Chapter 3
Ik mende. Ik mende, geloof ik, die geheele nacht, werktuigelijk. In den wagen lag Davus, bezwijmd... Maar ik liet hem, zorgde alleen, verder en verder te komen. Ik voelde mij tot stervens moede, mijn wang bloedde en ook over mijn rug voelde ik het bloed tappelen: zoó had de harpij mij hare verliefde klauwen in het vleesch geslagen. Maar wat het vreemdste was, was, dat mijn rechterhand, die haar bij den strot had gegrepen, om de leidsels in de nacht steeds lichtte als van een valen fosforglans! Hoe ik ook wreef en veegde, de fosforglans bleef er om lichten. Onderwijl mende ik. De storm scheen gedaan, maar de nacht bleef zwart en de weg was niet meer dan vage, eindelooze bleekte, die zich verloor naar den horizon toe... Eindelijk, tegen den eersten schijn van den nieuwen morgen, zag ik, ginds, als een pleisterplaats. Ja, gelukkig: het was de posthalte, bij den vijf-en-twintigsten mijlpaal. Er was een herberg; ik zag het gedoe der stalling voor de postbuffels. Ik klakte met mijn kapotte zweep. Slaven keken uit; de postmeester-waard verscheen op den drempel. Ik naderde eindelijk, eindelijk, ten doode vermoeid. Er was begroeting. Ik toonde mijne papieren: "Charmides, zoon van Lyzias van Epidaurus, handelsreiziger, op weg naar Thessalië, gehuurd hebbende vier postbuffels, wordt gemachtigd bij de halte van den vijf-en-twintigsten mijlpaal deze buffels te verwisselen voor wederom vier postbuffels..."
--Ze zien er afgetakeld uit, heer Charmides! zei de postmeester, naar de uitgeputte dieren kijkende.
--Ik ben zelve ook afgetakeld, postmeester! zeide ik. En mijn knecht niet minder: die ligt in den wagen voor dood. Wij hebben zoo veel van den storm te lijden gehad, dat ik dacht nooit te zullen aan komen.
--Storm? vroeg de postmeester verbaasd. Nu ja, het heeft wat gewaaid...
--O niet meer? vroeg ik en ik weet niet waarom, maar zeide hem niets van de harpij en de heksen: de heksen, waaraan ik nu wel geloofde. Nu, op den laatsten driesprong, was het toch wel heel bar weêr!
--Op den driesprong, heer Charmides? vroeg de postmeester en verbleekte. Was het daar toch... wel bàr weêr??
Hij keek mij met bedoeling aan, maar ik zeide alleen:
--Ja, het woei er nog al en het regende. Davus! riep ik. Davus! Ben je wakker??
--Waar ben ik? vroeg Davus met zwakke stem.
--Bij de posthalte, antwoordde ik. Kom Davus, kom bij en sta op...
--Wat is er gebeurd? vroeg Davus, wankelend uit den wagen komend.
--Je bent van schrik bevangen, zeide ik; door dien plotselingen storm. Je bent bezwijmd en ik heb maar zelf gemend...
--Heer! zeide Davus, een schim gelijk. Was het alleen storm of waren het...??
--Kom, Davus! zeide ik ruw. Word helder. Eet eerst wat en ga dan naar bed. Wat heb ik aan een knecht, die bezwijmt om donder en weêrlicht, zoo dat ik zelf moet mennen...
De postmeester liet de buffels uitspannen, stalde mijn wagen, borg mijn bagage. Hij had eén kamer, voor mij en Davus. In mijn kleinen, metalen reisspiegel zag ik, dat ik er uit zag, als Davus, een schim gelijk!
--Postmeester, zeide ik. Wij zijn moê. Ik zoû niet gaarne morgen weêr voort willen trekken. Ik moet naar Hypata en de weg is lang. Ik wensch een paar dagen hier te toeven. Kan dat?
