De verliefde ezel

Chapter 11

Chapter 113,645 wordsPublic domain

En wij voegden ons in den stoet. Nu, op het trilleren der sistra-snaren, aangetokkeld door de staven, liep ik tusschen de priesters, plechtig, en bereed Charis mij met een kinderlijken lach van zoete blijdschap. En achter mij en ter zijde, liepen de drie zwijnen mede, zoo deftig, of zij reeds weêr senatoren waren. En achter ons kwam Davus. Dan schreed, tusschen weêr priesters, de zilvergebande opperpriester en de zingende maagden gingen vóor het gedragen en gesluierde beeld van de godin, dat, zoo als ik begreep, voor een mysterie naar Larissa vervoerd was geworden en nu wederom naar haar tempel terug werd gebracht. En het was een zacht en rythmiesch treden op de maat der teêr neêr tinkelende en als met helle droppelen afdroppelende muziek, die hoog op in de lucht en den morgen steeg, met het twetteren der leeuweriken mede. Rond om ons baaierde de woeste wereld, breidde zich het woeste landschap, strekten zich de ruige rotsvelden of groeven zich de rotsafgronden afgrijslijk, maar boven ons blauwde de wijde hemel op door de laatste, rozige ochtendmisten en slingerde zich onze witte stoet langs wat hier weg was en daàr zich verloor onder de neêr getuimelde blokken....

--Charmides! fluisterde mij bekoord aan het oor mijn bruid. Waar gaan wij heen? Huwen zij ons nu spoedig, na zoo vele lotsverwisselingen? Want ik herinner mij, o ik herinner mij de vlucht uit mijn vaders bezittingen, toen ik het landhuis zich zag verheffen en weêr neêr storten in vernietiging... Ik herinner mij den appelebongerd en de gouden feestzaal, waar de booze mannen gingen vechten; ik herinner mij den diepen put en de steile trap, die geleidde bóven op het blanke gebergte en ik herinner mij de vreeslijke nacht der blaffende honden en het helsche gelach van de slechte vrouw, die je aan mij wilde ontrooven en toèn onze urenlange vlucht door storm en regengeweld! En nu Charmides, is alles zóo zoet geworden: de lieflijke muziek, de witte mannen, de witte vrouwen, die ons omringen en volgen: o Charmides, zelfs de drie zwijnen, die niet af van ons lieten, schijnt het mij toe, dat ik lief heb, zoo als ik alles, alles lief heb, dezen morgen, dezen zaligen morgen!

Zoo juichte zacht aan mijn oor mijn bruid toen wij uit het rotsgesteente af sloegen op den grooten heirweg. Wij ontmoetten er de warmoeziers, die gingen ter stad, reizigers in draagstoelen of wagens, een cohors legionariï en allen hielden stil, knielden neêr, aanbaden de godin en verwonderden zich over de drie zwijnen en den ezel, dien een blonde jonkvrouw bereed. En ik hoorde hen wel vragen of veronderstellen:

--Betooverd....? Betooverd....? En worden zij nu onttooverd?

Dat meende ik ook wel, terwijl ik deftig voort schreed, op het zachte getinkel der eentonige sistra-melodieën, klanken als uit bloemeklokjes, die vielen over den weg, over het knielend gebaar en de vroomheid van wie zij ontmoetten. Maar toen sloeg onze stoet een zijweg in en een dicht bosch van laurier, myrt en sycomoren, schaduwde heilig en geheimzinnig aan weêrszijden des breeden wegs. En voor ons, in de verte, zuilde de witte tempel....

