Chapter 10
Chersonezus! De zoon van Hekate! En die zich ook nog verhoovaardigde te zijn de zoon van Hermes, van den edelen god aller kooplieden in parels en purper?! Neen, dat nooit! Maar van Hekate! Wellicht Chersonezus, dien ik had gezièn, had gehóord, zwevende in de nacht boven het landhuis van Menedemus, om alles te vernietigen en Charis te schaken! Het was Chersonezus, waarheen zij ons leidden! Een ontzétting rilde door mij heen, maar ik begreep dadelijk niets te moeten laten blijken. Charis zelve begreep niets, wist niets van dien machtigen toovenaar; voor Davus was Chersonezus' naam niet meer dan welke andere klank! Alleen voor mij was hij de ontzetting! Wat kon ik doen? Vluchten met Charis? Een ezel met een jonkvrouw tusschen vele menschen is zelfs niet gelijk aan éen man met zijn geliefde tusschen vele mannen. Duizend gedachten en voornemens woelden in mij duizelsnel rond, maar ik begreep, dat er geen enkele was uit te werken of te volvoeren. Schijnbaar rustig stapte ik voort. Charis, gerust gesteld, omdat zij gezeten bleef op mijn rug, keek links en rechts en vroeg de zoete vragen van een kind. Maar Davus riep:
--Heeren opzieners, zegt men niet, dat Chersonezus bekend is met de geheime krachten en zoû hij mijn heer niet onttooveren kunnen?
Wat de opzieners antwoordden, verstond ik niet in mijne verwarring. Maar wel deed Davus' vraag mij begrijpen, dat het beste zoû zijn werkelijk mij te gedragen bij Chersonezus of ik onttooverd door hem wilde worden. Intusschen waren wij het goudmijnbedrijf voorbij gegaan en plotseling zag ik, hoewel in de verte, een wonder vizioen van architectuur opzuilen in de nacht. Het schenen zacht gouden zuilen, die rezen tusschen wijde, maanblauwe tuinen. Nooit nog had ik zulke vreemde, onwaarschijnlijk blauwe tuinen gezien: het was donker blauw van boomgroepen en heestermassa's tegen lichter, star-doorzaaid blauw van lucht; het was nachtachtig azuur van vijvers tusschen lazuursteenblauw van bladeren en bloemen en tusschen al deze betoovering van blauw rezen de zacht gouden zuilen, in Corinthische kapiteel- en gleufverschieten met hare tallooze schachten op, terwijl de daken ook met zacht gouden vakken verschoten. En toen wij naderden, kondigde de hoofdopziener ons aan, door te blazen op een fluit en van daar ginds antwoordde een cymbelslag en er was even een korte muziek over en weêr. En toen wij naderden--een jonkvrouw op een ezel met een slaaf en verschillende opzieners--door de tuinen en langs de vijvers, liepen van alle kanten slaven toe om te weten en hun meester kond te doen. Er was op de vele gouden trappen van het breede huis een beweging op en neêr van slaven en slavinnen en zij zouden kond doen van een betooverde jonkvrouw, met een betooverden jonkman, die Chersonezus' hulp kwamen in roepen. Toen, na een pooze, dat wij toefden voor de trappen, begon het inwendige van het huis te stralen van starachtige lampen, die uitschitterden aan duizenden Hekate-fakkels, in ver verschiet geplant en tusschen de fakkels naderde wie wel Chersonezus scheen. Hij droeg een tiara, die schitterde, een langen tabbaard en zwarten baard. Hij was omringd van tal van trawanten en hij zelve was zoo groot, dat hij boven allen uitstak. Hij scheen wel een Aziatiesch keizer en de mannen rondom hem schenen satrapen. En ik begreep, dat hij een allermachtigst toovenaar zijn moest en toovenaars ook wie hem omringden.
