De val van Antwerpen (october 1914)

Part 4

Chapter 4 3,842 words Public domain Markdown

Op 9 September was inderdaad een nieuwe uitval der antwerpsche bezetting bevolen geweest. De slag aan de Marne was toen aan gang. Het duitsche observatie-leger werd merkelijk verminderd om den duitschen aftocht te versterken en tot staan te brengen. De Belgen hadden aldus Aerschot heroverd, een peloton jagers geraakten zelfs tot in Leuven, de ijzeren weg van Mechelen op Leuven was een oogenblik opnieuw in onze handen en de vijand werd zelfs tot in Brussel verontrust. Doch wanneer het groot gevaar in Frankrijk geweken was, riepen de Duitschers hun leger terug en eene razende tegenaanval begon op 12 September en sloeg onze troepen terug te Rotselaer en Wezemael en drong op 13 September ons leger weer binnen het antwerpsche kamp. Wij kregen nu de talrijke gekwetsten uit die dagen. De gewone ziekediensters konden ze niet alle tijdig genoeg bezorgen en hadden hulp gevraagd.

Ik was dadelijk buiten. In de nachtelijke straat, zonder een lantaarn, was alleen het licht uit de ruiten van opgeeischte tramwagens die behoedzaam reden met de gekwetsten. Op berrie's werden zij nu reeds de open poort der ambulance binnengedragen.

Links en rechts, overal in de zaal lagen zij neer op den grond, wachtend om op een bed gedragen te worden. Nog altijd werden nieuwe gewonden aangebracht. Hun soldatenpak was gehavend, beslijkt en gescheurd. Zij roken naar regen, zweet en bloed. Er waren er die bewustloos lagen met toeë oogen en vale gezichten. Anderen kloegen zachtkreunend hunne pijn. Verpleegsters gingen rond om de dorstigen te laven. Ik stapte door die neergestrekte menschen-wrakken en een dokter belastte mij het voorloopig verband aan enkele reeds in-hun-bed-rustende soldaten af te nemen.

Het eerste wat ik onder handen kreeg was een doorschoten been. Het lag in een stuk geplooid blik met hooi errond en windels.

Naar mate ik het verband loswikkelde onder het zacht-gekreun van den gekweste, kwam de flauwe geur van bloed mij in den neus. De doktor volgde achter mij voor de zuivering en het nieuw verband. Ik ging tot het volgende bed over. Er lag een klein soldaatje van de jongste klas. Hij had zijn linker bil omwonden. Voorzichtig ontwond ik de bloeddoordrenkte doeken. Een krater van rauw rood vleesch kwam te voorschijn in het blank-schoone jeugdige lichaam. Een shrapnel-stuk had de vleeschen afgrijselijk verwoest. De wonde begon nu weer te sijpelen in traag loopende bloedstrepen...

Het was een algemeene beweging door de zaal van dragers die de berrie's nederplaatsten, van verpleegsters die de gekneusde lichamen ontkleedden en in de beddekens hielpen, van dokters die den eene na den andere alle gekwetsten nazagen en bevelen gaven voor verzuivering en verband. Het was hartverscheurend die stukken menschheid daar in gekreun en geklaag te zien liggen, die beeldschoone blanke lichamen hopeloos doorkorven en verminkt.

Ik bleef er voortdurend belang in stellen en af en toe bezocht ik de zieken die ik geholpen had. Zij herkenden mij. Het was een blijheid te zien hoe gelukkig en met verhelderde oogen zij uitkeken van hun bed naar de deur, mij te gemoet op het verwacht bezoek. Zij vertelden dan van hun leven vroeger in den goeden tijd van vrede, van hunne hoop dat het weldra ging gedaan zijn en zij toch niet meer terug zouden moeten in het vuur. Hunne witte zwakke handen zochten naar eene foto van vrouw of kind op het tafeltje waar zij zorgzaam sigaretten en wat sneukelgoed geborgen hielden. Het was een vreugde ook ze te zien beteren en de zaal uit sukkelen tot op de koer, slepend soms op krukken maar blij van weer op te zijn of een kort wandelingsken in de stad te mogen doen.

