De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee

Part 1

Chapter 13,294 wordsPublic domain

+-----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | Voetnoten zijn hernummerd. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. De vermelde errata zijn in de tekst veranderd. | | | | Meer informatie aangaande de spelling en de aangebrachte | | correcties is te vinden aan het eind van dit e-boek. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | | Voor de samenstelling van dit e-boek dienden de scans van Early | | Dutch Books Online (http://www.earlydutchbooksonline.nl/) als | | bron. Als bron daarvoor diende het exemplaar uit de | | Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. | | | +-----------------------------------------------------------------+

DE VERREZEN GULLIVER;

BEHELZENDE DE ZONDERLINGE REIZEN EN AVONTUREN, VAN DEN BARON VAN MUNCHHAUSEN,

In _Rusland_, _Ysland_, _Turkije_, _Egipte_, _Gibralter_, in de _Kaspische_, _Middellandsche_ en _Atlantische_ Zeëen, en door het middenpunt van den berg _Etna_ naa de _Zuid-zee_:

ALS MEDE

Het verhaal van zijne reis naa de MAAN en de HONDSTAR, en de Burgerlijke en Staatkundige gesteldheid aldaar; met vele bijzonderheden van _Wezens met kookende maagen_, die men hier gewoon is _Menschen_ te noemen, enz. enz.

_Naar den vijfden druk uit het Engelsch vertaald._

MET PLAATEN.

_Te HUAHEINE_ Bij OMAI, _'s Landsdrukker_ 1790.

BERIGT VAN DEN UITGEVER.

't Werkje, dat wij den Nederlander, in zijne moedertale, thands aanbieden, is oorspronglijk in 't Engelsch geschreven, en in _Engeland_ met zoo veel graagte en goedkeuringe ontvangen, dat het binnen weinige dagen driemaal herdrukt moest worden.

Die vier eerste uitgaven waren egter op verre na zoo volledig niet, als de vijfde druk, naar welke deze vertaling gevolgd is, en bestonden alleen uit de vijf laatste hoofdstukken van het eerste deel.

Welhaast werd het in bijkans alle talen van _Europa_ vertolkt, en met zoodanige bijvoegselen en aantekeningen vermeerderd, als de uitgevers raadzaam oordeelden.

De zoodanigen, die wij daartoe meenden geschiktst te zijn, hebben wij uit die vertalingen overgenomen, en 'er dat gene van ons eigen bijgevoegd, 't welk wij begrepen in staat te zijn, om 't loflijk oogmerk van den vernuftigen schrijver, onder de Nederlanders te bevorderen.

Want hield LUCIANUS het, ten zijnen tijde, reeds noodzaaklijk, om zijne _Waaragtige Geschiedenissen_, zoo als hij zijne verdigtselen zeer geestig noemt, te schrijven, zoo om zijnen lezer op eene aangename wijze te onderhouden, als om den draak te steken met zulke Reizigers en schrijvers, die niet ontzien, om eene menigte van gedrogtlijke en ongelooflijke vertelselen op te disschen; zoo meende ook de Baron van MUNCHHAUSEN, een man van grooten smaak, en vernuft, dit voorbeeld van den geestigen LUCIANUS, waaruit hij het een en ander heeft overgenomen, zeer gepast, om het belagchlijke en haatlijke van zoodanige vertelselen onder het oog zijner tijdgenoten te brengen.

Daarbij had de ondervinding den Baron geleerd, dat men met al zijn redeneren, bevooröordeelde menschen tot het gezond verstand niet kan terug brengen; en dat zij, die gewoon zijn op een hoogen toon te spreken en stout te verzekeren, zeer geschikt zijn, om hunne hoorders daarvan te ontzetten. Hierom redeneerde hij nooit met zoodanige lieden, maar wendde de gesprekken altijd zeer behendig op onverschillige zaken, en dan verhaalde hij—geheel in zijne eigen manier en bijzonderen smaak—de eene of andere geschiedenis van zijne reizen, veldtogten en avonturen.

