De val van Antwerpen (october 1914)

Part 6

Chapter 6 3,779 words Public domain Markdown

Ik trok 's anderdaags, vrijdag 2 october, rond elf uur in den morgen met mijn vriend Karel van den Oever, naar de Sint Michielskerk op het Zuid. Wij hadden afspraak met den kosterszoon om den toren te beklimmen en van daaruit den aan-gang-zijnden slag aan den horizont waartenemen. De waterlijding was in Antwerpen geschorst dien zelfden morgen. De vijand was dus meester van de Nethe. De strijd om het bezit der stad naderde zonder twijfel de tweede verdedigingslijn.

De kerk was leeg. Wij vonden langs binnen het torendeurtje en weldra stonden wij, boven de klokkenkamer, door de hooge rond- geboogde galmgaten te turen in de richting van Mechelen.

Het duurde een tijd eer wij onzen weg vonden door de wijde eindeloosheid, die onder onze oogen open lag. Alles smolt in elkaar tot een olijfgroen landschap, velden, boomen, wegen en verre dorpjes. Maar op eens kregen wij Sint Rombouts toren in 't gezicht. Die stond als een hooge af geknotte mast, schalieblauw boven den einder. Dan zagen wij, laag bij den grond, links van den toren en naar het Oosten toe, eene golvende wolkenbank met striemingen van rood licht, het was de vuurlijn. Sint Rombouts stak er boven uit, alsof die oude steenen reus zelf in 't gedrang was gekomen van zijn vechtende en stervende kinderen. De aarde scheen aan den horizont te bewegen en te branden. Immeraan dampten wolken van witten en blauwen rook omhoog waardoor, af en toe, een roode lichtflits gleed en de wolkjes roos begloorde. Nader bij Antwerpen en naar onze schatting boven de streek tusschen Contich en Duffel steeg een verkenningsballon omhoog en de geel-beglansde worst ging zweven met den sleep van zijn slank-buigenden kabel, die als een ragfijne spinnewebdraad op het luchtvlies zichtbaar bleef. Vreemd hong die wanstaltige massa in het vlekkeloos hemelblauw. Dadelijk begon daarrond het spelend gedans van de witte wolkjes der openknarsende shrapnels. Maar de ballon bleef drijven, ongedeerd, traag wendend en keerend in den wind, boven de belgische troepen die daar moesten gelegerd zijn.

Wij luisterden aandachtig naar de ruimte met dien gruwelijken dijk van rook en vuur aan de einder. Maar wij hoorden niets dan het staag geruisch der groote stad aan onze voeten. Geen enkele, zelfs gedempte rommeling van kanonnen kwam ons toe van uit de verte. Heel het land lag eenzaam en schijnbaar zoo rustig.

Vliegeniers kwamen toen aangevlogen, als groote vogels opduikend uit de luchtdiepten, en streken neer in breede spiralen tot op het vliegplein van Wilrijck. Het ronken hunner schroeven klonk nu, heel nabij, als het gedreun van orgels.

De Schelde, waarvan de wit-glimmende wenteling door de wester- galmgaten te zien was, lag leeg van schepen, verlaten en naargeestig als een gevloekte stroom. Aan den overkant strekte het Vlaamsche land, als een grauw-gele woestenij, mijlen en mijlen ver met de torens van Zwijndrecht, Melsele, Beveren, achter elkaar, en het donker betooverd puin van Rubenskasteel, heel nabij in de olijfgroene polders, waardoor wit de grachten blonken. Wij dachten toen nog niet aan den aftocht van ons leger, dat langs daar zijn redding zou moeten zoeken in een rusteloozen trek van Antwerpen tot aan den Yzer, altijd voort altijd voort, zonder genade. Nu kwam nog niets den vrede van dat land verstooren. De wielschepen van den overzetdienst deden gezapig hunne reizen over den stroom en kleintjes klauterden menschen en wagens den steenen dijk op van Sint Anna.

Hoe sterft toch het grootste getier van wapenen op eenige uren afstand uit! Ginder heel ver, woedde de slag maar hoe kalm en ongestoord lag nog de stad en hoe zeker in het midden van die groote ruimten van vrye ongeschonden velden. Zou daar toch ook eens slag geleverd worden? Zou ons leger, achteruit wijkend, elk stuk grond daar, voet voor voet, verdedigen, om den vijand, aan geen prijs, door te laten tot de stad die nu de laatste wijkplaats was van het vaderland? Wij bleven hopen zoolang zij niet gevallen was.

