De Vegetarische Keuken Kookboek Van Den Nederlandschen Vegetari
Chapter 9
Door de melk of de karnemelk op een schoonen doek te gieten, die over een vergiet ligt of over een emmer hangt, lekt de wei uit de melk en houdt men de wrongel of hangop op den doek. De wrongel of hangop is dus een eiwitrijk voedsel, terwijl die, welke uit ongekarnde melk is bereid, ook een hoog vetgehalte heeft.
_Zoete_ of _zure room_ en de _hangop_, uit zure of uit gekamde melk bereid, wordt opgediend met keukenbeschuit en suiker.
De uitgelekte wei is zeer rijk aan voedingszouten. Zij werd dan ook in vroegere tijden hoog geschat als een gezonde drank.
R. 378. Haver (geplette), zoogenaamde "havermout" in karnemelk. Men handelt als in R. 361 voor boekweitegort met karnemelk is voorgeschreven, maar neemt 80 à 90 gram op één liter melk.
R. 379. Haver (geplette), zoogenaamde "havermout" in zoete melk. Men handelt als in R. 362 voor boekweitegort met melk is voorgeschreven, maar neemt 80 à 90 gram op één liter vocht.
R. 380. Haver(de)gort. Men bereidt havergort als boekweitegort, R. 359. Men laat ze nog een geruimen tijd op een zacht vuur staan. Men dient ze op met een warme vruchtensaus volgens R. 129 bereid of met compote.
R. 381. Haver(de)gort met karnemelk. Men volge R. 361.
R. 382. Haver(de)gort met zoete melk. Men volge R. 362.
R. 383. Haver(de)gort met pruimen of pruimedanten. Men volge R. 363.
R. 384. Macaroni. Nadat men de macaroni in stukken heeft gebroken en gewasschen laat men ze in weinig kokend water en met een beetje zout in een ondiepe pan of schotel gaar worden, maar niet te gaar, zoodat men ze nog kan kauwen. Men doet er wat gesmolten boter over en schudt dan de macaroni, zoodat de boter overal doordringt. Men kan ze tegelijk met compote opdienen.
R. 385. Macaroni met kaas. Men behandelt de macaroni als in R. 384 en vermengt fijn geraspte kaas met de gesmolten boter, als deze wat afgekoeld is, waarna men weer goed schudt. Voor maaglijders _niet_ aan te bevelen.
R. 386. Macaroni met pikante saus. Wanneer de macaroni volgens R. 384 bereid bijna gaar is, giet men het nat van de macaroni af, bindt dat met in boter gefruite bloem, voegt er een weinig soja aan toe en wat fijngehakte kruiden (peterselie, kervel en een weinig dragon), die men met een fijngehakt uitje in weinig boter gaar fruit en dan door de saus roert.
R. 387. Macaroni met rozijnen. Men breekt de macaroni in stukken, wascht ze en zet ze met weinig kokend water op. Als ze half gaar is, doet men er de gewasschen rozijnen in met een kluitje boter en laat ze in den oven gaar worden.
R. 388. Macaroni met tomaten. Na tomaten van de steeltjes te hebben ontdaan en ze gewasschen te hebben, worden ze met weinig water gaar gekookt. Men wrijft ze daarna door een vergiet, zoodat de schillen achterblijven. Macaroni wordt afzonderlijk volgens R. 384 bereid. Is de macaroni gaar dan wordt ze onder toevoeging van boter, wat gebakken uien, een weinig zout en soja met de tomaten vermengd in een vuurvasten schotel. Men strooit er gestampte beschuit over, plaatst hier en daar een klein kluitje boter en zet het gerecht in een matig verhitten oven, waar men het lichtbruin laat bakken.
R. 389. Macaronipap. Men kookt macaroni half gaar met water, giet het overvloedige water af en doe er zooveel heete melk bij als noodig is. Men blijft de macaroni voorzichtig doorroeren, totdat ze heeft doorgekookt en schuift ze dan ter zijde van het vuur. Men laat ze verder met een goed gesloten deksel uitdijen.
