De val van Antwerpen (october 1914)
Part 3
Hoe meer de tijd vorderde zoo grooter werd het verlangen naar den buiten, naar de open natuur. Het was de vrije wereld naast de steeds strengere beknelling der belegerde vesting. Op een zondag wilde ik nog eens met mijn huisgenooten naar ons landgoed te Cappellenbosch. Maar 't was lastig en ongewoon. Wij moesten onze plaats-bewijzen vragen aan 't winket tusschen twee gendarmen. Een speciale pas met den zegel van den krijgs- gouverneur was noodig om weg te mogen. De treinen reden maar tot Cappellen, wij moesten een uur te voet naar Cappellenbosch.
Het was een ellendige tocht door het oorlogsvernielingswerk. Door de boomenweelde van een wijdsch en duister park was een spoor aangelegd en een locomotief stond zwart en ontzaglijk, onder de kruinen van reuze-beuken waardoor ruw een weg was gebaand. De prachtige eiken-dreef, van Capellen tot aan het kruispunt van het spoor op Holland, lag plat met al de bosschen en hoven links en rechts van de baan. Over 50 jaar zou de jammer van den oorlog nog in deze streek gevoeld worden. Want huizen kunnen nog na korten tijd herbouwd, maar boomen behoeven meer dan een menschenleven om boom te zijn in hunne volle pracht. Niet alleen het geslacht van heden maar de toekomst zou lijden van deze gruwelen en het lieve aanschijn van het land verminkt zien. Zoo dacht ik toen...
Over de eindelooze vlakten, die daar open lagen, zagen wij de forten van Ertbrand, Brasschaet, Cappellen, Schooten, als groote molshoopen boven het land, vol verkoolde stammen, smeulende takkenbossen en prikkeldraadversperringen, waar vroeger bosschen stonden of gras en wilde bloemen groeiden. Van afstand tot afstand liepen weer de loopgraven door de velden. Op de wegen waren er poorten van aardewerk, waarachter kanonnen en mitrailleuses stonden in schietgaten. Overal wachtposten die de papieren onderzochten, heel het geteisterde landschap vol kappende, zagende en brandstokende soldaten.
De onmiddellijke omgeving van ons goed was gespaard gebleven. Daar bestond de oude twee-dubbele eikendreef nog, daar zagen wij nog de ontzaglijke purpere en groene beuken in de diepten der weiden en, langs de baan, die lage baksteenen en witgekalkte huisjes, onder roode daken. De zomerwindjes fluisterden door de blaren en deden het machtig landschap zinderen en bewegen van een ingetogen leven. De vogels piepten. Een kwikstaartje liep voor ons uit op de straatsteenen. Het was zoo heilig-rustig en eenzaam alom. Het scheen hier zoo ver van alle verschrikking en geweld dat men weer ging twijfelen aan de werkelijkheid van den oorlog. God en 't was toch oorlog!
Als wij de zwart-ijzeren poort met de gulden lansen van onzen hof openden, kwamen wij in een paradijs van vrede, groen en bloemen. Blauwen-hemel-spiegelend lag de groote vijver met zijn eilandje vol zilveren berken en donkere masten. De bloemperken--steen-en vuur-roode geraniums, goudgele escholzia 's, roze gele en oranje begonia 's--lagen hier en daar verspreid in de grasvlakten. De zware trossen der hortensia 's bewogen op den wind. Diep in den hof op den achtergrond van het dennenbosch, lag het huis met het witte portaal en de blauwe luiken onder het hoog rood-pannendak. Wij waren als geesten die sprakeloos kwamen dolen rond een oord van liefde en geluk, waar zij alle sinds lang zouden gestorven zijn en dat hun niet meer toebehoorde...
Het scheen mij een oogenblik alsof wij slaapwandelaars waren, maar weldra geurde weer kook van eten door het huis, als op die gezellige zondagen dat wij allen te samen waren en met vrienden gouden samoswijn dronken, boven de trappen voor de groote huisdeur, in de warme schaduw van den gevel. Vader en ik wij plukten fruit in den groenselhof, heele korven appelen en perzikken. Wij herinnerden ons hoe die boomen gebloeid hadden, wit en rozig in de laatste lente, schooner dan jaren voorheen, in die lente die nog niet wist van dezen gruwelijken najaarstijd. En de vruchten waren zoo prachtig zoo ontelbaar dit laatste overvloedsjaar dat de vele jaren van armoede en ellenden zou voorafgaan.
