De val van Antwerpen (october 1914)

Part 2

Chapter 2 3,866 words Public domain Markdown

Ik herinnner mij nog dit enkel incident uit mijn diensttijd. Men had ons verwittigd dat er kans bestond dat dien nacht duitsche auto's probeeren zouden de stad binnen te dringen, zooals er gedaan geweest was te Luik door vijandelijke officieren die een aanslag hadden beraamd op het leven van generaal Leman. Wij moesten dus oppassen. Ik was dien avond van het corps de garde, in de kazerne aan de Oude-Baan. Ik had wat gegeten en lag uitgestrekt, in mijn kleeren, op de brits, tusschen mijn luidop ronkende kameraden. Rond elf uur moest ik, voor twee uren, de wacht betrekken. Ik kreeg mijn post buiten de poorten, op den berg der genie-werken, waarover een aarde-weg loopt om langs het spoor naar Mortsel te gaan. De nacht was schoon, zoo maanhelder dat de sterren verbleekten. Het was zomer en zoel en zoo rustig alom. Het deed wee aan het hart niet te kunnen genieten van de pracht der dagen en te bedenken dat de kanonnen van Luik aan 't bulderen waren en zoovele belgische jongens ginder in de maanlichte velden roerloos neerlagen voor eeuwig. Achter mij strekte de donkere lijn der verouderde wallen met, van afstand tot afstand de hooger uitstekende mamelons tegen den rossen gloed der nachtelijke stad. Voor mij en van op mijn hoogte zag ik de velden tot aan Luithagen, tot aan Deurne. Het graan stond nog in maandels op de akkers. Het waren lijk donkere tenten van een kamp die scherpe schaduwen afteekenden in het maanlicht. De geur van het dorrend stroo en van de warme aarde kwam met vlagen tot mij. Van tijd tot tijd reed door de velden, in de richting van Brussel of Antwerpen, een lange reizigerstrein en de lichtende ramen slingerden als een vuurlijn voorbij. Ik stapte over en weer met mijn geweer op den schouder. Traag gaan de uren voorbij in de nachtelijke eenzaamheid. Ik telde de slagen der klok op den nabijgelegen toren van Berchem. Eindelijk zag ik uit de donkere grot der stadspoort een patroelje, klein in het maanlicht, verschijnen en toekomen om mij af te lossen. Ik trok terug naar mijn corps-de-garde en strekte mij uit op de brits. Ik lag maar nauwelijks neer toen ik, buiten, den korten knal van een geweerschot vernam. Mijn maten hoorden het ook. Zouden dat die duitsche auto 's zijn? Wij sprongen allen op, grepen naar onze geweren, gespten onze bajonetten aan en liepen, onder geleide van een serjant, naar de bres die in de wallen was aangebracht op den mechelschen steenweg. Ik hoorde naast mij de geweren openen, laden en met een knak weer toesluiten. Ik stak ook een kogel op het mijne. Zou er waarlijk te schieten vallen? Wie zou er getroffen worden van ons? Wij tuurden uit over de baan: niets te zien in het licht der maan, de rust van den nacht. Dan plots komt over den steenweg een man aangeloopen, zijn geweer omhoog. Wij verkennen een burgerwacht. Buiten adem vertelt hij dat hij, op wacht staande, twee mannen zag voorbij sluipen. Hij vroeg hun het wachtwoord. Zij antwoordden niet. Hij vuurde, maar zij waren verdwenen. Wij bleven nog een tijd op onze hoede, maar niets kwam opdagen. De wacht trok weer terug. Het was mijn eenig vechtincident, als ik het zoo mag noemen. Ik bleef talmen bij de open bres en stapte over en weer tusschen Berchem-kerk en de hooge groene wallen. De morgen zat reeds in het oosten. Vuurrood begon de hemel te schemeren. Ik zag toen dat de mogelijke aanval der duitsche auto's toch als ernstig was opgenomen, want in een loopgraaf, door de bres, en achter een uitgestrektheid van prikkeldraadversperringen, zaten soldaten van de linie-troepen gereed achter een paar mitrailleuzen, de reesem blinkende kogels op het kanon geschoven. Zij stonden nu ook op en wandelden met hoog-toegeknoopte mantels in de kille klammigheid van den wordenden dag. Wij begonnen te praten om den tijd door te krijgen. Ik voelde mijn voeten verkillen in het nat van het gras der vesten. Traag klonken de uren van den Berchemschen toren. Eindelijk sloeg het klokke zes. Ik ging terug naar de kazerne. De gelederen werden reeds gevormd om terug naar de stad te trekken voor den rusttijd. Wij gingen weer 12 uur vrij af krijgen. Het was telkens een genot terug thuis te zijn en mijn burgerpak te kunnen aantrekken. Ik voelde mij niets geen soldaat. Ik verlangde een onmiddellijk-nuttiger en daadrijker leven. De burgerwacht gaf dat niet. Het was eene ontgoocheling. Hoe zou ik 't best naar mijn vermogens het vaderland dienen?