Maar toen wij, afgedaald van onzen toren, weer door de straten liepen, wisten wij maar al te wel hoe dreigend de nood was, Met eigen oogen hadden wij de vuurlijn gezien. Die lijn zou nauwer en nauwer toesluiten rond de stad en wat ging dan haar lot zijn morgen? Wij stapten sprakeloos voort en mijn vriend zag met weemoed naar de huizen die hij minde en die tot gruis-en steen- hoopen konden worden neergebeukt.

Ik zat in den nanoen, niet zonder gejaagdheid, de hollandsche kranten te lezen in den Kunstkring. De "Times" werd niet meer toegelaten, daar stonden de gebeurtenissen te klaar in beschreven. Eensklaps dreunde kanongebulder over de stad. Wij sprongen op, de enkele lezers die daar rustig zaten in de lederen zetels van het fluisterstille kabinet.

Wij liepen naar een terras op den tuin vanwaar eene wijde hemelruimte boven de huizen zichtbaar was. Eene duitsche Taube snorde door de lucht en dreef recht over de plaats waar wij stonden. Het was de dood die over ons heen vloog, want bommen waren reeds gevallen en nieuwe bommen konden worden uitgeworpen.

Was het onbedachtzaamheid die ons staan hield onbewogen, terwijl wij aandachtig door de lucht het spel volgden der omzwevende wolkjes van de ontploffende schrapnels? Was het een wraakachtig verlangen den vijandelijken vlieger als een gekwetste vogel te zien neer tuimelen uit dien blauwen hemel? Was het misschien wel onverschilligheid voor alle werkelijk gevaar waar toch niets meer tegen te doen valt? Was het een onbewust vertrouwen dat ons uur nog niet gekomen was?

Ik dacht aan die zielesterkte waar Marcus Aurelius van gewaagt, die onbewogenheid der ziel die zich voegt naar hare lotsbestemming en naar de omstandigheden waar zij geen meesterschap meer over heeft. Sterven op dat oogenblik, zoo scheen het mij, had toch niets bitters meer indien het zoo beschikt was.

De Taube ging aan 't stijgen, buiten 't bereik onzer kanonnen en verdween weldra als een onbeduidend stipje in het wit-blauw der hemeldiepten. De kanonnen zwegen.

Bommen waren te Berchem gevallen en hadden een vrouw en een kind gedood. De vijandelijke vliegenier had ook strooibiljetten uitgesmeten waar op te lezen stond dat de bevolking van Antwerpen bedrogen werd en de val der stad aanstaande was. Dat nieuws werd door de bladen met spotternij vermeld. Onze forten zouden bewijzen of Antwerpen stand hield ja of neen.

XVIII-Een Nare Dag

Zaterdag, 3 october, is wel voor mij de meest nare dag geweest van het beleg van Antwerpen.

Het gerucht liep, in den morgen, dat de regeering en de vreemde gezanten gingen vertrekken naar Oostende en al de hospitalen moesten worden ontruimd. Dat viel te verwachten, het einde was nabij, maar hoe droef die harde zekerheden te ondervinden!

Ik ontving het bezoek van een vrijwilliger-kanonnier, uit het fort van Wijneghem, die met verlof in stad was. Hij vertelde mij uit zekere bron vernomen te hebben dat de tegenaanvallen die ons leger waagde op de Nethe, vruchteloos gebleven waren en aan ons volk verschrikkelijke verliezen hadden gekost. De stille kempische rivier lag vol lijken en vloeide rood van bloed. Het fort van Dorpsveld was in de lucht gesprongen met zijn bevelvoerder en laatste verdedigers. Te Koningshoyckt was een munitie-magazijn ontploft en het fort onbruikbaar geworden. Tallaert lag vernield, Lier werd verlaten en ons leger was nu bepaald heelemaal achter de Nethe teruggeweken. "Onze forten zijn van karton" zoo voer mijn zegsman voort, met een bitteren lach van spijt en radeloosheid om de lippen, "van karton, zeg ik je, tegen die monsterkanonnen waar Brialmont nooit op gerekend had. Het is de eeuwige strijd tusschen het pantser en de bom en de bom moest onvermijdelijk overwinnen. Indien je geen duitsche pinhelmen als overwinnaars over enkele dagen in je straat wil ontmoeten, dan raad ik je stellig aan zoo haast mogelijk te vertrekken. De val van Antwerpen is beslist. Het is slechts een kwestie van dagen nog, wat zeg ik, van uren misschien."

