Part 9
Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer schik.
De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde, gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.
Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon bang. En iedere morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar geworden.
De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.
Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam, tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen, maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde, doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te merken.
Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die m’nheer te letten.
Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde de dorpsveldwachter de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.
„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in zijn bezit zijn.”
„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”
Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl ze zich gereed maakten om in bed te stappen.
Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was onmiddellijk bij de hand met ’n idee.
„Zeg Koen, dat moet niet hoor.... Ze moeten dat kistje niet bij jouw vader vinden..... Kan je niet meer praten?”
„Ja....we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van geschrokken!”
„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”
„Hoe kan dat nou.... Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden ze ’t immers vanzelf. En ze hebben ’t zóó, want vader kan het nergens in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles nagekeken om te zien waar het zijn kon.”
„En kunnen wij in die koffer komen?”
„Wij.... Welnee.... hoe zouen we?”
„Ja ’t moet toch.”
„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t beste zijn.”
„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”
„Weet ik ook niet..... Hij moet het maar naar Amerika sturen.”
„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze ’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”
„Maar hoe komen we d’r aan?”
„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”
Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken, sliepen ze al.
Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en als die dan deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet.
„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo goed wist als Koen.
„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.”
„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.”
„Ja.”
„En dan gaat ie in de kast.”
„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen.
„Kan je zoo meteen nog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg, als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg ik van vader op m’n kop.”
Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet, dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid. Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest, had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de voorkamer of ie ook gemakkelijk bij die koffer van zijn vader komen kon.
„Waarvoor?” zei Koen.
„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.”
Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n hekel.
Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land hadden ze er aan.
Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer.
’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen.
Koen sloop naar de kast, deed de koffer open... Hij schrok er zelf van. Daar was de machine van professor Wells!
De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien.
Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had.
„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?”
Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om weer in de kippenstal te komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo, want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.”
En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel.
„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t werk was in de kippenmest.
Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n „beroerd” werk vond.
„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?”
„Niet, wat is het dan?”
„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.”
„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.”
„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend. „Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat kistje vinden zal hè?”
„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor ’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem terug te bezorgen.”
„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.”
„Zou het?”
„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad had,” antwoordde Piet lachend.
Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer, van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar het terug kwam halen.
„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen.
„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.”
„O.... Zeg ik dee het liever ergens anders.”
„Nee jô.... ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.... niet voor die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt het niet terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken. Dat kan die immers?”
„Ik geloof het wel.”
„Je had het toch gelezen?”
„Ja, dat wel.... maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als ie eindelijk hier komt.”
„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.”
„Amerika is niet naast de deur, jô.”
„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?”
Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had.
Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens gingen gerust heen.
In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden de afloop van die zaak van nabij meemaken. Ze hoopten maar, dat m’nheer Bruggemans hen niet zou wegzenden.
Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge gezichten begon te zetten.
Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was, ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet, misschien die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden wegvoeren.
De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had.
M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie er niet achter ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als!
M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n onderzoek.
En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en wat andere rommel. Wilt u kijken?
„Nee.... of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.”
M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De burgemeester keek over zijn schouder.
„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.... ’t was maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.”
„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer Bruggemans, en hij liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten op z’n knieën.
Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had opgemerkt.
„Hoe was ie?” vroeg Piet.
„Prachtig... Zag je vader voor die koffer zitten?”
„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend.
„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er toch maar fijn doorgerold.”
„En of.”
Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets.
Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas:
De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde Staten van Noord-Amerika.
„Da’s de derde,” zei Koen.
„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend.
„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.”
„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?”
„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n machine wel waard zijn.”
TIENDE HOOFDSTUK.
Waarin professor Wells met twee detectives naar Amsterdam reist, maar op de boot leelijk bestolen wordt en de twee politiemannen in Nederland al dadelijk boffen.
M’nheer Bruggemans had twee brieven geschreven en dit was de derde. Maar professor Wells had er geen een van in z’n handen gekregen. Midden in de Atlantische Oceaan was ie vlak voorbij de twee brieven gevaren, die in een van de honderden postzakken zaten, die ’n groote mailstoomer naar Amerika bracht, terwijl professor Wells op het dek zat van ’n andere stoomboot, die van Amerika naar Europa voer.