Het waren eerst de twee pylonen, immens en Egyptiesch, toegang gevend als een immense poort tot de laan der sfinxen, die geleidden naar het heilige huis, waar de eeredienst der vreemde godin werd gevierd, ter gelukzaligheid van wie in Thessalië betooverd waren geworden. O, ik wist het wel, dat de goden van Eleuzis, die ik zoo dikwijls had ingeroepen, mijne bruid en mij hadden behoed, maar ik herinnerde mij ook Clitifo's lieflijken tuin van zilverasters en hoe reeds aan den grens van Thessalië een Isis-priester de weldadige bloemen kweekte, die mij hadden kunnen onttooveren, toen ik op Nausistrata verliefde! Zoû ik ooit weêr als toen gulzig storten in de starrige bloemen, ze verslinden en terug winnen mijn vorm van mensch en van man? Ik smachtte er naar; ik zag er naar uit, toen wij het voorplein van den tempel naderden... Want ik meende, dat mijn ezelvorm lang genoeg mij had omhuld, tot boete voor vele euveldaden-van-liefde; ik meende, dat het heilige tijdstip nu weêr naderen zoû, sinds ik trouw was gebleven aan mijn stralendste liefde, aan mijn heilige liefde voor Charis. Was ik ooit, sedert ik ezel was, verliefd geworden op een andere vrouw of maagd? Was ik ooit op een ezelin verliefd geworden? En in de zekerheid van mijn aanstaande belooning voor trouw en zuivere liefde, ging ik mede met den stoet tusschen de pylonen en langs de sfinxen, tot wij stil hielden op het groote plein voor den tempel. En de opperpriester ons beval te wachten, tot de priesters het beeld van de godin op haar altaar zouden herplaatst hebben. Intusschen wachtten wij, Charis van mij afgegleden en den arm om mijn nek, Davus en de drie zwijnen rondom ons. En vroom zagen wij uit in het even geschemerde tempelverschiet, van waar de zang en de zilveren muziek nu, steeds zoo zoet trillerend, weêrklonk. Zelfs de drie zwijnen, scheen het mij toe, hurkten vroom, als knielende neêr, wachtten vol vrome vreeze af en gromden slechts behaaglijk in ondertoon, of zij voorgevoelden het einde hunner vernedering en metamorfoze....

Toen, tusschen zijne priesters, kwam de opperpriester terug. Hij was zoo groot en zacht, zoo huiverwekkend bleek van wijsheid en geheel geschoren zijn ouden schedel tusschen zijne zilveren priesterbanden. In zijn aderige handen, die staken uit de wijde mouwen van zijn weeke, witte gewaad, was een gebaar van menschenliefde, zoo groot, dat het mij ontroerde, ezel, die ik nog was. En hij zeide, terwijl zijn stem vol erbarming klonk en weten van wijze dingen:

--Charmides, hoor mij thans aan. Betooverd als gij zijt geworden, nadert het oogenblik van uwe onttoovering. Maar weet eerst, dat tusschen Clitifo, die de zilverasters kweekt dicht bij Thessalië's grenzen en mij ziele-aanvoeling geweven heeft door middel der heilige machten van Isis. Ik wist van u af en ik wachtte u af, zoo ge niet reeds vroeger zoudt onttooveren, door de bloem, die ik vele malen ontluiken deed op uw weg. Maar de heilige goden van Eleuzis, wien gij vroom steeds waart in uw hart, gunden mij niet te vroeg erbarmen en hebben gewild, dat gij den heiligen, witten lotus niet weten zoudt... O, Charmides, niet de zilveraster zal u voor altijd onttooveren, hoe schoon en zalig de bloem ook zij! Het einde van uw onttoovering zal u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit de blanke u, om trouwe liefde voor Charis, toe komen uit den blanken lotus. Herinnert gij u niet? Aan blauwe lotus lieten nog de azuren oogen van Charis u denken; maar met blanke lotus lag het meer bij Xeniæ overladen, toen gij, op Charis verliefde ten tweede male en ten derde male herschapen werd. Om Charis' woning bloeiden de vijvers van blanke lotus. In den tuin van Dionyzius deed ik nog eenmaal een enkele lotus ontbloeien in het water tusschen de hooge, blankende rotsen en pieken. Maar, zoon, de Eleuzische goden gaven u niet wetenschap en voorgevoel omdat gij de boete volbrengen moest en de trouw in de liefde deelachtig moest worden....

Op dit oogenblik traden de maagden den tempel uit en éene harer, in heur midden, droeg in een zilveren vaas twee prachtige, zeer groote, zilverstralende lotuskelken aan, die stralend ontloken op lange stelen.

De opperpriester wees.

--Zoon, zeide hij; zie hier. Zie hier de heilige bloemen, gekweekt in onze heilige vijvers. Twee heb ik er voor u geplukt. Het oogenblik is gekomen. Eet thans de heilige bloem: de goden van Eleuzis gunnen het u...

