De val van Antwerpen (october 1914)

Part 8

Chapter 8 2,742 words Public domain Markdown

De nacht was over ons landhuis, de groote, heilige nacht, waarin geen arbeid meer verricht wordt, zegt het Evangelie. Maar de werklieden der duisternissen waren bezig. Rond middernacht, het verschrikkelijk uur, begon het en de slapende aarde schokte van 't geweld.

De ramen van mijn slaapvertrek stonden open en ik lag te luisteren met een kloppend hart.

Het was of de donkere koepel van den nacht op een ontzettend rythme geramd werd en de doffe bonzen nadreunden door de ledige ruimte. En telkens volgde de stilte, zoeter na 't geweld, en door het zwijgen van de lucht ging het gemurmel van de dennen, het knerzelend schuren van twee takken op elkaar, het gorgelend gekwaak van een late puid in den vijver... Ik zag de nachtelijke blauwte met sterren boven de zwart-fluweelige boomkruinen... tot weer klonk de mokerslag, almachtig, en de nachtkoepel trilde van den donderenden schok.

Ik lag te druilen en te droomen en wanneer ik soms toch indommelde vernam ik na een poos weerom het brommend geluid, alsof het nader was gekomen, alsof een geweldige man nu dringend op de zware huisdeur bonsde, zoodat de gang galmde als een klok en de muren daverden.

En weer gewekt, ging mijn gedacht naar de verre stad. Elke schok die hier werd gevoeld deed ginder een huis of een kerk misschien instorten of opbranden in den nacht. Werd er mogelijk nog gevochten, een radeloos tweegevecht door de laatste bres tusschen de duitsche en de engelsche kanonnen. Ik luisterde en wilde de donders onderscheiden van elkaar. Neen het was niet mogelijk nog te blijven hopen. Het was telkens de zelfde slag, dezelfde davering, dezelfde bons, als vernomen door dikke muren, boemmm... boemmm... regelmatig, zonder ophouden, zonder genade.

Toen de morgen klaarde, hoorde ik over den steenweg, voor ons hof, het honderdvoudige gerucht van massa's in beweging: wagens rolden over de kasseien, paardenhoeven stampten, honden blaften, koeien loeiden lang en klagend, als riepen zij de weiden, en aldoor ging het moede slepende geluid van duizenden voetzolen. Het was het groot tumult van een heel volk dat verhuizde. Het was aangekomen van ver uit de deemstering van den ochtend en het zwol als het geruisch van vele waters, als de vloed van een zee door een dijkbreuk en erbovenuit klonk, onverbiddelijk, het ontzettend rythme van de verre losbrandingen boemmm...boemmm...

Wij waren allen vroeg op en zaten sprakeloos rond de groote tafel ons morgenbrood te breken. Wij dachten aan Antwerpen dat geen stad meer was maar een vuurpoel, wij dachten aan de honderduizenden die vluchtten over alle wegen naar het Noorden. Het oud moederken van onze vrienden lachtte krankzinnig met haar oud doorrimpelde gezichtje en prevelde schietgebeden.

Ik liep den hof door, naar den straatweg toe en zag nu den onafgebroken stoet van vluchtelingen trekken, ellendig! Paarden en wagens, stootkarren en fietsen spoedden voorbij, als voortgezweept onder de dreiging van een ijselijk onweer; kudden van beurelende runders en kudden van angstige menschen; moeders die huilende kinders voortsleepten aan beide handen, zonen die een lammen of zieken vader op een kruiwagen vervoerden, luidjes die, met vereende krachten, trokken of stieten aan karretjes, volgestapeld met een paar stoelen, een tafel, een matras, een kacheltje, een vogelkooi, mannen met afgetrapte zolen en barvoets, vrouwen met krom-geloopen hooge hakken en een bebloemden en bepluimden zomerhoed die afhing op hare losgeraakte haren, absurd.

Ik bleef staan kijken, als aan den grond genageld en de tranen braken uit mijn oogen. Het was mijn volk dat vluchtte en die duizenden joegen voort, als zinneloos en verloren, met rood- vlammende gezichten, zij ijlden als verjaagde dieren die de dood ontvluchten, alsof uhlanen met gevelde speer hun op de hielen zaten; zij gingen met starre blikken en gebogen hoofden alsof de zoldering van den hemel ging instorten bij 't gedaver van de aarde. Want door den grond, onder de voeten der rampzaligen, ging, maar aldoor voort, het sidderend gedreun der verre losbrandingen... boemmm... boemmm... als een aanhoudend dreigement dat vloekte door de lucht.

Het was een visioen van Isaïas! Het was een Dies irae vol verschrikking, de Godsteistering van een heel volk.

