De Verdelgingsoorlog Der Yankees Tegen De Apachen Indianen De A

Chapter 2

Chapter 23,700 wordsPublic domain

In Januari 1873 werd eene Apachenbende door eene afdeeling van het vijfde regiment ruiterij aangevallen en neêrgesabeld; tegelijkertijd werd eene andere bende in het gebergte bijna geheel uitgeroeid. Deze laatste behoorde tot de volgelingen van Riley en Del-Schay. Laatstgenoemde had in November 1871 eene samenkomst met Colyer, die over den vrede kwam onderhandelen, en zeide tot hem: "Het bevalt mij niet, langer in het gebergte om te dolen; ik wil een duurzamen vrede sluiten en mijn woord houden, tot de steenen smelten. God schiep den blanke, en Hij schiep ook den Apache, en de Apache heeft evenveel recht op dit land als de blanke. Wanneer ik een verdrag sluit, dan vertrouw ik, dat men mij tarwe-, pompoen- en meloenzaad zal geven; dat zal ik dan nabij het oude fort Reno zaaien. Wanneer het verdrag gesloten is, en de bevelvoerende officier zijn woord niet houdt, dan zal ik zijn woord in een gat wegstoppen en dat met vuiligheid bedekken. Ik beloof dat, na het sluiten van het verdrag, de blanke lieden en de soldaten hunne paarden en muildieren onbewaakt in het veld kunnen laten; en wanneer dan nog een enkel dier door de Apachen gestolen wordt, wil ik mij den hals afsnijden. Wanneer echter de Amerikanen het verdrag breken, dan zal het verder geen gevolgen hebben; zij gaan dan hun weg en ik ga den mijnen."

Tegen alle Apachen, die hunne _reservations_ verlaten hebben, werd nu rusteloos krijg gevoerd; blanke vrijwilligers en ook indiaansche bondgenooten, zooals de Pimos van de Rio-Gila en de Papayos, sloten zich bij de amerikaansche soldaten aan. In September 1872 werden vier indiaansche legerplaatsen overvallen, veertig Apachen gedood, een groot aantal gewond, de vrouwen en kinderen ditmaal niet vermoord, maar gevangen genomen. Eenige dagen later werden door eene rondzwervende bende zeventien gewapende Apachen doodgeschoten; in Januari van dit jaar zijn er wederom meer dan honderd om het leven gebracht.

"Ons, Amerikanen, heeft de oorlog in Arizona, gedurende de laatst verloopen twaalf jaren, duizende menschen en ongeveer veertig millioen dollars gekost: en toch is het doel, de volkomen uitroeiing der Apachen, nog niet verwezenlijkt. Voortaan zal de oorlog nog veel bloediger worden, en zich over eene grootere uitgestrektheid lands verbreiden. Op de verzekeringen en beloften van Kotchise en de andere hoofden valt nu niet meer te rekenen. De blanke kolonisten dringen op doortastend handelen aan; en ongetwijfeld zullen ook een aantal Mexikanen over de grenzen komen, om tegen hunne erfvijanden te strijden. De vredelievende staatkunde is niet geslaagd."

Wij hebben deze correspondentie uit de _New-York Herald_ uitvoerig medegedeeld, omdat juist uit deze bijzonderheden ten duidelijkste blijkt, hoe de zaken eigenlijk staan, en welke waarde men te hechten hebbe aan de luide declamaties der Yankees tegen het "wilde ongedierte." Het ware "ongedierte" zijn de blanke schurken, roovers en landdieven, die in de door Indianen bewoonde streken hun afschuwelijk handwerk drijven. De gansche blanke bevolking in het uitgestrekte territoir Arizona, dat niet minder dan 5358 duitsche vierkante mijlen beslaat, beloopt ter nauwernood tienduizend zielen; de volkstelling van 1870 geeft slechts een cijfer van 9658 zielen.