Ik knielde in huiverende vroomheid neêr. Ook voelde ik, dat Davus knielde en dat de drie zwijnen zich vernietigden op den grond, voor zoo ver een zwijn zich op den grond in vroomheid vernietigen kan, want zij gromden altijd, hoe zachtjes ook. Maar Charis, bekoord door de bloemen en in hare onnoozelheid de heiligheid van dit oogenblik wellicht niet bevroedende, knielde niet en riep alleen juichende uit:

--O wat prachtige bloemen! Wat prachtige bloemen! Prachtiger dan zij ooit bloeiden op onze vijvers!

En zij naderde; hare handjes gingen begeerig uit naar de vaas, die de maagd reikte aan den opperpriester.

Maar de maagden hielden haar tegen en niet begrijpende, dat zij de bloemen niet hebben mocht, deinsde zij even terug. Toen nam de opperpriester een der bloemen uit de vaas en bood mij die.

Mijn menschehart klopte hevig in mijn ezellijf; ik strekte den bek, opende voorzichtig mijn lippen en vatte de bloem.

En at haar zoo vroom of ik bad.

Nauwlijks had ik de lotus gegeten of ik voelde mij duizelen, maar in mijne vreemde duizeling richtte, rekte ik mij op.

En was een mensch. En was een man. Charmides, Lyzias' zoon uit Epidaurus, in zijn reisgewaad....!

Kringen van licht en zaligheid breidden zich wijd om mij uit!

--Heilige vader! riep ik met mijn eigen stem.

--Mijn heer Charmides! hoorde ik Davus juichen.

Maar een schelle kreet klonk naast mij.

--Charmides! riep omzoekende Charis, als gek. Waar is hij gebleven? Waar is mijn bruidegom? Waar is mijn held, mijn prins, die uit den oorlog kwam in zoo aanbiddelijken vorm, grauw gevacht, langgeöord en zoo lieflijk altijd vocht van snoet, waarmede hij als muziek zeide mijn naam?! Wie is nu deze jonge man?! Ik ken hem niet en ik wil hem niet kennen! Waar is mijn Charmides in eens henen?! Waarom is hij verdwenen! Vader, broeders, neven, o wondermeesters, die hem mij pleegden, wàar zijt gij allen! En waar ben ik en waar is mijn Charmides!?

En ontsteld zag zij mij aan, slaakte haar wanhoopskreten en weerde mij angstig af, toen ik haar liefdevol naderde, uitroepende:

--Wèg, wèg van mij! Jou ken ik niet! Ik ken alleen mijn Charmides en al was hij maar een ezel, hèm heb ik lief, en hem wil ik alleen!

En terwijl zij in snikken uitbarstte, viel zij in de armen der maagden-van-Isis, en verscheurde zij hare sluiers, trok zich de haren los, terwijl hare kreten snerpten:

--Mijn ezel! Charis wil haar ezel! Charis wil niemand dan haar ezel Charmides!

XX.

Een hevige wanhoop maakte zich van mij meester. Wat, wilde Charis dan wel den ezel blijven beminnen, maar niet den jongen man, wiens ziel huisde in dat betooverde dierelijf?! En reeds wilde ik mijne handen vouwen en Charis bezweren mij lief te hebben, die de zelfde toch was als haar ezel geweest was, maar nu in vroegeren man- en menschvorm herschapen, toen de opperpriester, groot, mild en wijs, mij met éen gebaar tegen hield. En hij nam uit de zilveren vaas de tweede, wijd ontlokene lotusbloem en Charis naderend, sprak hij:

--Charis, gij die zoo trouw uw bruidegom bemint, wien geen ezel gij ooit wildet zien maar een held uit den oorlog terug gekeerd, ontvang deze heilzame en heilige bloem uit mijn hand en eet haar om tot bezinning te komen....

Aarzelend nam Charis de bloem aan, bezag haar, kuste haar zacht omdat zij zoo schoon was en vroeg:

--Moet ik zoo schoone bloem eten, o vader? Zie, hoe zij straalt of er licht in schuilt, zie hoe zilverig de bloembladeren zich plooien het een naast het andere: moet ik werkelijk zoo schoone bloem eten....?