Aan de hoogste trap bleef hij staan in zijn glorie en van de opzieners langs de trawanten, ging het inlichtend woord hem te gemoet. En ik hoorde:
--.... Beiden betooverd.... Charmides.... Charis....
Toen zag ik hem van blijde verbazing opschrikken en hij daalde de trappen af en naderde Charis, die steeds op mijn rug was gezeten.
--Jonkvrouw, zeide hij met zijn diepe, verleidelijke stem. Edele Charis, wees welkom in mijn huis, dat uw eigendom is.
Charis ontsluierde zich half uit hare gele feestsluiers, die zij droeg en zij zeide, zoet lachende, want gewoon aan vereering en hulde:
--Dit is mijn bruidegom, dit is Charmides, de held....
--Ik heet hem welkom als u, zei Chersonezus, terwijl hij Charis deed af stijgen en dadelijk een zwerm van slavinnen haar als gevolg omringde.
En hij scheen haar niet dadelijk te willen overtuigen, dat zij betooverd was en op een ezel verliefd, dat ik betooverd was en een ezel: hij voerde haar aan de hand de treden op en ik volgde met Davus, de trawanten, de slaven, tusschen de gouden zuilen door, tusschen de starrelende fakkels door, de lange, lange galerijen door. Intusschen bonsde mijn hart in mijn ezellijf, al liep ik ook deftig op goud-rooden hoeven achter mijn bruid en den toovenaar. Tot wij kwamen in een feesthal, opene marmeren kolonnade, elke kolom bekroond met een zwart marmeren hond, den hond van Hekate, die tegen den starrenhemel somber indrukwekkend zijn blafkop ophief, terwijl in het midden een waterbekken den zwart marmeren, wijden bak diepte, waar, op het donkere water een zwarte lotus te bloeien lag. En Chersonezus' deed Charis zitten op een marmeren troon, zette zich aan haar zijde en vroeg:
--Zeg mij nu, edele Charis, hoe kan ik u of uw bruidegom helpen?
--Door hem zijn spraak terug te geven, o Chersonezus! zei Charis.
--En met zijn spraak ook een menschelijken vorm?
--Dat niet, o Chersonezus, want zijn vorm is mij dierbaarder dan welke vorm ook zoû zijn....
Chersonezus zag haar aan: klaarblijkelijk had hij, hoe machtig toovenaar hij was, een ander antwoord verwacht; klaarblijkelijk had hij nooit berekend, dat Charis' betoovering door zijn eigen tooverwoord toch nog geluk haar geworden zoû zijn om hare liefde, die de goden van Eleuzis wel hadden toe laten gaan naar een ezel, maar naar een eveneens betooverden, in een ezel betooverden jonkman, zoo dat zich toch liefde, hoe wonderbaar, tusschen beider zielen had kunnen weven, zoo dat toch geluk hen had kunnen door glanzen en hij aarzelde te antwoorden, terwijl de maagd, die hij, de goden wisten welke schande had toebedacht, rein en argeloos en goddelijk onnoozel en zoo onvergelijkelijk schoon zat aan zijn zijde....
Maar plotseling weêrklonk van uit de diepte der tuinen, waaruit het van flambouwen ook te starrelen begon, een vreemd geluid, als van aansnorkende zwijnen; ik zag op en kon mijne ezelsoogen niet gelooven, toen ik aanschouwde wie daar in praal werd aangedragen, op een bedde van zonnebloemen....!
XVIII.
Een klaterende lach weêrklonk. En ik zag Meroë aangedragen en zij riep:
--Ik herken je, ik herken je, o Charmides, o koopmanszoon uit Epidaurus, o reiziger in purper en parels, al herschiep mijn dienende geest je in een ezel, elken keer, dat je verliefd werdt!
