# De val van Antwerpen (october 1914)

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-val-van-antwerpen-october-1914-11500/index.md

De seizoenen van Vïaanderen gingen aan mijn oogen voorbij in die liefelijke gedichten. Het was winter: het ruwrijmde, het brimmelde, de bonte kraaien vlogen over de sneeuwvelden; het werd lente: daar viel een leeksken licht op des dichters handen, hij ging de gedaagde doornhagen vragen waarom zij nog niet bloeiden, hij vond de lieve Leie vol breedgerugde waterkimmen, de leeuwerik vloog als een pijl naar den hemel, de nachtegaal zong zijn klagend lied, de nieuwe blaren stonden als geluw-groene le-gerscharen op de boomen, de bloemen ontloken bij de watergracht, de avonden werden zacht en zoet van heilige rust; de zomer kwam: de dichter ging naar 't koren luisteren, "t vaart een fijn gelispeld leven--deur de toppen allemaal--daar de diepere stammen beven--deunende als een donder taal", hij stond als een kind aan zee, bewonderend het spel te volgen van de blijde witgetopte baren; de herfst begon en de blaren rezen, het regende droefgeestigheid en de dichter dacht in weemoed aan de dood en riep om hulp van uit zijn donkere diepten.

Milde en machtig mededoogen keert uw onbermhertig oogen toch niet af van mijn nietheid die benepen voelt de dood haar henensiepen naar het graf.

Ik las... en dof kwam aan mijn ooren, bij poozen het verre brommen van 't kanon.

Hoe waren deze gedichten bloemen van een vrede! Ik zag ze nu als de hoogste bloei van een reeds besloten tijd. Het was het beste dat wij hadden voortgebracht. Wanneer zouden wij dergelijk geluid nog ooit vernemen in ons platgetrapte land? Want 't was nu de roode wijn-oogst voor ons Volk. De vruchten van een traag-barende Lente en van een Zomer die ons zonder einde scheen gingen nu de wijnpers in en onder den pletterenden voet van den geweldigen wijngaardman. Waren de besten uit de jongelingschap, die nu vocht en stierf, niet innerlijk gevormd geweest door des grooten dichters woord? Het Vaderland waar zij hun bloed voor gaven was het paradijs van zijne zangen. Hij leerde het beminnen met de onstuimige liefde die opvoert naar die hoogten waar de heldendaden worden gesteld...

Weer gromde luider het kanon. Het bleef aanhouden en de losbrandingen versmolten in elkaar door de verte. Ik moest mijn lezing staken, heel de lucht was vol gedommel en het trok nu heel mijn aandacht. Het werd geweldiger nu ik luisterde in de groote stilte van den nacht. Het was als het gebrom der aarde zelf die geweld leed in de duisternis. Het scheen mij of de wereld overspannen stond door een koepel van geluid, door een reusachtige en voortdurend-ronkende bronzen gong. Ik dacht aan de trompen van den Apocalyps die zoo, op den jongsten dag, uit de vier windstreken, over de aarde moeten ronken en de menschen- drommen oproepen voor het laatste oordeel.

Ik sloeg mijn mantel om en liep de straat op in de richting van 't centraal station. De geweldige koepel had glimmingen van een stalen pantser in het blauwig vuur dat de stad overbrandde. Donker bonkte de vierkante onderbouw omhoog als een babylonisch terras. Wat waren al die trotsche opstapelingen van steen die, in een oogwenk, konden storten in elkaar.

Ik wandelde voort door de verlaten, donkere straten, in de richting van Borgerhout, van waar het oorlogs-geluid mij scheen te komen. De huizen blokten kolossaal op de vlammige lucht. Ik hoorde den stap en de stemmen van de nachtwakers, die sinds korten tijd, op eigen initiatief der burgers, wacht hielden tegen Zeppelin-gevaar.

Gedurige flikkeringen gloorden door de lucht als de lichtstriemingen van een ver onweer. Toen plotseling kraakte een slag zoo geweldig dat ik staan bleef en den bons voelde van mijn hart. De straat schokte en dreunde, er liep als eene siddering van de aarde onder mijne voeten. Ging de stad zelf nu werkelijk beschoten worden? Was het een fort dat in de lucht sprong of een Zeppelin die bommen wierp? Ik hoorde, ver en bij, door de straten, de onzichtbare wakers alarm kleppen en verschrikt op de deuren der huizen bonzen om de menschen te manen naar hunne kelders te vluchten.