De opperpriester sprak niet meer: hij glimlachte slechts met zijn zachten, wijzen glimlach van grijsaard, die vele dingen van hemel en aarde doorpeild heeft. Maar om haar heen namen de maagden de sistra en zij tokkelden met de staven de snaren en zij zongen en zij bewogen in rhythmiesch beweeg rondom Charis, die steeds aarzelend, de bloem in hare hand, om zich heen en naar de zingende en dansende maagden zag en het scheen, die zuivere maat en die zilveren muziek bewoog iets in hare half onnoozele ziel, dwong haar met zoeten dwang iets te doen tegen haar eigenen wil in, want steeds omziende, glimlachende, o zoo zoet haar kinderlach, hief zij hooger en hooger de bloem aan hare lippen, zette als een roode vlinder hare lippen op den kelk...

En at de lotus....

Mij was de bloem als versmolten, dadelijk, op mijn tong, die toen nog die van een ezel was; ook Charis scheen de bloem op de tong te smelten: de lange stengel viel haar uit de hand en als ontwakend uit een slaap, die weken, maanden geduurd had, zag zij om zich heen, vreemd, verbleekte als tot een schim en bezwijmde, zoo geleidelijk zacht als smolt haar geheele lichaam en teêre ziel weg in het niets van den dood. Ik sloeg een kreet van angst en ook Davus en de zwijnen gromden heviger en tolden wanhopig om zichzelve rond als waren ook zij bevreesd, voor de jonkvrouw, die, op eens ezels rug, hen vóor was geijld op de wanhopige vlucht, in de regennacht, uit Chersonezus' verschrikkelijk paleis.

Maar de Isis-maagden hadden Charis in hare zorgzame armen op gevangen en op een wenk van den opperpriester droegen zij haar van daar. En de heilige man zeide zacht:

--Charmides, laat Charis eerst ontwaken uit hare bezwijming... Heb geduld...

Ik boog voor hem neêr, knielde, kuste den zoom van zijn gewaad.

En hij naderde de drie zwijnen, terwijl Davus en ik ter zijde weken.

Zij tolden om hem rond en gromden; hij zeide:

--Claudius Veturius....

Een der zwijnen sprong op, de voorpooten hoog.

--Gaudentius Rufus... zei de opperpriester.

Een tweede zwijn knikte als wanhopiglijk met zijn kop en snorkte hevig.

--Euzebius Silvanus... noemde de opperpriester het derde zwijn.

En het bewoog hevig met den korten krulstaart, schudde zijn borstelig lijf en gromde, maar eerbiediglijk, aan 's priesters voet...

--Gij zijt alle drie genoeg gestraft voor uwe euveldaden, zeide de priester. Gij hebt gestolen uit den Schat des Rijks; gij hebt beschuldigd zonder reden wier ongeluk uw voordeel zoû zijn; weduwen en weezen hebt gij doen lijden, maar, wat kwaads gij deedt, is hersteld tijdens den tijd, dien gij zelve leedt. Gij kwaamt, door Noodlot geleid, in Thessalië; Meroë is u verleideresse geweest, en zoodra ge meendet in hare armen zalig te zijn, werd gij in zwijnen vertooverd. Maar ik weet, dat gij tijdens uw dierlijken staat, berouw hebt gevoeld over al uwe misdadigheid en dus....

De opperpriester gaf een wenk: uit den tempel trad een priester, houdende een vaas met drie amaryllisbloemen, maar zoo wit als de lotussen waren geweest.

--... Heeft uw lijden een einde, voltooide des opperpriesters zachte, welluidende grijsaardsstem.

En hij nam de drie bloemen en zeide:

--Eet ze, Euzebius, Gaudentius en Claudius, want niet de roode, de witte amaryllis alleen, geneest voor altijd van booze betoovering.