Zij steeg af van haar bloemenbedde, dat men neder zette en naderde Chersonezus en zeide:
--Mijn groote en machtige vriend, gij, die met mij heerscht in de luchten boven Thessalië, ik vraag u een gunst, niet meer dan de gunst, die een versmade vrouw zoû vragen. Geef mij den ezel, dien ik hier voor mij zie, opdat ik met hem doe naar mijn believen. Want ik wil op dien ezel mij wreken.
--Zal ik niet aan mijn gast, de edele Charis, mishagen, antwoordde Chersonezus met een valschen lach van hoffelijkheid; zoo ik u, o Meroë, den ezel af sta, die geen ezel is maar een held, Charmides, uit den oorlog terug gekeerd en Charis' verloofde??
--Charis zal zeker, spotte op haar beurt tusschen den drom der toovenaars en hunne trawanten, die ons omringden, Meroë; zich troosten voor Charmides, zoo zij zich met Chersonezus verlooft. Sta, Chersonezus, mij dien Charmides af.
--Ik sta, Meroë, u hem af, zoo Charis aan Chersonezus zal zijn.
Zoo spraken zij over en weêr, vol helsche ironie en plotseling weêrdaverde hun klaterende lach. En weêrdaverde om ons heen aller klaterende lach, zoo vreeslijk en duizendvoudig, schel schaterend, dat het geheele paleis scheen te schudden met zijne zuilen, dat àlles lachte, dat de zuilen lachten, dat de booze nacht van het lachen bewoog en dat in den omtrek wel honderden honden lachende blaften, met de zwart marmeren Hekate-honden op de lachende zuilen mede. En het was een vreeslijke ontzetting in mij: rillende stond ik op mijn pooten, om Charis bevreesd, die ik niet wist hoe te redden uit deze helsche omtoovering, maar zijzelve, zekerlijk zich om hare onnoozelheid niet bewust wat haar omringde en bedreigde, scheen alleen te doorvoelen, dat Meroë haar wilde ontrooven haar bruidegom en als een furie wierp zij zich voor mij, breidde de armen uit, roepende:
--Nooit zal Charis aan Chersonezus zijn en Charmides nooit aan deze slechte vrouw, die mij mijn bruidegom wil ontrooven! Wij hebben elkander lief en nooit zal wie ook van ons lief hebben een ander, wat hare wraak ook bedenkt!
Het helsche gelach was verzwegen en in een doodstilte weêrklonken de woorden der maagd. Geen hond blafte meer, maar een dreiging, bijna vreeslijker dan het lachen, huiverde door deze booze sfeer, waarin wij ons bevonden. De blanke schijn van de nacht was lijkvaal geworden, de gouden glanzen der lampen versulferden en bleeke schimmespooksels doemden larve-achtig om ons rond kronkelend op. En in het gewarrel dier vreemde lijnen en lintelijven bloeide in het waterbekken de zwarte lotusbloem op een zich zichtbaar rekkenden slangestengel omhoog uit het zacht ziedende water. De stengel slingerde, groeiende, van rechts naar links, kronkelde steeds langer over het bekken en bereikte eindelijk met haar bovenmatig groote, zwart gloeiende bloem mijn bek.... En Meroë zeide, huichellachende:
--Lieflijke Charis, laat mij u zeggen, dat Charmides een duivelsche slechtaard is, die om straf in dezen ezelsvorm veranderd werd. Gij waant hem een held, uit den oorlog gekeerd, maar hij is een monster, een vreeslijk gedrocht en zoo gij hem dwingt deze lotus te eten, zult gij hem in zijn ware gedaante voor u zien.
Verstrikt zag Charis van Meroë naar Chersonezus en mij. Rondom ons stonden de toovenaars en alle hunne oogen staarden op ons. En Meroë spotlachte steeds, gestrekt haar staf, en in Circe's gewaad, met de juweelen zonnebloemen van chryzoliet-en-harten-van-anthraciet aan hare slapen en op hare borsten. En het was of alles dwong Charis de bloem te plukken. Zij strekte de hand naar den langen stengel, die toe naar haar kronkelde. Zij plukte de bloem. Het was of de bloem zwart straalde in haar witte kinderhand. En zij reikte mij de bloem, onmachtig te weêrstaan de verleiding der nieuwsgierigheid....