Zoo geschikt deze manier is, om den snoevenden Reiziger en grootsprekenden loogenaar te beschaamen; zoo goed is de Baron ook geslaagd in het uitkiezen zijner ongerijmde vertelselen; waarin zijn oogmerk alleen is, om aan te toonen, dat een zucht om zoo genoemde snakerijen te vertellen, of den menschen wat op den mouw te spellen, in den grond niet anders is dan liegen en misleiden, en dat de hebbelijkheid om alle gezelschappen van vrienden en vreemden met onwaarheden bezig te houden, eigenlijk is, het haatlijkste en verachtlijkste misbruik te maaken van het geduld en de inschiklijkheid zijner beschaafde medeburgeren, die 'er zig niet aan waagen willen, om door zulke onbeschaamde loogenaars op eene onbeschofte manier bejegend te worden.

De verbazend snelle en groote aftrek, welke dit werkje in _Engeland_ gehad heeft, toont, dat men aldaar zeer wel dit zedekundig oogmerk van den schrijver gevat heeft. Zelfs heeft een zeker geleerde van dat gewest, te regt, aangemerkt, dat men hetzelve, zeer eigenlijk, DEN ZEDENMEESTER DER LOOGENAREN zoude kunnen en behooren te noemen.

Dit doel, ook onder de Nederlanders te bevorderen is het oogmerk des Nederduitschen uitgevers; die te gelijk ten oogmerke heeft, wanneer een goed vertier een tweede oplaag vereischen mogte, het werkje met meer plaatjens te versieren en met zoodanige bijvoegselen te vermeerderen, als de behoefte van Nederland, daar liegen en lasteren niet minder heerschen als in andere gewesten, vordert.

INHOUD.

I. HOOFDSTUK.

_De Baron geeft een verslag van zijne eerste reis.—Verbazende uitwerksels van eenen storm.—Komt op _Ceilon_; vecht aldaar met twee buitengewoone vijanden, en overwint dezelven.—Komt in _Holland_ terug._ _bladz._ 1

II. HOOFDSTUK.

_In het welk de Baron toont, dat hij een goed schutter is.—Hij verliest zijn paerd, en vindt een wolf;—welken hij voor zijne slede spant.—Hij belooft het gezelschap te zullen onderhouden met een verhaal van zoodanige dingen, welke deszelfs opmerkzaamheid wel waardig zijn._ 19

III. HOOFDSTUK.

_Eene zonderlinge ontmoeting tusschen den neus van den Baron en den post van eene deur, met derzelver wonderlijk gevolg.—Hij schiet vijftig koppels ganzen en ander gevogelte met één schot.—Jaagt een vos uit zijn vel.—Leidt eene oude zog naa hare woning, op eene nieuwe wijze; en vangt een wilden Beer._ 27

IV. HOOFDSTUK.

_Aanmerkingen over het St. Huberts hert.—De Baron schiet een hert met kersenstenen; het verbazend gevolg daarvan.—Doodt een beer door eene buitengewone vaardigheid; zijn gevaar aandoenlijk beschreven.—Wordt overvallen door een wolf, welken hij 't binnenste buiten keert.—Wordt besprongen door een dollen hond, welken hij ontsnapt.—De pels van den Baron wordt dol, waardoor zijne gantsche kleêrkamer in verwarring geraakt._ 33

V. HOOFDSTUK.

_Gevolgen van grote werkzaamheid en tegenwoordigheid van geest.—Beschrijving van een hond, de lieveling van den Baron.—Ongeval van des Barons vrouw.—Een haas met acht pooten.—Zijn hond wordt eene teef; en jongt, terwijl zij een haas vervolgt; die ook werpt, terwijl zij vervolgt wordt.—Hij krijgt een zeer beroemd paerd ten geschenke van den Graaf van _PRZOBOZSKY_, waarmede hij vele ongewone daden verrigt._ 41

VI. HOOFDSTUK.

_De Baron wordt krijgsgevangen, en voor slaaf verkoft.—Hoedt de bijën van den Sultan, welken aangevallen worden door twee beeren.—Verliest een bij en een zilveren bijl, welken hij naa de beeren smijt; doch die, door het verdraaijen van zijnen arm, opvliegt naa de Maan, maar welken hij, door eene vernuftige uitvinding, naa beneden brengt.—Valt bij zijne terugkomst op de aarde, en redt zigzelven uit eene diepe kuil.—Redt een wagen, welke den zijnen op een smallen weg ontmoet, op eene zonderlinge wijze.—Wonderbaar uitwerksel van den vorst op den posthoren van zijn koetsier._ 63

TWEEDE DEEL.