Wij aten den noen in het licht-groen geschilderde kamertje naast de keuken, bij het open raam. Er stonden nog bloemen op de tafel. Wij dronken koffie en rookten onze cigaren. Wij liepen in den namiddag nog een laatsten keer door die smalle kronkelende wegen, vol ritselende mastspelden, door de wegen die wij met ons eigen handen door het bosch hadden aangelegd met hunne schoon- buigende lijnen om de aardigste plekken en de mooiste boomen te ontmoeten. Het was de laatste wandeling die wij er zouden doen.
Wij hadden groote pakken bij, als wij terug naar de stad trokken. Een mensch wil altijd alles redden en meedragen wat bij zijn leven zoo lang reeds behoort. Op een wandeling te voet van ons huis tot Cappellen waren dat lastige "impedimenta", maar wij schrikten er niet voor terug en elk droeg gaarne zijn last. De trein die uit Cappellen vertrok, moest stoppen bij de vesten, aan eene halte, speciaal daarvoor aangelegd. Soldaten sprongen met de bajonet op het geweer in de compartimenten en onderzochten papieren en pakken der reizigers. Het was voor mij eene echt-russische impressie.
VII-De Zeppelin
De dagen van geweld en verschrikking moesten nog komen. Worden ze niet dikwijls voorafgegaan van een schijnbare rust, als ware het om ons de tegenstelling des te bitterder te doen voelen. Zoo was het althans voor mij.
Dien zondag 23 Augustus was een rustige dag geweest. Ik was in mijn werkkamer gaan zitten na het avondeten. Ik vernam van uit de keuken hoe mijn huisgenooten luidop hun avondgebed lazen. Kort daarna hoorde ik hunne voeten door den gang en over den marmeren trap naar boven sleffen. Ik las de Histoire de Belgique van Pirenne. In den huidigen landsnood scheen het nog 't best ons te verdiepen in 't geen wij vroeger geweest waren. Ik voelde ons land verzwakken en als in stervensgevaar en ik gaf mij de illuzie het uur onzer dood te vertragen door een terugkeer naar het verleden.
Maar ik voelde de rust van ons groot slapend huis weldra op mij wegen als een levende aanwezigheid. Het ging niet meer om te lezen en ik zag stil-mijmerend mijn kamer rond. Het elektrische licht viel, gedempt, van uit den dof-kristallen bol aan de licht-gele zoldering. Ik zag de wijn-roode gordijnen toegeschoven, in breede, alle gerucht-smoorende plooien, hangen voor de ramen. De rood- mahonie-houten meubels en bibliotheken droegen hier en daar gele glimmende licht-vegen. Op het donker-groene behangselpapier der wanden hingen mijne kunstplaten, teekeningen en schilderijtjes in hunne stemmige kaders. Nevens de deur blonk mijne oud- grieksche icone als een massieve gouden plaat. Ik keek naar de mooi-gebonden ruggen mijner boeken in groen, bruin, blauw rood leder of wit pergament met hier en daar wat dof verguldsel. Ik moest opstaan om ze te gaan betasten tot op de hoogste planken met mijn bleekwordende vingers. Ik begon te snuisteren in mijn bibliotheek en ontdekte boeken die ik sinds lang vergeten was en die mij weer aantrokken om het genot dat ik er vroeger aan beleefde. Moe van staan en lezen wilde ik weer gaan zitten. Mijn oogen vielen toe. Het zou maar best zijn te gaan slapen. Ik droomde dien nacht en zag in mijn huis een samenkomst van alle rassen, een verwarde vergadering van Chinezen en Kozakken, van Turken en Hindoes, van negers en blanken... Uit de duizeling waarin ik verkeerde schoot ik plotseling als met een schok wakker.
Ik hoorde een groot gerommel als van donder en dacht aan een onweder. Maar weer daverde een geweldige slag. De oorlog kwam terug voor mijn geest. De stad werd zeker onverwacht beschoten. Ik ging zien aan het venster maar eene ontzettende ontploffing kraakte zoo nabij in de stad dat de ruiten rammelden en ik werktuiglijk achteruitsprong voor 't geweld. Ik kleedde mij aan en liep naar de kamer mijner ouders. Mijn zuster kwam ook uit haar deur daarover in haar witte nacht-japon. Ik zag bij het aarzelende licht van een nachtpitje, vader en moeder overeind zitten, te midden der wit-grauwe frommeling der beddelakens. Hunne bleeke en door den slaap nog verouderde en doorrimpelde gezichten keken verdwaasd en verschrikt.