Zij zag mij met hare dierbare oogen, die als blauwe lotussen waren, aan, terwijl zij mij den zwarten lotus reikte. Het was mij bijna onmogelijk te weêrstaan, waar de vreeslijke verzoeking mij kwam van hare hand. O Goden van Eleuzis, wat zoû gebeuren, zoo ik at?! En dadelijk, dat ik in mijne vertwijfeling dacht aan de heilige goden, voelde ik mij doordrongen als met een pijl met deze ingeving:
--Vat de bloem aan maar eet haar niet....
En strekte ik den bek. Ik voelde om mij de hevige trilling van de boosheid, die wachtte.... Ik vatte met mijn tanden den stengel aan en de bloem bengelde tusschen mijn tanden. Maar dadelijk spuwde ik den verleidelijk zoet smakenden stengel uit en vertrapte met mijn hoeven de bloem.
Plotseling doofden alle lichten en een helsche storm van gekrijsch warrelde razende op in de duisternis. Maar ik voelde om mijn nek Charis' armen en tusschen hare kreten hoorde ik het woedende brullen der toovenaars en Chersonezus' en Meroë's stemmen tegen elkander in:
--Hoe is het mogelijk, onmachtige Chersonezus....!
--Hoe is het mogelijk, machtelooze Meroë....!
--Dat een ezel....!
--Een handelsreiziger....!
--Telkens en telkens weêr....!
--Je toovermacht breekt....!
--Je toovermacht breekt....
Zij scholden woedende op elkaâr in de stikdonkere nacht.
--Goden van Eleuzis, bad ik; ik weèt het, waarom hun toovermacht brak! Het is om uw bescherming, goden! Goden van Eleuzis, beschermt ons steeds!
En steeds stond ik, een rillende ezel, terwijl ik, Charis, bezwijmd, om mijn nek voelde. De nacht klaarde op. Het was als een vale morgen en ik zag het tooverpaleis er bleek in op zuilen als de grauwe schaduw van wat het die nacht was geweest. Er hing als een nevel in. Het scheen onbewoond, op dat oogenblik: het scheen er leêg van menschen en dingen, van boosheid en van betoovering. Die nacht, misschien zoû het weêr hergloeien door helsche machten: nu stond het slechts verlaten om ons op, immens, leêg en grijs....
--Waar ben ik! stamelde Charis, die ontwaakte. O, wat een droom! Charmides, Charmides, vluchten wij?
Zij wierp zich op mijn rug.
Maar plotseling hoorde ik een stem:
--Mijn heer! Mijn heer Charmides! Vergeet ge dan uw knecht! Vergeet ge dan uw trouwen Davus! Zie toch eens naar hem om al zijt ge maar een ezel! Want drie dikke zwijnen achtervolgen hem en laten hem niet los!!
En werkelijk, mijn rechtervoorpoot reeds geheven om op de vlucht met Charis te gaan, zag ik om en bespeurde ik Davus, die om het waterbekken rond liep, achtervolgd door drie snorkende zwijnen.
Hij rende op mij af en verschool zich tusschen mijn pooten en riep:
--Bescherm mij, heer! Bescherm mij, heer!!
Maar de zwijnen schenen hem geen kwaad te willen doen. Zij snorkten slechts heviger, smartelijker, en o wonder, ik verstond plotseling wàt zij snorkten. Want ik had geleerd, dat der dieren taal er eene is van telkens bij ieder dier wisselenden klank voor het zelfde begrip en dat elk dier, bij ontwikkeld instinct, een ander dier begrijpt. Het was dus tusschen de drie zwijnen en mij een hevig gebalk en gesnork over en weêr en zij smeekten mij:
--Hàrr-mides! Hàrr-mides!
