De val van Antwerpen (october 1914)
Part 5
Een dag ook werd er een heel regiment van bij de 400 duitsche landsturmers gevangelijk de stad binnen gevoerd. Ik zag ze van uit de diepte der Zuiderlei aankomen tusschen de boomen. Zij gingen in eene rosse wolk van stof. Het volk liep uit alle straten en huizen dien kant uit. Gendarmen te paard reden voorop en achteraan volgde de drom van voortstappende mannen. De toeschouwers stonden nu in dichte haag links en rechts van de laan. Ik verkende de blauwe tunieken en zwarte met-koper-belegde pinhelmen der landsturmers. Het waren gehavende stakkers, met onverzorgde gezichten en bestoven kleeren. Ik zie er nog altijd een met een buikje en rood-rosse haren. Zij gingen ontwapend en moe tusschen de belgische soldaten die het geleide vormden. Het volk huilde en tierde uit schorre kelen, ik zag van-haat-vertrokken-gelaten en uitpuilende oogen, ik hoorde gesis en gefluit. Zoo trokken zij heel de stad door, langsheen de lanen, over de Meir en naar de Schelde, waar zij op een boot werden gestoken. Het antwerpsche volk zag in die bende de vertegenwoordigers van het gehate ras dat Visé, Dinant, Tamines, Leuven en Dendermonde had platgebrand en zooveel onschuldig bloed vergoot: De opwinding door de straten deed mij denken aan het Romeinsche volk dat huilde en vuisten balde tegen de Barbaren die in den triomf van een Cesar door Rome werden gevoerd.
XIII-De Stijgende Neerslachtigheid
Was het om den moed er in te houden dat deze vertooning was bevolen geworden? Want het begon er alles behalve triomfantelijk uit te zien te Antwerpen. De havelooze kudden van vluchtelingen die elken dag toekwamen waren het hartverscheurend bewijs hoe verschrikkelijk het land geweld leed onder den knel van den overweldiger. Toen Leuven en Aerschot werden in brand gestoken, toen Dendermonde werd verwoest, toen Mechelen onder vuur werd genomen, moesten er dringend maatregelen getroffen worden opdat die gedwongen volksverhuizingen, die haar heil en toevlucht zochten in de schijnbare zekerheid eener vesting, de reeds omsingelde stad niet zonden overbevolken en tot hongersnood brengen. Met heele drommen werden zij voortaan naar Oostende gevoerd en op schepen gezet in bestemming voor Bngeland. Een dag zag ik hoe de gevluchte Mechelaars in vergadering bijeen geroepen waren op het Groen Kerkhof en door hun burgemeester werden aangemaand terug hunne haardsteden te betrekken of naar Engeland af te reizen. De Groote Markt stroomde vol, elken dag, van menschen die uitwijkingspassen wilden bekomen. Lijk kudden vee stonden zij gestapeld tusschen bareelen om beurt om beurt in de bureelen te worden toegelaten. Er kwam een angst onder de bevolking en steeds geraakten er meer huizen dood van bewoners en als voor rouw gesloten. Die vluchtenden werden door de overblijvenden doorgaans slecht besproken als laffelingen of broeksch... zooals het woord door de dagbladen gangbaar was gemaakt. Was de duitsche nederlaag niet aanstaande? Was ons leger niet ongeschonden? Was Antwerpen geen oninneembare vesting?
Maar zij die bleven begonnen toch ook teekens van bekommernis te geven. Hier en daar werd al een vlag ingehaald aan een gevel. Ik hoorde van menschen die hunne rijkdommen in den grond hadden gedolven, die hunne wijnkelders lieten toemetselen, die kunstvoorwerpen naar de brandkasten der bankhuizen droegen. Na het eerste Zeppelin-bezoek hadden zich ook vele luidjes in hunne kelders gehuisvest. Een zedig zinken kachelpijpje klom verstoken van uit den keldermond tot op de eerste verdieping en liet vermoeden hoe zelfs voor verwarming was gezorgd. Er waren kelders die als recht-gezellige huiskamertjes waren ingericht met schapraaien, tafels stoelen, lampen en tapijten onder den voet. Er waren ook menschen die hunne daken van metalen platen lieten voorzien en met aardzakjes bedekken tot eene bom-vrij-gewaande beschutting.
