De verliefde ezel

Chapter 4

Chapter 43,991 wordsPublic domain

Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den astertuin en terwijl de stoet van Menedemus den zijweg insloeg, die zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de hoeven, koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen de achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne passen te doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een echte ezel en Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte hem te doen begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met mijn rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het stof was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij weêr wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het op een loopen. Als of ik een ezel-op-hol was!

Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn arme ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen weg terug! Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den avond, die viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette damp hulde de weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin vale wezens schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist niet uit welken windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk mij sloeg. En plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik af holde, was ik weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een grijnslach en zag ik een grimlach.

De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op den rug. En zij riep:

--Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn poot, en mijn poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den astertuin! Naar den astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem vernielen!

Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet bevrijden kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende vogelpooten, hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare magere armen om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven ons, als een stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde aan heksen! Al die gedrochten waren heksen en zij wilden Clitifo's zaligen tuin met zilverasters vernielen!

Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde, ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den droom, geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde maar voort. Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat ik zweefde boven den grond, als of de harpij hare wijde vlerken hield uitgespreid, en ik niet meer met eigen hoeven tikte tegen den weg, maar voort werd bewogen zonder eigenen wil. Een troost was, dat zij niet anders wilde, dan ik gewild had: naar den astertuin, naar den astertuin, al ware het dan ook om met hare horde dien te vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een zachte schijn. Het waren in de heksennacht de velden der zilver-asters en aan het einde dier velden bleekte Clitifo's blanke huis.

Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, toen, o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend boven het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn verklaarde door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van blanken glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een welluidend geklater van sistrum-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo heilig, zoo rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, een ezel, eenzaam stond tusschen de zilveren bloemen, in het zilveren licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen.

Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij tikten de sistrum-snaren. En de man, die Clitifo was, bood mij de zilveren asters.

Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo.

--De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die nutteloos schijnt, maar nuttig der boete is.

--Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet boeten?

Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wier sistra-klanken verklonken.....

--Zie ze aan, zeide Clitifo.

Ik zag ze schrijden langs mij heen.

--Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo.

Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, verschijnende en verdwijnende...

--Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig.

--Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te noemen? vroeg Clitifo.

--Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis...

--Zoo blijf trouw, zeide Clitifo.

--Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere vrouw zag dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer.

De heksen waren heen; de sistra waren verklonken; de heilige schijn taande en alleen de zilverasters schemerden. Clitifo glimlachte mij toe, met een meêlijden, dat ik niet begreep.

--Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgen zult ge den weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving.

Ik liet mij leiden, een kind gelijk.

Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, de eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme licht. Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en slingerden in festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie geleek mij de vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû ik werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een harpij voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering niet... Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de heugenis van naklank der sistra-tonen klonk het door mijn effene ziel:

--Charis! Charis!...

Ik naderde Hypata's poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, uitgeput, bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, gaf hij een gil van geluk.

--Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik heb u gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! Waar zijt ge geweest??

--Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik ontmoette in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. Thans ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken...

Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo's dienaar, die met de twee paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde de postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad door,--zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden genoemd.

Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede straten met prachtige portieken en van vergulde Nikè's pralende paleizen voerden naar het forum. Plotseling uit een dier paleizen, de treden der trappen af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om te zien. Op een draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachende hetære aan. Ik sprong uit den wagen...

--Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn weêr niet voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet!

Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren:

--Meroë! Meroë!

Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd aangedragen, op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf schermwaaiers van pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende danseressen, dansende fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, aan vergulde kettingen twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links en rechts van haar draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... Onderwijl speelde hare andere hand, juweel-overflonkerd, met roode amaryllissen op lange stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij de snoeten der zwijnen! En al dat volk, o goden, al dat volk wist niet of geloofde niet, dat daar in stralenden zonschijn door Hypata's straten een heks ging, die twee in zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar stoet! Goden van Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid!

Meroë's oogen ontmoetten mijn oogen.

--Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!!

Maar mijne oogen tartten Meroë's oogen. Hare oogen waren als stralende, zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met beloften van wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde nog de bekoring van lotosblauwe maagde-oogen.

Ik werd niet verliefd....

Ik veranderde niet in een ezel...

--Kom! zeide ik tot Davus, instijgende--de stoet vloeide voorbij. Laat ons de herberg zoeken...

VII.

Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een aanzienlijk diversorium [1] en ik stelde er mij, gedachtig, dat ik een handelsreiziger was, in betrekking met verschillende handelaren: zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen van purper, mijne monsters van parelen, het grein van mijn wierook en geurwerk. Ik deed werkelijk geen slechte zaken. Verder leefde ik er als een vermogend jongmensch, die twee, drie eerste dagen, bezocht de Thermen des middags en de portieken des avonds en was er dadelijk, door mijne betrekkingen, omringd door een kring van vrienden en kennissen. En de stad scheen mij zelfs levenslustiger en schooner toe dan Corinthe, dat toch eigenlijk reeds verviel en insliep... Wat dreef er toch voor opwekkends in de lucht van Hypata?? Als een geheime dronkenschap, die deed grijpen naar bekers, naar àlle genot om te leven...!

Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen, fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen, terwijl een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot tusschen mijn vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene onbewogenheid te midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, telkens, die navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar, verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was en zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander van Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het "prinsesje" of het "vorstinnetje" werd bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader reeds verschillende aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen en dat hij eigenlijk een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne dochter. Ook hoorde ik, dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo rijke, schoone en bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû zijn, eveneens een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar van wien men fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang had met Hekate en hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als een murmeling door de feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen en betoovering niet gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, sprak niet over wat mij gebeurd was...

Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg mij zocht.

--Charmides, Lyzias' zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, bont gedost, terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder het rozenpriëel, nog in wijden badmantel omplooid.

--Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg?

--Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, voor dezen avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede nemen, zeide de dwerg.

Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen geur en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk geschenk en toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam, was zij wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, hare patronesse, die zij aanbad.

--Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had hij dan geraden?

--Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons heen klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet meér mooie vrouwen, matronen, hetæren of maagden? Ben ik een kind geworden?

--Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en wat ge geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en den volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied was, durf ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn arm hoofd soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo mogelijk, te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie vrouw ziet.

Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij toe; zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen, terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare voeten. Ook zonnebloemen, van juweel--chryzoliet met harten van anthraciet--schitterden om hare slapen, op hare borsten; een juweelen zonnebloem straalde aan haar Circe-schepter. En om haar heen, tusschen de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk tooverlandschap, waarover een zongroote maan rees, straalden de zonnebloemen, weken zij terug in stralenden bloei naar een horizon, waar zij vergloeiden... En ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige bloemen waren...

--Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een zwijn van chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een zwijn van vleesch en bloed?

--Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik.

--Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende ik van nacht Circe's gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo als Circe deed, Helios' kind...

--En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik spottend; zoo als aan Circe's voet, in de tuinen van onzalig Aiaia...

--Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is enkel je kus, en weêr je kus en altijd je kus!

Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde bezwijmeld; ik...

Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op rijzen--Charis, zoo blank en lieflijk zuiver--en ik deinsde terug...

Meroë richtte woedend zich op.

--Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je gunt aan wie ook op je weg?

--Ja! riep ik.

Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen schepter uit. Ik had haar liefde geweigerd en veranderde niet in een zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, zag ik alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap als een vale nevel...

De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel rond.

--Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een ingeving, dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de zilverasters werden gekweekt.

En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden, zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid.

In het diversorium vond ik Davus.

--Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als van een spook.

--Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker tijd. Zie ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest plotseling zoo ver en ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die op bloeiden en toen ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere feestgenooten en hun slaven mij verzekerden, dat gij nièt ver waart en dat deze zonnebloemen er altijd waren geweest! Maar zij waren dronken, heer, en ik niet en ik kon u niet zien in een zwijn veranderen, zoo als ik u reeds in een ezel veranderd wist!

--Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols.

--Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn kon, dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie maagd werd voorbij gedragen en hoe een ezel verscheen precies als er een ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo verschrikte op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik bereden en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, heer, ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken af!

--Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! Zwijg alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch zwijn en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar Farsalus...

--Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word liever zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan verder Thessalië in te gaan!

--Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat gebeurde, is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet begrijpen, dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben geworden... Zij was zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo beloftevol schoon...

--Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw ooren reeds gaan groeien!

Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij, zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en moêheid.

Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet verder Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden er heksen?

Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een ezel veranderd was... Dat was toch gebeurd? Wàs het gebeurd? Het geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. Davus' zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij vervolgden onze reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en onderwijl dacht ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan de heilige Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo ik terug kwam; aan Charis... Ik dacht aan haar met een teederen weemoed, omdat ik haar vermoedelijk nooit weêr zoû zien en een wee van spijt werd ik mij in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen wij in een dorp. De volgende nacht in een posthalte... O, de lange, eentonige reis! Wat gaf het mij purper te verkoopen en parels... Er waren àndere dingen, al waren er dan misschien ook heksen...

De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens in rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht bereikt. Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam...

Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd, zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks zoû ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de buffels... Ik liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende golving der bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den hemel. Ter andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het nog in dauw overfloerste water van het in de verte weg flauwende meer...

Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit aan den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, en mijne mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het water, dat wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten verijlden... En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid was... Als blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist ontslotene, smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het water, dat zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en bewoog in het riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op en schaduwde even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het meer, verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot den horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving een straal op, een atoom op van licht...

Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij de maagd in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en herkende... Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van het lotus-overladen water en ik zag, door het riet heen, haar bewegen, als met een moeden weemoed, toch even glimlachende tegen hare genooten. Zij danste niet, maar scheen de maagden te willen weêrhouden te dansen. Haar gebaar was een teedere muziek van lijn, hare ijle gestalte zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen als smeekend de maagden niet meer zich te reien rondom haar heen. En in weemoed zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen boven de duizenden blanke lotussen, die op het water lagen.

En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk en bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen:

--Charis...

Maar rauw riep ik slechts:

--Ha...hi!... Hi...ha....

Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en zij bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een ezel te gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen...

VIII.

Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, in sombere vertwijfeling...

Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen, vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk, dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond, vertwijfeld en somber, riep een der mannen:

--Maar kijk, daar staat een ezel!

--Een onbeheerde ezel! riep een andere.

En de derde stemde in:

--Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons werk te verlichten!

Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun koorden... En slingerden die met lissen uit....

Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mij gevangen had, trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn, verontwaardigd voorwaarts stoof....

Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides, Lyzias' zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!