Die beide brieven waren ’n poosje later aan z’n huis in Yale in de brievenbus gestopt of ze lagen misschien wel in de postbus aan ’t postkantoor in Yale, waarvan de professor zelf ’t sleuteltje had en waar dus niemand anders dan hij zelf de brieven kon uithalen.
In ieder geval lag de professor toen juist voor ’t eerst in Amsterdam lekker onder de wol in het Amstelhotel, waar hij die dag juist was aangekomen in gezelschap van zijn twee slimme detectives, die van plan waren de volgende dag dadelijk met hun nasporingen te beginnen of liever die voort te zetten, want ze waren er al lang van te voren in Yale mee begonnen.
Nu is het bekend dat amerikaansche detectives de slimste zijn van de heele aardbodem. Dat is zoo bekend, dat je niet eens het beroemde boek van Mark Twain „De gestolen Witte Olifant” behoeft te lezen om dat te weten. En van al die slimme speurders in z’n land had professor Wells de twee beroemdste uitgezocht. Het waren James Maccassy van New York en Jesekia Blubberdub van Chicago.
Er was geen misdadiger in New York of Chicago, die niet de heele dag van streek was als hij ’s nachts van James Maccassy of Jesekia Blubberdub gedroomd had. Alle boosdoeners in Amerika kenden dan ook die twee, maar die twee kenden ook alle misdadigers. Dat wil zeggen diegenen onder de dieven en roovers, die de moeite waard waren, want met het kleine goed, van die diefjes die ’n stuk lood van je dak kwamen stelen, of er met ’n baal koffieboonen vandoor gingen, die per ongeluk ’n goeie paraplu meenamen of uit de gang je beste overjas op de kop tikten, daar hielden zij zich niet mee bezig. Als je bij James Maccassy of Jesekia Blubberdub aankwam om te vertellen dat je fiets gestolen was zoo maar onder je neus weg, terwijl je even in ’n winkel ging om ’n doos sigaretten te koopen, dan antwoordde James Maccassy je onveranderlijk, dat er op de hoek van de straat wel ’n politieagent zou staan om zoo’n snertboodschap aan te hooren en Jesekia Blubberdub had de gewoonte, om in zoo’n geval je ’n adreskaart te overhandigen van een of andere fietsenwinkel, waar je je ’n nieuw rijwiel kon aanschaffen, als je dan toch met alle geweld per fiets naar huis wou.
Doch kwam je bij hen met de treurige mededeeling dat er ’s nachts bij je was ingebroken en dat de dieven al je kostbaarheden en al je geld hadden gestolen en ook de zilveren lepels en vorken niet vergeten hadden, dan kon je op ’n vriendelijke ontvangst rekenen. Je kon er ook op rekenen, dat zoowel James Maccassy als Jesekia Blubberdub in dat geval niet alleen bereid waren je tot het eind van je verhaal aan te hooren maar ook, dat ze daarna dadelijk met je meegingen om de zaak bij je thuis te onderzoeken en dan wisten ze je gewoonlijk onmiddellijk te vertellen wie ’t gedaan had, want dat zagen ze aan de manier van werken en omdat ze alle booswichten en hun manier van werken op hun duimpje kenden, was dat voor hen maar ’n kleinigheid.
Toen professor Wells dan ook eerst bij James Maccassy en daarna bij Jesekia Blubberdub aanklopte, was hij er erg mee ingenomen dat ze allebei tot dezelfde conclusie kwamen, namelijk, dat de wondermachine gestolen moest zijn door Jim Pimpelmees, ’n Hollander van afkomst en de raarste dief, die je maar bedenken kon. Jim Pimpelmees stal namelijk nooit geld of kostbaarheden of zooiets, doch als er hier of daar iets vreemds of buitengewoons vermist werd, kon je er op rekenen dat Jim er achter zat. Maar Jim was verbazend slim ook nog en het was zelfs nooit gelukt aan James Maccassy of Jesekia Blubberdub om Jim Pimpelmees te pakken te krijgen.
Jesekia Blubberdub vertelde aan professor Wells als ’n bewijs van Jim’s ongeëvenaarde slimheid, de geschiedenis van de beruchte diefstal bij Barnum en Baily. Uit dat reuzecircus was in ’t jaar 1907 te Melbourne in Australië de beroemde hond Gipsy vermist, die geen achterpooten had en gewoon op z’n twee voorpooten liep. Dat was het eerste zaakje dat James Maccassy en Jesekia Blubberdub samen opgeknapt hadden.