Het ligt in het minst niet in onze bedoeling, de Apachen van alle schuld vrij te pleiten, en hen, in zekeren zin, tot een soort van idyllische ideaal-menschen te maken; wij wenschten slechts te doen uitkomen dat de blanke, zoogenaamd christelijke barbaren, die op hunne beschaving roem dragen, in geen enkel opzicht beter zijn dan de heidensche Roodhuiden, die van hun kant geen aanspraak op beschaving maken. Deze Indianen zullen het lot niet kunnen ontgaan dat hen onvermijdelijk wacht, en dat reeds zoo talloos vele indiaansche stammen getroffen heeft; de natuur zelf heeft hun het vermogen onthouden, eene andere levenswijze aan te nemen, hunne steppen en prairiën vaarwel te zeggen, en zich in dorpen of steden op landbouw of handwerk toe te leggen. De beschaving, die hen niet geleidelijk wordt aangebracht en zich uit hen zelven ontwikkelt, maar plotseling en wel van hare slechtste zijde op hen aandringt,--kunnen zij niet aannemen; in den schok, dien eene dergelijke aanraking overmijdelijk veroorzaken moet, gaat de zwakkere reddeloos te gronde. Dit rechtvaardigt evenwel de schandelijke handelwijze der blanken niet, die van hunne meerderheid, in ieder opzicht, zoo gruwelijk misbruik maken; en in stede van naar vermogen te trachten, van deze rampzalige stammen te redden en te behouden wat nog te behouden is, met alle mogelijke middelen hun ondergang verhaasten.

De Apachen vormen twee groote hoofdgroepen, die zich weder in een groot aantal kleinere afdeelingen of stammen splitsen, die ieder hun eigen opperhoofd hebben. Zij zijn zeer verbreid in het zuidwesten van de Vereenigde-Staten en in de noordelijke streken van Mexiko. De Apachen, die ten oosten van de Rio del Norte wonen, worden _Mescaleros_ genoemd, naar een van de hoofdbestanddeelen hunner voeding, den _mescal_, dat is de gebakken wortel van den maguëy, de _Agave americana_. Talrijker is de groote groep, die zich ten Westen van de genoemde rivier ophoudt, voornamelijk in Arizona. Men noemt hen _Coyoteros_, omdat zij voornamelijk van het vleesch van den jakhals der prairiën, den _coyote_, leven. Alle Apachen zijn nomaden, die voor een goed deel van roof en plundering leven; zij voeren hunne tenten met zich, en eerst in de laatste jaren hebben sommigen, aan den aandrang van vreemden gehoor gevende, zich aan landbouw gewijd. Deze proefnemingen zijn echter in den regel mislukt, omdat eene bestendige, aanhoudende werkzaamheid met hunne gansche natuur in strijd is: zij kunnen zich daarin niet schikken.

Met de Mexikanen leven zij, zooals wij reeds zeiden, van oudsher in vijandschap; zij waren steeds en zijn nog de grootste vijanden der planters, wier kudden zij voortdurend rooven; zelf hebben zij noch zin noch talent voor de veeteelt. Zij strekken hunne strooptochten tot Sonora, Chihuahua, ja zelfs tot Durango, uit: voor al deze grenslanden zijn deze Apachen een ware geesel geworden. De vervolgingen en mishandelingen, die zij van de Mexikanen moesten ondergaan, hebben eindelijk dit resultaat opgeleverd, dat de gansche uitgestrekte landstreek van Nieuw-Mexiko tot Durango, door hun toedoen, tot een wildernis is geworden. Zij kunnen en willen niet van honger sterven, en daarom kunnen zij niet voortdurend in vrede leven.

Alle Indianen der prairiën, aan deze en aan gene zijde van het Rotsgebergte, zijn thans voor de blanken, en in de allereerste plaats door de schuld der blanken zelf, in onverzoenlijke en ondragelijke vijanden verkeerd. Zij hebben meermalen gansche wagentreinen overvallen en geplunderd, en geheele troepen-afdeelingen op de vlucht gedreven. Moord en doodslag gaat ongehinderd zijn gang, en de eene partij geeft daarin der andere niets toe. Toen, nu omstreeks vijf-en-twintig jaar geleden, de Vereenigde-Staten in oorlog waren met Mexiko, kwamen de Apachen overal in beweging; zij overstroomden den ganschen staat Zacatecas, trokken door de poorten der hoofdstad binnen en skalpeerden eenige blanken midden op de markt. Geheel Sonora was in hunne macht; in de stad Oputo brachten zij op éénen dag honderd-twee-en-dertig blanken om het leven; de Yaquis bestormden de havenstad Guaymas aan de golf van Californië; de Opatas overmeesterden Hermosillo, en de Pimos hadden zich in Los Ures genesteld. In het oosten verschenen de ruiterbenden der Comanchen in de stad Austin in Texas, en zetten hunne strooptochten voort tot aan de kusten der golf van Mexiko, overal plunderend, blakend en moordend; terwijl gelijktijdig de woeste krijgskreet van andere indiaansche benden over de prairiën ten noorden van de Arkansasrivier weergalmde.