Ik beproefde, zwakjes moet ik zeggen, die stellige verklaringen in twijfel te trekken, gesteund als ik was door den algemeenen geest die nog in de stad bleef heerschen en op eene onmogelijke verlossing wachtte, maar mijn vriend lachtte, ietwat medelijdend, alsof hij te zeker wist wat ons te wachten stond.

Toen ik weer alleen zat in mijn werkvertrek, werd ik voor 't eerst ten volle bewust van het onwederroepelijke. Het was hartverscheurend! Ik voelde mij in de stemming vaneen man, wien de dokter de ongeneesbaarheid en het aanstaande einde van een geliefd wezen heeft aangekondigd. Hij staat machteloos bij de sponde, nog gaat de ademhaling, nog klopt het hart heel zwakjes, maar de oogenblikken zijn geteld en vallen een voor een in de eeuwigheid als de laatste korrels van den Zandlooper.

Er was niets meer aan te doen!

O bitterheid der herinnering! Voor twee maanden leefden wij hier nog in gelukzaligen vrede, waren er schepen op de Schelde uit alle werelddeelen, klonk de beiaard uit O. L. V. Toren, bewogen de menschen blij en feestelijk langs de straten, stonden al die oude huizen en groote kerken daar met hun onveranderbaar gelaat vol oude rust en zekerheid.

De overweldigers die reeds Luik hadden ingenomen en Leuven en Brussel en Mechelen en zoovele steden en dorpen op onzen vadergrond, zouden ook Anwerpen binnenrukken met het hoonend geluid hunner gillende pijpers, Antwerpen, de stad van Rubens, de trotsche, blijde stad van stoeten en landjuweelen vol ongeziene pracht en schittering.

De val dezer stad had een tragischer beteekenis dan die van andere steden in het land. Zij was ons laatste toevluchtsoord en zij is gekend over heel de wereld. De waterbanen uit alle zeeën loopen er henen. De schepen uit Bombay en Calcutta, uit Melbourne en Valparaiso, uit New-York en Shanghaï hielden den steven naar haar gewend.

Ik heb deze stad bemind als geen andere op de wereld met eene liefde van alle dagen en alle nachten. Wanneer ik ver van haar was, heb ik naar haar verlangd met een ongeneesbar heimwee en, varend over vreemde zeeën, hoorde ik haar roemen door het scheepsvolk als een verre droomstad, verholen achter de eindeloosheid der zoute wateren, in de diepe rustige golf der breede en kalme Schelde...

En nu is haar val nabij. De zonen van heel het land vermogen niet haar te redden ten koste van hun bloed...

Waar zijn de millioenen-legers van de Russen, de Franschen, de Engelschen dat wij zoo gansch alleen aan ons droevig lot zijn overgelaten. Moet deze stad dan toch onwederroepelijk met hare onafzienbare kaaimuren en dokken, met hare torens en kerken, met hare onschatbare kunstgewrochten, de prooi worden van Duitschland en de uitspattingen zien der onbeschofte vreugde van een vijandelijken triomf! De klokken uit de domtorens van Keulen en Aken van Coblenz en Frankfurt, van Berlijn en van Weenen zullen feestluiden bij den ondergang van dit voor ons onaantastbaar heiligdom!

Heel den dag vervolgden mij die martelende gepeinzen.

Wanneer ik op straat kwam, las ik verslagenheid op alle gezichten. Voor het Sint Elisabeth-gasthuis zag ik de tramwagens volladen met de erbarmelijke vracht van nog hulpbehoevende gekwetsten... Het ongeluk hing in de lucht. Eene atmospheer van angst, van bange verwachting drukte zwaar over heel de stad. De dingen die gebeurden waren te geweldig dat zij niet, zelfs zonder mededeeling der kranten, op elk burger een weerslag zouden gehad hebben. Voorgevoel? Telepathie? wat weet ik, maar 't was zeker dat onze nederlaag op de Nethe en het openkraken onzer sterkste pantsertorens, ofschoon de menschen er niets juist over wisten, als door luchttrillingen tot in elk hart den zwaren klop verwekten van de hevigste ontroering. Zoodat alle menschen dof en moedeloos gingen loopen met een borst vol nijpend wee.