Maar 't werd na een poos weer stiller, het staag kanongegrom zelf scheen te bedaren in de verte.

Toen kwam een ander groot lawaai aanstuwen uit den nacht. Ik bleef staan en luisterde aandachtig naar die vreemde gonzing van de lucht. Het werd ontzettend. Het was een benauwelijk gejoel als door doolhoven. Dan vernam ik duidelijk het gedreun van honderden en honderden paardenhoeven. Het werd een duivelachtig leven. De nacht rondom mij werd als een hel waardoor heel de ruiterij van den afgrond aan kwam draven.

Eindelijk trokken aan mij voorbij de eerste donkere ruiters en het bleef een stoet zonder einde die de stad introk. Ik kwam terug op mijne stappen en bleef loopen naast het dreunend getrappel van de paarden. Het was de aftocht van ons leger. Het hoofd van den stoet moest reeds diep in het hart der stad toegekomen zijn, en nog altijd joeg aan mij voorbij het gedraaf van nieuw-aanrukkende, bijna onkennelelijke ruiters, die nu met rammelende kanonnen en caissons door de dreunende straten reden.

Ik volgde den sleep tot aan de Schelde. In den zwakken schijn van een halve maan, die zilverig gloorde in den breeden zwarten stroom, zag ik de donkere, nare vlucht, kleintjes voortschuiven naar den Vlaamschen oever, over de lange houten brug waarvan de balken schokten.

Toen ik weer t' huis was en te slapen poogde, rommelde het nog heel den nacht door van rollende kanonnen.

XXI-De Aankondiging Van Het Bombardement

In den morgen van woensdag 7 october, stond er te lezen in de bladen dat het bombardement der stad aanstaande was en de burgers konden vluchten langs de eenig overgebleven vrije wegen van het Noorden en het Noord-Westen.

Ik was reeds vroeg de straat op. Overal stonden de menschen aan hunne deuren, in groepjes, de noodlottige aankondiging te bespreken. Het was te zien dat het nieuws algemeene ontzetting verwekte in de stad. Bij de meeste luidjes gingen immers nu eerst de oogen met verbazing open. Zonder eenigen overgang werden zij plotseling gesteld voor het allerschrikkelijkste: het bombardement hunner huizen, den val hunner stad. Wat wisten zy anders van den oorlog dan hetgeen zij stil op hunne kamers in hun antwerpsch krantje hadden gelezen en dat vertelde hun gisteren nog dat de zaken goed stonden, dat er geen de minste reden was tot verontrusting, het nachtelijk kanon-gebulder zelfs mocht niemand beangstigen: het waren proefscheuten met de zware engelsche marine-stukken.

Toch ontstond er geen paniek. De burgers beoordeelden kalm wat hen te doen stond. Tot vluchten werd vrij algemeen besloten, maar de middelen om die vlucht te verwezenlijken bleven een ernstig vraagstuk. Nagenoeg alle taxi's en de meeste paarden werden sinds lang voor oorlogsdienst gerekwireerd. Het trein-verkeer over de twee nog-bruikbare lijnen, Vlaamsch hoofd-Gent en Antwerpen- Esschen, was onzeker en beperkt en de Vlaamsche lijn bleef dan nog voorbehouden aan de laatste trekkende soldaten en eerst en vooral aan de gekwetste en herstellende die nu in een rampzaligen stoet van alle kanten toekwamen aan de vlotbrug voor het Steen.

Het was deerniswekkend om aan te zien: vele die zich voortsleepten op krukken met nog dik-omzwachtelde voeten, andere bleek en zwak met in-witte-windels-gedragen armen of het hoofd omwonden en die door verpleegsters moederlijk werden ondersteund, enkele zelfs die, meer dood dan levend, op berrie's moesten worden aangedragen. Het was als de toevlucht van alle ziekten en misères op de beroemde ets van Rembrandt, maar zij kwamen niet naar een Christus die hen zou genezen, zij vluchtten de dood of de gevangenschap die hen wachtte wanneer zij bleven in de stad.

Toen ik weer huiswaarts keerde, door een arme volkstraat, zag ik een van die lange zwarte koolwagens vol stoelen zetten om zoo een paar buur-gezinnen naar de nederlandsche grens te voeren.