IV-In De Celgevangenis

Het was niet voorbeschikt dat ik lang onder de actieve wapens zou blijven. Na een week werd ik door de militaire overheid aangezocht om als duitsch vertaler bij den krijgsraad dienst te nemen. Het was eentonig werk dat ik, dag aan dag verrichtte in de celgevangenis, waar een substituut van den krijgsauditeur zetelde.

Ik bedenk nu weer den eersten dag mijner bezigheden daar. Het was te doen in een klein kamertje. Achter een tafel zaten de substituut, een commandant der jagers, een luitenant der gendarmerie, een griffier en ik. Door de open tralievensters zagen wij de gewone gevangenen, in hun wit pak en op klompen, over en weer wandelen, elk in zijn afgezonderd hofje. Over de stad klonken de zwaar-bonzende doodsklokken der cathedraal voor de dood van Paus Pius X. Wat had die heilige zachte man wel gedacht en gezeid in zijn laatste uren over dezen oorlog? Ignis ardens had de profeet van hem voorspeld, Religio depopulata was de roep voor zijn opvolger. Wie dacht hieraan en hoe gingen de grootste gebeurtenissen verloren in de algemeene ontreddering van de wereld!

Alle duitschers die moesten worden uitgedreven, werden eerst in 't gevang opgesloten om een verhoor te ondergaan. Waren zij dienstplichtig, dan werden zij gevangen gehouden. Waren zij het niet, lijk oude menschen vrouwen en kinderen, dan werden zij, na verhoor, twee maal per dag, naar het station gebracht en per speciale trein naar Holland gevoerd.

Er deden zich natuurlijk vele ongelukkige gevallen voor: menschen die nooit van een oorlog iets hadden vermoed en hun keizer verwenschten; vrouwen met een sleep van kinderen die uit haar huis en broodgewin werden weggetrokken en dikwijls, zonder een cent, over de grenzen gezet. Wegens den overvloed der arrestaties zaten zij soms dagen achtereen op een verhoor te wachten met den doodschrik op het lijf. Een heel ongewettigde schrik, want nooit werd er bij mijn weten een Duitscher veroordeeld. Maar hunne houding deed mij gissen hoe brutaal en ongenadig de overheden moesten toegaan in hun eigen land. Er waren van die arme stakkers die, als zij binnen werden gebracht, voor ons al snikkende op hunne knieën vielen en met biddende handen om genade riepen, meenende dat zij hun doodvonnis gingen hooren. Ik heb den angst voor den dood toen op vele aangezichten gelezen. Er waren er die niet konden spreken en hun wee opkropten tot dat hunne kaken begonnen te beven en de tranen in blinkende druppels traag uit hun oogen rolden. God waarom moesten zoo menschen tegenover elkander staan! Ik zie nog altijd dat klein, bleek, phtisiek oostenrijker-joodje, dat werd aangehouden omdat men in zijn valies suspecte papieren banden had gevonden met vreemde teekens beschreven. De onwetende gendarmen dachten aan telegramberichten. Maar het bleek een godsdienstig voorwerp te zijn: hebreeuwsche verzen uit den Talmud, op parkamenten reepels geschreven, die de Israëlieten, tweemaal 's daags, in een doosje, op het hoofd dragen. De sukkelaar kende enkel poolsch en kon zich amper in het duitsch doen verstaan, maar snikkende en op zijn knieën, voerde hij den joodschen ritus uit, om te bewijzen waartoe die vreemde dingen dienden. Toen ik hem duidelijk maakte dat hij niets te vreezen had en enkel zou worden over de grenzen gezet--wat konden wij met dat menschen-wrak nog doen?--kuste hij mijne handen en ik voelde zijne koude lippen en het nat van zijne tranen op mijne vingers.

Ik herinner mij ook nog twee slanke jonge vrouwtjes, die als danseressen met een kunstemakers-wagen reisden. Zij waren uit de omstreken van Hannover. Ik dacht aan de figuur, die in het tweede deel van De Kleine Johannes voorkomt, en waar Johannes op verliefd geraakte. Een van de twee droeg een kindje van enkele maanden, een mager borelingske, dat zij liet zuigen aan haar klein borstje, dat uitstak tusschen de plooien van haar kleurig rood-en- groene kleed. De andere had, in een vuil beddelaken, al bijeen gebonden wat zij kon redden en ging er letterlijk onder gebogen. Zoo had ik ze zien binnen brengen in het gevang. Ik had er medelijden mee en kon zorgen dat ze seffens in verhoor werden genomen en nog dienzelfden dag, van allen angst verlost, op reis mochten naar Holland. Ik zie nog altijd hare oogen die mij stil- lachend dankten.