Ik ging stroomopwaarts van de vliedende menigte. Hier en daar lag een groepje te rusten aan den boord van den weg. Zij konnen niet verder meer van ochtend. Er waren er die kwamen van Lier, van Heijst-op-dea Berg, van Kessel... Er waren er die reeds acht volle dagen vluchtten en onder den blooten hemel hadden geslapen. Twee natiewagens van Antwerpen rolden nu traag voorbij met trossen van mannen, vrouwen en kinders. Ik begon stilaan in de vlucht enkele bekende gezichten te ontmoeten. Ja die menschen had ik nog meer gezien. Die kwamen voorzeker reeds uit Antwerpen. Ik hield ze staan praten. Zij woonden "op het Zuid". Zij waren van vier uur in den morgen reeds op weg. Rond middernacht was het bombardement begonnen. Het was om krankzinnig te worden in de kelders, waar zij gevlucht hadden gezeten.

Uur na uur klonken de donders der ontploffingen en tusschenin floten de bommen door de lucht, het was als een gehuil van katten in den nacht, als het geklaag van moegemartelde kinderen en dan weer ging de knal van een doeltreffend projectiel of smolten de losbrandingen in elkaar tot een gebrom van onbeschrijfelijk geweld. Door de keldermonden zagen zij den rooden gloed, door de brandende huizen geprojecteerd, op den zwarten hemel der in volledigste duisternissen gedompelde stad. De trompen der brandweer-motorwagens gingen gillend door de straten, maar alleen de stoomspuiten konden gebezigd worden in de nabij-de- dokken-gelegen wijken, want iedereen wist dat, sedert den val van Waelhem, de stad zonder water was. Verlaten honden huilden jammerklagend en dan dreunde weer een bons, gevolgd door het gekraak van honderden ruiten en het gekletter van den scherven- regen op de kasseien. Er waren menschen die een Zeppelin hadden zien drijven boven de stad, donker en afschuwelijk, als een ontzaglijk monster dat het vernielingswerk bestuurde. Zij waren eindelijk, vol angst en vrees uit hunne kelders gekropen en langs de boulevards gevlucht. Het liep er toen reeds vol van volk. Over de Zuiderlei, de Nijverheidslei, de Kunstlei, de Handelslei dreef de onafgebroken stroom van allerlei rijtuigen, wagens en menschen in de richting van het Noorden. Het was eene begankenis, eene boetprocessie van rampzaligen; uit alle straten kwamen zij toe, geladen met pakken en korven, met het allernoodigste of het kostbaarste en meestbeminde dat zij hadden willen redden. Toen brandden reeds vele huizen op het Zuid. In de Kasteelpleinstraat, in de Tolstraat waren heele rijen, vlammend in elkaar gestort. Bommen vielen dien nacht op het Gerechtshof en de Bank. Het Museum stond in brand vertelde mij iemand en heel Berchem en Zurenborg "lagen al plat".

Een oude dokwerker uit het schipperskwartier vertelde mij van de vlucht die hij gezien had langs de Schelde. Trekschuiten, mosselbakken, slepers, roeibooten, zeilschepen, al wat maar varen kon werd gebruikt, om de verschrikking der beschoten en brandende stad te ontkomen. De menschen sprongen van op de hooge kaaimuren in de tot-zinkens-toe volgeladen vaartuigen. Het was een wemeling van zwarte booten op de vlakte van den breeden stroom in den rooden gloed der petroleum-tanks die brandden in de richting van Hoboken.

Met een zwaar hart kwam ik weer op ons landhuis. De groote weide rond den vijver lag vol grazende koeien. Eene witte huifkar was tot voor de huistrappen gereden en twee boeren-gezinnen kampeerden onder onze vensters. Zij kwamen van Berlaer en hadden gevraagd om den nacht in onzen hof door te brengen. De beesten konnen niet verder meer en de menschen waren dood- vermoeid.

Ik vond mijn huisgenooten besloten van naar Engeland te trekken. De pakken waren reeds gemaakt. De vlucht der honderdduizenden werkte aanstekelijk. Het werd als een nood ons te mengen in den naren aftocht, ons deel te nemen in het droeve lot van ons wreed- geteisterde volk. Maar al die laatste handelingen gebeurden als in slaapwandel terwijl, ginder ver, maar aldoor ging het doffe geblaf der zware duitsche kanonnen.

Ik dacht aan de duizenden vluchtelingen die op dat zelfde oogenblik op weg moesten zijn door Vlaanderen, langs alle wegen, naar de zee. Een half millioen menschen zonder dak te midden der herrie van een aftrekkend leger van afgebeulde soldaten en moeizaam voortrollende oorlogswagens.