Wat is er?
--Erbàrm, erbàrm u onzer!
--Wie zijt ge?
--Wij zijn drie senatoren, die op reis waren in Thessalië....
--Wat overviel u? vroeg ik.
--Wij werden alle drie, riepen zij; in Hypata door Meroë betooverd! En als zij haar minnaars betooverd heeft, werpt zij hen, geslacht, in de tooverketels der heksen, op de bergvlakten, onder de maan, die zij uit haar loopbaan rukken....
--Een zwijnetand hier....
--Een zwijnepoot daar....
--Een zwijnestaart hier....
--En zwijnborstels daar... riepen zij door elkaâr.
--Ge moet amaryllis eten! riep ik.
--Waar vinden wij amaryllis te eten? riepen de zwijnen. En het was alles balken en snorken, verscheurend en grommend, zoo dat Charis riep:
--Charmides! Charmides! Vlucht!!
En Davus:
--Heer Charmides! Heer Charmides! Bescherm mij!
Ik zette het op een loopen, balkende. En het scheen, dat zoowel de drie zwijnen als Davus zelve mijn gebalk begrepen, want terwijl Charis mij om mijn hals omklampt hield en de drie zwijnen mij ter zijde en achter mij aan stommelden, had Davus mijn staart gegrepen en liet zich zoo, hollende hij, dravende ik, mede sleepen door zijn heer, die een ezel was. Het was juist wat ik zoowel mijn knecht als de zwijnen had toe gebalkt; het geschiedde alles zoo als ik het wilde en door den valen morgen draafde onze stoet tuinen door, wegen op, velden over, stroomen door. Waarheen ik hen allen leidde, was ik mij onbewust: ik begreep alleen, dat ik vooruit moest, wèg moest, Chersonezus' zoo uitgebreide bezittingen, landerijen en tooverban uit, om Charis te redden, om mij en Davus te redden en te redden de drie betooverde senatoren.... Ons allen te redden vóor Chersonezus, zich bezinnende na die woede over zijn tijdelijke machteloosheid, ons met éen gebaar van zijn staf zoû weêrhouden verder te vluchten in heilige zekerheid. En daarom draafde ik door. Het scheen of de zon niet op straalde, dien dag. Het scheen of ik liep met een geheime kracht, of ik zweefde, mijn hoefslag nauwlijks tikkend den grond. Over mij heen, hare armen rondom mijn hals, lag Charis en ik vermoedde, bezwijmd. Aan mijn staart, allerpijnlijkst, marteling, die mij deed denken aan vroegere martelingen, toen ik takkenbossen getorst had en molensteenen gedraaid, hing, als ware het, Davus, liet mij niet los en ik sleepte hem meê, terwijl zijne voeten ondanks zichzelven mede liepen. En snorkende, grommende, knorrende, renden achter, ter zij, de drie zwijnen mede, zich liever hunne senatorenzielen uit hunne dikke leden loopende dan hun redder, mij, te verlaten. Neen, het werd geen dag, durende dien vreeslijken rit. Het regende en ik rende den regen door, tot een diep ravijn zich boorde voor mijne blikken. En een hevige bliksemschicht uit schoot en de donder dadelijk rolde....
Ik stond stil, steil op mijn rechte pooten, mijn ooren steil en steil mijn pijnlijken staart, dien Davus niet los had gelaten. De drie zwijnen tolden wanhopiglijk om hun dikke zelve rond als wisten zij niet meer wat nu te doen. En nu ik eenmaal stil stond, wist ik, dat ik niet verder kon, uit vermoeidheid ten doode toe, niet vèrder kon, dat diepe ravijn neêr en ginder weêr op, in den slagregen, die stortte neêr.
--O mijn heer! O mijn heer Charmides! klaagde Davus, die reeds gewend aan de zwijnen scheen en tusschen hun drieër rondgetol de armen wanhopiglijk rekte en de handen wrong.