De uitroeiing van deze wilden is geene gemakkelijke taak; de ondervinding heeft dit nu pas nog geleerd ten aanzien van den kleinen stam der Modocs, die door de Yankees even verraderlijk en slecht waren behandeld geworden. Vijanden, die duizende ruiters in het veld kunnen brengen en, op hunne vlugge paarden gezeten, in vliegenden ren vijftig mijlen per dag over de grazige vlakte der prairie of de dorre steppe afleggen, zijn niet gemakkelijk te bereiken en nog moeilijker te verslaan. De aangevangen verdelgingsoorlog zal nog menig offer vorderen en stroomen bloeds doen vloeien, zal tot ongehoorde gruwelen en hemeltergende boosheden aanleiding geven; de amerikaansche republiek, door velen, die haar niet kennen, zoo onverstandig geprezen, zal een nieuwe, zware bloedschuld op zich laden;--toch kan de uitslag niet twijfelachtig zijn. De Indianen kunnen zich in de nieuwe toestanden, door het voortdringen der beschaving, of althans van hetgeen daarvoor doorgaat, onvermijdelijk geworden, niet schikken; zij kunnen hunne natuur niet veranderen:--daarom zullen ook zij, als reeds zoovelen van hunne broeders en stamgenooten, reddeloos te gronde gaan.

EEN BIJSCHRIFT BIJ DE PLATEN

Onlangs gaven wij eene afbeelding van de oude, vooral uit een architektonisch oogpunt, zoo merkwaardige kathedraal van Puy. De plaat op bladz. 173 toont u een ander monument van diezelfde stad, maar uit den laatsten tijd dagteekenende: het kolossale beeld der Heilige-Maagd, op den top der rots, die zich boven Puy verheft.--Tweehonderd-dertien kanonnen, van de vestingwerken van Sebastopol afkomstig, hebben het metaal moeten leveren voor dit reuzenbeeld van Onze-Lieve-Vrouwe, dat, sedert het jaar 1860 de hooge bergspits kroont. Ondanks de ontzaglijke afmetingen, heeft het beeld toch, zelfs van nabij gezien, in houding en gelaat iets zachts en teeders, en herinnert het onwillekeurig aan de liefelijke, bekoorlijke gestalte der Moedermaagd, zooals de echt-dichterlijke kunst der middeleeuwen zich de Gezegende onder de vrouwen dacht.--Het denkbeeld om, op deze bergspits, zulk een beeld van de Beschermvrouwe van Frankrijk op te richten, heeft zeker iets zonderlings; toch kunt ge niet ontkennen, dat het monument in harmonie is met de grootsche natuur, die u hier omringt, met het heerlijk panorama, dat zich van deze hoogte voor uwe blikken ontvouwt, en dat, ruim zoozeer als het beeld zelf, de moeite der bestijging loont.

De schilderachtige slotruïne, op bladz. 176, doet misschien menigeen onzer lezers denken aan de bekoorlijke bouwvallen van het kasteel van Brederode, aan dien "steenen reus in 't groene dal", zooals Hofdijk hem zoo juist en teekenachtig noemt. Toch verplaatst deze ruïne ons naar het noorden van Engeland. Het zijn de bouwvallen van het kasteel van Titbury, waarvan ik niets anders weet te zeggen dan dat het voor een poos ten verblijve heeft gestrekt aan de rampspoedige koningin van Schotland, Maria Stuart, die hier als gevangene toefde. Meer weet ik van dien ouden burcht niet: maar dit weinige is genoeg om een oogenblik voor zijne overblijfselen, waaraan deze herinnering verbonden is, uwe aandacht te vragen.

TWEE KASTEELEN

(Zie bladz. 201 en 205.)

Zoo ge te Parijs zijt, en tijd en lust hebt om nog iets meer, iets anders te zien dan de wonderen der groote stad, en de uitingen te bespieden van het onrustige, fel bewogen leven harer uit allerlei heterogene elementen saamgestelde, door allerlei stroomingen in de tegenstrijdigste richtingen geslingerde bevolking; zoo uw hart u bijwijlen naar het land trekt en uw heimwee uitgaat naar de herinneringen van het verleden:--neem dan plaats op den spoortrein, die over Versailles naar Chartres en verder naar het zuidwesten loopt. Zoo ver behoeft ge evenwel niet te gaan: ge kunt uitstappen aan het station La Verrière, een onbeteekenend gehucht, dat zijn naam ontleent aan een tusschen sierlijke boomgroepen verscholen kasteel, hetwelk in der tijd heeft behoord aan den tijdens de restauratie, door zijn ijver voor Napoleon en door de toewijding zijner vrouw, zoo bekend geworden graaf de La Valette. Hier, aan dit station, staan omnibussen gereed, die u naar verschillende plaatsen in den omtrek, en ook naar de plaats, waar ik u voeren wil, brengen; maar zoo ge niet opziet tegen eene fiksche wandeling door eene liefelijke, vruchtbare, schoone streek, dan zullen wij liever te voet gaan.