R. 390. Maizenapap. Melk wordt aan de kook gebracht en daarin wordt geroerd een papje, dat verkregen is door de maizena met koude melk te roeren, zonder dat er klontjes worden gevormd. Men blijft doorroeren tot de pap gaar is, wat na enkele minuten het geval zal zijn. Men neemt 70 gram maizena op één liter melk.
R. 391. Parelgortpap I (met karnemelk). Men handelt met parelgortpap als in R. 376 voor gortpap is voorgeschreven.
R. 392. Parelgortpap II (met zoete melk). Men handelt als in R. 376 voor gortpap is voorgeschreven, behalve, dat men de karnemelk door zoete melk vervangt.
R. 393. Rijstebrij I. Men brengt melk (naar smaak verdund) in een gave pan, die men eerst met koud water heeft omgespoeld, aan de kook. Dan stort men al roerende de rijst, die men te voren herhaaldelijk gewasschen heeft, totdat het laatste waschwater volkomen helder bleef, in de kokende melk. Men blijft roeren totdat de melk weer goed doorkookt. Daarna plaatst men de pan op een zeer zacht vuur en laat de brij nog op zijn minst 1 1/2 uur heel zacht koken.
Gewoonlijk neemt men 150 gram rijst op 1 liter vocht voor middelmatig dikke brij, 100 gram voor dunne en 200 gram voor stijve brij.
R. 394. Rijstebrij II. Na de rijst (zie R. 393) goed gewasschen te hebben, stort men ze in kokend water. Zoodra de rijst begint uit te dijen, doet men er kokende melk bij. Men rekent gelijke maatdeelen melk en water en volge de verhouding, die in R. 393 is aangegeven.
R. 395. Rijstebrij met sina'sappelen (koud). Na rijstebrij volgens R. 393 te hebben bereid, laat men ze afkoelen. Men ontdoet een aantal sina'sappelen zorgvuldig van de schil en van de kernen en snijdt ze aan schijven. Daarna spreidt men een laag van de rijstebrij in een diepe schaal uit. Over deze laag legt men een laag van de sina'sappelschijven, die men rijkelijk met suiker bestrooit. Op deze wijze legt men eenige lagen op elkaar. De bovenste laag moet uit sina'sappelen bestaan. De schotel moet vóór het gebruik een paar uur staan. Men dient het gerecht op met opgeloste Javaansche suiker (goela djawa).
R. 396. Rijstepap met santen. Men kookt een half kilo goed gewasschen rijst half gaar met melk, dan voegt men er drie vierdedeel van de santen bij uit een kokosnoot verkregen. De wijze, waarop men santen uit kokosnoot verkrijgt, vindt men beschreven in R. 511.
Bij deze pap behoort een saus, die men bereidt uit een halve liter melk, welke men zoet maakt met opgeloste Javaansche suiker (goela djawa) en uit de overgebleven santen, die men bij de melk voegt. Men brengt het vocht aan de kook en bindt het met maizena.
R. 397. Rijst met karnemelk. Men wascht de rijst als in R. 393 is aangegeven, zet ze op met koude karnemelk en blijft langzaam roeren tot ze doorkookt. Dan laat men ze in een gesloten pan zachtjes uitdijen. Men neemt 150 gram rijst op één liter karnemelk.
R. 398. Sagopap. Men kookt melk en stort er dan, al roerende, de sago in. Als de melk weer doorkookt, laat men ze op een zacht vuur nog een uur of anderhalf uitdijen.
Men neemt 80 gram sago op één liter vocht.