Ik balkte, heel wijd. Ik balkte, in ezeletaal, dat Davus de jonkvrouw, bezwijmend op mijn rug, af zoû tillen en haar zoû dragen in rotskloof, veilig voor stormgeweld. De drie zwijnen begrepen mij dadelijk en ook zij beduidden het Davus met geknor en gegrom en gesnork. En o wonder, het was of Davus het wèl begreep, uit mensch-intuïtie, omdat een mensch toch wel eens een dier begrijpt. Terwijl ik, mijn kop naar hem toe, balkte, balkte als geen ezel ooit balkte, terwijl de zwijnen snorkten, snorkten als geen zwijn ooit snorkte, ontwrong hij voorzichtig Charis' greep om mijn hals, tilde haar op, droeg haar binnen de diepe kloof, legde haar hoofd op het mos, dekte haar toe met breede varenbladeren en hurkte toen aan hare voeten neêr om er zelve in zwijm te vallen.
Toen, vóor de kloof, viel ik in een. Ik voelde mij of mijn menscheziel ontsnappen zoû aan mijn dierelijf in mijn zwoegend ezelgehijg. Mijn oogen puilden mij uit den kop; mijn staart voelde aan als uitgetrokken aan mijn ruggegraat. Rondom mij lagen de drie dikke zwijnen, zwoegende ook, vlak op de flanken ter neêr. En zoo bleven wij die nacht van stormgeweld: een maagd, drie senatoren, een handelsreiziger en een slaaf, aan den rand van het ravijn, dat zich uit strekt langs den heirweg, die voert naar de stad van Larissa.
XIX.
In diepen slaap lagen wij, geloof ik, allen die nacht ter neêr. Plotseling schrikte ik op en mijn eerste gedachte was aan mijn bruid. Hoe had ik kunnen slapen, terwijl zij daar lag in de spelonk, onder de varenbladeren. Davus aan hare voeten en de drie zwijnen, rondom mij, als de enkele lijfwacht, die haar behoedde! Zoo verweet ik mij hevig en met éen sprong stond ik op mijn vier pooten. En schudde den dauw van mijn vacht. Werkelijk, de zwijnen sliepen nog. Davus sliep. En Charis, de zoete, sliep. Hoewel zij, een Egyptische mummie gelijk, omplakt in hare natte wade en sluiers, sliep in de spelonk op het mos, schenen de vele varens, waarmeê Davus haar had overdekt, haar warm te hebben gehouden, want zij sluimerde als een kind zoo rustig, haar blank gezichtje in het blonde haar enkel zichtbaar, verder de lijn van haar lichaam slechts even te raden onder het breed geblaârte. O, zoo zij ziek ware geworden van den vreeslijken rit door den slagregen! Maar het scheen wel, dat de goden waakten over haar, want zij lag zoo rustig als hadde zij gelegen in haar kuische bedde te huis!
Herademend keek ik om. Het ravijn glooide diep naar omlaag, met ruig struweel begroeid; de gezwollen stroom schuimde er bruischend met val op val de rotsblokken af en in die diepten doken de nachtelijke schaduwen weg. Maar ginds, in het Oosten, rilde een rozige schijn op, een kier van goud scheurde lang in den nog schemergrauwen hemel laag over de oorden, die wij verlaten hadden en de jonge dag, zelfs aanbiddelijk boven dit ruwe landschap, rees als een jonge god op. En plotseling vernam mijn lang, steil gespitste oor een zacht geluid, dat naderde uit dat zelfde Oosten aan over den met steenblokken bezaaiden baaierd, die het ravijn omgaf en waardoor nauwlijks van weg meer spoor was.... Het was een zacht zilveren getinkel en aangetokkel, zoo als ik meende wel meer in vroegere dagen te hebben vernomen en het klonk zoo zalig zuiver ginds uit de rozigende verte aan, dat ik luisterde, luisterde, zonder nog mij van die bekoring rekenschap te kunnen geven. Tot ik zag een witten stoet, nauwlijks nog omlijnd in den rozigen dauw, die optrok: meer nog een stoet van schimmen, vage mannen, vage vrouwen, aan bewegende over het rotsgesteent en met den eersten dageschijn om de zich tegen de lucht uitheffende hoofden, zingende en musiceerende.... Nu, duidelijker, klonken de stemmen, trillerden, aangetinkeld, de sistra-snaren en ik herkende de zoete muziek en ik balkte luide op, om mijn lotgenooten te doen ontwaken.