Het werd treuriger en treuriger. De afwezigheid van alle ernstig nieuws op een oogenblik der voor het vaderland geweldigste gebeurtenissen, deed ons onder eene ondragelijke drukking leven. Het was een sombere tijd en wij dronken lavende teugen aan troebele en onzuivere bronnen van hoop, om weer dorstig een oogenblik nadien en in de zwartste neerslachtigheid neer te zitten. De geestdrift der eerste dagen was nu gekoeld. Het werd een stille gelatenheid met toch diep in alle harten het onwrikbaar betrouwen in eene betere toekomst. Het was ook of wij dof en gevoelloos gingen worden voor het allermenschelijkste leed, nu het leed over heel de wereld als een donkere engel vleugelde en de eindeloosheid van nog te gebeuren wee niet was te overzien.
Dat trof mij telkens in die dagen wanneer ik eene begraving zag aan een sterfhuis of voor 't portaal eener kerk. Die waren zoo verlaten en eenzaam. Vrienden of verwanten waren weg of niet eens verwittigd. Haastig reed de lijkwagen alleen naar een afgelegen kerkhof. Waren ze te beklagen die toen heengingen? Zij zouden het leed der komende dagen niet meer moeten dragen. En toch het was zoo wreed om te bedenken dat die den nood der tijden niet waren te boven gekomen en de uitkomst van deze geweldige wereld-tragedie niet zouden zien. Dan kwam in mij het wilde, onstuimige verlangen van te leven, te leven, om toch eens getuige te zijn hoe uit de wanorde van het oogenblik de harmonie der nieuwe tijden zou groeien...
Ik stapte zoo mijmerend, een morgen, de O. L. V. Kerk binnen onder den hoogen antwerpschen toren. Door de diepte der grijze beuken zag ik de kruisoprichting van Rubens aan katrolkoorden naar den kerkvloer dalen. Mijn hart kromp van ontsteltenis. Het sublieme gewrocht dat voor ons als met de kerk vereenzelvigd was, dat ons in de diepte der zijbeuken, telkens, als het geweldige drama van den Kalvarieberg zelf, voor oogen was gekomen, het hong daar nu scheef te bengelen als een oud-verkocht meubel dat moest weggevoerd. De Kruisafdoening stond reeds op den grond. Ik zag hoe Juliaan de Vriendt, de bestuurder der kunstacademie, het wegruimen bestuurde en in dit treurig oogenblik nog zijn artiesten- curiositeit naar boven voelde komen en met kennersoogen en tastende vingertoppen de empâtementen van den grooten meester onderzocht. Dan werden de reusachtige drieluiken door verhuizers de kerk uitgedragen tot op een natie-wagen, die langs het Zuiderportaal gereed stond. Nu zag ik hoe in 't volle licht der straat een groot wit doek werd neergelaten over het vruchtschoone lichaam van den Gekruisigde.
Het waren de stille maar zekere teekens van het droevig doch staag naderend einde.
XIV-De Beschieting Der Forten
De tragische dagen waren thans begonnen. Sedert 28 September hoorden wij, zonder ophouden, het doffe brommen der kanonnen. Sedert het bombardement van 't jaar 30 had Antwerpen dergelijk geluid niet meer vernomen. Sedert den franschen tijd was het geleden dat wij nog belegerd werden. De gang van den tijd bracht weerom den oorlog rond onze wallen met een nieuw en nooit- vermoed geweld.
Overdag scheen het wel te bedaren, het gerij en het menigvuldige leven der groote stad smoorden de verdere geluiden. Maar tegen den avond en binst den nacht ging het eendelijk gebons als van zware deuren, toeslaande op het steenen gewelf van oude kelders. Het brutale was daar bezig, het gebas der oorlogsbeest, ginder aan de uiterste grenzen der antwerpsche vesting.
Waren het de duitsche stukken van 42. die wij hoorden? Waren het onze forten of onze veldkanonnen die antwoordden? Het kon niet goed uitgemaakt worden, 's nachts te Antwerpen. Tusschen slaap en wake kwam het ons wel voor als een ver onweer, een staag gerommel van donder, waar wij aan wenden, dat ons plots weer opviel, bij 't ontwaken, en, in de duizeling, ons voorkwam als het gonzen van de lucht zelf. Het scheen mij soms dan ook alsof wij waren als vervolgde menschen, die met hun nog geredde schatten gevangen zaten in diepe donkere katakomben, waar zij nog wel door de duistere gangen en onder de lage gewelven konden bewegen, maar nooit meer zouden uitgeraken, en aan de uiterste poorten hooren zij het onverbiddelijk gebeuk van den vijand die elk oogenblik kan binnenstormen met roof en verdelgingszucht...