Wij hebben nog niet lang gewandeld, of wij ontmoeten het dorp Maurepas op onzen weg; Maurepas, met de ruïne van zijn alouden ridderlijken burgt, die maar al te dikwijls, in de middeleeuwen, de schrik was van den vreedzamen handelaar en eenzamen reiziger, op weg naar of terugkeerende van de groote hoofdstad. Doch de naam van het vlek wekt waarschijnlijk alleen de herinnering bij u op aan dien graaf de Maurepas, den minister van Lodewijk XV en Lodewijk XVI, wiens zorgelooze lichtzinnigheid zoo onbekommerd, met zoo spelende frivoliteit, de geweldige stormen hielp ontketenen, waarin de fransche monarchie te gronde zou gaan.

Wij vervolgen onzen weg door de schilderachtige, heuvelrijke streek tot aan het welvarende dorp Le Trembly, alleen merkwaardig door het fraaie kasteel, dat langen tijd het eigendom was der familie Leclerc du Trembly. Herinnert ge u, dat de zoo bekende en--moet ik zeggen beroemde of befaamde?--_père_ Joseph, de kapucyner-monnik, de vriend en vertrouweling van den kardinaal de Richelieu, een afstammeling was van deze familie? Richelieu en Maurepas--de man, die meer dan iemand anders heeft medegewerkt tot de vestiging der absolute monarchie in Frankrijk; en de man, die anderhalve eeuw later, mede het zijne deed om deze zoo spoedig uitgeputte monarchie ten verderve te voeren;--de beide figuren staan u voor den geest; en terwijl ge voortwandelt, vergelijkt ge onwillekeurig in uwe gedachte den strengen, onverbiddelijken, geduchten kardinaal, den man van ijzer en bloed, die recht op zijn doel afging en dat ook bereikte, trots allen tegenstand van vijanden en aarzeling van vrienden, den man, die de roemrijkste, de aanzienlijkste hoofden van Frankrijks fieren adel vallen deed, zoodra ze zich tegen hem durfden verheffen;--ge vergelijkt die forsche, indrukwekkende figuur met dien beklagelijken, frivolen, onbekwamen minister van Frankrijks laatste koningen, dien kleingeestigen vervolger van het parlement, die juist kracht en eigenzinnigheid genoeg had om zijne tegenstanders te verbitteren en met vuur te spelen, zonder zich te bekommeren om den snel om zich grijpenden gloed.

Doch reeds hebben wij Le Tremblay lang achter ons; en terwijl onze blikken dwalen door het schoone landschap, worden zij toch onwillekeurig aangetrokken door die slotruïne op gindschen heuvel, aan welks voet het stedeke Montfort-l'Amaury zoo rustig en kalm nederligt. Ernstig en statig overschouwt ze de gansche liefelijke vallei, deze oude slotruïne, waarvan de naam alleen u treft als een klank uit den ouden tijd, als eene herinnering uit lang vervlogen dagen. En inderdaad, ze weet van oude tijden, van eene ondergegane wereld, van wapenroem en ridderlijken glans, te verhalen. Deze burgt was eenmaal de zetel dier machtige heeren en graven van Montfort, wier naam eene zoo breede plaats beslaat in de kronieken der oude feodale monarchie. In de vrouwelijke lijn afstammende van Karel den Groote, bogen deze fiere baronnen niet dan onwillig het hoofd voor de koningen uit het huis van Capet, en handhaafden zich in die meer dan halve onafhankelijkheid, die toen het wettig deel was van ieder vrijgeboren edelman. Telkens en telkens ontmoet gij hen in de verhalen van dien tijd, beurtelings bondgenooten of vijanden van de fransche koningen, wier macht nog zoo wankelend, wier gebied zoo eng begrensd was.

Het ligt natuurlijk niet in onze bedoeling, de geschiedenis van dit machtig geslacht te verhalen;--zouden wij daarbij ook wel op uwe belangstelling mogen rekenen? Een paar grepen slechts uit den rijken overvloed van beelden en herinneringen, die voor onzen geest oprijzen, terwijl wij ons op den heuvel nederzetten, en de nu zoo kalme vallei overzien, in vroeger eeuw zoo dikwerf weergalmende van het woeste krijgsgedruisch.