Davus ontwaakte het eerst en ook Charis sloeg hare oogleden op en zij riep:
--Charmides! Charmides! Waar ben ik?
Ik was wèl gewoon op velerlei manier met mijne bruid gesprek te voeren, maar dit maal was het Davus, die antwoordde:
--In veiligheid, edele jonkvrouw: vrees niets! Wij hebben over uw slaap gewaakt al sliepen wij ook zelve, ten minste ik, uw slaaf! Maar mijn meester, heer Charmides, uw onvergelijkelijke bruidegom, heeft mij wakker gebalkt... Hoewel onze drie metgezellen, van wie ik werkelijk niet weet of zij zwijnen of senatoren zijn, nog in diepste rust zijn gedompeld!
En opgestaan riep hij:
--Heeren zwijnen of senatoren, ontwaakt! Het is dag, het is dag en de zon rijst over de vlakte!
De zwijnen, grommende, richtten zich op en ik balkte, terwijl hoog in de lucht de leeuweriken jubelden. En Charis en Davus zagen nu ook den stoet, die uit de rozige verte aan kwam....
--Het zijn Isis-priesters! riep Davus. Het is een goed voorteeken, dat hun stoet ons nadert en misschien kunnen zij ons bijstaan met raad zoowel als met daad!
In der daad kwamen zij nader, de heilige mannen met de zingende maagden en in hun midden liep de opperpriester, herkenbaar aan de zilveren banden, die zijn kruin omgaven en langs zijn slapen hingen. En toen zij vlak bij ons genaderd waren, deed ik een paar stappen voorwaarts en knielde neêr op mijn twee voorpooten.
Het was zeker een vreemd gezicht, een dergelijke knielende ezel. Maar de Isis-priesters, die wisten alle de vreemde dingen, die in Thessalië gebeuren konden, verwonderden zich niet al te zeer en hielden zwijgende stand.
--Heilige heeren! riep Davus. Erbarmt u over ons allen! Erbarmen zich de goden over ons allen: alle menschen, die door veel avontuur gegaan zijn, maar de jonkvrouw en de slaaf mensch nog alleen en de anderen zwijnen en ezel! Erbarmt u vooral over den ezel, heilige heeren, den ezel, die is mijn heer!
De opperpriester was naar voren getreden en hij las, wat ik, opgerezen uit mijne knieling, in het stof van den weg met mijn hoef had geschreven:
--"Ik ben Charmides, zoon van Lyzias.... En de maagd, die ik redde uit veel gevaar, is Charis, de dochter van Menedemus...."
--Ik ben Davus, heilige heeren! riep Davus. Aan mijn slavennaam begrijpt ge, dat ik eens ezels slaaf ben!
--En de zwijnen? wees de opperpriester naar de drie, die zich grommende en tollende, verlegen, hielden ter zijde.
Ik schreef het met mijn hoef en Davus beaâmde het.
--Gij zijt dus allen betooverd geworden? vroeg de opperpriester ernstig.
--Ik wel het minste, heilige heer, zei Davus; maar anders, ja, heeft iedereen wel een tikje beet!
--Vergezelt ons in onzen stoet, zei de opperpriester. Wij gaan terug naar het heiligdom van de godin.