Er waren in die dagen menschen die met politie of burgerwacht te doen hadden omdat zij een zoogezegd duitsche hoed droegen, de groene tint was zeer gevaarlijk. Op aanklacht van buren drongen burgerwachten, met de bajonet op het geweer, huizen en kamers binnen. Zij hielden huiszoeking of namen den vermoedelijken verspieder in arrestatie. Er werd verteld van moffen in nonnekleeren of met valsche baarden. Antwerpen voelde een echte haat tegen al wat duitsch was, een haat sterker dan elders in het land, omdat de vijand hier zoo hartelijk was onthaald geweest en zoo vrij zijn gangen had mogen gaan.

Er waren ook Belgen die onschuldig verdacht en gevangen zaten. In die dagen heb ik begrepen wat de "terreur" moet geweest zijn tijdens de fransche revolutie. De aanklacht van 't is gelijk wie, het minste onschuldig teeken of een verkeerd uitgelegd woord waren voldoende om iemand te doen aanhouden. Ik zou van mijn eigen vrienden in 't gevang ontmoeten en helpen verlossen. Ik ken er een die, uit zijn droefheid en zijn wrok, een stuk literatuur schreef in zijn cel en het mij in dankbare herinnering bij zijn vrijstelling overhandigde met nog vochtige oogen.

Wij hadden soms oprecht beklagenswaardige gevallen te onderzoeken: De forten van Luik vielen alle van 12 tot 17 Augustus 1914 maar om krijgsredenen, die ik hier onbesproken laat, bleef het heeten dat zij nog altijd stand hielden en dat duurde zoo tot 24 Augustus. Welnu de enkele soldaten, die nog uit die forten konden ontsnappen, en in burgerkleeren, op lijfsgevaar, door de duitsche linies geraakten, werden allen aangehouden, zoodra zij zich te Antwerpen aanboden om terug in dienst te treden. Een heele tijd hield men ze in 't gevang afgezonderd om hen te beletten het gerucht van den val der forten te verspreiden.

Wij namen ze een voor een in verhoor. Zoo wisten wij, uit den eigen mond der verdedigers zelf, hoe eerst de forten van Chaudfontaine, Evegnée, Barchon en Pontisse door de duitsche kanonnen werden onder vuur genomen en hoe de aanvallers overal met verschrikkelijke verliezen werden achteruit geslagen. Hoe daarna het fort Boncelles het te verduren had en het belgisch leger daar wijken moest voor de overmacht. Wij rilden op onze stoelen als wij ze, in hunne eenvoudige boeren-of werkmanstaai, hoorden verhalen van die 42 cm. bommen, die zij, uren aan elkaar, op en rond de pantsertorens hunner forten hadden hooren donderen, hoe zij geen adem meer konden halen in den stikkenden rook der salpeterstoffen. Van de vluchtelingen uit het fort Loncin hoorden wij hoe generaal Leman zich daar had teruggetrokken en het er nog dagen uithield zonder eenige betrekking met de wereld; hoe eindelijk het kruitmagazijn ontplofte en de stukken beton der koepels en de bergen van aarde in de lucht sprongen lijk fonteinen, met de wegvliegende stukken van menschenlichamen; hoe zij die nog ontsnapten slechts, door duisternissen rook en vuur, en onder het geklaag en geroep van onzichtbare gekwetsten en stervenden, nog uit de puinen geraakten en den dag weer zagen. Het waren helden, hunne oogleden waren nog zwart van kruit, er waren er met verbrande handen en wij moesten ze afgezonderd houden in een gevang, als zij smeekten om voort te mogen vechten. De aarzeling der krijgsoverheid duurde gelukkiglijk niet langer en weldra kwam het verlof om ze in vrijheid te stellen en ik zelf werd gelast hun eenige vaderlandsche woorden toe te spreken om hun duidelijk te maken dat zij niet voor een vergrijp maar wel uit voorzichtigheid in 't gevang weerhouden waren geweest. Ik was toen reeds dienstdoende griffier geworden bij den substituut van den krijgsauditeur. Ik zie nog altijd, in mijne herinnering, die kloeke jongens: ze werden allen bijeen gebracht in een groote zaal van 't gevang en na enkele aanmoedigende woorden gingen zij blij en zonder morren hun post vervoegen.