--"Het is de beschieting!"
--"Het zijn misschien maar signalen of proefschoten."
--"Laat ons bidden" zei iemand en ik hoorde paternoster-beiers tegen elkaar rollen in een hand.
Ik liep naar boven om uit de hoogste vensters over de stad te zien. Ik hoorde toen heel duidelijk het geronk van schroeven, hoog ievers in de lucht, maar zag niets. Het werd mij duidelijk nu dat het een Zeppelin was.
Herhaaldelijk daverden er nog ontploffingen over de stad, maar steeds op verder en verder afstand. Telkens gingen er als bliksemschichten door de lucht. Het waren de losbarstingen van bommen die het moordschip uitwierp. Ik hoorde èen gekletter van ruitscherven en enkele geweer knallen, van burgerwachten, waarschijnlijk, die vruchteloos op den Zeppelin vuurden.
Toen werd weer alles stil. Ik zag O.L.V. toren hoog boven de groene-en-mauve omschemerde huizen uitsteken als een omdoezelde silhouette. De beiaard "rammelde" en het klonk drie uur in den vaaglichtenden dag. In de straat beneden gingen deuren en vensters open, menschen riepen rap en angstig tegen elkaar of liepen in de richting der ontploffingen. Wij gingen weer slapen.
's Morgens na het ontbijt trok ik uit de vernieling zien in de stad. Er was een ongemeene drukte in de straten. Negen of tien bommen waren er geworpen. Twee dicht bij mijn huis, waarvan een in de Schermersstraat, waar twee dienstmeisjes in haar bed werden gedood, en een, juist achter mijn hofje, op het Sint Elisabeths gasthuis. In de Twaalfmaanden straat was eene woning tot op den grond ineen gestort. Op de Stadswaag, in de Lozana en de Justicie straat waren groote kuilen in de kasseien, vensters en deuren aan spaanders, diepe putten in de gevels en de arduinboorden. 10 menschen waren gedood en meer dan 40 gekwetst, allen non- combattanten. In een huis werd eene vrouw gevonden die letterlijk was gepulveriseerd. Een andere die uit haar venster leunde werd het hoofd afgeslagen zoo dat de bloedstraal als een fontein naar beneden spoot.
Naar de plaatsen te oordeelen, waar de projectielen gevallen waren, kon men gissen wat het eigenlijke doelwit geweest was van de laffe aanranders, en de bladen vernoemden de Minerva-fabriek te Berchem, de Nationale bank, het Sint Elisabeths gasthuis, het koninklijk Paleis en de Falcon kazerne. Vooral de aanslag op het Paleis verwekte een algemeen afgrijzen. Onze Vorsten verbleven daar, onze dappere Koning, onze teere en geliefde Koningin, de jonge Prinsjes, en het beeldschoone prinsesje Marie-José. Het was afschuwelijk te bedenken dat Duitschland kalm een aanslag op hun leven had beraamd en ons met een keer van heel ons vorstenhuis had kunnen berooven. Ook ging Koningin Elisabeth dadelijk, als eene bezorgde moeder, hare kinderen naar Engeland in veiligheid brengen, om daarna weer kalm en onverstoorbaar, hare plaats naast den Koning in te nemen.
De verbeelding van het volk was zeer getroffen geweest door het ongewoone en afschuwelijke van den aanslag zoo dat er een buitengewoone verscheidenheid van folkoristische prenten en kleurdrukken aan 't licht kwamen, waar de verraderlijke vaart van het luchtschip op afgebeeld stond boven de nachtelijke stad, terwijl de vallende bommen, met vuurspattend geweld, op de pleinen en in de straten openkraakten.
De menschen in hunne huizen verzonnen allerlei verdedigings- middelen tegen een mogelijken tweeden aanslag en richtten hunne kelders in tot een zeker toevluchtsoord. De bovenverdiepingen werden voortaan als hoogst gevaarlijk beschouwd. Van hoogerhand werden dringend maatregelen genomen om het gevaar te keer te gaan.