XXIV-Op Den Weg Der Ballingschap

De dag ging voorbij en de avond begon te dalen. Nog immer gonsde het rumoer der vlucht over den steenweg. Ik zag het witte hoofd van mijn ouden vader uitsteken tusschen de perelaars van zijn moestuin. Nog wrocht hij met zijn hakje om wat onkruid te wieden langsheen de groenten-bedden. Hij kon van zijn hof niet scheiden.

Maar het uur was gekomen. Ik zag vader, na een laatsten oogslag op zijne boomen naar het huis toewandelen met zijn tragen zekeren stap. Ik hoorde hem buiten achter den muur nog eenige laatste aanduidingen geven voor het verzorgen der planten en het bergen van de bloemknollen. Dan trad hij de kamer binnen.

--"Zijn wij gereed", vroeg hij "en is er niets vergeten? Dan zullen wij maar optrekken."

Voor de achterdeur van het huis stond een karretje gereed met een ezel, armelijk gespan dat door de boeren, die den nacht op ons goed zouden doorbrengen, geleend werd om ons gepak tot aan de grens te voeren. Alles was reeds opgeladen. Het oud moederken werd vooraan gezet en liet haar kinderen lijdzaam met haar begaan. Onze vrienden stonden al buiten te wachten. Een oude benediktijner monnik uit het nabijgelegen klooster, die ons op 't laatste oogenblik kwam bezoeken, zou nu meeloopen tot aan Putte. Moeder en mijn zuster zochten nog iets boven, ik stak nog een boek in mijn zak. Vader knoopte zijn overjas toe, zette zijn groote, zwarten vilt op en greep naar zijn wandelstok, den pelgrimstaf voortaan.

Wij waren buiten. Vader sloot de deur en zorgzaam als altijd borg hij den sleutel alsof hij over een paar weken ons weer behouden terug ging brengen naar zijn huis.

Hij zou die gesloten deur nooit meer openen weerom....

--"Wij zullen langs den boschkant gaan", zei hij, "dan ontkomen wij 't gewoel". Hij was de geleider die de wegen kende en hij ging voorop met zijn nog kloeken, vasten stap. De kleine karavaan volgde.

Wij moesten nog een tijdje langs den steenweg. Het vluchten der honderdduizenden duurde daar maar aldoor voort. Strompelend spoedden de menschen den dreigenden avond in. Er reed een stootkar aan ons voorbij, waarboven, op een matras, een oude man bewustloos neerlag met een wasgeel onbewogen gelaat en toeë oogën. Was het een stervende of reeds een lijk dat daar werd weggevoerd? Uit het duister van een groepje dennen klonken de snijdende hulpkreten vam eene vrouw in barensnood. Honden huilden naar den kwijnenden hemel en in de verte ging, zonder ophouden, het doffe brommen van 't kanon.

Wij namen een zijweg langs den boschkant naast de Calmpthoutsche heide, die eindelooze heide waar ik zoo dikwijls, in den vroegen morgen, te paard was doorgedraafd en waar mijn oogen nu het "Huis ten Heuvel" zochten van mijn vriend Em. de Bom...

Ik zag een groepje jonge antwerpsche schilders met pak en zak, de wijde rosse vlakte intrekken, in de richting van de Kambuis. In de verte staken nog de witte duintoppen omhoog in de laatste klaarte.

Klein en hulpeloos was onze vlucht tegen de lage sparreboomen, waar de nacht reeds woonde. Soms glom een lichtje daar binnen van een vuurtje of een kaars en de omzittende menschen deden aan als roovers uit een angstige vertelling. Wij gingen door het mulle zand met de knerzelende mastspelden. In den staal-blauwen koepel, over de heide, ontvonkten de eerste starren. Ik dacht aan een Kerstnacht... wanneer, langs alle wegen, de volkeren op weg waren voor de optelling van Caesar Augustus. Reisden wij ook niet naar eene optelling van alle doolaards door de wijde wereld? De kleine koewachter had moeite om ons ezelken voort te drijven en wij moesten duwen soms aan het piepende karretje met onze pakken en het krankzinnig-lachende oude moederken. De grijze monnik met zijn zwarte pij en de afhangende kap scheen wel Sint Jozef, zooals hij ging, ietwat gebogen, onder zijn grooten hoed, langsheen de diepe grauwe vlakte. De jonge vrouw van een onzer vrienden droeg een kindje onder haar hart. Zouden wij wel plaats vinden in een gasthof dezen nacht en in welken verlaten stal ging dat nieuwe kindje geboren worden?

Wij kwamen aan de nederlandsche grens. Hier liepen wij verloren in den immer-zwellenden stroom van vluchtelingen, die in dichte massa's aandrongen op de grens-bareelen. Maar hier waren soldaten die vriendelijk deden met de menschen. Wij stapten verademend en haast-gelukkig op nederlanschen bodem.