Er was een luitenant onder de gekwetsten die mij bijzonderheden vertelde over den slag die van Aerschot tot aan Vilvoorden gewoed had langs het kanaal van Leuven en den ijzeren weg naar Brussel. Hij lag met zijne mannen in eene gracht langs de straat, in 't zicht van Weerde, dat zij moesten veroveren. De belgische kanonnen hadden uren aan elkaar een moordend vuur gericht op het dorp. Zonder ophouden ging het geknetter en geronk van geweren en mitrailleuses. In den namiddag, rond vijf uur, zwegen de duitsche stukken en werd een algemeene aanval bevolen. "Ik floot op mijne mannen" zoo verhaalde de luitenant, "wij sprongen uit onze schuilplaats en, met jubelkreten, stormden wij vooruit over velden, hagen grachten en bareelen. Wij waren bijna tot aan de eerste huizen van Weerde gekomen, toen de duitsche kanonnen, opnieuw begonnen te schieten. Het was een list geweest. Heel mijne kompagnie werd letterlijk neergemaaid, ik zelf kreeg een kogel in mijn been en tuimelde neer. Met enkele mijner soldaten, gekwetst als ik, kon ik mij nog voortslepen naar de plaats van waar wij vertrokken waren." Zoo vernam ik in dat hospitaal bijzonderheden die niet te lezen stonden in de bladen.

Ik kwam er ook soms laat in den avond na mijn werkzaamheden in het gevang. Half duister was de zaal met hier en daar een nachtlichtje en rustig van gelijkmatig zacht geronk. Soms een die de koorts nog wakker hield en die de waakster voor den nacht met stille fluisterstem trachtte te sussen.

X-De Zelfmoord

Met de nieuwe maan was de duisternis weer volledig 's nachts in de stad. Beangstigend werd dan de aanblik van de straten. Alles kreeg andere aspecten. Het was om te verdolen in dien inktzwarten nacht. Het leek een doode stad uit verre tijden waarover een vloek zou zijn gevallen.

En toch leefden daar voort achter al die donkere gevels die duizenden van menschen als eene onhoorbare groezeling van larven. Het scheen mij altijd of er iets gruwelijks ging gebeuren achter die als met-rouw-behangen hooge muren, in die kuilen en grotten en kelders die de straten en de pleinen waren. Het was als eene Edgard-Poeachtige creatie, eene fantastische droomstad, in zijne waanzinnige verbeeelding als kader uitgedacht voor een moord of het plotselinge ontdekken van een geraamte of een lijk...

En de rust en de stilte van die stad, zij deed de werkelijkheid van den oorlog vergeten. De schijnen van zoeklichten op de donkere lucht waren als de onwerkelijke fosforesceerende gewaden van witte schimmen die het duistere zwerk bevolkten. Het ver en dof gedommel dat soms werd vernomen was als het staag geronk van den nacht zelf. Het werd een zinnelooze waan.

Om het bitter-zoete van dien waan, om het huiverig-aantrekkelijke van akelige mogelijkheden, ging ik elken avond weer uit met een vaag vermoeden van het onvermijdelijk-verrassende en afschuwelijke dat ik zou ontmoeten.

De steeds zeldzamer wordende wandelaars waren herleid tot de waarde van het gloeiend vuurken hunner cigaar of pijp dat rood aankwam of verdween in de duisternis. Waren dat geesten die daar doolden of de dwaallichtjes van een ziltig oud kerkhof?

Doch telkens na een poos, wenden de ogen aan die duisternissen en ging men de mensch-fantomen erkennen. In de Jezusstraat waar de telegraaf-centrale gevestigd is, schrok ik telkens voor een donkere schim die er in de duisternis bewoog en die ik slechts aan het vage licht-geflits van zijn dolk-bajonet voor een soldaat erkende. Op de Meir bleven soms eenzame voorbijgangers sprakeloos staan staren naar het zwarte Paleis van den Koning waar, door een slecht gesloten luik aan een raam, een lijntje licht bleef gloren. De vorsten woonden daar en de koninklijke kinders hadden er geleefd tot aan den eersten Zeppelin-aanslag. Donker bewogen de schildwachten over en weer op de stoep. De Schoenmarkt was afgesloten door een duister-bewegende muur van sprakelooze gestalten, soldaten die het gouverneurs-paleis,--waar de generale staf gevestigd was-- tegen een mogelijken aanslag moesten beschermen. Wie langs de Eiermarkt zijn weg voortzocht door den nacht, kwam opnieuw op vaag-glimmende bajonetten stuiten, die den toegang tot de Beddestraat versperden. Het was alsof de schildwachten onverwacht opdoken uit de muren, sluipmoordenaars gelijk, maar die niemand aanvielen.