Sedert dien Zeppelin-aanslag leefden wij 's nachts te Antwerpen in de volledigste duisternis. Om acht uur moest alles gesloten zijn en werd alle tramverkeer geschorst. Nergens mocht uit de vensters der huizes een spleetje licht meer komen of er werd gescheld door politie-agenten of patroeljeerende burgerwachten. De straten en pleinen waren niet meer te herkennen in de donkerte. Ik ging elken avond uit om het fantastische schouwspel te genieten van die nachtelijke stad. Het was een middeleeuwsch vizioen.
Ik herinner mij nog het vreemde, benauwelijke van dien eersten nacht. Ik stapte over het Groen Kerkhof, het geleek met zijn boomen een donker bosch waarvan het eind niet was te ontwaren. De straten rond de hoofdkerk waren donkere holen en putten waarboven, over de huizen de hemel vaag schemerde. Het motregende een weinig. De vlaggen die nog te treuren hingen aan de gevels hadden geen kleur meer. Het waren donkere voolen die zwaar sloegen van het nat tegen de ruiten. De Sint Jacobstoren stond ginder als een groote inktzwarte burg met op zijn top een wanhopig- slaande-zwart-uitziende vlag, als een dood-signaal. Van uit de verre donkere diepte van de Meir kwamen toen twee groote gloeiende bollen aangereden van een auto. De stralenbundels gleden verblindend over de kasseien en bespatteden de huisgevels die een oogenblik opdoken uit de duisternissen, als waren zij van rood en geel glimmend marmer. Door de zwarte lucht boven de stad gingen de blauw-zilverige stralen der zoeklichten, lange schitterende strepen, die soms een wijle onbeweeglijk op den hemel geschreven stonden, soms grootsch en traag bewogen en een wolkje gingen beschijnen of plots, lijk balken lichts, wegvielen achter de huizen in den zwarter wordenden nacht.
Wanneer het nog zoel weer was, zaten de menschen in de arme buurten op banken en stoelen aan de deuren. Zij waren niet zichtbaar in de duisternis maar in 't voorbijgaan hoorde men het stemgeruisch. Het roode vonken van een pijp, het vlammetje van een aangestreken lucifer deed soms de gezichten opleven uit de donkerte. Voorbijgangers liepen je op het lijf zonder dat je ze had zien aankomen.
De lieden meenden voortaan alle soort vreemde en geheime dingen in het zwarte zwerk te zien. Groepjes keken met aandacht naar een groote ster, beweerden dat zij traag bewoog en zeker het lichtje moest zijn van een vijandelijk vliegenier of van een luchtschip.
Met het wassen van de maan werd de stad éene betoovering. Het maanlicht lag lijk sneeuw tusschen de links en rechts donker- opbonkende gevels. De huizen in de schaduwkanten vlokten bijeen tot groote gevaarten, vreemde silhoutten van burgten en cathedralen, op den gloor van den hemel. De O.L.V. toren, maan- beschenen, leek als van oud-zilver en zijn lange schaduw viel zwart over de daken, over de steenen der Groote Markt, tot op den roosachtigen gevel van het stadhuis.
De beiaard zong niet meer.
VIII-De Verspieder
Wij zouden dien namiddag, 26 Augustus, per militaire auto, naar Puers rijden, dicht tegen de vuurlijn. Het ging om het onderzoek eener vespiedingszaak. Een duitsch soldaat werd in burgerkleeren aangehouden te Buggenhout bij Puers. Hij beweerde dat hij niet langer meer tegen de Belgen wilde vechten, dat hij bij zijne aankomst te Brussel den 20en Augustus gedeserteerd was, burgerkleeren had gekocht en te voet het land was ingegaan tot hij te Buggenhout werd aangehouden. De militaire overheid nam die verklaring niet aan. Het bleek inderdaad dat nabij Buggenhout het belgisch leger in een valstrik was gelokt en vele manschappen door een troep uhlanen werden gedood. Onze man werd verdacht de hand in dat spel te hebben.
Ik geloofde aan zijn onschuld. Ik had hem op last van den krijgs- auditeur in het gevang te Antwerpen ondervraagd. Hij antwoordde op alles heel rechtzinnig. Ik kon maar al te best begrijpen dat er onder de Duitschers menschen moesten zijn die er genoeg van hadden. Op eene vraag van mij: "haben sie ihre ältern noch?" kwam het "ja wohl" maar nauwelijks uit zijne kroppende keel en twee dikke tranen sprongen lijk vanzelf uit zijne oogen. Ik zag zijn angst voor den dood en hoe een woord over zijn huis al zijn onderdrukten weemoed deed los komen. Vader, moeder, die waren zoo ver en konden hem niet meer helpen in dezen nood.