R. 399. Tapiocapap. Na de tapioca gewasschen te hebben, laat men ze een paar uur in de melk weeken. Men zet ze met de weekmelk op het vuur en als ze kookt, laat men ze op een zacht vuur nog een paar uur uitdijen. Nu en dan roert men, om het aanzetten te voorkomen. Men neemt 70 gram tapioca op één liter vocht.
R. 400. Vermicellipap. Op één liter kokende melk stort men al roerende 150 gram gebroken witte vermicelli. Men blijft doorroeren tot de melk weer doorkookt. Dan schuift men ze van het vuur en laat ze nog een drie kwartier of een uur uitdijen. Van tijd tot tijd roert men er in om het aanzetten te voorkomen.
D. Knoedels.
Knoedels zijn een gezonde meelspijs, die hier te lande vroeger meer dan tegenwoordig werd opgedischt en die thans nog algemeen geliefd is in Duitschland. De toebereiding vereischt een zekere oefening, waarom het aanbevelenswaardig is om bij de bereiding van knoedels er een op proef te koken, want al worden de recepten ook nog zoo goed voorgeschreven, er kunnen door verschil in grootte van eieren, door de hoedanigheid van de boter of van het meel zich kleine afwijkingen voordoen, die na de proef gemakkelijk kunnen worden in orde gebracht. De knoedels moeten wel is waar luchtig zijn, maar niet week. Mocht de proefknoedel te week zijn, dan moet er nog wat meel of nog wat dooier bij het deeg. Is ze te vast dan moet er melk of water bij. Het meel moet vooral droog en fijn zijn, het brood oudbakken, het water nooit warm en het overtollig weekwater moet voorzichtig met een doek uit het brood gedrukt worden. Fijngestampte beschuit of gemalen broodkruim laat men door een matig fijne zeef gaan. Wanneer men knoedels vormt, moeten de handen telkens in het koude water of in het meel gedoopt worden. Men mag de knoedels niet stuk voor stuk vormen en dadelijk in het water dompelen, maar ze eerst alle vormen en ze dan tegelijk in de kokende melk of in het kokend water dompelen, anders zouden de knoedels ongelijk gaar worden. Als men de knoedels met een lepel steekt, dan moet men de lepel telkens in het kokende water doopen. Als de knoedels naar boven stijgen, zijn ze gaar en worden ze met een frituurlepel uit het kokende vocht genomen en zoo spoedig mogelijk opgediend. In het water, waarin de knoedels gekookt worden, doet men altijd wat zout.
R. 401. Aardappelknoedels. Men maakt dobbelsteentjes van bruin- of wittebrood, fruit die geel in boter of in slaolie. Van een liter aardappelen fijngemaakt en 200 gram grof tarwemeel met 2 geklutste eieren, goed gekneed, zoodat het deeg niet meer aan de handen kleeft, maakt men ballen, met juist in het midden een van de gefruite dobbelsteentjes. Men kookt ze in kokend water in een kwartier gaar.
Men kan ze opdienen met de meeste sausen uit Hoofdstuk V of met gestoofde gedroogde vruchten.
R. 402. Appelknoedels. Men snijdt een halven liter geschilde en doorboorde zoete appelen in kleine schijven en zoo noodig deze weer in gedeelten. Men legt de stukken in een schotel en voegt er 3/4 liter warme melk, 100 gram gesmolten boter en vier eieren bij met zooveel geraspt wittebrood, dat men een stevig deeg verkrijgt. Men kneedt alles goed door elkaar en vormt van dit deeg knoedels, die men in kokend water laat gaar koken.
Men dient ze op met een vruchtensaus.
R. 403. Griesmeelknoedels II. Griesmeel in water gekookt volgens R. 375 neemt men van het vuur als het goed stijf is en roert er een kluitje boter door. Men laat de stijve brij eerst koud worden en mengt er dan 4 flink geklopte eieren door en zooveel griesmeel, dat men een stevig deeg verkrijgt. Daarvan maakt men bollen met in het midden een of twee in boter gefruite dobbelsteentjes wittebrood. De bollen doopt men in geklopt eiwit, wentelt ze daarna in beschuitkruimels en bakt ze als oliebollen in kokende olie of plantenvet.