Mijn huisgenooten besloten ook dienzelfden ochtend te vertrekken naar ons landhuisje te Cappellenbosch, waar het voor 't oogenblik nog veilig scheen. Zij hadden gelukkig nog een rijtuig kunnen huren dat hen tot in Cappellen zou voeren. Met verkropt gemoed werd het oude familie-huis verlaten met niets dan het allernoodigste voor de onzekere reis. Wij bleven samen tot aan Deurne-poort. Hier moest afscheid worden genomen... nog de laatste wuiving van een hand uit het portier en ik zag de zwarte koets voortrijden in den onafgebroken stoet van allerhande gespannen en te midden een reeds drukke toeloop van beklagenswaardige vluchtelingen. Ik bleef alleen van ons gezin achter in het bedreigde Antwerpen.

Ik wilde terug de stad in, maar in de hemel-ruimte, boven het plein voor de vestingpoort, beschreef eene duitsche Taube hare reusachtige kringen, heffend en dalend tusschen de openknarsende schrapnels onzer kanonnen die over de huizen donderden. De menschen vluchtten ijlings naar alle kanten om eene beschutting te zoeken onder het rood-steenen gewelf der poort of achter de muren der omliggende gebouwen. Een zuster, die waarschijnlijk pas uit de stilte van haar klooster was vertrokken, bleef alleen achter op het groote plein en stond daar bedremmeld en hulpeloos. Ik ging haar halen en bracht ze veilig onder de poort.

De Taube dreef weer af naar het Noorden, als het ware om de burgers op hunne vlucht te volgen en schrik aan te jagen, want bommen werden toen niet geworpen.

Op de Turnhoutsche baan zag ik menschen hunne keldermonden met kolen, zand of aarde dichtsluiten. Er was groote ontsteltenis overal, maar velen die nog aarzelden of zij wel trekken zouden, velen ook die niet weg konnen of zich geen volle rekenschap gaven van 't gevaar.

De antwerpsche historie telt meer dan een bombardement. Dat van Baron Chassé in het jaar '30 lag nog zoo ver niet in 't verleden en ieder had er in zijn familie, door grootvader of grootmoeder, wel eens hooren van vertellen. De sinjoren zouden dat nu ook wel doorkomen en zij hielden eerst en vooral van hun huis.

In 't voorbijgaan, trok ik even het centraal-station binnen. Alle winketten waren gesloten. De reizigers liepen vrij de groote hal binnen langs de hooge marmeren trappen. Ik volgde den drang en zag een trein bestormen die, reeds volgepropt, op vertrekken stond naar Holland. De menschen klauterden tot op de daken en hielden zich vast op de stijgplanken. Het werd hier een zinnelooze vlucht die op paniek geleek.

Ik ging van daar naar de Kipdorp-vest, waar het bestuur gevestigd was waarvan ik door mijn nieuwe bezigheden afhing. Al de bureelen waren met de regeering reeds naar Oostende vertrokken. Geene verplichting weerhield mij langer nog in de stad. Ik was vrij maar nog besluiteloos.

Toen ik weer in mijn buurt kwam zag ik hoe nog maar steeds alle menschen aan hunne deuren stonden en, als om raad of hulp of een bemoedigend woord, uitkeken naar de voorbijgangers. Luidjes die mij vroeger niet schenen te kennen groetten mij nu als met een innigheid. "Die is nog hier en rustig in 't gevaar!" zoo blikten hunne vertrouwende oogen mij hartelijk te gemoet.

Over de andere stoep kwam burgemeester Jan de Vos aangestapt, op zijn dagelijksche gang naar het stadhuis. Hij liep verstrooid in zijn donker-grijze redingote, de licht-grijze girondin op het hoofd, ietwat gebogen, zwaar van kommer en verantwoordelijkheden, in deze hachelijke uren. Hij beantwoordde geen enkelen groet van de vele lieden die hem eerbiedig nakeken en nu eerst recht gevoelden hoe hij was de burgervader waarop men rekenen mocht. De innerlijke overweging volgend, keken star de afwezige oogen van achter de glimmende lorgnonglazen, waarvan het zijden koordje argeloos neerhing langs zijn zwart en witte snor en zijn rood gerimpeld gelaat. Ik had den indruk van een man die eenvoudig een held zou zijn als 't noodig was en het eigen leven niet zou achten in 't gevaar.

In den namiddag ging ik een vriend opzoeken om te vernemen wat hij zinnens was te doen.

--"Wat zijt ge bleek!" zoo was de bezorgde vraag die mij begroette "Uw gelaat draagt de sporen van ontzetting. Voelt ge u niet wel of is het angst?"