En de opperpriester bood den zwijnen, een voor een, de witte amaryllis. Zij verslonden, een voor een, de bloemen tusschen hunne nederig gestrekte zwijnssnuiten en o wonder, een voor een hieven zij, ietwat moeizaam, zich recht en wij zagen voor ons drie senatoren, Romeinen: Euzebius geheel kaal, kort, met een dikken buik; Gaudentius, lang en mager met een treurigen mond, die hing in twee plooien neêr; Claudius scheel en met een dikken neus, waarop een wrat. En zij droegen, o wonder, hunne toga's en voor den opperpriester hadden zij dadelijk verkregen een zekere waardigheid van aanzienlijke Romeinen, van senatoren, toch nederig en berouwvol om het bewustzijn, zeker, dat wij allen hen als zwijnen hadden gekend. En zij knielden, en ik met hen mede, en wij kusten allen den heiligen man zijn mantelzoom en wij begaven ons met de priesters in het heiligdom, om de godin te danken....

Dien avond was het zoo zacht in de lucht als zweefde een godenadem den tempel om. En ik zag de drie senatoren: zij zaten op een marmeren bank in den tempeltuin, rustig en ik denk wel blijde en bespraken--ik overluisterde hen even--hoe zij naar Rome terug zouden keeren, waar Keizer Hadrianus en de Senaat zeker niets zouden begrepen hebben van hunne lange afwezigheid. De een krabde aan zijn kaal voorhoofd, de tweede loenschte scheler in moeizaam bedenken, de derde wreef zich over zijn maag, na het menschelijk maal, dat zij juist hadden genoten en ik hoorde Gaudentius zeggen:

--Nooit iets in Rome zeggen van wat ons is overkomen.

--Niemand zoû het gelooven, zeide Claudius.

--Ik geloof het zelf niet, zei Euzebius overmoedig.

Ik liet de drie senatoren. Ik zelve geloofde wèl, vroom aan Isis, vroom aan de Eleuzische goden en tevens, vol van liefde, liefde als ik beter voelde als man nu dan als ezel destijds, voor Charis, mijn zoete bruid. En terwijl ik, Davus, ginds, in een der kleine vertrekken, die ons ter zijde van de tempelgebouwen waren toegewezen, zag slapen, doodmoê nog, mijn arme knecht van den tocht, dien hij aan mijn verdwenen ezelstaart had moeten volbrengen, dwaalde ik zelve vol verlangen naar Charis om in de tuinen, terwijl het scheen, dat de godenadem mij zoo zacht en weldadig omzweefde.... En voelde ik mij, in dat verlangen naar mijn bruid, gelouterd, vroom afwachtende de dingen, die komen zouden en wèl anders dan ik mij gevoeld had als de dartele handelsreiziger, die ik eenmaal geweest was...

Toen zag ik twee priesters: klaarblijkelijk zochten zij mij, want nu zij mij zagen, kwamen zij op mij toe. De maan, heel zuiver, rees aan de kim, over de verre, rotsige vlakte, die van uit de Isis-tuinen was te zien, als een blankende, eindelooze woestijn....

--Charmides... zeide mij een der priesters.

--Wij zoeken u, zeide de andere; om u op bevel van onzen heiligen vader tot Charis te voeren. Zij wacht u...

Mijn hart sprong op naar mijn keel en ik bezwijmelde bijna van geluk. De priesters, ik tusschen hen beiden, geleidden mij; door de tuinen, achter den tempel om, langs de lange rij tempelgebouwen, waarvoor de myrtehagen als tot groene schermen waren recht gesnoeid, voerden de priesters mij tot ik eensklaps mij bevond in een prieel zoo tooverschoon, dat ik aan werkelijkheid niet dadelijk gelooven kon. Een vijver, in het midden, bloeide in de blankte van de rijzende maan, van de heilige lotus, die voor altijd onttooverde wiens boete door de goden was aangenomen, maar de bloemen lagen niet steeds op het water; de grootste, de allerzilverste rezen op langere stengelen omhoog en schitterden tegen de nacht als sterren der aarde. En rondom verhieven zich hoog de witte amaryllis-kelken als blanke bekers van albast en alle de bloemen schenen de beginnende maneklaarte in hare diepe ontvankelijkheden op te vangen en stráalden, heilige tempelvaten gelijk.... En in dit gewijde prieel, achter, uit een witzuilige gang, trad Charis mij te moet. Twee maagden geleidden haar. Ik zag haar in de zacht blanke nachteklaarte naderen als een teedere schim: zij was bleek en ernstig maar zoo lieflijk als ik nog nimmer haar meende te hebben gezien: iets minder kind en meer vrouw, schreed zij mij langzaam te moet: haar blonde haar omgaf zoo lieflijk kuisch hare broze slapen en teêr, bleek gelaat; een witte peplos plooide bijna als met lotusblankte van hare smalle schouders en langs haar slanke heupen en als blauwe lotus bloeiden hare oogen op in den blik, waarmeê zij mij zocht. En de twee maagden en de twee priesters verdwenen ter zijde....