VII. HOOFDSTUK.

_De Baron verhaalt zijne avonturen op eene reis naa Noord-Amerika, welken de aandacht van den lezer wel waardig zijn.—Pots van een walvisch.—Een zeemeeuw behoudt een matroos in 't leven.—Het hoofd van den Baron zakt in zijne maag.—Een gevaarlijk lek gestopt _a posteriore_._ 75

VIII. HOOFDSTUK.

_De Baron baadt zig in de Middellandsche Zee.—Hij ontmoet zeer onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn voornemen, in de gewesten van hitte en duisternis, waaruit hij zig redt door het dansen van den hornpijp.—Verschrikt zijne verlossers, en komt weder aan het strand._ 81

IX. HOOFDSTUK.

_Avonturen in _Turkije_ en op de rivier de _Nijl_.—De Baron schiet een luchtbol boven _Constantinopel_ naa beneden, en vindt een Franschen proefondervindlijken Wijsgeer daaraan hangen.—Gaat in gezantschap naa groot _Caïro_, en vermeerdert onderweg zijn gevolg met vijf persoonen van uitstekende bekwaamheden.—Keert van daar terug langs den _Nijl_, alwaar hij zeer onverwagt wordt opgehouden.—Wint een weddingschap met den Groten Heer.—Proeven der bekwaamheden van zijne bedienden._ 86

X. HOOFDSTUK.

_De Baron geeft zijnen ouden Vriend, den Generaal _ELLIOT_, een bezoek in de belegering van _Gibralter_.—Doet een Spaansch oorlogschip zinken.—Ontwaakt eene oude vrouw op de Afrikaansche kust—Vernielt al het geschut van den vijand; maakt den Graaf van ... verschrikt, en jaagt hem naa Parijs.—Verlost twee Engelsche verspieders, met dienzelfden slinger, waardoor _GOLIATH_ ter neder werd geslagen, en doet de belegering van _Gibralter_ opbreken._ 109

XI. HOOFDSTUK.

_Een belangrijk verslag van de voorouders van den Baron.—Een verschil over de plaats, waar _NOACH_ zijne ark bouwde.—De geschiedenis van den slinger, en deszelfs hoedanigheden.—Een begunstigd digter wordt ingeleid, maar op geen roemrijke manier.—Koningin _ELIZABETH_, en haare gaaf van onthouding.—De vader van den Baron kruist van _Engeland_ naa _Holland_ op een zeepaard, 't welk hij voor zevenhonderd dukaten verkoopt._ 125

XII. HOOFDSTUK.

_Een klugt; de gevolgen daarvan.—Het Kasteel van _Windsor_.—De _St. PAULUS_ Kerk.—Het gildehuis van de Geneesheeren, de aansprekers, kosters enz. allen bijkans vernield.—Vaardigheid der kruidmengeren._ 133

XIII. HOOFDSTUK.

EEN UITSTAP NAA HET NOORDEN.

_De Baron zeilt met Kapitein _PHIPPS_.—Valt twee zwaare beeren aan, welken hij ter naauwernood ontkomt.—Wint het vertrouwen van deze dieren, en vernielt duizend van dezelven; laadt het schip met derzelver hammen en huiden; zendt de eersten overal ten geschenke rond; en wordt daarvoor op alle feesten van de stad genodigd.—Een verschil tusschen den Kapitein en den Baron, waarin de laatste, beleefdheidshalve, genoodzaakt is toe te geven.—De Baron weigert de eer van een throon._ 138

XIV. HOOFDSTUK.

_De Baron overtreft den Baron _DE TOTT_ in alle opzigten; nogthans mislukt hem ééne zaak.—Valt in ongenade bij den Groten Heer, die bevel geeft om zijn hoofd te brengen.—Ontkomt dit gevaar, en gaat aan boord van een schip, waarmede hij naa _Venetie_ vertrekt.—Afkomst van den Baron _DE TOTT_, en bijzonderheden van 's mans voorouders.—Eenige weinig of niet bekende bijzonderheden van vroegeren tijd._ 150