Ik keek verwonderd op doch stelde mijn vriend gerust:

--"Ik voel mij wel, goddank, mijn huisgenooten zijn weg, in veiligheid en 'k ben van dien kant zonder kommer. Voor mij zelf ken ik geen vrees en, indien ik angst gevoel, dan is 't voor deze stad en alles wat hier kan vergaan. Voelt gij het ook niet, beste, er is iets nieuws over ons gekomen, onze weelderige vrede is voor goed verstoord, al de trotsche kooplui dezer stad zijn geschokt in hunne ikzuchtige genieting, de koffers worden geledigd, de fortuinen storten in elkaar, een rukwind waait alle vensters open en jaagt zelfs oude en zieke menschen op de straat langs alle wegen van de wereld. Ons volk lijdt, wij gaan nu lijden met ons volk, wij gaan ons deel hebben in de moorderijen, in de brandstichting, in de vermorzeling van dit geslacht, heel het grootsche gebouw van onze voorvaders stort in puin. Ja ik weet het, door onze kleinheid tegenover het almachtige Duitschland heeft onze strijd eene glorie verworen, die aan de antieke tijden denken doet. Als wij uit dien oorlog vrij en onafhankelijk weer eens te voorschijn komen, dan is er met ons in de geschiedenis iets gebeurd, dan hebben wij een roem verworven die van geslacht tot geslacht zal voortgegeven worden als de kostbaarste schat onzer nationale fierheid. De gemakzucht en de zinnelijkheid die alle zedelijke energie gingen sloopen, die alle enthousiasme verzwakten hebben van de zweep gekregen en komen zoo gauw niet meer weerom. Er overkomt ons iets dat ons diepste wezen moet veranderen en ons tot een volk maken dat eerbied afdwingt voor heel de wereld. Maar nu, nu op dit oogenblik, nu lijden wij, nu voelen wij alleen de gruwelen van dezen tijd en hoe de ijzeren hand van den dwingeland reeds op ons weegt, wij lijden omdat wij voor lang niet meer volledig zullen kunnen leven, wij lijden om alles wat vergaat voor eeuwig in het aanschijn van ons lieve land. Die pijnlijke ondervinding mag te lezen staan op ons gelaat. Het is niet te verwonderen dat wij er de sporen van dragen, ik zou mij eer schamen moest het anders wezen."

Mijn vriend aanhoorde geduldig mijn ietwat zenuwachtige uitval, die zijn kijk op mijn innerlijk gemoed bij mij had uitgelokt. Wij gingen kalmtjes voort met praten over de mogelijkheden die nog in de lucht hingen. Hij wilde weg, maar aarzelde zijn mooi huis, met de schilderijen, de boeken, de zeldzaamheden die hem lief waren te verlaten. Ik werd gewaar dat in die uiterste oogenblikken niet slechts de wil en de koele redeneering--te veel onbekenden kwamen in het vraagstuk voor--maar wel de omstandigheden, een onvoorzien voorval, een luim, de beslissende daad uitlokten van te blijven of te gaan en wij namen nog geen besluit.

Ik ging weer naar mijn huis. Over de Schoenmarkt reed er een grijze auto aan mij voorbij. Ik erkende den Koning. Het was ongeveer drie uur in den namiddag. Hij reed langs de Koornmarkt naar de Schelde toe, Ik kende die richting, zij was voor dagen reeds de baan van allen aftocht. Onze vorst verliet dus ook de stad! Onze ministers en de vreemde gezanten waren vertrokken, ons leger was nagenoeg geheel over den stroom en op weg door Vlaanderen, Winston Churchill was weg in een auto naar Oostende. Mijn besluit stond vast. Ik zou vertrekken. Deze stad ging in de handen van den vijand vallen, ik zou moeten de gehate soldaten en de trotsche officieren door mijn straat en aan mijn huis zien voorbij gaan. Wij zouden ons aan den willekeur van een glorie-dronken overwinnaar moeten onderwerpen. Wat waren geld en goed en alle duurbaarste herinneringen, vergeleken bij de vrijheid daarbuiten, met alle mogeijlkheden om naar mijn beste krachten voor het vaderland te werken?

XXII-De Laatste Uren

Ik lag in mijn zetel, keek mijn kamer rond en peinsde.

Hier heb ik zoo vele dagen van mijn leven hard gewerkt. Hier heb ik eindelijk klaarte gezien in mijn jonge droomen. Hier ben ik uit de onbewustheid losgeworsteld en heb ik geestdrift gekend tot groote daden.