--Charis! riep ik haar zacht.

--Charmides! riep zij zacht mij toe.

Ik naderde haar en onze armen hieven zich en wij omhelsden elkaâr, innig en dicht.

--Charis! zeide ik. Uit liefde voor je werd ik betooverd in den vorm, dien je, zelve betooverd, lief kreegt.

--Ik weet het, zeide zij. Ik weet alles. En het is alles goed geweest. Charmides, ik heb je éen oogenblik, o een enkele seconde, geloof ik nu, gezien zoo als ik je nu herken. Het was buiten de poort van Hypata. Ik, in mijn draagstoel, volgde mijns vaders stoet. Jij verscheent éen oogenblik mij ter zijde; je zaagt mij aan, ik zag je aan... Meer was er niet... Toèn... liep er een ezel naast mij, een oogenblik slechts... Toen... toen, herinner ik mij, draafde Davus--ik heb hem herkend--op een ezel...

--Op mij....

--.... onzen stoet te gemoet... En weêrklonk je naam, o Charmides!

--En weêrklonk Charis' naam....

--Sedert had ik je, Charmides, lief. Chersonezus betooverde mij, omdat ik hem niet wilde minnen en ik smachtte naar je.... En toen je verscheent in een ezelvorm....

--Aan hek en heining der grasweiden.. vol madelieven..

--Herkende ik je aan je oogen en wist ik, dat je Charmides was... En beminde ik je, als een ezel...

--En verloofde Menedemus Charmides aan zijn dochter Charis....

Wij omhelsden elkaâr innig en dicht.

--Vader leeft, zeide zij. Zij leven allen.... Wat wij zagen, was vizioen....

--Vizioen... herhaalde ik.

--O, Charmides, zeide Charis. Wanneer gaan wij terug tot hèn?

--Morgen, beloofde mij de opperpriester, o Charis. Maar zal Menedemus aan een koopmanszoon geven zijn prinsesje, zijn dochter Charis....?

--Hij zal Charis geven aan Charmides, die haar beminde en redde uit veel gevaar, o Charmides....

--O Charis....

Onze namen, uit onze monden, klonken in een roep van liefde op. Onze roepende monden vonden elkaâr in den eersten kus, dien wij, maagd en man, elkander gaven. De maan rees hooger, straalde, heilige Isis zelve, hooger in de hemelsche tuinen, waar de sterren als lotus ontloken over de azuren hemelmeren en om ons heen, zilver en zuiver, tinkelend en aangetokkeld met de dunne staven, weêrtrilden, weêrtrillerden, de sistra melodie-vol in de vele handen der onzichtbare maagden van den tempel en weêrklinkelden, weêrklonken de even hellere schelletjes, en tikten hare tonen neêr als met dauwdroppelen van teêrste muziek, terwijl de aanzwellende stemmen op zongen ter eere van de goede godin....

--O goden van Eleuzis! baden wij beiden, in ons beider omhelzing. Gij behoeddet Charis en Charmides en wij zullen ons in Eleuzis, o goden, doen wijden in uw heilig mysterie!

Lezer, zoo is het gebeurd. Ik was een ezel en ben het niet meer. Wij werden beiden, na ons huwelijk, ingewijd in Eleuzis' mysteriën. Ik ben opgenomen in de Broederschap van Isis en, in mijn zoet geluk naast Charis, behoef ik, omdat ik de trouw heb geleerd in zoo vele lotsverwisselingen, niet meer bevreesd te zijn ooit weêr in een ezel veranderd te worden....

AANTEEKENING

[1] Hôtel.

End of Project Gutenberg's De verliefde ezel, by Louis Marie Anne Couperus