Het was nacht rondom ons, ook overdag. Want wij kregen weinig of geene berichten over die beslissende mokerslagen die op onze gepantserde borstweer werden toegebracht.
Maar zonder juist nieuws voelde eenieder dat er iets geweldigs aan 't gebeuren was en spijts de hoopvolle zekerheden die de burgers elkaar lieten opdringen, hing er als een gedurige angst in de lucht.
Ik had eene nieuwe bediening gekregen. Met enkele andere advocaten werd ik aangesteld als burgerlijk afgevaardigde van den krijgsgouverneur om toezicht uit te oefenen op de duitsche handelshuizen waarvan de firmanten waren uitgedreven of in hechtenis genomen. Mijn werk was thans vrijer dan wanneer ik heel den dag als tolk of griffier in 't gevang doorbracht. Ik was aldus in de gelegenheid mij een klaarder denkbeeld te vormen van den algemeenen toestand en het uitzicht van Antwerpen. Ik lag als het ware aan het hart van de stad en hoorde haar harteklop. Ik liet in mij hare gevoelens terugwerken van angst en van vertrouwen. Elke dag zou voortaan in mijn geheugen aangeteekend blijven met eene kapitale gebeurtenis; elke dag zou ik een nieuw vertrouwen zien onstaan of een laatste hoop zien verijdelen tot het noodlottig uur van den onwederroepelijken ondergang.
Op dinsdag, 29 September, liep het gerucht in de stad dat Lier was gebombardeerd. De bevolking was gevlucht en ondanks de strengste maatregelen om de vluchtelingen den toegang tot Antwerpen te beletten waren er vele door geraakt. Zij vertelden, hier en daar, wat zij gezien hadden en beleefd. Er viel niet meer aan te twijfelen. De mare verspreidde zich als loopend vuur.
De Duitschers naderden dus Lier! Elke Antwerpenaar is er meermaals te voet of per fiets naar toe getrokken, kent de rust van het begijnhof, de groote koele Sint Gumarus kerk vol zware pracht, de boompjes langs de Nethe, de steenen brug, de winkeltjes met de beroemde liersche vlaaikens... De bommen vielen daar te midden dat oude stille leven. Dat was bij de deur. Eene groote verslagenheid begon in de stad te heerschen.
In 't naar-huis-keeren, den nanoen van dien dag, zag ik door de Huidevettersstraat een auto rijden met burgerwachten van Lier. Een bevriend kunstschilder zat er bij en die wuifde naar mij toe met een duitsche pin-helm als een glorierijke tropee. Die namen het dan toch luchtig op. Zou het gerucht misschien niet overdreven zijn? Werd de vijand mogelijk teruggeslagen?
Thuis vond ik, in mijn werkkamer, een motocyclist-vrijwilliger die een zending volbracht had bij den generalen staf en van den tijd die hem overbleef gebruik maakte om mij met een hartelijk bezoek te verrassen. Die scheen aan de verschrikkingen van den oorlog reeds heelemaal gewend te zijn, want zonder de minste ontsteltenis vertelde hij mij, voor waar, dat ons leger ten zuiden van Mechelen had moeten wijken en op 28 September het bombardement van Waelhem en St Kathelijne Waver was begonnen. De welgerichte 42 cm. bommen hadden, zoo verzekerde hij mij, denzelfden dag nog die twee forten bijna onbruikbaar gemaakt.
"Het is geen spel meer hoor, gelijk het ginder thans toegaat. Wanneer de zware stukken, die daar ievers beneden Mechelen, op béton-vloeren moeten staan, hunne reusachtige projectielen doen neerkomen rond onze forten, dan springen er torenhooge fonteinen van aarde in de lucht. Sneltreinen voor Antwerpen zoo hebben wij die bommen gedoopt, zoo snorren zij door de lucht met eene verbazende snelheid, zoo razen zij door den hemel met een vervaarlijk geluid. In den avond ziet ge de dorpen met roode vlammen branden op een horizont van lood. De menschen slaan overal op de vlucht onder een regen van shrapnels."
