond, welken hij ontsnapt.—De pels van den Baron wordt dol, waardoor zijne gantsche kleêrmaker in verwarring geraakt._

Gij hebt meermaals gehoord, mijne Heeren! ik wil ten minsten zoo onbeschaafd niet zijn, om hier aan te twijfelen, van den beschermheilig en patroon der jageren en schutteren, den heiligen HUIBERT, en van dat schoon hert, 't welk aan hem in een bosch verscheen, met het heilig kruis tusschen deszelfs horens. Nooit heb ik nagelaten, om 's jaarlijks, in een goed gezelschap, het feest van dezen heiligen te vieren; dit hert heb ik wel duizendmaal gezien—wel te verstaan geschilderd, in Kerken; of geborduurd, op de tassen van zijne ridders: zoodat ik, op de eer en het geweten van een goeden jager, kan verzeren en zweren, dat het zijne weêrgade te voren nooit gehad heeft, noch tegenwoordig heeft, noch ooit diergelijk gevonden zal worden, al ontdekte men nog duizend nieuwe waerelden. Maar laat mij liever verhalen, het gene ik zelf ondervonden heb. Op een zekeren dag had ik al mijn kruid en lood verschoten, wanneer ik mij zeer overwagt bevond in 't gezelschap van een overschoon hert, het welk mij zonder eenige bekommering beschouwde, even als of het wist, dat mijne zakken ledig waren. Hierom laadde ik terstond met vette aarde, en deed 'er een handvol kersenstenen op: want ik at van deze smaaklijke vrugt schielijk zoo veel, als de kortheid des tijds gedoogde. Ik legde op 't hert aan, en trof het vlak in het midden van het voorhoofd, tusschen de horens. Het was verbaasd—waggelde—maar behield nog kragt genoeg om weg te loopen. Een jaar of twee daarna was ik op de jagt in het zelfde bosch—daar zag ik een schoon hert, met een fraaien volwassen kersenboom, van tien voeten hoog, tusschen de horens. Op dat ogenblik herinnerde ik mij mijn vorig avontuur, beschouwde het dier als mijn eigendom, en schoot het in ééns, dat 'er de damp uitvloog; maar te gelijk spattede het kersensap mij om de ooren: want de boom was vol geladen, en dit fruit zoo smaaklijk, als ik het ooit geproefd had. Wie weet, of niet een of andere ijverige heilige jager, of jagende Abt, of Bisschop, op gelijke wijze tusschen de horens van _St. Huberts_ hert geschoten, en het kruis aldaar geplant heeft. Zij zijn ten minsten altijd bekend geweest, en staan nog te boek, als bekwame planters van kruisen, en horens wat wonder dan! want ingeval van verlegenheid en tweestrijd, 't welk den stouten jager niet zelden overvalt, grijpt men ligt het een of ander strootje aan om zig te redden, en de eene of andere uitkomst te zoeken, liever dan eene gunstige gelegenheid te laten ontsnappen.—Ik zelf ben zeer dikwijls in dien staat van beproevinge geweest.

[Illustratie: II.]

Wat zult gij, bij voorbeeld, van dit volgende wel zeggen? Op zekeren dag, of liever schemeravond, was ik in _Polen_, in een bosch, en had al mijn kruit vermorscht. Naa huis gaande maakte een ijslijke beer, met alle mogelijke spoed, en met open muil, jagt op mij; gereed zijnde, zoo het scheen, om mij aantevallen. Terzelfder tijd doorzocht ik alle mijne zakken naa kruid en kogels; maar te vergeefsch.—Ik vond niets dan twee stompe vuurstenen: den eenen slingerde ik uit al mijn magt in de open kaken van het gedrogt, tot in zijne keel; dit veroorzaakte hem grote pijn, en maakte, dat hij zig omkeerde, zoodat ik den tweeden door zijne agterdeur naa binnen kon zenden. Dit deed een verwonderlijke uitwerking: want deze vloog na binnen en ontmoette den eersten in den maag, gaf vuur, en deed den beer met een verschriklijk geweld van één bersten. Zoo kwam ik 'er voor ditmaal wel af: evenwel zoude ik deze proef niet gaarne willen herhaalen, of wederom zonder eenigen voorraad een beer ontmoeten.

Waarlijk! 't schijnt of het noodlot 'er zoo wat onder speelt. De stoutste en de gevaarlijkste dieren komen een mensch schier altijd tegen, als hij niet gewapend is: als of zij kennis of een zeker gevoel daarvan hadden.—Zoo stoof eens een vreeslijke wolf zoo schielijk en zoo digt op mij in, dat ik niets anders doen konde, dan een zeker werktuiglijk instinkt te volgen, en mijne vuist in zijn opgesperden muil te steken. Tot allen geluk stak ik door en door, tot dat mijn arm tot aan den schouder toe 'er geheel in was. Hoe nu mij hier uit te redden? De staat waarin ik mij bevond, was waarlijk niet aangenaam—met een wolf van aangezigt tot aangezigt!—wij zagen elkander met weinig genoegen aan. Trok ik mijn arm terug; dan had het dier mij met te meer woede aangevallen, gelijk ik uit zijne schitterende ogen zien kon. Daarom tastte ik door, en greep door zijne ingewanden naa zijnen staart, keerde hem het binnenste buiten, gelijk een handschoen, en wierp hem tegen den grond, daar hij bleef liggen.

Het zelfde huismiddeltje zoude weinig gebaat hebben tegen een dollen hond, die mij korten tijd daarna tegen kwam, in eene nauwe straat te _St. Petersburg_. Loop, wat ge kunt, dacht ik; en om dit te beter te kunnen doen, smeet ik mijne pels uit, en vlugtte zoo in een huis. Ik zond mijn knegt naderhand om de pels, die dezelve bij mijne andere klederen in de kleêrkamer bragt. Den volgenden dag verbaasde en verschrikte het geschreeuw van den kaerel mij geweldig: „Om Gods wil, riep hij, kom hier, mijn Heer! alle uwe klederen zijn dol.” Ik haastte mij, schoon ik den kaerel voor dol hield; doch vond alle mijne klederen verstrooid en in stukken gescheurd. De knaap had gelijk in zijn vermoeden, dat mijne pels dol was. Want ik zag zelf, dat zij aanviel op een nieuw fijn lakens kleed, 't welk zij op een ongenadige wijze heen en weer slingerde, en verscheurde.

[Decoratieve illustratie]

V. HOOFDSTUK.

_Gevolgen van grote werkzaamheid en tegenwoordigheid van geest.—Beschrijving van een hond, de lieveling van den Baron.—Ongeval van des Barons vrouw.—Een haas met acht pooten.—Zijn hond wordt eene teef; en jongt, terwijl zij een haas vervolgt; die ook werpt, terwijl zij vervolgd wordt.—Hij krijgt een zeer beroemd paerd ten geschenke van den Graaf van_ PRZOBOSSKIJ, _waarmede hij vele ongewone daden verrigt._