--Voorzeker, heer Charmides, zeide de postmeester. Uw kamer is de uwe, voor u en uw knecht. Ik heb nog enkele andere kamers en slechts twee gasten, die de mooiste kamers bewonen: dat is Demifo met zijne vrouw Nausistrata; zij zijn hier met groot gevolg van slavinnen en slaven en op weg naar Lamia, waar een aanzienlijke erfenis hun ten deel is gevallen. De reizigers, die dezer dagen zullen komen en gaan, kan ik altijd wel onder dak brengen, ook al blijft ge langer toeven dan meestal een reiziger toeft.
Ik bedankte den postmeester, ik at, Davus verzorgde mijne wonden; ik sliep, ik ging daarna in gepeinzen den weg op. Het was een namiddag van zilveren licht, gezeefd door zacht grauwe najaarswolk en er beefde een oneindig weemoedige teederheid door de luchten, die zich weefden boven den weg en over de velden en weiden. Ik liep den weg af; dankbaar dacht ik aan de goden, die mij hadden behoed. Er was als een klare kalmte in mij, een lief, teeder gevoel vol schoonheid, zoo als somtijds mij, trots al mijne lichtzinnigheid, doorvaren kon. Niemand liep over den weg: het was er de eenzaamheid, de weemoed, de schoonheid. Ik weet niet welke vreemde rust mij omgolfde. Toen zag ik als een zilveren zee...
Het was, ter zij van den wit stoffigen postweg, een wijd veld, vol gebloeid van zacht stralende zilverasters. De duizenden bloemen, met bloembladeren als lichtende straaltjes, verdrongen zich dicht tegen elkaâr en onafzienbaar in weligsten bloei. Het was of de geheele hemel al zijne sterren dien middag had neêr gezaaid over de aarde: het veld scheen als met sterren bezaaid, die zacht, zacht zilver straalden. De sterren stonden op de hooge stelen uit en er was meer gebloemt dan gebladert. Het woekerde er van zilveren sterren. O, wat waren het mooie, zacht glanzende bloemen en zóó velen, dat het een sprookje van sterren en bloemen scheen! Een oude tuinman, met spâ in de hand, zag mij komen en groette.
--Wat heerlijke bloemen! bewonderde ik. Wie kweekt ze hier?
--De Isispriester Clitifo, zeide hij; die woont ginds, vèr, in dat eenzame huis, waar hij vaak in overpeinzingen maanden blijft....
--Waarom kweekt hij ze? vroeg ik.
--Het zijn weldadige bloemen, zei de oude tuinman. De zilverasters zijn weldadige bloemen. Zoo heilig als de Lotos zijn zij niet, maar zij bezitten toch de wondere kracht...
--Welke dan? vroeg ik.
--Die der ontheksing, zeide de tuinman. Dit is het gezegende veld...
Ik herinnerde mij Fotis' talisman, voelde aan mijn hals, maar de talisman was verdwenen, vermoedelijk mij door de harpij ontrukt. En ik herinnerde mij Demea's filter, die ook onthekste...
--Zijn hier dan werkelijk heksen?
--Heer, zeide de tuinman. Gij zijt in Thessalië. Gij nadert Hypata: een mooie, rijke stad, maar vol slechtheid. Hoewel Hekate, in zich, geen slechte godin is, zijn velen die haar aanbidden, slecht. Heer, daarom kweekt mijn meester de zilverasters...
Ik zag rond over het stralende veld. De bloemenweide strekte zich uit, tot aan den horizon, bloem tegen bloem, zilveren aster tegen zilveren aster, glanzende ster tegen glanzende ster.
--O, zaligheid! dacht ik. Zalig als de Elyzeïsche velden! Zoû ik u altijd langs mijn weg ontmoeten?
De oude tuinman glimlachte mij toe: het scheen mij, dat hij mijne gedachte raadde.
Een zachte wind stak op en voer door de zilveren bloemen als met een grauwende golf, die weêr op schuimde en blanker verstraalde... Ik had nimmer schooner en zaliger tuin aanschouwd.