Een nacht ging ik met benauwelijk-luid-klinkende stappen langs de Burgtgracht, onder de vervaarlijke opbonking van het vleeschhuis. Ik schrok: een menschenarm kwam op mij neer van uit het duister der slaapstille huizenrij en ik hoorde fezelend verzoeken uit een vette-vrouwen-keel. God ging dat leven ook nog voort achter die donkere muren!

Ik geraakte in de Koepoortstraat en trok op de Paardenmarkt af. De arabesk der huisnokken was fantastisch op de zwart-blauwe lucht. Het hooge-koor van Sint Paulus dreeg ontzaglijk en stak vooruit als het voorkasteel van een spookschip boven de lager daken. De wind huilde als door de strak-gespannen koorden van een driemaster. Was de vliegende Hollander hier komen landen in dees gruwelijken nacht?

Het doodstille Klapdorp wentelde in donkerder nacht-diepten voort, laaglanend als een kelder, tot eindelijk de vaal-groene vlakte der Paardenmarkt daar voor mij openlag, als een omneveld meer in een bergland. Hoe rustig was weer alles. Daar even nog had ik het heimelijk gefluister vernomen van twee buren die op den drempel van een duister poortje afscheid namen van alkaar... Toen plotseling het afschuwelijke: het stille doek van den donkeren nacht in stukken gescheurd door luide moord-geschreeuw.

Was dat het verschrikkelijke dat ik sedert dagen verwachtte? Ik ging op het erbarmelijk geluid af maar zag niets. Andere menschen moesten ook uit de duisternissen zijn toegesneld. Een ervan droeg een kleine lantaarn waarvan de gele schijn nu viel op het van schrik vertrokken gelaat van een vrouw met loshangende haren en op onze eigen gezichten die bleek opleefden uit den nacht. Met snikken in haar keel vertelde de vrouw dat er een lijk lag in haar huis van een die zelfmoord moest hebben gepleegd; dat zij van schrik was weg gevlucht.

"Och God och God hij heeft zijn keel overgesneden..."

Wij gingen met haar mee. Haar wild geroep en het voortdurend snikken deed een vizioen van bloed reeds voor mijn oogen opgaan. De toegesnelde buren dropen weg de eene na den andere. Wij waren nog met ons tweeën, een duistere man en ik, toen wij aankwamen waar de vrouw ons wees, in een nauwe steeg. Het was een eenkamerig huisje met een zolder. De vrouw opende de deur en sprong met een gruwel weer achteruit. De schijn van het verlicht vertrek sloeg ons verblindend in de oogen en viel in een breede lichtstreep in de donkere steeg en op de vrouw die daar huiverend staan bleef.

--"Boven! Boven" jammerde zij.

Wij klauterden den rechten steektrap op en daar, onder de pannen, op den houten vloer, tusschen twee beddebakken, in den flauwen schijn van een kaars, lag een man met rood-gezwollen gelaat de tong reeds uit den mond, met de koord die aan de zolderkram moest gebroken zijn diep in de vleeschen van den nek. Een stuiptrekking bewoog de beenen. Ik sneed de spannende koord met mijn zakmes over. Wij droegen de logge massa op het bed. De man rook naar genever. Witte broesem kweilde nu uit zijn mond. Hij zuchtte een paar keer en diep als een drenkeling en kwam weer op adem. Toen ging weldra het gelijkmatig zwaar geronk van den dronkaard. Wij kwamen weer buiten. De vrouw was weg maar in de duisternis daar verder hoorden wij nog het voortdurend misbaar als van een zinnelooze. Haar roepen van moord schreeuwde de donkere huizen langs.

XI-Antwerpen Hoofdstad

Met den dag kwam er nu een grooter zenuwachtigheid in de stad. Wij waren zoo goed als geheel afgezonderd van het overige gedeelte van het land. Dit land was thans beperkt tot de provinciën Limburg, Antwerpen en de beide Vlaanders. De vlottende grens van ons nog vrij gebied liep over Hasselt, Diest, Aerschot, Mechelen, Aelst, Kortrijk, naar Frankrijk toe. Daar werden de gevechten geleverd tusschen ons leger en de overweldigers. Aerschot, Mechelen, Dendermonde werden beurtelings heroverd en weerom verloren. Het nog bruikbare treinverkeer, dat in de bladen werd afgekondigd, was de beste kontrool der uitgestrektheid van ons land en, met den dag, werd dat verkeer meer beperkt rond Antwerpen.