De krijgsauditeur had ons belast nauwkeurig onderzoek te doen ter plaatse en werden zijne vermoedens door de getuigenissen bevestigd dan zou de verdachte morgen voor den kop worden geschoten. Wij reden met onze auto naar Puers: de substituut, een commandant-assesseur en ik als griffier. Wij waren alle in uniform en gewapend, de chauffeur had zijn geweer, want zoo dicht bij den vijand moesten wij op mogelijke hinderlagen berekend zijn.
Wij trokken den Rupel over, langs een houten brug, door de genie daar geslagen. Op den anderen oever zagen wij, over eene onafzienbare lengte, den sleep van amunitie-wagens en kanonnen van het aftrekkend belgisch leger dat te Sempst, Weerde en Eppeghem gevochten had.
In het vlakke landschap langs de rivier scheen het als een schilderij uit den tijd van Napoleon: De kanonniers op hunne schuddende stukken droegen zwarte colback's met koper-belegde stormbanden en roode koorden. Een skadron lanciers kwam aangereden, blauw en geel met hoog-opgestoken lansen en waaiende penoenen. Hoog op hunne paarden zaten gendarmen met de monumentale beremutsen der grenadiers van de oude garde. Ginder in de verte schetterden de wijnroode broeken en groene tunieken van gidsen.
Het viel mij toen op dat ons leger misschien nog het eenige was ter wereld waar de oorlog de heroïsche beteekenis behouden had van schoone gevechten in schitterende uniformen naast het aardkleurige en machinale van den duitschen krijg.
Op 24 Augustus had onze generale staf bericht gekregen van geweldige gevechten die tusschen het fransch-engelsche leger en de Duitschers op de Samber en in de richting van Mons geleverd werden. Het scheen het gunstig oogenblik om een uitval te wagen tegen het duitsch observatieleger dat voor Antwerpen lag. Die uitval geschiedde op 25 en 26 Oogst. De Belgen heroverden Hofstade en de bosschen van Schiplaeken alsook Sempst, Weerde en Eppeghem. Doch, na afloop der veldslagen aan de Samber, kon deze aanval niet meer worden voortgezet en nu zagen wij de troepen die er aan deel namen terug in het versterkte kamp komen. Wij geraakten met moeite door het getrappel der paarden, het gehots der wielen, tot in Puers.
Wij zetelden op het vredegerecht en lieten daar de getuigen voor ons verschijnen. Ik bedacht dat de woorden die ik ging opteekenen over het leven van een mensch zouden beslissen. Indische spreuken kwamen mij te binnen: "Hij die den stok droeg waarmee een man werd geslagen is schuldig aan moord. Hij die den stift hield bij het neerschrijven van een onrechtvaardig vonnis is schuldig aan moord." Door de open ramen hoorden wij aanhoudend het getrappel der paarden, het gebons der kanonnen op de kasseien het gedreun der voetzolen van het aftrekkend leger. Het was halfdonker geworden in de zaal. Door het lawaai konden wij nauwelijks de getuigen verstaan. Ik teekende alles stipt op en voelde me gelukkig geen enkel bewijs tegen den man te vinden.
Ik dacht er later dikwijls op na hoe nauwlettend en eerlijk wij het strafrecht toepasten op den vijand, terzelfder stonde dat onze eigen weerlooze en onschuldige landgenooten, mannen, vrouwen en kinderen, zonder een schijn van onderzoek veroordeeld werden en laffelijk vermoord, nadat zij dikwijls hun eigen graf hadden moeten delven.
Wij reden terug naar de stad in onze auto. In de schemering zagen wij de laatste munitie-wagens van het aftrekkende leger. De uniformen der ruiters die de karren voerden waren bijna niet meer te herkennen. Lanciers droegen shako's van jagers, jagers mutsen van kanonniers, alle wapens en alle drachten waren gemengd. De infanteristen in hunne donker-blauw-bestoven mantels schenen dood-moe. Velen hadden hunne rood-afgeboorde ronde mutsjes van eene groene klep voorzien tegen zon en regen. In den avond schenen zij als zoovele ooglijders of blinden die voortstrompelden langs de baan. De caissons en de kanonnen waren nog behangen met groene takken en stroo om ze voor vijandelijke vliegeniers onkennelijk te maken. Mitrailleuses werden door honden getrokken wien de tong van draven uit den muil hing. Achter de laatste karren liepen jonge priesters met bestoven togen, minderbroeders op bloote voeten in sandalen, die dienst deden als brancardiers, den witten band met het roode kruis rond den arm.