Langs de wanden stonden de vele boeken die mij lief waren, hingen de prenten en de schilderijtjes die bij mijn leven hoorden en bij de bewegingen van mijnen geest. Ik keek naar de ronding en de kleuren van een vaasje; ik zag het slanke gebaar van de tanagrabeeldjes boven mijn boekenkast; aan den donkeren wand naast het venster was de bittere mondplooi van een Beethoven- masker.

Ik voelde weemoed naar boven komen.

--Er valt nu niets meer te doen dan kalm van alles te scheiden. Hoe nutteloos is al ons gehaast, heel onze zenuwachtige bedrijvigheid het was een waan. Wij meenen soms tot iets noodzakelijk te zijn en alles gaat voort als wij verdwijnen. Hoe ijdel blijken nu al de gewichtige gesprekken die hier werden gevoerd! De werken waar ik met heel mijn ziel aan hing zullen voor jaren moeten rusten en misschien nooit meer hernomen worden. Een andere tijd begint en een nieuw leven. Al het oude wordt als een versleten kleed afgelegd en daargelaten.

--Daar in die schuiven liggen brieven van geliefde wezens die ik op mijn zwerftochten door de wereld heb ontmoet en die uit de millioenen onbekenden naar mij zijn toegekomen en boven alles lief geweest. Die brieven bevatten de uitspraak van hun hart, van hun innigste denken, van hun beste geloof, van hun vurigste betrachting en verlangens.

Ik trok de schuiven open.

--Zou ik ze meenemen? Neen er viel niet aan te denken. Wat zou ik kunnen dragen op een tocht, te voet misschien naar de grenzen, niets dan mijn eigen noodzakelijkste goed. Zou ik ze verbranden? Neen dat mocht niet, 't was onmogelijk al het teerste en schoonste te vernietigen, dat in momenten van hoogste zielestemming was ontloken of geklaagd werd van uit afgronden van smart. Ik zou misschien alles eens terug vinden, wie weet?

Ik sloot de schuiven en borg den sleutel.

Ik liep het huis af, een laatsten keer, alle kamers door, waar wij zoovele jaren hadden geleefd en vreugde en droefheid gekend en gedeeld. Mijn voorzaten keken mij aan van uit hunne oude vergulde kaders, al die stille en verre menschen die geleefd hadden in tijden van rust en onverstoorbaren vrede: grootvader met zijne bakkebaarden en de roze hand op den hecht van zijn krommigen officierssabel uit den tijd van Leopold I; Grootmoeder uit Holland, met haar strak-gesloten mond vol stil-verbeten droefheid, haar vader vocht in 't verre Indië en zij was vroeg verlaten en alleen; Overgrootmoeder met de witte muts en de zware gouden halsketting en de gouden horlogie op het blinkend zwart zijden kleed; een vroeg gestorven tante uit Haspengouw, als een meisje, met een roode roos in haar hand en een fijn juweeltje dat van uit de haarschijding neerhing op haar maagdelijk voorhoofd tusschen de platgestreken bandeaux. Ik was de eenige die hier overbleef om een laatste blik te wisselen met hunne onveranderbare oogen, een laatste blik voor dat die oude en vertrouwde gestalten voor eeuwig zouden vergaan misschien in de verwoesting dezer stad!

Overal stonden of lagen voorwerpen die herinneringen opwekten aan blijde en droeve dagen, aan verre reizen. Ik nam een geciseleerde dolk in mijn handen dien ik eens meebracht uit een duisteren juweelenwinkel van den Arminski Bazar te Tiflis. Mijne vingers gleden langs een poolsch tapijt dat ik kocht in de oude hallen van Krakow.

Ik bleef staan droomen voor een schilderij van mijn vriend Lefebvre, een groot landschap dat in de voorkamer een heele wand bedekte. Het was de Lente, de kerzelaars stonden in de bloem, een witte weelde zoover de oogen gingen en heel kleintjes aan den einder was daar een kerktorentje en wat huizen van Mortsel-dorp, waar ik vroeger eens woonde. De zon speelde door die witte maagdelijkheid en deed de purpere anemonen in de weiden tintelen van glans. Het was een feest van kleuren en van licht. Het werd zoo dwaas in dit angstig uur, het was om te huilen dat die kunst zoo onbewogen bleef, vol paradijs-geluk, wanneer alles over enkele uren in elkaar kon storten en de flarden van dit schilderij niet meer zouden te vinden zijn onder de puinen en het stof of de verkoolde balken van dit huis.