Een tweede Zeppelin-bezoek,--dat gelukkig in het voorgeborcht Deurne kon worden afgewezen,--de vijandelijke vliegeniers die af en toe bommen wierpen en vruchteloos werden omzweefd in den stadshemel door de witte wolkjes der ontploffende shrapnels onzer kanonnen, alles wees er op hoe wij het mikpunt geworden waren van den vijand en de tijd aanstaande was dat wij ook op onze beurt van aanschijn tot aanschijn tegenover den oorlog en zijn gruwelen zouden komen te staan.

Wij voelden ons reeds als gevangenen. Wij waren aan de strenge tucht van een stad-in-staat-van-beleg onderworpen. De vreemdelingen hadden op regelmatige dagen hunne toelating tot verblijf te vernieuwen en werden uit angst voor verspieders, nog steeds aan nauwlettender toezicht onderworpen. Alle openbare gebouwen en ook de bankhuizen werden bewaakt door burgerwachten. Om een telegram te verzenden hoefde men zijne papieren te vertoonen aan de van-post-zijnde wachten, de bajonet op het geweer. Het vrij verkeer in en uit de stad was belemmerd. De passen werden nagezien aan de vesting-poorten die voor den nacht gesloten bleven. Wie den overzetboot nam naar het Vlaamsch Hoofd of er vandaan kwam, moest ook door een haag van burgerwachten. Het onderzoek gebeurde natuurlijk op joviale wijze, zooals het burgerwachten paste, die met medeburgers te doen hadden. Toch gebeurde het mij wel eens dat, waar mijn uiterlijk niet echt-nationaal voorkwam, ik aan een scherper inquisitie werd onderworpen. Het eenige verweer tegen die onaangenaamheden was het uniform, dat weldra niemand, die het dragen mocht, nog aflegde.

Het aanschijn van de stad was veranderd. Vele vluchtelingen uit het bezette land en uit de verwoeste en uitgebrande steden, hadden er een wijkplaats gezocht bij vrienden of verwanten. De eigen ingezetenen begonnen reeds te trekken naar Holland, Engeland en Frankrijk. Vele rijke-burgers-huizen stonden verlaten met gesloten luiken. Nieuwe armoede ten gevolge der werkeloosheid kwam aan 't licht. Eene overwegende meerderheid van officieren en soldaten gaf het uitzicht aan de straten.

Doch hetgeen te midden der herrie van leger en burgerwacht, van overbevolking, van werkeloozen en dolende armen, een onverwacht aanzien gaf aan de stad, was de aanwezigheid van het Hof in het Paleis op de Meir, sedert 17 Oogst, de vestiging der regeering en de overkomst uit Brussel van de vreemde gezanten. Antwerpen was de hoofdstad geworden en reeds werden toebereidselen genomen om het Opera tot parlement en het Atheneum tot paleis voor den Senaat in te richten.

Schier elken morgen kon men de koninklijke palfreniers de paarden van het Hof, twee aan twee, de stad zien uitleiden voor hunne dagelijksche wandeling in de omliggende parken. Voor het Paleis bewogen schildwachten langs de Meir en de Wapperstraat, waar doorgang voortaan was verboden. Een gendarm hield post voor de poort om boodschappers en koeriers te woord te staan en wanneer de poort openging was er een tweede gendarm om de boodschap aan te nemen of den koerier bij een adjudant toe te laten. Het bleef een graag verteld en aanhoord nieuwtje hoe Koning Albert elken dag gezien werd, rijdend in zijn snelle auto naar een stadspoort, op weg naar de vuurlijn. 's Zondags stonden de menschen te wachten op de stoepen, nu dat het geweten was dat de Vorst de mis ging bijwonen in de Sint Jacobskerk, in datzelfde weelderig renaissancekoor, waar de plaats van Peter Pauwel Rubens nog wordt aangewezen in het hooge gestoelte van blinkend ouden eik.

Het ministerie van buitenlandsche zaken was in het Athenaeum op de Gemeenteplaats gevestigd. Ik zag er minister Davignon soms de hellende stoep afdalen met zijn kalm en kommerloos gelaat. Alsof het zeker was dat alles op zijn best zou afloopen, zoo glimlachte zijn mond in den milden vierkant-geschoren baard.