Op zekeren dag in het jaar 1092 toog Filips, de koning van Frankrijk, naar de stad Tours, en begaf zich daar naar de kerk van Sint-Jan, waar een nieuwe doopvont zou worden ingewijd. Maar het was niet om deze plechtigheid dat koning Filips naar Tours gekomen was. Daar bevond zich ook Foulques, de graaf van Anjou, met zijne echtgenoote Bertrade, dochter van Simon van Montfort: en om harentwil was de koning herwaarts getogen. Wel was hij sedert twintig jaren gehuwd met Bertha, de dochter van onzen graaf Floris I; maar een onwederstaanbare hartstocht voor de schoone Bertrade had zijn gemoed overweldigd. Om haar te kunnen bezitten, had hij zijne wettige gemalin verstooten en naar Montreuil gebannen; nu ontmoetten de koning en de gravin van Anjou elkander in de kerk te Tours, maakten daar de noodige afspraak, en weinige dagen later werd Bertrade door eenigen van 's konings mannen opgelicht en naar Orléans gevoerd, waar hij naar wachtte. De koning wilde toen Bertrade huwen: maar geen der bisschoppen van Frankrijk was bereid deze dubbele overspelige verbintenis in te zegenen, niet dan met zeer veel moeite kon de koning een priester vinden, die zich daartoe leende. Nu begon tusschen Filips eenerzijds en de katholieke kerk, met den paus aan het hoofd, anderzijds, eene worsteling, die jaren lang voortduurde, zonder tot eenige uitkomst te leiden. Telkens beloofde de koning, dat hij Bertrade zou wegzenden; maar toch hield hij haar bij zich, ondanks bij herhaling den ban over de beide echtbrekers was uitgesproken. Doch Filips bekommerde zich weinig over den ban. Waar de koning verscheen, werd de eeredienst geschorst, en zoodra hij vertrok, begonnen al de klokken te luiden; Filips spotte openlijk met dit interdict, dat het land in beroering bracht, en riep, als hij het klokgelui vernam, zijne overspelige gemalin al lachende toe: "Hoort ge wel, mijne schoone, hoe men ons wegjaagt!" Eindelijk, in 1104, legde de koning op nieuw de belofte af, dat hij alle verkeer met Bertrade zou afbreken; waarop de excommunicatie werd opgeheven. Maar hoe weinig het hem ook nu met die belofte ernst was blijkt wel hieruit, dat hij in 1106, vergezeld van Bertrade, een bezoek ging afleggen te Angers, waar hij door Bertrades eersten echtgenoot, graaf Foulques, met groote staatsie ontvangen werd. Het moet inderdaad een zonderling schouwspel zijn geweest, deze drie personen vriendschappelijk aan dezelfde tafel of ter kerk in hetzelfde gestoelte te zien zitten! Bertrade oefende ook nu nog zulk een overweldigend en invloed uit op haar eersten man, dat graaf Foulques zich niet alleen met den koning verzoende, maar ook haar zelf met den grootsten eerbied behandelde, en meermalen op een voetbank bij haar plaats nam, terwijl de koning nevens haar zat! De listige en heerschzuchtige vrouw gaf zich vergeefs alle moeite om 's konings zoon uit zijn eerste huwelijk van de opvolging uit te sluiten, en haar eigen zoon op den troon van Frankrijk te verheffen. Zij eindigde haar onrustig leven in een klooster.