Toen wij het gevang verlieten, dien avond, zei mij de jonge luitenant der gendarmerie:

--"Indien er inderdaad 42 cm. bommen gebruikt werden tegen Luik, dan weerstaat geen enkel fort van Antwerpen." Wij dachten aan het onvermijdelijke dat zou gebeuren.

V-Wat Wij Van Den Oorlog Vernamen

De menschen leefden voort in hunne huizen en kamers in eene schier-volledige onbewustheid. Wie dacht er ernstig binnen de wallen van Antwerpen aan de groote ontschakeling van de wereld? Het ergste wat er van den oorlog verwacht werd was een beleg der stad, dat maanden, een jaar lang misschien kon duren. Maar ieder meende genoegzaam voor proviand gezorgd te hebben om die harde tijden met kalmte tegemoet te zien. Ondertusschen werd alles in de huishoudingen wel vereenvoudigd en op spaarzaamheid ingericht. De menschen werden ook gemeenzamer onder elkaar, schenen te verbroederen, vergaten het onderscheid van klassen en fortuin onder het dreigement dat als een donkere wolk nu over alle hoofden hing. Maar de Engelschen, de Franschen, de Russen, de Japanners, de Serbiërs en de Montenegrijnen waren immers daar. Het lot van Duitschland was toch beslist. En ons eigen leger dan? Had het Duitschland niet geklopt onder de forten van Luik? Had de vijand niet een wapenstilstand van 24 uren gevraagd om zijn dooden te begraven? 25000 man, zoo ging de mare, liet hij op dat eerste slagveld. Was de finantieele failliet van dat land niet aanstaande? Ging de hongersnood er niet weldra langs de straten huilen? Zou de revolutie den Keizer en heel zijn militaire caste niet weldra omverwerpen?

Wel moesten de burgers stilaan gewaar worden dat er iets aan 't veranderen was. De haven lag stil en leeg van schepen. De straten waren vol wandelende werkeloozen. Uitdeelingen van geld en goed gebeurden aan armen en vrouwen van soldaten. Maar dat kon zoo gerust een tijdje voortgaan. Het scheen al niet veel erger dan in tijd van algemeene werkstaking. Waren wij ook niet in de vacantie- maanden? In Oktober was alles misschien gedaan en voorbij en kon het werk weer hernomen worden met nieuwen moed. Duitschland zou gekneveld liggen achter den Rhijn en voor alle aangerichte schade rijkelijk moeten betalen.

Ik herinner mij nog de stemming van mijn eigen huis. Om den dienst te vergemakkelijken zaten wij meestal in onze groote wit-steenen keuken met het gele koperwerk en het blinkende pottengerij langs de muren. Bij de maaltijden spraken wij over de uitlandige huisgenooten en de verwanten in het bezette land. Tegen den wand in het vensterlicht van den hof hadden wij landkaarten opgehangen: de kaart van Europa met de oorlogvoerende staten, de kaart der Rhijnprovincie. Wij volgden de bewegingen der Russen rond Lemberg en Kœnigsberg. Misleid door de al te optimistische belgische dagbladen zagen wij ze in onzen geest al oprukken naar Berlijn en dan keken wij naar de Rhijnprovincie hoe wij die bij België en Holland en Frankrijk gingen voegen. Hoe leuk zou het niet zijn, toekomend jaar, met een belgisch abonnement, een reisje te doen langs den Rhijn en er Rudesheimer te drinken alsof wij t' huis waren...

Die voorstellingen schijnen nu kinderachtig en belachelijk. Maar in de eerste dagen van Augustus had de groote massa van ons volk niet het minste benul van de vervaarlijke oorlogsmachine die Duitschland op ons had afgezonden. De generale staf en de overheden alleen wisten van het half millioen-sterke leger dat de Maas was overgekomen en zich tegenover de Gethe in front had gesteld. Het volk wist wat het las in zijn kranten: de wonderbare weerstand van Luik en hoe de duitsche regimenten er letterlijk werden neergemaaid, de weerstand op de Gethe met den slag van Haelen, waar heele skadronnen duitsche dragonders sneuvelden en de vijand wijken moest, dooden en gekwetsten op het slagveld achterlatend.

Doch dat waren in werkelijkheid slechts incidenten, ontmoetingen van voorposten, heel ons legertje van 180.000 man en in werkelijkheid misschien maar 120.000, zijnde enkel een voorpost van de groote krijgsmachten van Frankrijk en Engeland die ons tijdig hadden moeten ruggesteunen.