De raad der Kroon zetelde in het Grand-Hotel op de Mechelsche plein. Hier ook stonden soldaten in hunne wachthuizekens en kon men af en toe volksvertegenwoordigers of ministers zien binnen of buiten gaan of boyscouts met koeriers komen aangefietst. Een dag zag ik er Frans van Cauwelaert in het portaal. Zijn baard scheen zwarter om het bleeke zorgensmoede gezicht. In de nabije Lindenstraat had ik de ministers Van de Vijvere en Helleputte ontmoet die, ietwat verloren na eene kabinetszitting, langs de winkelramen kuierden. Een ochtend vond ik minister Poullet, met afwezige oogen moet ik zeggen, naar de prentkaarten van een papierhandel staan kijken. Een auto snorde voorbij met Schollaert erin. Hij verdween in de richting van den Mechelschen steenweg. Die reed voorzeker naar het hoofdkwartier te velde, op inlichtingen van de bevelvoerende generaals. Zoo zag ik ook een namiddag door het drukke beweeg der Kammenstraat, de auto van den Kardinaal. Hij reed op het Grand-Hotel toe, wellicht om overleg te plegen met de regeering. Door de glimmende spielgelruiten der limousine, trof mij het rozerood van zijn kalot en handschoenen en verkende ik zijn ascetisch-heilig gelaat, als een verouderde Christus-kop van Memling, vol kommer nu in die benarde oogenblikken. Hij was toen pas uit Rome weergekeerd van de Paus-verkiezing en had zijn oude Leuvensche universiteit verwoest en zijn eigen bisschoppelijk paleis te Mechelen tot puin geschoten gevonden.

Er was altijd groote drukte op de Schoenmarkt voor het Hotel St- Antoine, waar de vreemde gezanten gevestigd waren. Lange rijen equipages en auto's stonden er langsheen de stoep met de benaming der legaties waartoe zij behoorden. Het was voldoende dat iemand een russisch of engelsch militair attaché daar had zien uitkomen om seffens de onmogelijkste gissingen te opperen. Van mond tot mond vergrootend liepen de onwaarschijnlijkste maren door de stad: de Engelschen dregen met een groot leger van uit Limburg om de Duitschers te omsingelen; de Russen waren geland te Oostende. Een half dozijn fransche soldaten in een militaire auto te zien rijden over de boulevards was genoeg om, voordien dag ten minste, de vaste hoop te doen ontstaan dat de Duitschers in Frankrijk waren teruggeslagen en weldra België zou worden ontruimd.

De vreemde gezanten die het hotel St-Antoine betrokken wisten het natuurlijk wel beter. Maar hun leven was er schijnbaar niet minder kommerloos om geworden. Door de open ramen op de Groenplaats zag men heeren in rok en dames in soirée-kleeren bewegen door de salons, te midden der vreemde schitterende uniformen. In de restauratiezaal zat zacht-keuvelend en keurig volk, blij-gezind als in een badstad, rond de goudverlichte tafeltjes waarop de elektrische lampjes als zoovele roode en gele bloemen bloeiden. In den wintertuin, onder de palmen, zaten dandy's aan een kopje koffie of een likeur te proeven, terwijl Habana-geur met de blauwe rookspiralen door de halle ging zweven.

XII-Het Uitzicht Der Straten

De hoofdstraten bleven vol beweeg van werkeloozen die met kuieren wel den dag moesten doorkrijgen Alles had belang voor deze op nieuwtjes of geruchten uitzijnde wandelaars. De weg van het station tot aan het Groen kerkhof bleef het onvermijdelijke veld waar wat te oogsten viel.

Aan het station was het de drukte van burgerwachten, bezig met vluchtelingen, aankomende gekwetsten, uitgedreven vreemdelingen, aangehouden verspieders, vertrekkende soldaten en ambulanciers.

Op de Meir bleef het volk staan kijken naar de auto's die wachtten voor het Ministerie van Oorlog, dat in de stadsfeestzaal gevestigd was. Het uitgaan van een staf-officier was een gebeurtenis en op zijn gelaat werd nagespeurd of er geen teekens van wel of tegenslag te beletten vielen. Het voorbij rijden der ambulance-auto's bracht woeling onder de menschen die aan 't rennen gingen om bij tijds voor 't hospitaal van Sint Jan Berchmans college te staan en de gekwetsten te zien uitdragen. Groepen bleven staan lezen aan de menigvuldige witte zwart-gedrukte plakkaten die af en toe op bevel van den krijgs-gouverneur in de stad werden aangeplakt met voorschriften aangaande het vreemdelingen-verblijf, met verordeningen over het licht, het sluiten der taveernen, het sterke- drank-verbod of met afbeeldingen van geallieerde vliegtuigen of luchtschepen of uniformen der verbonden legers.