Ik zocht naar stilte en eenzaamheid. Werktuiglijk gingen mijn schreden naar de Wilrijcksche poort. In de groene koelte van het Nachtegaalpark, onder de hooge zwaarruischende beuken van Middelheim, heb ik zoo dikwijls over mijn leven nagedacht en rust en sterkte gevonden. Misschien kon ik er nu ook weer tot kalmte komen met mij zelf en leeren berusten in het Lot. Het zou daar eenzaam zijn en verlaten. Wie dacht nu in de stad aan die verre- koele boomen?

Maar ik was nauwelijks de poort uit of ik zag de baan afgesloten door soldaten en over heel de diepte van den steenweg op Wilrijck, de dichte drang van vluchtelingen stadwaarts gekeerd. De forten der tweede verdedigingslijn werden dus onder vuur genomen dat de dorpelingen van zoo dicht bij Antwerpen reeds op de vlucht sloegen. Het was een erbarmelijk gezicht: hoogopgestapelde karren vol meubels en beddegoed, voortgedreven koebeesten en schapen, handkarretjes met een arme huisraad volgeduwd en duizenden menschen, wien toegang tot de stad werd ontzegd. Waar moesten die dompelaars nu heen? Naar het Noorden en het Westen liepen nog de eenige vrije wegen.

Ik moest terug, er viel niet aan te denken door dat gewoel te geraken. Ik tramde weer tot in het hart der stad.

Eene groote verrassing wachtte mij daar: de engelsche mariniers waren aangekomen. De burgers liepen rond in blijde opgewektheid. De trieste stemming van heel den dag scheen geweken voor eene nieuwe opleving van hoop. Gezang van Tipperary klonk mij tegen van uit de kromming der Koornmarkt en weergalmde tegen de oude trapgevels. Ja, daar waren de Tommys in hunne kakhi-uniformen en hun flinke stap dreunde door de straat met het gerol hunner snelvuur-geweren. Zij hadden lachende gezichten, bij 't gejuich en geroep der links en rechts op de stoepen geschaarde menigte. Vrouwen wierpen bloemen uit en staken sneukelgoed en vruchten toe aan de kranig voorbij tiegende jongens. Zware marine-stukken waren over de vlotbrug van den vlaamschen oever gekomen en reden nu met een daverend geluid van ijzer over de kasseien der Suikerrui.

Wij waren dan toch niet heelemaal verlaten. Engeland ten minste kwam ons ter hulp. De regeering vertrok niet meer en de gasthuizen werden niet voort ontruimd. Churchill, de lord der engelsche admiraliteit, was naar Antwerpen gekomen en pleegde reeds overleg met onzen generalen staf. De zaken gingen een andere wending nemen onder zijn beheer! Antwerpen was gered!

Het waren de laatste opflakkeringen van hoop, zekere voorboden van het einde. Ik liet mij niet meer meeslepen in dien laatsten roes. Ik had de vlucht gezien van duienden aan onze poorten. Ik wist dat onze vesting openlag voor den vijand. Wat konden 2000 engelschen doen, wanneer vijftig--en honderdduizend niet voldoende waren geweest om den inval der Barbaren te stuiten. De avond begon te dalen en de straten lagen wit-grijs in de deemstering. Toen zag ik op O.L.V. Toren een rood-en-wit- gekartelde vlag verschijnen. De menschen in hunne vreugde begrepen niet dat nood-signaal. Het was een voorteeken van het aanstaande bombardement. De oude eerbiedwaardige steenen van Antwerpen riepen om genade.