XV. HOOFDSTUK.

_Vervolg van het reisverhaal van _Harwich_ naa _Helvoet_.—Beschrijving van sommige zeedieren en andere voorwerpen, nooit bij eenig reiziger gezien.—Rotsen, op dezen togt liggende, zoo groot als de Alpische bergen; kreeften, krabben van eene buitengewoone grootte.—Eene vrouw in het leven behouden.—Hoe zij in zee viel.—De manier van de Amsterdamsche Maatschappij, met een goeden uitslag, gevolgd._ 160

XVI. HOOFDSTUK.

_Dit Hoofdstuk is zeer kort, maar behelst eene daad, waarvoor de gedachtenis van den Baron dierbaar moet zijn bij iederen _Engelschman_, bijzonderlijk bij allen, die, in het vervolg, het ongeluk zullen hebben van krijgsgevangen te worden._ 171

XVII. HOOFDSTUK.

_Eene reis naa Oost-Indien.—De Baron spreekt van een vriend, die hem nooit misleidde; wint honderd guinees door zijn vertrouwen op den neus van zijnen vriend.—Wild opgestooten in zee.—Eenige omstandigheden, welken, zoo men hoopt, den lezer niet weinig zullen vermaaken._ 175

XVIII. HOOFDSTUK.

_Een tweede (maar toevallig) bezoek aan de Maan.—Het schip door een warrelwind opgenomen tot eene hoogte van duizend _Hollandsche_ mijlen boven het water, daar het een anderen dampkring ontmoet, en in eene ruime haven in de Maan aankomt.—Eene beschrijving van de inwooners, en de wijze waarop dezelven aldaar ter waereld komen.—Dieren, gewoonten, wapens, wijnen, planten, enz. enz. enz._ 180

XIX. HOOFDSTUK.

_De Baron trekt over den Teems zonder behulp van een brug, schip, boot, of luchtbol, zelfs zonder zijn eigen wil; hij ontwaakt na een langen slaap; en vernielt een gedrogt, het welk alleen leefde van de verwoesting van anderen._ 191

XX. HOOFDSTUK.

_De Baron doet een uitstap door de waereld, na een bezoek aan den berg _Etna_ gegeven te hebben; hij vindt zigzelven weder in de Zuid-zee; bezoekt _VULKANUS_ op zijne reis; komt bij een _Hollander_ aan boord, waarmede hij landt aan een Eiland van kaas, liggende in een zee van melk; beschrijving van eenige zonderlinge voorwerpen.—Zij verliezen hun compas; hun schip glijdt tusschen de tanden van een visch, onbekend in dit gedeelte van de waereld; hunne moeite, om zig uit die plaats te verlossen; zij komen in de _Kaspische_ zee.—De Baron laat een beer doodhongeren in zijne handen.—Eenige bijzonderheden van een borstrok.—In dit hoofdstuk, 't welk het laatste en het langste is, draagt de Baron zedekundige bedenkingen voor, over de deugd van trouw en liefde tot de waarheid._ 194

REIZEN VAN DEN BARON VAN MUNCHHAUSEN.

I. HOOFDSTUK.[1].

[1] De Baron wordt ondersteld dit verhaal aan zijne vrienden, onder het ligten van den beker, te doen.

_De Baron geeft een verslag van zijne eerste reis.—Verbazende uitwerksels van eenen storm.—Komt op _Ceilon_; vecht aldaar met twee buitengewone vijanden, en overwint dezelven.—Komt in _Holland_ terug._

In de dagen mijner jongelingschap, of liever in dien tijd, dat ik man noch jongeling was, wanneer de vlasbaard den aannaderenden mannelijken leeftijd eerst aankondigt, had ik de klugtigste ontmoetingen, welken ooit eenen reiziger zijn voorgekomen. Het scheen, of mijne Ouders daarvan een voorgevoel hadden: want hoe dikwijls ik mijne zucht tot reizen te kennen gaf; hoe sterk ik bij hen aanhield, om hunne toestemming te bekomen, tot het bezien van de waereld; en welke streken ik ook tot het verkrijgen dezer gunste aanwendde; niets mogt baten: alles was te vergeefsch. Mijn vader was de standvastigheid zelve in zijne weigering. Dit verwonderde mij grootlijks, om dat hij zelf een groot reiziger geweest was; gelijk dit overvloedig blijken zal, eer ik het verhaal mijner zonderlinge, en, mag ik 'er wel gerust bijvoegen, belangrijke avonturen geeindigd zal hebben. Maar tot mijn onuitspreeklijk geluk, zoo ik meende, had een zekere neef van mijns moeders zijde een groot behagen in mij. Deze verklaarde menigmaal, dat ik de aardigste jongen van de waereld was, en dat ik buiten 's lands de grootste vorderingen tot fortuin zoude maken. Dit stond mij wonder wel aan, en streelde mijne eerzucht niet weinig. Zijne welsprekenheid had ook meer invloed dan de mijne: want mijn vader stemde eindelijk toe in zijnen voorslag, dat ik hem op zijne reis naa het eiland _Ceilon_, alwaar zijn oom al zederd verscheiden jaren Gouverneur geweest was, zou verzellen.