Toen blikten wij terug naar het Zuiden. Boven de vlakke landen, aan den einder, waaierde wijd, den hoogen hemel in, een ontzaglijke aureool die, frambozig-roos, naar alle kanten den lucht-koepel begloorde. Antwerpen brandde achter de kim en onze verbijsterde gezichten zagen rood van het verre vuur.

Wij namen afscheid van den goeden ouden pater en hij trok met den koewachter, het ezelken en het piepende karretje weer terug naar het donkere van kanon-gebulder doorvloekte land.

Nergens was er nog plaats, zelfs maar een stoel te vinden in de dorpsherbergen. Zoo zat er alles volgepropt. Onder het borstbeeld van Jordaens--den vlammenden schilder der vlaamsche vreugde, die vroeger zoo gemoedelijk lachend neerzag op de luidruchtige kermissen van Putte en de rondedansen van boeren en stedelingen, onder het gewaai der vlaggen en bij het gespeel der zinderende muziek--lagen nu de moede kudden van de ontelbare dakloozen, neergehurkt in stomme lijdzaamheid.

Een jonge luitenant van de hollandsche grenswacht, die van den kerktoren kwam daarover, vertelde ons wat hij gezien had van de verre gloeiende stad.

--"Staat O. L. V. toren nog recht?" vroeg mijn zuster.

Waarachtig het was het eenige dat ons nog bekommerde van al wat wij ginder achter lieten.

--"Ja, goddank, geen enkele toren werd getroffen, maar het brandt schier overal, groote rookwolken gaan op ten zuiden van de stad" zoo zei de luitenant en hij ging vriendelijk voort met ons te praten. Hij moest met zijn motocyclette naar Bergen-op-Zoom. Hij zou een auto voor ons doen komen. Onze vrienden vonden bij hunne Putsche familie een onderkomen voor den nacht. Wij bleven daar wachten ook tot de beloofde auto kwam, die ons veilig voerde naar het eerste hollandsche stadje.

Wij keken door de ramen naar den verren gloed aan den einder, het ontzettend vreugdevuur bij den triomf der vijanden van ons land. Vader en moeder die over ons zaten, kwamen mij plots veel ouder voor, nu die ontwortelde menschen schommelend reden door den nacht, op den weg der ballingschap, het onbekende te gemoet.

Dienzelfden avond konden wij nog vertrekken met den trein naar Middelburg en, diep in den nacht, werden wij daar onthaald door hartelijke menschen die ons brachten naar een gastvrij huisje, in de Lange Delft.

's Anderdaags werden wij wakker bij de klingelende muziek van vele klokjes op den toren van 't Stadhuis. Dat geluid van vrede stemde ons weemoedig, na al wat wij ondervonden van den oorlog.

Wij bleven daar tot zondag ochtend eer wij weg konnen naar Londen. De rust van het aardige schilderachtige stadje, de genegen goedheid van de menschen die ons herbergden, waren een troost voor onze pijnlijk-geschokte harten. Ik liep te dwalen langs de oude straatjes met de lachende glimmende huizekens. Ik zag de oude ruime kerk als een schilderij van Saenredam,--van bleek ivoor schenen de zware zuilen en de hooge wanden met paarse schaduwen hier en daar, blauw en rozig lagen de vlakke plavuizen, lichtblauw was de hemel door de in-lood-gevatte ruitjes van de spitsboogramen, huisnokken en roode daken schemerden daar door en heldere dag gleed langs de koperen kroonluchters en de kleurige schilden in de zwarte lijsten. Ik wandelde langs de rechte kanalen van het eiland Walcheren. Vlak en vreedzaam lagen, beneden de dijken, de groene weiden vol grazend vee. Ik wilde weer rustig worden, den oorlog vergeten. Het kon niet lang meer duren toch...

Zaterdag avond, 10 October, had ik te mijmeren gezeten op het rustige binnenhof met de roode klinksteenen van de oude abdij waar de najaarsblaren rezen, waar de beiaard-liedekens en de vrome zware stem van de kerkklok klonken als rustige stemmen uit den hoogen hemel boven de karteling van huizen en gekanteelde muren.

Ik ging weer aankloppen in de Lange Delft. Onze gastvrouw stak mij sprakeloos een kranten-buletin toe: Antwerpen was overgegeven! De Duitschers hadden hunne intree gedaan binnen onze stad. Ik liep naar boven. Vader stond sprakeloos door het venster te turen. Moeder en zuster weenden.

Antwerpen was gevallen!

Neuilly-sur-Seine, Lente 1917.

Het Einde