De verliefde ezel

Chapter 6

Chapter 63,889 wordsPublic domain

En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken van die aanzienlijke mannen--Charis' vader, hare broeders en neven--werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde Charis, die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen mijn ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, of ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus roepen:

--Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met dien schurftigen ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen in den omtrek van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, zendt ons Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het oogenblik, dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en verlieft mijn dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn der goden raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en Aesculapius, wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te doen!!

En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutste heeren nader en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd.

--Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen tabbaard. Wij kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij haar bruidegom heeft gevonden.

--Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit gelooven! viel de tweede geleerde in.

--Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, o Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is!

En de neven om Menedemus klaagden tot Charis' broeders:

--Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij slechts een onzer gekozen, in plaats van na Chersonezus' vervloeking, op een schurftigen ezel te verlieven, dien zij dadelijk Charmides noemt!

Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden:

--Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij?

De eerste zoon Aesculapius' antwoordde:

--Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen....

De tweede viel in:

--En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den strijd is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden....

En de derde zeide:

--Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te vieren....

Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, in wanhoop, wrongen de hunne....

--En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik mijn eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid omtrent hem wist en weigerde mijn kind op te offeren!

Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde Charis mij--en gewillig volgde ik--naar het zuilenrijke buitenverblijf....

Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden:

--Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is gekeerd....

--Is gewond en ziek, edele Charis!

--Uw edele Charmides, o Charis....!

--Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...!

--In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem klonk als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!

En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, dat zij mijn naam wist.

De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en afkeer.

--Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw bruidegom verplegen!

--Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd!

--Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de liefdevolste zorgen zal ondervinden!

--Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij Charmides' wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weer krachtig is, o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!

En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, al scheidde zij van mij, dànste te midden van hare maagden.

De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe.

--Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze kunst nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel!

Maar zij verboden de slaven mij te slaan.

--Wij moeten hem verplegen!

--Ons leven staat op het spel....

--Als wij Charis niet genezen...

--Zal Menedemus ons doen vermoorden!

--Als wij Charis genezen....!

--Overstelpt hij ons met goud!

--Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet anders laten dan in den waan...

--En dàn haar onttooveren....

--Langzamerhand... Langzamerhand....

Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....!

En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden mijn maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen.

--Hij is jong! zeide de een.

--Maar hij is afgebeuld, zeide de ander.

--Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn hoeven breed zijn.

--Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste weêr. Kijk, de sporen van het lamoen....

--En van den draaiboom....

En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet, dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik mij aan hun zorgen en wetenschap over.

--Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen.

En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat ik zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu, genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo, gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot, waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten en vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart.

Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare meisjes.

--Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, daar zie ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een stal gehuisvest? Wat moet dit beduiden! Waarom verleent mijn vader hem geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen??

--Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met uw maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij daarbij tegenwoordig zijt!

Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te treden en pruilende moest zij wijken.

--Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins!

Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde "Charis!" roepen en riep:

--Ha....hi!!

De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach.

--Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, wreede wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot spoedige beterschap, o mijn Liefde!

Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor haar naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken.

Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij verpleegden.

--Hij zit er net als een mensch! zei de oudste.

Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachte weêrhield mij.... Wat zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een koopmanszoon was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper en parels koopen maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik knikte niet met mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het zand! Ik vroeg niet om zilverasters!

--Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee andere wondermeesters. Wat zoo wij poogden....!

--Ik dacht dat juist ook! ried de tweede.

--Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde.

Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, zij wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, een ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij en opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep.

--Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de pastei! Drink den wijn!

En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, ezel Charmides!

Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield mij in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den wijn en slurpte even....

--Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters en hielden de buiken zich vast en de slaven krompen van het schaterlachen.

Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de pastei, knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn beker....

--Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen de wondermeesters en slaven.

--Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste.

--Wàt?? vroegen geheimzinnig de twee anderen.

--.... Een betooverde ezel is.... Een mensch....

--.... In een ezel betooverd?

--.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië!

Zij fluisterden samen, de drie.

--Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel was....

--Een betooverde mensch....

--Dan zoû hij zich ànders gedragen hebben....

--Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven...

--En gevraagd om....

Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters, fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn.

--Dàt hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij door elkaâr, schaterlachend.

De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den stal.

Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een molensteen rond gedraaid, was deze stal, na mijn menschemaal van pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in, denkende meer dan balkend ditmaal:

--Charis! O mijn Liefde, o Charis!!

XI.

Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd, gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij Charis' kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van verre, tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het gelukzalige gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om Charis zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door Chersonezus, die, terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar had opgeroepen, zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten ezel, die haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield mij, nog meer dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger zoû willen als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook mij bekend te maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, zoû Charis vermoedelijk zoo geschokt worden, zoo getroffen in hare liefde voor haar ezel, dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit der wondermeesters woorden, dat door de betoovering haar geest verzwakt was, dat ook haar teedere lijf geleden had in de winterlange afwachting van den bruidegom, die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm van schurftigen ezel. Nu zeide men haar, dat zij wachten moest, tot haar held, uit den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden en als ik haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe blos bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen gloed en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig als ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan zilverasters.

Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte en blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met de ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees en zich sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat ik dwaalde de weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik een der plassen en tusschen de spiegelingen der wolken en de witte bloemekelken, zag ik mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, mij herinnerend welk een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard in de wateren der bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige ezel, een jonge, gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als zilvergrijze zijde zoo glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den zelfden blauwen glans, dien mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne pooten waren genezen, stonden recht en sierlijk en van louter ledig dwalen door bloemeweiden, waren mijne hoeven weêr tot smalleren vorm verfijnd, terwijl mijn manenkam en mijn staartkwast met zorg waren geknipt en geborsteld en mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, die niets heeft te doen dan zich te vermeien tusschen madelieven en boterbloemen en die zelfs behalve met haver en klaver gevoed wordt met pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een vreemde ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om mijn ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, nooit had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was en zoo heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, vooral nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid was de mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter dieren er wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een paard is ook een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden en ik voelde mij wel een edele ezel.

Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters mij op zochten en tot elkaâr zeiden:

--Hij ziet er nu prachtig uit!

--Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!

--En als zij zoo zacht: voel toch eens!

Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane ijdelheid en de slaven zeiden:

--Wij hebben hem dan ook geborsteld!

--En het heeft hem aan niets ontbroken....

--Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste wondermeester,

--Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.

--Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde wondermeester.

En zij schaterden alle drie....

Maar zeide toen de eerste:

--Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren....

En de twee anderen vielen in:

--Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!

--En kiest zij een harer neven....

--Izidorus....

--Pamfilius....

--Of Lyzippos misschien....

Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog, die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus natuurlijk.... En ik dacht:

--Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik nu ben.... Een weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....

En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg jagen zoû, uit bezorgdheid om Charis' geest en gezondheid, uit ijverzucht op hare neven....

Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden gevierd.

--Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen haar langer nog te laten wachten....

De twee jongere wondermeesters gingen.

--Borstel hem nog eens, beval de oudste.

En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden mij en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de hoeven mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier en daar de wilde haren weg....

--Besla hem nu de hoeven en schilder ze....

En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij beschilderden mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen poot na poot behandelen.

De wondermeester lachte luid....

--De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de wondermeester.

--En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.

--Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.

De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.

--En doe hem zijn mantel om....

De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, en met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken zij tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.

--Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en de wondermeester knikte wel te vreden.

Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang, Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving zijner dochter gevierd zoû worden, dien zelfden dag. En voerden mij de drie wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een handklap op mijn schoft....

--Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een teugel hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen.

--Laten wij het eens probeeren....

--Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, meenden de anderen.

--Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....

En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen tusschen de slaven en er niet op het onverwachts van door zoû gaan, met kluchtige ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder tijd dan zij zeker hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam en beschaafd een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad dus tusschen de slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op mijn menie-roode hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik mij in een der vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de lotusbloemen, die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, zag ik mij weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn oogen. Herkende ik mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn ezelgezicht. En bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in een metalen spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op iedere mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde weelde-ezel, wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste maagd ter wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, maar die weemoed getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was ik een ezel, juist omdàt ik een ezel was.

Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, het groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke, half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, naderde ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere muzikanten, met fluiten, voegden zich bij ons en de lieflijke hymenæische melodieën liepen op en af als blijde beekjes van water. Om mij straalde de morgen. Als een paleis der goden straalde de witte woning en de schaduwen langs de zuilen waren bijna azuur, zoo onwerkelijk tooverde het morgenlicht de tinten òp der dingen van natuur en van menschen Er beefde een goudene rilling over de plassen, er weefde een trilling van lenteglans over alles: over het bevend turkoois van het water, over het warme marmer gloeide die glans van vuur....

Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij tegen.

--O mijn Charmides! riep zij.

.... Hoe wist zij mijn naam toch....?

--O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je daar eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te vergelijken?!

En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare armen en stond toen, zegevierend.

Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde, wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis te gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet te balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ik mijn geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig en lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter nauwer nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje reiken. Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik stond slechts en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en mijn geheele manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij voegzaam te gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.

Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in het midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid; er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters, deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en Menedemus en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons rond. En Charis vlijde zich aan mijn zij....

--Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten wonderdokter.

--Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; maar wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem hebben verzorgd en geleerd!