Wij zeilden met een paketboot uit _Texel_, met gewigtige bevelen belast. Naardien wij zoo snel zeilden, als hadden wij in een luchtbol de reis gedaan, gebeurde 'er maar één ding, 't welk aan U verdient verhaald te worden. 't Was naamlijk de uitwerking van eenen storm, wanneer wij aan zeker eiland ten anker lagen, om water en brandhout in te nemen. Deze storm rukte een groote menigte zware bomen, van een verschriklijke dikte en hoogte, met wortel en al uit den grond. Sommige van deze bomen wogen ettelijke lasten; en nogthans werden ze door den wind tot zulk' eene onmeetlijke hoogte in de lucht opgenomen, dat ze niet anders schenen, dan door de lucht zwevende vederen van kleine vogeltjes: want zij waren ten minsten vijf mijlen[2] boven de aarde. Maar zoodra was de storm niet bedaard, of ze vielen allen wederom lijnregt op hunne plaatsen neder, en groeiden weêr als te voren; behalven één, op welks takken, juist op dat oogenblik dat de wind denzelven naa de lucht voerde, een man met zijne vrouw, een zeer geschikt en eerbaar paar volks, komkommers zaten te plukken: (want dit heilzaam gewas groeit in dat gedeelte van de waereld aan de bomen): als nu de boom wederom langzaam naa beneden daalde, gebeurde het, dat dezelve, door de zwaarte van dit paar menschen, horizontaal nederviel, en wel op den aanzienlijksten man van het geheele eiland, waar door hij op staande voet stierf. Toen de storm begon, had hij zijne woning verlaten, uit vreze, dat dezelve mogt instorten en hem verpletteren; maar zoo als hij zijn tuindeur wederom wilde ingaan, viel deze gelukkige omstandigheid voor.—Gelukkige?

[2] Als hier en elders enkel van mijlen gesproken wordt, verstaat de Baron altijd Engelsche mijlen; anders drukt hij zig vollediger uit en zegt, bij voorbeeld, Hollandsche of Fransche mijlen.

Ja! zeker gelukkige: want, mijne Heeren! dit opperhoofd was de geweldigste der dwingelanden; en de bewooners van het eiland, zijne gunstelingen en maitressen niet uitgezonderd, waren de ellendigste schepzels onder de Maan; de levensmiddelen verstikten in zijne voorraadschuuren, terwijl zijne Onderdaanen, wien hij ze had afgeperst, van honger versmagteden; het Eiland had voor genen buitenlandschen vijand te vrezen, en echter nam hij ieder jong kaerel weg, sloeg hem met zijn eigen stok tot een held, en verkogt van tijd tot tijd zijne verzameling aan den meestbiedende der nabuurige Vorsten, om de Millioenen Schulpen, die hij van zijn' Vader had geërft, met nieuwe Millioenen te vermeerderen. Dit gedrag maakte hem zoo veel te veragtelijker, daar hij geene kinderen of naastbestaanden had.—