XIX-De Kardinaal Te Antwerpen

O 't bitter zoete van dien laatsten zondag! Ik wandelde langs de boulevards, onder de groene platanen. Tot mij kwam het vele klokgewemel uit de oude stad, alle de klokken der groote kerken die luidden voor de hoog-mis. Dat gaf altijd eene stemming van feest, van blijde opgetogenheid, wanneer dan tusschendoor de schetterende fanfaren van eene voorbijtiegende harmonie maatschappij uit een verdere straat werden vernomen. Nu kwam de bittere herinnering op aan vroegere dagen van vrede en rust. Ik heb mij, kind zijnde, reeds zoo bewust gelukkig gevoeld bij die bekende klokke-muziek. Ik kende de vrome stemmen uit alle torens. God! het waren dezelfde zware gonzingen en de heldere bimbammen van altijd die mij den zondags-hemel blauwer deden schijnen en van zon de gevels lichter. Nu luidden zij den nood die in alle harten genesteld zat en 't kwam mij voor dat het blijde klankgeweef van vroeger bedeesder was geworden en schuchter om een geluk waarvan de broosheid thans was gebleken. Ons bleef niets meer dan bitterheid en spijt; de laatste illuzie van een mogelijke verlossing was nu voor goed dood. De klokken zongen ons leed.

Wit-en-rood-gekartelde vlaggen staken nu uit op alle publieke gebouwen. Ik zag er wapperen langsheen mijn wandeling, boven het Opera, den nederlandschen Schouwburg, het Atheneeum en dieper in de stad boven Sint Andries, Sint Jacob, en Sint Paulus. Flink-uitslaande vlaggen wekken altijd een gevoel van fiere vreugde. Maar nu... dat wit en rood gewemel op de zonnelooze en parel-grijze lucht deed denken aan de nood-signalen van schepen die vergaan.

Er was een groote rust overal, een doffe stilte en eene verschrikkelijke ijlte. Waagden de menschen 't niet meer buiten te komen en zaten zij te dubben in angstige verwachting achter al die bleeke zieke gevels van een stad die sterven ging?

Tegen den middag kwam er toch weer beweging in de groote straten, gingen de menschen met hun zondagschen tred over de Schoenmarkt en de Meir, toeterden weer de militaire auto 's en klonken dringender de bellen van de trams door de drukte en 't rumoer.

De meest besproken gebeurtenis van dien dag was de overkomst van Kardinaal Mercier naar Antwerpen. Dat gaf gerustheid tot in het meest dreigende gevaar. De blikken verhelderden. Dat voelden de menschen toen reeds: de regeering kon gedwongen worden te vertrekken, de Koning en het leger zouden misschien eerstdaags de stad en het land moeten verlaten, maar de Kardinaal was een macht en een kracht die zou blijven en 't ontredderde schip van 't Vaderland, met zekere hand en vasten blik voort sturen door de orkaan. Hij had toen nog niet die heldhaftige brieven en protesten geschreven, uitspraak van den nood, de verzuchtingen en de verontwaardigingen van een heel volk en die over heel de aarde weerklank zouden vinden. Hij had zich toen nog niet, met de imponeerende grootschheid van zijn onkreukbaar gezag, tegen duitsche dwingelandij en willekeur gesteld en woorden gesproken die ontzag en eerbied afdwongen en hem maakten, in afwezigheid van den Koning en de regeering, tot den Regent van het verdrukte en platgetrapte België, veel meer nog, tot de hoogste en zuiverste zedelijke macht, eenige toevlucht nog van het Recht en de Rechtvaardigheid en die als een arke Noachs zou uitsteken boven de wateren van den nieuwen zondvloed van alschrikkelijkheden die Europa gingen overweldigen en weldra de heele wereld.

Maar toen reeds was er glorie rond hem. Keerde hij niet pas weer uit Italië, waar hij bijna tot Paus van Rome werd verkozen, bij eene eerste stemming der fransche kardinalen in het jongste konklaaf. Frankrijk en Engeland hadden hem toegejuicht op zijn terugtocht, die werd als een triomf. En nu zou hij pontificeeren in de antwerpsche kathedraal en openbare gebeden opdragen voor het behoud der stad in haren uitersten nood.

Ik ging er heen. De reusachtige kerk was proppensvol. Ik vond met moeite slechts een plaatsje om tegen een der laatste pijlers te leunen, van waar ik de zee van menschen overzag die de zeven beuken vulden. Ik kon niets waarnemen van den dienst in de O. L. V. Kapel, niets dan de felle gloed der vele kaarsen op het wit- marmeren autaar, onder het donkere gewelf. Het orgel dreunde en de choralen zongen.

Toen plots, in de plechtige stilte die volgde, klonk de stem van den Kardinaal die de liturgische gebeden psalmodieerde.