Het is de tijd om aan alles vaarwel te zeggen. Het is de tijd om uit zich zelf alleen te leven, om te weten, eens voor goed, dat niets belang heeft dan onze eigen denkende, voelende, onsterfelijke ziel. Wat heeft dit stoffelijk leven te beduiden? Waarom, als de bode van de dood nu tijgend aan de deur staat, nog willen talmen en uitrekenen dat het beter straks dan nu, over een jaar dan dezen nacht zou zijn. Het ware laf een stond daarover te dubben of even maar te aarzelen.

Wat is het zelfs dat deze schoone stad ten onder gaat wanneer haar lot beslist is?

De historie moet haar verloop hebben. Daar is niets tegen te doen. De O.L.V. Toren zal instorten wanneer zijn uur gekomen is. Rome en Athene en Carthago zijn ook verwoest door overwinnende legers. Andere steden zijn vergaan voor eeuwig. Het was noodig om een nieuwe orde in de wereld.

Er gebeuren dingen waar wij of niemand op deze aarde de regeling van bezitten. Wij zijn niet meester van het Lot. Zijn wij meester zelfs over ons zelf? Alles is ijdel, alles is waan. God alleen bestaat en regeert de wereld. Al wat gebeurt is aanbiddelijk en goed.

Er kwam berusting in mijn hart. Ik voelde geen haast meer, geene drift, geene eigenliefde, geen verwijt tegen het lot. Ik sloeg mijn mantel om, stak mijn tasch onder den arm, sloot de deur en trok de straat op.

Het was omtrent acht uur. De stad lag doodsch en grijs alsof een vroege nacht er reeds begon te dolen. Er waren bijna geen menschen meer op de baan. De huizen al gesloten. Hier en daar werd nog haastig een kelder met aarde en assche toegestampt, bangelijk en geniepig. De winkelramen waren dicht gemaakt met geel houten planken, andere die haastig nog de luiken voor kregen.

Het was tragisch die stad te zien liggen in de angstige verwachting van hetgeen te gebeuren stond. Zij was gaaf nog en heel, maar over een paar uren moesten de bommen, als een regen van vuur, over haar nederkomen en de roode haan zou kraaien over hare torens en huizen. Zij zou den inval kennen der Barbaren. Langs hare straten en op hare pleinen zouden misschien de moorderijen en de slachtingen herhaald worden van Aerschot, Dinant, Andenne, Tamines, Leuven en Dendermonde. Dezen langen weerstand zou de vijand doen uitboeten in een bad van bloed. De groote markt zou de orgieën zien van vreugde-dronken overwinnaars, die Deutschland ueber alles, brallend zouden zingen in den rossen gloed der oude gildehuizen, als roode toortsen opbrandend naar den hemel.

Werktuiglijk stapte ik het centraal station binnen, als wilde ik weer, lijk vroeger, de trein gaan vinden die mij, na de dagtaak, elken avond voerde naar de verre rust der mastebosschen. Alle bareelen stonden open, geen toezicht nergens meer. Het was geen uur om nog een trein te treffen en toch ik vond er een die op vertrekken stond naar Esschen. Ik kreeg een plaatsje in de volgepropte wagens, De menschen waren zenuwachtig opgeruimd. Alles ging zoo broederlijk gemeenzaam toe. De angst van 't oogenblik werd als geloochend door de onverschillig en drukdoende tongen. Have en goed werd weliswaar verlaten, maar 't was immers maar voor korten tijd, en 't leek zoo aardig dat kosteloos reisje naar Holland.

De trein was in beweging gekomen, traag van de over groote vracht. Ik zocht door de vensters een laatste glimp van O. L. V. Toren die wit-grijs uitstak boven de daken op de sombere avondlucht; de slanke naalden van Sint Josef spietsten boven de duistere boomen van het park. Het stadszicht gleed voorbij en was verzwonden, wij reden de donkere velden in.

Rond half tien was ik te Cappellenbosch. Hoe gelukkig scheen het gele lamplicht mij tegen van uit het verre vaderhuis in den van- geuren-loomen avondtuin. Ik vond mijn gezin weer gezeten rond de wijde tafel met vrienden, die uit samenhoorigheidsgevoel, in deze bange tijden, nu kwamen huizen onder ons dak.

XXIII-De Vlucht Der Honderd-Duizend

