Chapter 5
O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens, demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren en duldig leed ik den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden, dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen, en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last, bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten, zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver verlost te worden van het marteltuig.
In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de dansende maagden...?
Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien; zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar, hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend, naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar, waar het nog groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed, zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager, geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed uitbreidende hoeven--om het steeds moeten dalen, zwaar beladen--zag ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier...
Eenmaal--een huiveringwekkende stormnacht--waren de houthakkers beneden in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd, en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren en woeste Lapithen in woedenden strijd door elkaâr te woelen...
Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in den morgen, uitgeput, was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten, verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur, zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen, die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand.
En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen dadelijk en de opziener zeide:
--Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt.
En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door ezels en misdadigers beiden...
IX.
Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen, draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik in de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende het centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den ondersten steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots blinddoek versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer die van een ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te verliezen... Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, terwijl de bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter moê was geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij rond, kauwende een schrale handvol hooi... En zag ik de andere molensteenen, onder de rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, getrokken door andere, als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen of ook sjouwerig voort geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij waren meestal half geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden zoo zij poogden te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan zouden eten, gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd met getallen en letters: de sporen van herhaalde geeseling waren rauw en violet zichtbaar over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten nauwlijks hunne ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden hen om beide enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, als waren zij mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand zouden hebben ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. Nauwlijks konden zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de knippende oogleden geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren hunne schouders, misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware werk scheen hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen lijden in het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. En ik was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, afgebeuld, nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid te beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen oranje zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren, groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens, waarheen ik de zware zakken torsen moest.
Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, met sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige troost, die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de bezittingen van Menedemus, Charis' vader, want dit was ik te weten gekomen uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troost was te weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen, waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om het witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale troost was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en altijd was het het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer en altijd was het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd waren zij de zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te moê om te slapen, stond en bleef staan in den stal naast de andere uitgeputte dieren, ezels en muilen...
Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld elkander helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het te weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en kon, om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op staan. Hij lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar mijn stal: de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in kringen tegen den bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te tappelen van den rug van den half bezwijmden slaaf: het ron rood over den wit bepoeierden grond.
Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, dat een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, dat ik medelijden met hem gehad had....
Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn stal voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk was hij er in geslaagd, uit het gevang te ontsnappen. Hij zocht mij, hij koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al het zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide met haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde ovens lagen als lage, donkere dakenmassa's tegen de manelucht. Over den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog, niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren wij verloren in het bergwoud...
De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij, hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet te hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom ik en daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende kreten, bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die kreten?? En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren van heksen; het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te Delfi, in de bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, en het had mij toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van klagende, vermoorde kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een wijde hoogvlakte, wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van heksen danste krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde een tweede rij in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik begreep: het waren heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan te rukken, uit haar zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte der heksen somtijds en zoo het haar gelukte, hadden zij die maand macht over de elementen, die dan gunstig waren aan haar verderfelijke werken. En o afschuw, toen zij dansten rondom, hand aan hand, zag ik, dat zij dansten rondom drie tot aan het hoofd begraven kindertjes, die kreten en die sterven zouden die nacht.... Midden in de vlakte stond de immense koperen ketel op een smeulend vuur van takken en de dansende heksen wierpen er, in het rondomme zwieren, allerlei in: ik herkende een slang, een pad, een bebloeden sluier, stukken wrakhout van een verongelukt schip, het koord van een gehangene en bezworene ledematen, ik weet niet welke.... En intusschen schenen zij als de maan naar beneden te trekken, tusschen de wilde wolken uit, waarin allerlei wezens schenen te schuilen en te verzichtbaren en riepen zij:
--Hekate! Hekate!!
Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te doen storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den grond; de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, bezwijmen.... De maan scheen te rijzen. De betoovering scheen gebroken. En de heksen, in helsche woede, stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen in wellust neêr op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij zijn lijf uit elkander rukten:
--Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan mij zijn geeselstriemen....!
Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven, scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven haar tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, en hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik het geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door schrillen.
Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige boomwortels, vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op wrakke pooten het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; het geheele woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en takkebossen, van reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel draaiden, van uilen en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als wolken, zwierende, schenen vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, ik vluchtte voort....
Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in Thessalië morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of de dag huiverde te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door wat zij ried en aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. Plotseling zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars door de grauwe morgenlucht. Weilanden, waarover de mist nog verwijlde, weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in de wijde lucht....
Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... Stekels hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte langs mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, waaraan de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg op. Iets vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid door de luchten.
Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken, wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet niet waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte....
Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de weilanden en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de lente, de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door de lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van lastdier. En, met een verrassing, tusschen het verschiet der uitbladerende olmen en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk landhuis schemeren in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in de jonge zon. Het huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het lag geheel omgeven van vijvers en op de rozig grauwende plassen lagen altijd en altijd de lotussen en ik zàg ze openen, een voor een. En uit het landhuis, over het wijde grasveld traden tal van maagden en mannen....
Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de witte windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik zag toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. Maar eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar heen, de witte bloemenkransen beurende, dansten.
Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen moê en mat van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij zich verweerd had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den heirweg af, waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. Ademloos, vreemd gelukkig bleef ik steeds staren....
Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik bewoog echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de maagden om Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis....
Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van geluk, die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht als een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de slaven met haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog wierp en hare sluiers wemelden om haar rond:
--Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte bruidegom, die terug uit den strijd tot mij komt! Kom! Kom!! Slaven, opent de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is gekomen! Mijn Charmides is gekomen!!
En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der maagden om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, wonde-bloedenden ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken te staren stond, naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van geluk en verrassing, de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in een omhelzing rondom mijn ezelenek....
X.