Ik was nog niet van mijn verslagenheid bekomen toen mijn vriend, voor mijn drempel, luchtig en welgezind op zijn motor sprong en tuffend de straat uitreed. Van een voorbij-rennende kranten- verkooper kocht ik een blad en er stond in vette letters op te lezen dat de forten van Liezele, Breendonck en Bornhem hardnekkig stand hielden en een aanval van den vijand, te Blaesveld met verschrikkelijke verliezen werd teruggeslagen. Hetgeen naderhand ook wel waar bleek. Doch waarom de andere droever waarheid verzwegen? waarom de menschen in dwaling laten verkeeren? Zoo moest ik van mijn huisgenooten dien avond aan tafel hooren dat zij van verschillende kanten vernomen hadden dat Von Beseler aan den commandant van Waelhem voorstellen zou gedaan hebben om zijn fort over te geven maar deze, sterk in zijn hoop het uit te houden, kranig zou geweigerd hebben; wat dachten die Duitschers wel!
Zulke voorstellingen bleven ingang vinden bij velen, schenen zelfs meer dan waarschijnlijk. De menschen grepen naar goed nieuws als drenkelingen naar een plank. Wij zouden nu wel gaan zien dat de oninneembare vesting van Antwerpen te vergeefs werd aangetast. Aan omsingelen en uithongeren viel immers niet te denken, zoo oreerden de kamerstrategen. Waarom vertwijfelen? Die er anders over dachten, waren slechte vaderlanders. Die ander nieuws rondstrooiden waren onruststokers, verspieders, landverraders en die moesten worden aangeklaagd.
XV-Inferno
Ik bezocht 's anderdaags, 30 September, een paar ambulances in de stad. Nieuwe zieken en gekwetsten waren daar toegekomen. Hier was ik zeker de meest betrouwbare getuigen te vinden van hetgeen binst de laatste dagen gebeurd was. Er waren afschuwelijk verminkten die ik eerbiedig en zwijgend moest voorbijgaan. Ik zag een jonge man, bleek en vaal en als levenloos, met een bloedig- verbrijzelden arm, op een ziekewagentje naar de operatie-zaal voeren. Maar een bevriend dokter bracht mij in een zaal waar soldaten lagen die heelemaal of bijna niet gekwetst waren, maar in een zenuw-crisis van het slagveld werden weggevoerd en nu nog over heel hun lichaam beefden, terwijl hunne wijd-open oogen idioot keken van de verschrikking die zij hadden doorgemaakt.
Zij kwamen meestal uit de forten van Waelhem, Sint Kathelijne Waver, Koningshoyckt en Lier. Op onze vragen vertelden zij, met een terughoudenheid alsof het niet mocht, hoe het er geheel onhoudbaar was geworden. Vijf uur aan elkaar waren de bommen op en rond hunne koepels gevallen. Van een soldaat uit het fort van Lier, die als bij mirakel slechts lichte kneuzingen had opgeloopen, vernamen wij hoe de pantsertoren van zijn fort als door een reuzenhand werd uit zijn put gerukt en weggeslingerd.
Er waren ook soldaten die bij de troepen hoorden die de tusschenruimten der uiterste fort-lijn verdedigden. Hunne haastig- aangelegde loopgraven werden zoo hevig onder vuur genomen dat alles weldra lag dooreen geschoten tot een strook land van onzeggelijke en gruwzame wildernis.
Doch ik zal nooit het gezicht vergeten van die twee kanonniers die uit de forten van Dorpsveld en Boschbeek geraakten. Hunne gelaten waren geheel vertrokken en vervormd van het afgrijselijke dat zij hadden doorleefd. Het scheen alsof zij uit een hel waren gekomen waarvan de ontzetting hun nog als een nachtmerrie vervolgde.
Het was niet gemakkelijk iets van ze te vernemen. Met nog bevende lippen gingen zij eindelijk toch aan 't praten. Zij wisten niet meer wat rondom hen te velde gebeurde. Zij hoorden slechts de aanhoudende losbrandingen die alles daveren deden, als bij een aardbeving. De koepel, waarin zij als het ware gevangen zaten te midden der ongeloofelijkste ontketening van helsch geweld, was als een schip dat geschud en gebeukt werd in den vreeselijksten storm. Het gefluit en gesis der kogels, het geronk der snelvuurgeweren joeg als rukwinden om hen heen. Zij konnen met moeite slechts naast hunne stukken blijven, zoo helden zij langs alle kanten, zoo begon de vloer onder hunne voeten te deinen, zoo begonnen de wanden rondom hen te bewegen en te kraken. "Eindelijk" zoo vertelde eene, "is onze koepel in breede scheuren opengesprongen." Uit de woorden van den andere kon ik opmaken dat de massieve- betonbouw van zijn fort in den grond zonk als onder de macht van een reusachtigen plethamer.
