De verliefde ezel

Chapter 8

Chapter 83,965 wordsPublic domain

Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden, tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En ik zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, maar dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het als een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de gloren der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak gelijk, uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp...

Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier, even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, draafde ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen vast om mijn nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen ik draafde? Ik wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: ik draafde denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de storm, de duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom het domein van Menedemus, en wij waren dien tooverban uit.

--Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt ons allen!

En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, stil hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door de vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte voor ons op.... Maar ik had Charis gered!

Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte de armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar omhelzen, haar drukken aan mijn hart.

Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik bleef op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar roepen bij haar zoeten naam....

Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop éen oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw mijn ruigen ezelskreet....

Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak....

XIV.

De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar dan, ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak; hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, als met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; zij staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten met ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen wel naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....

Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en zij riep, angstig:

--Mijn lief, waar zijn wij?

Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde zij:

--Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?

En zij sloeg de armen om mijn nek.

--Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van mijn vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?

Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar de palm, maar ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, dat zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte ik gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om haar heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde om en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, zette zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar werk, terwijl ik de grashalmen graasde....

--Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.

Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit eenzame woud, dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien ik niet wist of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist wàar te geraken en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge natuurspeling van dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu klaarder het licht werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat scheen te pieken, op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik ook iets nog geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook hebben kunnen aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde jonkvrouw, gewoon aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste zorgen, gewoon aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan uitgezocht voedsel en steeds omringd door een schaar dienaressen, die haar omzongen, omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in schoonheid? Hier ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, bemind en minnende en samen, alleen met mijn bruid, zonder iets voor haar te kunnen doen, dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe wanhopig zwol op eenmaal in mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, omdat ik beminde, mij niet als eveneens betooverd had bekend willen maken, door met mijn poot een paar letters in het zand te schrijven, zoo dat de wondermeesters mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik op nieuw weêr mensch en man ware geworden. Dàn ware ik weg gejaagd, ik koopmanszoon, wien Menedemus nooit zijn dochter van vorstelijke geboorte als vrouw zoû willen afstaan, maar dan hadde ik beschikking gehad over onmisbare, menschelijke hoedanigheden; dan hadde ik misschien, wie weet, zoo niet op mijn rug, Charis geschaakt in mijn armen, dan ware ik met haar gevlucht en hadden wij ons geluk ergens in stille zaligheid kunnen verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik met mijn geliefde aan!? Zij was wederom in schreien en snikken uitgebarsten; zij liep handen wringende om; zij wilde niet meer met de bloemen spelen.... Ik deed haar de vlinders op letten, die fladderden om ons rond, maar zij lette de vlinders niet op, de goudvisschen, die snel schoten den stroom af als zonneflikkeringen, maar zij lette de visschen niet op en zij klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij haar terug te voeren naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef schreef in het zand:

--Zet je dan weêr op mijn rug...

Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! Maar zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met Charis den rotsberg om, langzaam.... Honger had ik niet, daar ik grazen kon en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens weêr:

--Charmides.... Ik heb honger!

Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de wanhoop weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn bruid...? Tot ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een vruchten dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, den rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde ik met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond in gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij beiden zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, onze kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen om ons twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als genstertjes schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was dat alles genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, die verliefd op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, op wien Charis verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den bongerd door, ik steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, ik balkte zelfs Charis' naam, zoo als ik het kon en de roode appelen lokten, honderden, om ons heen....

Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich neér gelegd in het vliegjes-doorzoemde lommer, waar ik, in het mos gelegerd, had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de middagstilte, begon de zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar een uitkomst. Ik spiedde uit links en rechts en speurde geen menschelijk wezen. Als een witte oven gloeide het piekende rotsgebergte door de appelboomen heen en vertrilde tegen de stralende zomerlucht... Wat zoû die verdere dag, wat zoû die nacht ons brengen? Hoe geheimvol onbekend was ons de naaste seconde! Hoe zoû ik verder Charis kunnen behoeden, ik, een ezel op mijn gouden hoefijzers, voor wilde beesten en saters, voor heksen, voor alles wat de geheimnisvolle nacht met zich meê voert en hoè voor honger, ellende, armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, had ik éen oogenblik kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, dat wij beiden betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot gegeven, nu de middagstilte suisde om Charis' slaap en ik waakte, wekte de wanhoop op nieuw zich in mij.

Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde uit en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, zoû ik mij bekend maken als Charmides, de betooverde zoon van Lyzias van Epidaurus, die met Charis, Menedemus' dochter, gevlucht was, van het instortende landhuis weg? Bijna meende ik, dat dit het verstandigst zijn zoû, toen ik begreep aan der mannen uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, zij waren roovers; geen armoedige, barre, weêrzin en afgrijzen wekkende wilde-mannen des wouds, als mij hadden gestolen uit de houthakkershut, maar wel twintig, dertig groote, sterke, gewapende roovers in korte mantels gehuld en met groote hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het lagere hout--vermoedelijk om niet langs den heirweg te gaan--maar zij praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, als of zij hier thuis en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, prachtig gekweekte appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun eigendom! Toch, roovers, zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij zilverasters kunnen zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven weêr worden.... Roovers zouden voor losprijs Charis vrij zeker laten.... Bliksemsnel bedacht ik dit alles, tevens beducht of zij ruw geweld mijn aangebeden bruid zouden kunnen doen.... Tot ik hunne woorden hoorde:

--Deze nacht dus?

--Ja, beaâmde wie hun hoofdman scheen. Het landhuis van Menedemus....

--Het omsingelen...?

--Ja en zijn dochter schaken....

In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, dat Menedemus' landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven, vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, een hun gunstig noodlot Menedemus' dochter op hun weg had gevoerd! Ik begreep, dat geen tijd te verliezen was....

--Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.

Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar, door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En juist toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar de rivier terug.

De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar een prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode hoeven weg draafde met een blanke, blonde maagd over zijn rug, hare armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen, die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend, in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist aan hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, komende van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: de eersten riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en ons tegen houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden cirkel, te zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte ik hier tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang meer en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, ik sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: wat kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde ik Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: de mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af gegleden was, op beurende, riep:

--Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons en de kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit gunde!

Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god vereeren als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond ik op mijn hoeven.

--Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En een edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!

--Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman.

De roovers wisten het niet.

--In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal troosten, mochten wij Menedemus' dochter heden avond niet kunnen ontvoeren, zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. Schrei niet en jammer niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.

En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich, maar luid snikkende:

--Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!

--Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult ge zoo gauw niet worden!

En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te doen dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te stappen...

Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist, balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel.

XV.

Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug, den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:

--Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel u over het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. Vrees echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen losgeld van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de noodige inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij zijt.

Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren staakte en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. Onderwijl lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik gedacht mij aan de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel oppassen dat te doen; een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man hadden gedaan, een ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... En ik lette op, terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte trokken,--het stond soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen op--dat deze roovers, die ons hadden overmeesterd, geen ruwe wilde-mannen waren, maar sommigen eer mannen van zeker aanzien: er schenen meesters en dienaren onder te zijn; de hoofdman zelve, dien zijne makkers Dionyzius noemden, was een kloek gebouwde, jonge man, trotsch en gebiedend, maar beleefd tegen over zijne gevangene en geen onvertogen woord voegde eén van hen Charis tegen; reeds gelatener lachte zij in de mantelplooien, die Dionyzius, bijna schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, ik lette op... Ik bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo nauwe spleet van het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede flanken er tusschen door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten hare voetjes te zetten op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de vlok tusschen mijn ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, al de andere mannen volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, zag ik, in het schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen de hooge muren, die zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr, zag ik hunne knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der zorgeloos achter op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen flikkeren tusschen hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden en dolken waren bezet met gesteente... Eén achter hen trof mij door zijn donker, somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, zware brauwen overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne makkers noemden hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den spleet volgden, kon ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust werd, liever raadde door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast mijn menscheverstand had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne passen terug kwamen langs dien linte-achtig door eén geslingerden meanderweg en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de zaal moest zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door lange, smalle, onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de Zuidzijde--een dier voelt dadelijk windstreek en richting--; door andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van den mantel, die haar geblinddoekt hield.

--Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af stijgen.

--Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie zijt gij?

--Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata...

--De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius uit.

--De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.

--Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn makkers.

--Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen de anderen.

--En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende over mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en hij is mijn verloofde....

En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat zij zeide.

--Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmides en is de zoon van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus woont?

De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach uit.

--Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo als spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die uit den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel verloor, hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn vader het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze verloving met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen is en alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is prachtig in zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor die van een ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een glanzende, zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo een aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare, beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe oogen?

En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen zeide Dionyzius:

--Haar geest doolt....

--Zij is waanzinnig, zei Manes.

--Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.

--Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver van uw vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in onzen boomgaard de appels?

--Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving en Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?

En zij begon hevig te snikken.

Ik balkte zacht.

--Cha-i....!

--Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen slaande om mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!

De roovers raadpleegden elkaâr.

--Charis, Menedemus' dochter....?

--Een aardbeving....?

--Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!

--Wij geen van allen....

--Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu vergis. Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon menschelijk. Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap deelt of wilt ge alleén blijven, Charis?

--Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! Neem hem mij niet af!!

En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.

--Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot wij van Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal het u aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met Charmides.

Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk mijn bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door, doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding welke richtingen wij namen, links en rechts en wederom rechts en links.... Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.

Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel van binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:

--Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten en hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben van uw vader....

In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten aan den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; rijke stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....

--Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw gevachte leden.

En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om in ezelstal te worden herschapen.

Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen schaal.

Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.