R. 404. Meelknoedels. Drie eieren en dubbel zooveel melk en zes lepels meel worden flink beslagen. Door het beslag wordt 100 gram gesmolten boter geroerd. Boven een zacht brandend vuur roert men het deeg aanhoudend tot het van den bodem loslaat. Als het deeg koud is, mengt men er nog drie eieren door met wat zout, roert alles nog eens goed door elkaar, steekt met een lepel, die telkens in heet water gedoopt is, knoedels af en doet ze tegelijk in kokend water, waarin wat zout is opgelost. Zoodra de knoedels naar boven komen, zijn zij gaar en moet de pot van het vuur genomen worden.
R. 405. Rijstknoedels. Zacht gekookte rijst laat men koud worden, voegt er een of twee eieren, suiker naar smaak bij en kneedt er zooveel geraspt wittebrood door, dat men een vast deeg verkrijgt, waarvan men knoedels vormt, die men in kokend water laat gaar koken. Men dient ze op met een passende saus. (Zie Hoofdstuk V).
R. 406. Spinazieknoedels. Spinazie bereid volgens R. 232 wordt zeer fijngehakt. Gesmolten boter (125 gram) wordt, als ze afgekoeld is, vermengd met 4 eieren en bij de fijngehakte spinazie gevoegd. Daarna wordt door de spinazie zooveel bloem gekneed, dat men een week deeg verkrijgt. Van dit deeg vormt men knoedels, die men door de bloem wentelt en dan in kokend water gaar laat worden.
Men dient ze op met gewelde boter.
HOOFDSTUK VIII.
PANSPIJZEN.
R. 407. Panbloemkool. Versch gekookte of overgebleven bloemkool (mits zonder melksaus bereid) maakt men fijn, en vermengt ze met fijngemaakte aardappelen, liefst in het nat der bloemkool gekookt, waarbij men wat boter voegt; men stort het mengsel in een vuurvasten schotel. Nadat men er gestampte beschuit over heeft gestrooid, laat men het in een flink heeten oven staan, totdat zich een mooie korst gevormd heeft.
R. 408. Panboonen. Aardappelen, gekookt volgens R. 171 en bruineboonenpuree, gekookt volgens R. 308 worden door elkaar gestampt. Men zout het gerecht naar smaak en mengt er wat bruin gebakken boter door, doet het in een vuurvasten schotel, bestrooit het met fijngestampte beschuit, plaatst er hier en daar een klein kluitje boter op en laat het in een vrij warmen oven staan, totdat het mooi bruin ziet, zorgdragende, dat het niet te droog in den oven komt.
Het nat van de boonen kan men bewaren om er soep van te koken.
R. 409. Panbrood met appelen. Van oudbakken wittebrood snijdt men de bruine korst af, snijdt het daarna in sneedjes, die ieder mager met boter worden besmeerd. Van die sneedjes legt men een laag in een vuurvasten schotel. Op deze laag spreidt men een dikke laag appelmoes, bereid volgens R. 272. Men maakt een aantal lagen naar verkiezing beurtelings brood en appelmoes, in aanmerking nemende, dat de bovenste laag brood moet zijn. Daarover strooit men fijngestampte beschuit, die men drenkt met gesmolten boter. Het gerecht laat men in een goed verwarmden oven, tot het lichtbruin ziet.
R. 410. Panbrood met appelmoes I. Bruin brood wordt fijngekruimd en met een beetje boter in den oven of op een zacht vuur langzaam geroost, tot het mooi lichtbruin ziet. Hiervan legt men in een vuurvasten schotel een laagje en daarop een laag appelmoes, dan een laagje brood enz. Naar verkiezing kan men er gesnipperde zoete amandelen bijvoegen; men zorgt dat het bovenste laagje uit gekruimd brood bestaat met wat gesmolten boter besproeid. Het schoteltje moet ongeveer 3 kwartier in den oven staan, die niet te heet mag zijn.