Geen enkel bepaald nieuws in de bladen over al het gruwelijke dat aan 't gebeuren was. Integendeel de bladen meldden dat de forten onbeschadigd waren. In de kranten van donderdag avond 1 October stond zelfs te lezen dat er nog steeds verschrikkelijk gevochten werd ten zuiden van de Nethe. Ons leger had wel de wijk genomen tot aan deze rivier, maar de forten van Lier en Koningshoyckt hielden den vijand in bedwang, die, tusschen Tallaert en Lier, met bloedige verliezen werd achteruit gedreven.
De gemoederen werden nog maar steeds gerust gesteld. Ik dacht bij mij zelf: wat een neerzinking, wat een paniek zal dat worden wanneer de volle waarheid eens toch zal bekend geraken. Ondertusschen bleef het een vaderlandsche plicht die waarheid te verzwijgen of te loochenen. Een burger die uit de omstreken der vuurlijn kwam en aan een kennis op de tram vertelde dat ons leger overmand was, het niet langer meer kon uithouden en weldra achter de Nethe een wijkplaats zou moeten zoeken, hoorde ik heftig toespreken door een reiziger: dat het leugens waren om de geesten te verwarren en te ontmoedigen, dat hij te zwijgen had, of dat hij zou weten waar hem aan te klagen.
Waar zouden de menschen met zulke voorlichting, met zulke gemoedsgesteltenis, een zekerheid gevonden hebben, wanneer nu toch elk uur het bestaan der stad, de onafhankelijkheid van het land kon beslist worden.
Toen ik weer huiswaarts trok dien avond scheen het mij of ik met een verschrikkelijk geheim rond liep en ik vroeg mij zelf af of ik uit geen akelige droom was ontwaakt. Want heel die groote overbevolkte stad rondom mij leefde voort van gissingen, van tegenstrijdige geruchten en, schier onaangetast, bleef het vertrouwen in de onverwinbaarheid der steeds geroemde antwerpsche vesting.
XVI-Rond De Stad
Het verlangen om mij met eigen oogen van den toestand te overtuigen bracht mij weer eens buiten de poorten.
Ik had gelegenheid om in den vroegen morgen van 1 october met een proviand-trein mee te rijden tot Hemixem, op de Schelde, zuidwest van Antwerpen.
Ik zag een paar forten der tweede verdedigingslijn. Die lagen rustig nog en zoo vereenzaamd in de ringsom open gelegde velden. De harde vlakke beton-bouwen staken witgrijs omhoog uit het frisch- groen gras der aarde-werken. Maar ik wist nu wat hun sterkte te beduiden had wanneer eens het geweld en de verschrikking van den nieuwen oorlog errond zouden komen spoken.
Onze trein was pas in het goederen-station toegekomen, of ik zag, over den steenweg uit Hemixem-dorp, een onafzienbare sleep auto 's en motorwagens, in een rosse stofwolk, komen aangereden. Dan volgden ook nog vele leverancie-wagens, door paarden getrokken en waar de firma's van groote warenhuizen uit Brussel of Antwerpen nog op te lezen stonden met, in een hoek, de haastig-overgeschilderde aanwijzing van den legerdienst waarvoor zij werden gerekwireerd. Het lossen van den trein begon en elke wagen kreeg zijne vracht: amunitie-brooden met duizenden, zakken met peulvruchten, aardappelen en haver, eetwaren in blikjes, bussen met naphta en wat weet ik nog, hoopen en hoopen van alle soort proviandeering die dagelijks door een leger verslonden wordt.
Ik stapte het station uit in de richting van Hoboken. Over de lege gronden langs de baan, bewogen pelotons rekruten, nog in hun burgerpak en die door onderofficieren gedrild werden. De bevelen klonken schreeuwerig door de lucht.
Van uit Hoboken vertrok een houten brug-op-schepen over de Schelde naar Cruybeke, waar het rustig veermanshuis, met zijn witten gevel en rood dak, zoo schilderachtig boven den groenen dijk uit stak. Vele rekruten liepen hier ook te kuieren nabij de aanlegplaats of keken naar den traag vlietenden breeden stroom. Enkele waren reeds voorzien van een stuk militaire kleeding, een muts of een tuniek of een ceinturon. Die waren de strijders van morgen, de slachtoffers ook misschien van dezen gruwelijken oorlog die als een onverzaadbare Moloch al het jonge volk, de bloem van een volk verslindt. Ik erkende een paar vrienden, gelukkig wat te kunnen praten. Zij gingen misschien morgen naar Oostende vertrekken of verder naar Frankrijk, in een kamp, om hun leertijd uit te doen. In onzen afscheidshanddruk, in onze oogen was er iets van vrees, van onzekerheid of wij elkaar nog ooit wel zouden weerzien.