Er ging een schok door mijn lijf. Ik dacht mij weer in het Paus college te Leuven, waar ik diezelfde stem gehoord had, twee jaar lang, bij de verklaring der wijsbegeerte. Ik deed mijn oogen toe. De oorlog was ver van mijn gedacht. Ik zag het vroeg-verouderde gelaat van mijn professor met de onvergeetbaar-zachte en diepe oogen, het beenderige gelaat met den machtigen schedel en het vooruitspringende stralende voorhoofd, waarover soms een lange grijze haarvlecht neerzakte en dat ging versmallen naar den milden, goeden mond met de zware onderlip boven de wilskrachtige kin. De twee diepe groeven, die van den scherpen neus naar de mondhoeken daalden, waren de zekere teekens van een ascetisch leven vol grondige overpeinzing. Ik zag weer zijne groote magere witte hand die, betoogend opgeheven, toen reeds was als de zegening van een middeleeuwschen kerkvader. Ik dacht hoe ik soms, na de lessen, naast zijne hooge eerbiedwaardige gestalte geloopen had, van het Paus-college naar de Vlaming-straat, pratend over mijn twijfelend gemoed of over lezingen die ik toen deed van Péladan en Léon Bloy en hoe zijn groot hart luisterde naar mijne jonge en onbesuisde woorden. Ik zag hem weer terug in zijn neo-gotisch huisje van het Leo XlII instituut, waar hij mij eens ontving en sprak over een zeldzaam werkje van St Thomas, De Pulchro et Bono en waar geschilderde reducties hongen van diezelfde Kruis-oprichting en Afdoening van Rubens die hier thans uit de kerk waren weggeruimd. Zijn leerend woord had velen van het jong geslacht gevormd die nu leden en streden voor het Vaderland. Zou ik ook misschien mijn bloed eens moeten geven?

Het lof was ten einde. De deken van Antwerpen zei de laatste gebeden. Luider dan de andere aanroepingen klonk het: Spaar heer, spaar uw volk, wil in eeuwigheid U niet vertoornen tegen ons... Het was waarlijk de smachtende verzuchting nu der duizenden die hier baden in deze oude kathedraal, terwijl een woeste en bloedgierige vijand met kanongebulder dreeg aan de poorten van de stad. Dat was als de echo, over eeuwen, van die algemeene smeeking die eens ging door oude abdijen en kloosterkerken: Van de woede der Noormannen verlos ons Heer!

Er kwam woeling onder het volk, wegen werden gebaand door de dichte drommen om de processie door te laten die nu, met vanen en flambouwen en gezang, traag kwam getogen uit den ommegang van het verre koor, tot de uiterste diepten der groote kerk. Het goudlaken der koorkappen van de zingende priesters glom in 't licht der wassen kaarsen. Onder een zijden baldakijn ging de Kardinaal met de blinkend-gouden remonstrans in handen. Belgerinkel trilde en damp van wierook steeg geurend omhoog en hing te drijven door de beuken.

Ik ging de kerk uit en wilde naar het zuider-wandel-terras aan de Schelde. De nauwe straatjes die de kathedraal omgeven krielden van het volk. Over de Koornmarkt en langs de Suikerrui reden zwaar-daverende londensche autobussen, met de kleurig-beschilderde reclame-borden, en waar de aanwijzingen van London bridge, Liverpool street, Charing Cross of Golders Green nog op te lezen stonden. Zij waren van binnen volgeduwd met oorlogsmateriaal en buiten, op de hooge impériales zaten de kakhi-soldaten en lachten lustig naar de opgetogen wandelaars.

Het wandelterras zag zwart van het vriemelende volk. Over de deinende houten brug voor het Steen, kwamen de laatste roode-en- gele autobussen van den vlaamschen oever aangerold. De late zon speelde met gulden schijnen op de wemelende menigte. Ik had nog even den vluchtigen indruk van eene blij-levende stad langs den glorierijk-begloorden Schelde-stroom.

Heerlijk avonduur dat argeloos genoten werd, dien laatsten zondag in het vrije Antwerpen! Wat zou de dag van morgen brengen?

XX-De Groote Vooravond

Dinsdag avond, 6 october. Het was reeds nacht en omstreeks 11 uur. Ik zat in mijn werkkamer te lezen in den stillen schijn van een elektrisch lampje. Ik had Gezelle's Tijdkrans in handen genomen.