Meent niet, lieve lezer! dat de Baron hier zonder reden aanmerkt, dat zijne Excellentie, deze DON PANCHE van de andere waereld, geen naastbestaanden had. Hij had op zijne veelvuldige reizen te meermalen waargenomen, dat de schreeuwendste onrechtvaardigheden, de ontmenschtste wreedheden, door aanzienlijken en geringen, door Vorsten en onderdanen, in eene blijkbare ongevoeligheid gepleegd werden, onder voorgeven, dat zij niet zoodanig handelden om zig zelven, maar voor hunne opvolgers enz.—Hierbij komt nog eene andere reden, welke de Baron echter niet gaarne algemeen bekend maakte; te weten: op zijn springtogtje door dit leven was hij niet zelden om geld verlegen geweest. Dit zal U zekerlijk niet verwonderen; maar als hij zig, in zoodanige gelegenheden, op eerlijke voorwaarden, welken hij aantoonde te kunnen volbrengen, bij ongeluk vervoegde bij rijke lieden zonder edelmoedigheid, verwonderde het hem, dat dezen zig altijd van alle menschlievendheid en hulpbetoninge ontschuldigden, met te zeggen: dat zij hem zeer gaarne zouden willen helpen; maar dat zij ook voor de hunnen moesten zorgen; dat zij over het geld en goed hunner kinderen niet konden beschikken, en dergelijke blaauwe uitvlugten meer.—--Hierom kwam het den Baron gantsch niet vreemd voor dat deze gierige en onbarmhartige wreedaard, zonder kinderen en namagen, bij den landzaat zoo zeer gehaat was. Zijn dood zagen zij daarom niet alleen aan als de grootste weldaad; maar hoe toevallig dezelve ook ware, verkoozen zij zelfs, ten blijke hunner dankbaarheid, de komkommerplukkers tot hunne opperhoofden.

Dit paar had van deszelfs hooge vaart geen letsel gekregen, als een klein ongemakje aan het gezicht, omdat zij dat licht, 't welk de oorsprong van alle verlichtinge door deze waereld is, wat al te naa waren gekomen.—De verduistering, daar door op het Eiland veroorzaakt, was vrij groot, en ontzettede den Hollandschen schipper dermate, dat hij zijn _Stichters Almanach_, het eenigste Zeemansboek 't welk hij wist te gebruiken, uit zijn broekzak haalde, om te zien, of het geen Zonne-Taning ware; schoon ik hem beduidde, dat het Volle Maan was.—Maar het ongeluk van deze goede luidjes was het grootste voordeel voor den Staat; de nieuwe Regent hield zulk een loflijk bestuur, (gelijk ik naderhand vernomen heb) dat niemand op het Eiland voortaan komkommers at, zonder te zeggen: _God zegene ons opperhoofd_.

Na dat wij ons van de schade, in dezen aanmerklijken storm bekomen, hersteld hadden, namen wij afscheid van deze nieuwe opperhoofden; (zoo moeten wij ze noemen, naardien beiden zig aan het hoofd van de regeeringe dezes Eilands geplaatst hadden); en zeilden met een zeer gunstigen wind naa de plaats onzer bestemminge; evenwel niet, voor dat wij den gedienstigen boom in zijne oude plaats hersteld zagen. Ook was 'er, op een algemeen verzoekschrift, door alle de inwoners ingediend, door de nieuwe regeering een wet vastgesteld, dat voordaan niemand van de vrugten van dezen boom zoude mogen eten, zonder vooraf voor den ondergang van den geweldenaar gedankt te hebben.

Zes weeken na ons vertrek uit _Holland_, kwamen wij op _Ceilon_ behouden aan land, en werden met grote blijken van vriendschap en ware beleefdheid ontvangen. Het volgend zonderling avontuur zal uwe opmerking niet geheel onwaardig zijn. Indien echter iemand mijner toehoorderen zoo bekrompen van begrip mogt zijn, dat hij aan de geloofwaardigheid van mijn verhaal wilde twijfelen, verzoek ik dat hij, zoo menigmaal hem deze luim overvalt, zeggen zal BONS! dan zal ik niet één woord meer spreken; maar als een man van eer waarschuuw ik hem te gelijk dat ik zoo honende belediging niet zonder voldoeninge zal afwagten.

Nadat wij nog maar veertien dagen op _Ceilon_ geweest waren, ging ik met een van des Landvoogds Broeders op eene jagtpartij. Hij was een zeer sterk man, en aan de luchtstreek gewoon zijnde, (het spreekt dus van zelfs, dat hij aldaar reeds verscheiden jaren gewoond had), kon hij de geweldige hitte van de zon veel beter verdragen, dan ik. Op onze wandeling was hij mij een zeer aanmerklijk end' wegs vooruit geraakt, door een dik bosch, wanneer ik mij nog aan het begin van hetzelve bevond.