De meest-lachende verschijningen in de stad waren wel onze boyscouts of padvinders. Men zag ze overal die kinderen van niet meer dan 14 jaar met hunne groote sombrero's, hunne groene manteltjes en de groene kousen omgeslagen onder de bloote witte knieën. Zij hadden hun hoofdkwartier op de Yzeren Waag achter het beeld van Theodoor van Rijswijck. Van daaruit werden zij afgevaardigd bij de ministeries, in de gasthuizen en droegen aanhoudend boodschappen naar alle hoeken van de stad en op den buiten.

De terrassen der café's zaten vol officieren, krijgsdokters, apothekers en brancardiers die vrijaf hadden; vol burgers ook die zenuwachtig de gebeurtenissen discuteerden. Eene nieuwe vlucht van lichtekooien, door het leger aangetrokken, was in de straten neergestreken. De gazetleurders holden als hardloopers aan de menigte voorbij. Het was hun verboden nog namen van kranten of oorlogsnieuws te roepen, maar het werd als een wedren om eene bepaalde wijk te bereiken en 't was nauwelijks dat ge ze in hunne vlucht een krant vermocht af te koopen. Waanzinnig bolden door de stad de militaire auto's met officieren en bedienden. Huilend en gillend gingen de trompen. Geen politie-wetten op de snelheid waren langer nog van tel. Als bolieden vlogen de wagens over de lanen en door de drukst bewandelde wijken alsof er telkens het heil van 't land of 't behoud des konings van afhing.

Aan de Schelde zag het Noorder-wandelterras steeds zwart van volk dat te kijken stond naar den duitschen transatlantieker "Gneisenau", die in een militair hospitaal was herschapen. Men kon er de herstellende soldaten op ligstoelen uitgestrekt zien met wit- omwonden kwetsuren. Een telefoondraad ging van de boot over het terras om met de stad in verbinding te blijven. Maar hoe rampzalig was het uitzicht van den stroom! Heel die grootsche bocht kaaimuren, van Austruweel tot Hoboken, lag leeg van schepen. Al de kranen waren met hunne eenbaarlijke armen stadwaarts gekeerd en de kettingen wiegelden doelloos op den wind in de ijlte. Van de vlotbrug, aan den voet van het oude grijze Steen, vertrok een houten brug-op-schuiten naar den vlaamschen oever. Wij hadden er, den 5den September, aanzienlijke afdeelingen ruiterij zien overtrekken met een sleep van kanonnen, om Dendermonde op de Duitschers te heroveren en de verbindingslijn tusschen Antwerpen en de kust vrij te houden.

Verder, stroomopwaarts, langsheen de kaai waar de Red Star booten komen aanleggen, was, onder de hangars, het automobielpark van het leger ingericht. Er stonden daar honderden auto 's van alle slag, meest particuliere rijtuigen, die werden opgeëischt en thans, in grijze kleur geschilderd, de twee groot- zichtbare letters droegen S.M.. Wie van ver of nabij met het leger in betrekking stond kon daar gemakkelijk een pracht-rijtuig bemachtigen met de noodige bons voor naphta-bussen en banden die er tot hooge stapels waren bijeen gebracht. Ik zag er eens, te midden van een zwarten drom nieuwsgierige gapers een onzer geblindeerde auto 's staan. Het was een ronde stalen koepel op vier wielen en door een schietgat stak de mond van een klein kanon. Deze motorwagens waren de schrik der Duitschers en het was geweten dat de Prins de Lagne met Graaf de Villermont op zoo een auto waren omgekomen bij eene stoutmoedige verkenning rond Herenthals.

Elken morgen zag ik langs mijne ramen eene ontelbare kudde ossen en koeien voorbij komen die verder door de Leemstraat tot buiten de poorten in de veeparken werden gedreven, tot voorraadstapels voor het leger en de bevolking. De straat was er telkens letterlijk van vol. Zij sprongen tot op de stoepen tot grooten angst der toeziende winkelvrouwen en de drijvers hadden het druk om hunne kudde voort te helpen wanneer soms een bronstig beest te midden der straat een koe besprong en zijn hoorns hoog tegen de huisgevels of de glimmende winkelramen opstak.