R. 411. Panbrood met appelmoes II. Men legt in een vuurvasten schotel, met wat boter bestreken, een laagje wittebrood aan sneedjes, met water eenigszins vochtig gemaakt, daarover een laag appelmoes, daarop een laagje gekookte krenten en zoo beurtelings. De bovenste laag moet weer wittebrood zijn. Daarover een weinig gesmolten boter. Men laat het in den oven staan, totdat zich een mooie korst gevormd heeft.
R. 412. Panbrood met champignons. Men reinigt champignons zooals in R. 192 is voorgeschreven. Na het uitlekken fruit men ze met een weinig knoflook en peterselie in wat boter. Vervolgens legt men een laag geroosterde sneedjes brood in een vuurvasten schotel en daarop de gefruite champignons. Op de champignons legt men een aantal niet te hard gekookte eieren in vierdeparten gesneden. Dan drenkt men den inhoud van den schotel met een pikante saus. (Zie R. 125). Men kan op dezelfde wijze voortgaan, maar men zorge, dat de bovenste laag uit geroosterd brood bestaat. Ook deze wordt dan met pikante saus begoten. Men bestrooit het geheel dan met fijngestampte beschuit, plaatst hier en daar een kluitje boter en laat het gerecht in een goed verwarmden oven licht bruin worden.
R. 413. Panbrood met tomaten. Van oudbakken brood worden de korsten afgesneden. Daarna snijdt men het brood in sneedjes. Mooie rijpe tomaten worden even in kokend water gedompeld en van de schil ontdaan, daarna in dikke schijven gesneden. Men legt nu eerst een laag sneedjes brood en daarover een laag schijven tomaten. Men strooit er een weinig zout over en besprenkelt ze met gesmolten boter, waardoor een weinig soja is geroerd. Men kan verschillende lagen in den schotel leggen, als men zorgt dat de bovenste laag brood met wat boter is besproeid. Men laat het gerecht een uur in een matig verhitten oven en zorge, dat de bovenkorst mooi bruin ziet.
R. 414. Panbrood met zuring. Na de zuring te hebben behandeld als in R. 234 of als in R. 235 is voorgeschreven, neemt men oudbakken wittebrood, waarvan men eerst de bruine bovenkorst afsnijdt en het daarna aan kleine sneedjes snijdt. Men legt in een diepen vuurvasten schotel of braadslee een laag sneedjes brood, die mager met boter besmeerd zijn, daarna een laag zuring en zoo beurtelings, zooveel men meent noodig te hebben. Over de bovenste laag strooit men beschuitkruim en plaatst hier en daar een klein kluitje boter. Men plaatst het gerecht in een flink verhitten oven, waarin het een uur moet blijven.
R. 415. Pangierst. In een met boter bestreken vuurvasten schotel doet men 250 gr. gebroeide gierst, 1/4 liter melk, een kluitje boter ter grootte van een okkernoot, strooit er fijngestampte beschuit over, plaatst hier en daar een kluitje boter en zet het in een goed gestookten oven, totdat er zich een lichtbruine korst op gevormd heeft.
R. 416. Pangroenten met aardappelpuree. Na een aardappelpuree te hebben gemaakt volgens R. 172, maar in plaats van melk met heet water en een kluitje boter, hakt men overgebleven groenten fijn. Die groenten mogen niet met melk bereid zijn. Men roert boter en citroensap naar smaak door de fijngehakte groenten, die men uitspreidt over een laag aardappelpuree in een vuurvasten schotel en die men weer met een laag aardappelpuree dekt. Men strooit er fijngestampte beschuit over, plaatst hier en daar een kluitje boter en laat den schotel in den oven, totdat zich een mooie korst gevormd heeft.