Een ander beeld verrijst voor ons oog: dat van den man, die den naam van zijn stamhuis wel het meest bekend en berucht heeft gemaakt, van Simon de Montfort, het hoofd van den kruistocht tegen de Albigenzen. Zij beslaat eene bloedige bladzijde in de geschiedenis van Frankrijk, die jarenlange vreeselijke worsteling tusschen het katholieke, feodale, germaansche Frankrijk van het noorden, en dat weelderige kettersche, half romeinsche zuiderland, met zijn zoo sterk gemengde, uit zoo verschillende bestanddeelen saamgestelde bevolking, zijne eigenaardige, alles behalve orthodoxe beschaving en nationale onafhankelijksheidszucht. Van ouds was deze landstreek tusschen de Rhône, de Garonne en de Middellandsche zee, een broeinest van ketterijen en afwijkende meeningen; ja, eigenlijk het brandpunt eener in waarheid anti-christelijke beweging, die zich onder de meest verschillende namen verschool, maar niettemin in doel en streven een zeer duidelijk en onmiskenbaar karaker droeg. De tegenstelling met de heerschende geestesrichting, met name in het noorden van Frankrijk, was zoo groot, dat de schok kwalijk uitblijven kon; en te verwonderen was het niet, dat toen Innocentius III, een leerling der parijsche Universiteit, in 1198 den pauselijken troon besteeg, deze in de eerste plaats naar noordelijk Frankrijk zijne oogen wendde, om daar den man te zoeken, die den ontworpen kruistocht tegen de ketters van het zuiden, "erger dan de Sarracenen", zou kunnen leiden. Hij vond dien in graaf Simon de Montfort, door zijne moeder, graaf van Leicester in Engeland, pas uit het Oosten teruggekeerd, en daar zich reeds den roem van buitengewone dapperheid in den krijg tegen de ongeloovigen verworven hebbende. Simon de Montfort was inderdaad uitstekend berekend voor de hem toegedachte taak. Gloeiende van ijver voor de kerk en in den strijd voor haar alle middelen geoorloofd achtende; een onverschrokken oorlogsman, met een innemend voorkomen en groote lichaamskracht; een trouw vriend en ijverig beschermer zijner volgelingen; eerzuchtig, met groote talenten ook als staatsman; energiek, geboren om te heerschen--kon de paus kwalijk een geschikter uitvoerder zijner bevelen hebben gevonden. Vijftien jaren lang, van 1208 tot 1223, woedde de vreeselijke krijg, die bijna het gansche zuiden van Frankrijk vernielde en van ongehoorde gruwelen vergezeld ging. Simon de Montfort beleefde het einde van dien kruistocht echter niet. Op den 28sten Juni 1218 werd hij voor Toulouse, dat hij sedert negen maanden belegerde, door een steenworp gedood. Paus Innocentius III was hem reeds twee jaren vroeger ten grave voorgegaan.

De luister van zijn huis ging met Simon de Montfort ten onder. Zijn zoon, Amaury VII, trachtte te vergeefs de door zijn vader veroverde landen te behouden; weldra zag hij zich genoodzaakt, met den graaf van Toulouse een verdrag te sluiten, waarbij deze in het bezit van genoegzaam al zijne bezittingen werd hersteld. De zoon van Amaury VII liet slechts eene dochter na, die in 1256 met den graaf van Dreux huwde. De heerlijkheid Montfort en de overige goederen der familie kwamen nu achtereenvolgens door erfenis of schenking in handen van andere geslachten: van de hertogen van Bretagne, van de koningen van Frankrijk of prinsen van den bloede, van de hertogen van Luynes. Een dezer laatsten verkocht de heerlijkheid in het begin dezer eeuw.

Van den fieren burgt Montfort-l'Amaury is niet meer over dan eenig muurwerk en de ruïnen van twee torens, waarvan slechts een van oude dagteekening is en blijkbaar tot de oorspronkelijke feodale veste heeft behoord. De andere, achthoekige toren, van gehouwen en gebakken steen opgetrokken, is van veel later dagteekening. De heuvel, waarop deze ruïnen liggen, is tegenwoordig sierlijk beplant en tot wandelplaats ingericht.

Van het andere kasteel, dat van Sainte-Geneviève, weet ik niets te vertellen, zelfs niet in hoever deze naam in verband staat met de schoone legende der bekende heilige, de patronesse van Parijs. Wil u dus vergenoegen met de fraaie plaat.

BIJDRAGE TOT DE STATISTIEK VAN HET RUSSISCHE RIJK.

De hierna volgende cijfers zijn ontleend aan den laatst verschenen "Statistieke Almanak;" zij bevatten de resultaten der jongste onderzoekingen omtrent de uitgebreidheid en de bevolking van het groote russische rijk.

Europeesch Rusland beslaat met zijne 49 gouvernementen en het gebied Bessarabië, eene oppervlakte van 85.819.74 vierkante mijlen, de grootere rivieren daaronder niet begrepen; en telt eene bevolking van 63.658.934 zielen; er wonen mitsdien gemiddeld 541 menschen op de vierkante mijl. De stedelijke bevolking bedraagt 10.2 percent van het geheel; de verhouding van het aantal mannen tot de vrouwen is als 100 tot 102.4. De vermeerdering der bevolking in vier jaren 4,05 percent, en wisselt van +13.5 (gouvernement Minsk) tot -2.98 (gouvernement Archangelsk).