V.
Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine effenheid in mijn gemoed.
Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende, donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij, opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!
En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen knipten verblind, dat mijn lippen en keel droog voelden... Ik naderde haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?
Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, maar in plaats dat ik fluisterde:
--Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik, een ezel gelijk:
--Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!
Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op weg of weide zag...
De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:
--Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!
Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en voeten en toen...?
Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen hoeven werden, mijn sterke armen sterke ezelspooten, mijn beenen ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...!
Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!!
Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van Clitifo's tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de zilveren bloemen...
Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis??
Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maar met een gevoel of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde huid en grijze reiskleed verwerd...
Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.
--Wat is er? vroeg ik allen.
--Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele Nausistrata bijna verslonden heeft!
--Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar--loog ik--het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in...
--De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.
Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen de mannen terug.
Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre:
--De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen gezien en hij verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels!!
--Die ezel wàs geen ezel! riep ik.
--Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze geest!
--O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel, die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur blijf ik langer hier!!
Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend gedruisch.
En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de vervloeking van de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer, dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van aard en...
Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet, meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij: zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt, die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de pracht van Dionyzos' druiven, wier wingerden de festoenen slingerden langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij de stad...
Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij, dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers, met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor de wijnfeesten naar zijn landgoed trok. Uit den wagen gesprongen zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek, noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende, gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort, die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna naàst haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren. En een zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen:
--Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen, opdat ik voor u kniele en u aanbidde...
Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong, drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet, maar balkte verschrikkelijk:
--Hi-ha...
De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart, hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij.
Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens, draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...
Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat haar maagdeblik ontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan:
--Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte gedrang...
VI.
Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd te midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en vroeg den poortwachters, die toe zagen:
--Hebben jullie mijn meester ook niet gezien?
--Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles heel goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten.
--Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om zich heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is den wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit trok; hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet meer en weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar niet zoo op eenmaal verdwijnen!
De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en een paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, terwijl ik onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, ongeduldig, wanhopig zwiepte met mijn langen ezelstaart... "Davus!" had ik willen roepen; "ik, deze ezel, ben je meester!" Maar ik slaakte niet anders dan een afschuwelijk gebalk:
--Hi-ha!!
--Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom.
--Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde Davus. Als hij een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten zichzelf en... die maagd in den draagstoel was wel bizonder lieflijk...
--Zij was Charis, Menedemus' dochter, zeiden de mannen; ja, zij is wel betooverend mooi!
--Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. Wachters, mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen jullie mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden rug en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen hoe onverantwoordelijk hij handelt!
En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij zouden den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de drukte van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug besteeg!!
--Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de wachten zeiden:
--En niemand weet aan wie hij behoort!
En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht op zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn hiel! De vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in mijn ezelelijf. Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat mijn knecht Davus mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en met mij den stoffigen heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de hoeven tegen mijn onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was ik zalig blij den stoet na te rennen en kans te hebben, al ware het met ezelsoogen, de lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik met hevig verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat al gemoedsbeweging voor dubbel betooverd mensch in grauw fluweelige ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus riep naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en wachten:
--Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? Is hij niet meê geloopen met uw stoet?
Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van Lyzias' zoon, Charmides...
Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde haar stem, zacht lachende:
--Wat wenscht die ruiter op zijn ezel?
--Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij vraagt naar Charmides, Lyzias' zoon...
--Uit Epidaurus!!
O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias' zoon, zijn vaart op mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van Charmides, zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider namen hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde harmonie van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten lieflijke Charis' naam en misschien, dat Charis niet vergeten zoû, hoe buiten de poort van Hypata tot haar oor was door gedrongen de naam van Charmides, Charmides, die haar aanbad! O, zoo de goden, de zalige, van Eleuzis, eens weêr samen zouden doen klinken, in eene zelfde ure, die beide namen van Charis en van Charmides, van Charmides en van Charis!