Stroomopwaarts, uit de richting van Rupelmonde en Bornhem, kwam bij poozen het gebrom van het kanon, hier duidelijk hoorbaar. Het scheen mij zelfs dat er in de verte wolken van rook opdampten boven den vlaamschen oever. Maar nergens toch de minste ontsteltenis, noch bij de burgers, noch bij de soldaten; en ik wist nochthans dat onze uiterste fortenmuur, in den derden en vierden sector, nagenoeg geheel openlag en de vijand ons veldleger over de Nethe had gedreven.
Tegen den middag was ik weer terug met mijn trein in de stad. In den namiddag trok ik nog eens naar Cappellenbosch. Ginder in het Noorden der antwerpsche vesting viel misschien eenige weerslag der gebeurtenissen waar te nemen, werden mogelijk aanstalten gemaakt voor den aftocht van het leger.
Ik vond soldaten langs alle wegen. Het dorp Cappellen was als een kamp, zoo liep het er vol. Mannen die vrij-af hadden, kuierden door de nog gespaarde bosschen. Hier en daar ook een die bezoek had van zijn vrouw of zijn lief. Die zaten dicht bij elkaar op den boord eener gracht of op den stam van een neergevelden boom, te praten of wat lekkers op te eten dat de vrouw, wie weet van hoe ver, in een zorgelijk toegeknoopt pakje had meegebracht.
Ik kwam weer op ons landhuis. Hoe verlaten en naargeestig lagen de kamers. De meubels stonden er doelloos. In de stilte hoorde ik eene oude eiken kast kraken alsof er een ziel uit spreken wilde. Boeken lagen links en rechts om nooit meer gelezen te worden. Ik haakte een gekleurde plaat van den rooden muur in mijn werkvertrek. Dit zou ik toch nog meenemen als herinnering. Het was de blijde geboorte van Botticelli. Voor de kribbe met Maria, Jozef, het kindeken en de goedaardige dieren, waren engelen die de herders omarmden en kusten: Vrede den menschen van goeden wil... Ik dacht aan geluk om schoonheid, geluk om liefde... Het is geweest! Het is geweest! Wanneer kennen wij nog eens den vrede en de weelde van het stille genot! Mijn keel was toegeschroefd van weerhouden snikken. Ik voelde de groote droefheid die over heel de wereld weegt. Ik hoorde in mijn verbeelding het almachtig rumoer der millioenen legers, het gedreun der regimenten het gerol der kanonnen en oorlogswagens, over alle wegen van Europa. Waar is de stilte, de verrukking die eens toch mijn bezit was?
Ik sloot de deur op den hof, waar de avond begon te dwalen en gele schijnen van den hemel nog lichtten uit het vlakke donkere water van den vijver.
Over den steenweg van Cappellen naar Esschen waren toen reeds vervoerdiensten met postkoetsen ingericht om het opgeschorste treinverkeer te vervangen. Ik kwam er een paar tegen op weg naar de grens. Vele menschen trokken ook te voet dien kant op. Het was een achtiend-eeuwsch gezicht, dat reizen te voet en te paard en met de traag rijdende koetsen. Menschen die elkaar vervoegden langs de baan begonnen te kouten en zetten samen de lange reis voort. Mij reed een witte huifkar voorbij met een dikke bruine merrie bespannen. Er zaten twee kloosterzusters in en die vroegen of ik niet mee wilde tot Cappellen. Mijn uniform wekte goedhartigheid. Ik nam mijn plaats in nevens den voerman.
In de vallende duisternis schenen de wachtposten, aan de aarde- poorten op den weg, oktrooien uit den ouden tijd, die voor de kasteelheeren tol hieven op de trekkende reizigers. Onze papieren werden nagezien en de zusters deelden telkens appelen en peren uit, aan de van dienst-zijnde soldaten. Zij stapten af voor de poort van haar klooster te Cappellen en ik ging de trein nemen tot Antwerpen.
Maar niets toch had ik gezien dat op ontreddering geleek. Alles was rustig nog alsof het zoo nog weken kon voortgaan.
XVII-Op Sint-Michielstoren