R. 417. Pankool. Men kookt kool (savoye- (R. 245), groene savoye- (R. 246), of roode (R. 242) kool) en aardappelen volgens R. 171. Men neemt bij het stampen gelijke deelen van het nat der kool en van het nat der aardappelen. Er moet meer nat bij dan bij gewone stamppot. Als het goed door elkander is gemengd, doet men alles in een vuurvasten schotel. Na er nog wat boter te hebben doorgeroerd en zout naar smaak, dekt men het met een goed vochtig laagje van achtergehouden fijngemaakte aardappelen, waarover men fijngestampte beschuit strooit met hier en daar een kluitje boter. Men laat het in den oven staan, totdat zich een bruine korst gevormd heeft.
R. 418. Pankroten, Panbieten. Men kookt kroten volgens R. 198 en maakt een aardappelpuree volgens R. 172. Men hakt de kroten fijn en mengt ze met bruine botersaus (R. 123), soja en citroensap door de aardappelpuree. Van de aardappelpuree houdt men wat afzonderlijk voor een laagje bovenop. Men bestrooit het laagje met fijngestampte beschuit, plaatst hier en daar een kluitje boter, zet den vuurvasten schotel met de pankroten in den oven en laat hem staan, totdat zich een mooie korst gevormd heeft.
R. 419. Panmacaroni I. Men vermengt met overgebleven of volgens R. 384 bereide macaroni 3 eierdooiers en 60 gram geraspte Parmesaansche of jonge zoetemelksche kaas. Van 125 gram boter gebruikt men een gedeelte om een vuurvasten schotel te besmeren; het overige doet men in de macaroni. Het wit der 3 eieren, tot schuim geklopt, mengt men er vervolgens door. Men stort alles in den schotel, strooit er fijngestampte beschuit over, legt hier en daar een kluitje boter en laat ze in een goed gestookten oven staan, tot er zich een mooie gele korst gevormd heeft.
R. 420. Panmacaroni II. Men kookt macaroni volgens R. 384 en maakt daarna aardappelen volgens R. 170 of 171 bereid onder toevoeging van wat boter en heet water tot een puree. Vervolgens legt men laagsgewijze een laag macaroni en een laag aardappelpuree in een vuurvasten schotel, waarbij men zorgt, dat er een aardappellaag boven komt; die bestrooit men met kruim van beschuit met hier en daar een kluitje boter er op. Men zet den schotel in een matig gestookten oven. Als de korst mooi bruin is, kan men het gerecht opdisschen.
R. 421. Panmacaroni met kastanjes en tomaten. Men bereidt macaroni volgens R. 384, kastanjes volgens R. 302 en tomaten volgens R. 298. In een vuurvasten schotel spreidt men een laag van de macaroni, vervolgens een laag van de kastanjes en dan een laag tomaten. Men kan deze opvolging herhalen, wat natuurlijk afhangt van de bereide hoeveelheid en van de grootte van den schotel, met dien verstande evenwel dat de bovenste laag even als de onderste uit macaroni moet bestaan.
De bovenste laag bedekt men met fijngestampte beschuit, plaatst hier en daar een kluitje boter, waarna men het gerecht in den oven zet. Is de korst mooi bruin dan neemt men het er uit.
R. 422. Panpuree van aardappelen I. Een liter overgebleven of opzettelijk gekookte aardappelen worden fijngemaakt en met melk tot een stijve brij vermengd, in een met boter besmeerden schotel gedaan. Men voegt er boter en zout naar smaak bij, strooit er fijngestampte beschuit over met hier en daar een kluitje boter er op, zet dan den schotel in een matig gestookten oven, waarin de puree blijft, totdat zich een mooie korst gevormd heeft.