Aan de brug over den Rupel en in de richting van Boom zagen wij nog en weer, aftrekkende troepen. Wij moesten telkens wachten om door de verwarring van paarden, wagens en voetvolk te komen. In de weiden langs den weg lagen de eerste kudden van vluchtelingen, arme menschen met pak en zak uit have en goed verjaagd.
Want de Duitschers, razend om den uitval der Belgen, hadden de wreedste baldadigheden, brandstichting en moord, in de terugbezette dorpen bedreven.
In de straten van Boom stonden onafzienbare rijen van auto's, door het leger gerekwireerd. Het waren alle private rijtuigen die vroeger mooie dames en heeren in soirée-kleeren naar de schouwburgen voerden en nu, bestoven, vuil, onkennelijk daar stonden, volgeduwd met zakken meel, brooden of oorlogsgetuig.
Wat er met onzen verspieder verder gebeurd is weet ik niet, maar ter dood veroordeeld werd hij zeker niet. Hij zal wel met de andere verdachten en krijgsgevangenen, na den val van Antwerpen, naar Engeland zijn overgebracht. Hoe dikwijls zijn wij zoo van verre tochten tegen den avond terug de stad ingereden, die stad waar het begon te woelen en te gisten van heel het leven van het land dat er nu was samengetrokken. Wanneer ik toen de torens, van ver in de velden, zag uitsteken boven de wallen en de huizen, tegen een rooden zonsondergang, dacht ik altijd aan het tragisch einde dat eens zou komen. Sint Jans toren van Borgerhout, Sint Jacobstoren, O. L. V. toren, in onze bliksemsnelle vaart door de van-volk-krielende straten volgden zij elkaar op. De belgische driekleur woei als wanhopig op hunne toppen. Hoe lang nog?
IX-In De Ambulances
Overal in de stad waren de ambulances. Wie over de Meir stapte zag boven den hoogen achterbouw van het Sint Jan Berchmans college de witte vlag waaien met het roode kruis. Telkens ondervond ik dezelfde huivering, wanneer dat bloedig teeken van den oorlog mij opviel in die wijde hemelruimte daar boven de huizen. Vele scholen waren in hospitaal herschapen en het bleef een verrassend gezicht, dat aller oogen trok, de witte kappen der ziekediensters voor de vensters te zien bewegen of de reeds herstellende soldaten met wit omwonden kwetsuren en moe gelaat op het leven van de straat te zien turen. Boven de feestzaal van den Dierentuin woei ook de roode kruis-vlag en het gaf een weeke stemming tusschen de stammen der tanende najaarsboomen de genezenden te zien liggen in hunne leunstoelen op het ruime luchtige terras langs den hof. Het engelsche hospitaal was in een meisjesschool der Leopoldslei en het amerikaansche in het zomerlokaal der Harmonie. Altijd was er drukte om die gebouwen en wanneer de gekwetsten in snelle grijze auto's werden aangevoerd drumden de voorbijgangers met bezorgde gezichten samen om ze op de berrie's te zien uitdragen en binnenvoeren.
Vele private hospitalen waren er ook in de stad. Kringen en maatschappijen die hunne lokalen bereidwillig hadden afgestaan en de verzorging bekostigden. Sommige rijke burgershuizen hielden zieken en de roode-kruis vlag stak er uit aan den gevel.
In het lokaal der sociale werken, in mijn eigen straat, had ik alles van 't begin af zien in gereedheid brengen: de groote zaal met de beddekens, de kamer met de verbanden, de apotheek, de voorraadkamer voor kleedingstukken, de keuken. Alles was netjes in orde. De geburen hadden geholpen in het bijbrengen van al wat ontbrak. De ziekendienst werd er waargenomen door de meest- offervaardige jonge vrouwen. Ik zelf had mijn hulp aangeboden in geval die mocht vereischt worden. Zoo werd ik eens in den nacht van 13 September opgescheld. Een onverwacht groot aantal gekwetsten was in aantocht.