R. 423. Panpuree van aardappelen II. In plaats van melk (Zie R. 422) neemt men kokend water met fijngehakte peterselie en uien. Zijn de aardappelen pas gekookt, dan gebruikt men het water, waarin ze gekookt zijn, om er den brijvorm aan te geven. Verder handele men als in R. 422 is voorgeschreven.
R. 424. Panrijst met zuring. Na de zuring bereid te hebben volgens R. 234 of R. 235 legt men een laag rijst, die volgens R. 332 is klaargemaakt in een diepen vuurvasten schotel (of braadslee) na dien eerst met boter te hebben besmeerd. Op de laag rijst, spreidt men een laag zuring, en zoo vervolgens om de ander. Over de bovenste laag strooit men beschuitkruim en plaatst hier en daar een kluitje boter. Het gerecht wordt in een flink verhitten oven geplaatst, waarin het een uur moet verblijven.
R. 425. Pantomaten. Rijpe tomaten worden gewasschen en met weinig water opgezet. Nadat ze even gekookt hebben, ontdoet men ze van de schil en voegt ze bij versch gekookte aardappelen (Zie R. 171) nadat deze zijn afgegoten. Men stampt de aardappelen en tomaten door elkander, onder toevoeging van boter en zout naar smaak en wat gebakken uitjes. Men doet het gerecht vervolgens in een vuurvasten schotel of braadslee, bestrooit het met fijngestampte beschuit, zet hier en daar een kluitje boter en laat het gerecht in een matig verhitten oven staan, tot zich een mooi bruine korst heeft gevormd.
R. 426. Panuien. Men maakt uien schoon, snijdt ze en fruit ze in boter. Aardappelen worden fijngemaakt en met de uien dooreengemengd. Boter naar smaak. Men doet alles in een vuurvasten schotel, strooit er beschuitkruimels over, plaatst hier en daar een kluitje boter en laat den schotel in een matig verhitten oven staan, tot zich een mooie korst gevormd heeft.
HOOFDSTUK IX.
SLASCHOTELS.
Het smakelijk aanrechten van slaschotels is voor een meer algemeene toepassing van het vegetarisme van het grootste gewicht. Hoe meer het eten van noten, vruchten en ongekookte kruiden en wortels toeneemt, des te meer zal het eten van vleeschspijzen, het misbruik van schadelijke prikkels als specerijen, azijn en zout en het drinken van alcoholische dranken afnemen. Maar dan moet men ook aan het aanrechten der slaschotels de noodige zorg besteden en met beleid te werk gaan. Men moet de aanwending van azijn vermijden, dien men door natuurlijk citroensap vervangt; toevoeging van zout zal men langzamerhand verminderen. Maar door toevoeging van prei of kervel, door peterselie of ander toekruid kan men den smaak van den gebruiker, die zijn scherpe ingrediënten in den sla mist, met goed gevolg, bevredigen. [1]
A. Eenvoudige slaschotels.
R. 427. Aardappelsla. Koude aardappelen worden aan schijfjes gesneden en begoten met een mayonnaise (zie R. 137 en 138) of met olie en citroensap aangemaakt als in de noot op bladz. 136 is aangegeven. Men voegt er wat fijngehakte peterselie aan toe.
R. 428. Andijviesla. Na zeer malsche andijvie goed gezuiverd te hebben, snijdt men ze fijn en wascht ze. Dan wordt ze begoten met een mayonnaise (zie R. 137 of 138) of met olie en citroensap aangemaakt als in de noot op bladz. 136 is aangegeven. Het verdient aanbeveling een paar fijngemaakte heete aardappelen aan de sla toe te voegen.
R. 429. Bladselderijsla. Men snijdt bleekselderij heel fijn, wascht ze zorgvuldig en laat ze dan op een vergiet goed uitlekken. Voeg er dan een paar fijngemaakte heete aardappelen bij en maak ze aan met slaolie, citroensap en een weinig soja. Nadat de sla goed vermengd is, laat men ze nog een uur staan, voordat men ze opdient.