De droeve waarheid was dat ons leger zich eerst achter de Gethe, daarna achter de Dijle had moeten terugtrekken uit vrees van zijn linkervleugel omsingeld te zien door aanzienlijke legermachten die reeds op Aerschot en Diest dregen. De Franschen konden eerst op 18 Augustus de Maas-bruggen van Hastière tot Namen bezetten en het gros van hun 5de leger was toen nog maar in aantocht te Philippeville. De Engelschen hadden maar juist Maubeuge bereikt. Geen aansluiting dus met het belgisch leger. Maar daar gaven de kranten geen uitleg over. Wij wisten alleen dat op 20 Augustus ons leger blinnen de Antwerpsche vesting was samen getrokken en dienzelfden dag Brussel door de Duitschers werd bezet.

Toch werden de dagbladen met gretigheid gelezen in die dagen. Er gebeurde zooveel om en rond den oorlog en dat mocht verteld worden. Zoo vernamen wij achtereenvolgens de verschrikkelijke wandaden der Duitschers in ons land: de moorderijen en de brandstichting te Visé, de menschenslachtingen van Dinant en Tamines, de verwoesting van Leuven en van de oude wereldberoemde bibliotheek, het platleggen der gansche stad Dendermonde, de aanslagen op het schoone Mechelen en den ouden Sint Romboutstoren. De verslagen der belgische regeering over de verkrachting van het volkenrecht--en die in de dagbladen verschenen--brachten ons de veropenbaring van willekeurige terechtstellingen van burgers te Aerschot, verkrachtingen van vrouwen en meisjes, moordaanslagen op kinderen, grijsaards en geestelijken. Zoo werd de oorlog van Duitschland tegen België als een inval van barbaren. Zoo ontstond in de menschen die waanzinnige schrik, ondenkbaar in onze beschaafde eeuw, en die heele dorpen en steden deed vluchten voor den vijand, als voor een aardbeving of de voortstuwende lava van een vuurberg.

Van de groote buitenlandsche episoden van den oorlog wisten de menschen weinig of niets. De belgische dagbladen vertelden vertelsels en, nu dat zij op zich zelf moesten teren, werden zij van dag tot dag meer onbeduidend. Niets bepaalds werd vernomen van de fransche en de engelsche nederlagen te Charleroi en te Mons, niets van den val van Maubeuge en den zegevierenden inval der duitsche legers in Frankrijk,--de verhuizing der fransche regeering van Parijs naar Bordeaux was maar een voorzorgsmaatregel--niets van het achteruitslaan der Russen in Oost-Pruisen door Hindenburg. Wij teerden op den russischen stoomwals die op weg was naar Berlijn.

Dat optimisme der kranten, die strenge censuur hadden misschien hun nut. Kon de gansche waarheid wel gevoeglijk gezegd worden? Zou zij geen paniek verwekt hebben? Kon het o. a. duidelijk worden gemaakt aan de bevolking dat wij op 't oogenblik dat de duitsche aanval zich voordeed, juist een periode van grondige militaire verandering doormaakten? Dat eerst in 1918 de voorziene leger- vergrooting tot 350.000 man zou worden bereikt? Dat het zwaar geschut ons geheel en al ontbrak? Ik denk dat ons volk genoeg gezond verstand en weerstandsvermogen rijk was om de volle waarheid te kunnen verdragen. Maar de regeering oordeelde er anders over en ons volk bleef onwetend.

Ik die dagelijks, in den Kunstkring, de Times las en de hollandsche kranten en ook door mijn functies wat vernam en wist, met verschrikking, wat er gebeurde, ik kon mijn huisgenooten slechts met moeite van de werkelijkheid overtuigen.

De zegepraal aan de Marne, rond half September 1914, moest de groote rustpoos brengen in de brutale overwinningen van de Duitschers op het wester-front en deed weer eens groote doch ijdele hoop opgaan voor ons land. Maar dan kwam weer het hartverscheurende nieuws: de vernieling der cathedraal van Reims! Het schoonste werk van menschenhanden op deze aarde! Waar gingen wij toch heen?

Met volharding en vertrouwen werd er gebeden in alle kerken. De vlaggen der bondgenooten en de nationale driekleur hingen uit boven de hoog-altaren. De tempels stroomden vol in dezen grooten landsnood. De kanselredenaars lieten verschrikkelijke vermaningen hooren, riepen Sodom en Gomorrha weer op en hoe de verwoesting over die steden was gekomen omdat er geen 10 rechtvaardigen gevonden waren. Leefden wij ook niet in zonden en riepen die niet de bliksems van den hemel op onze stad? Bijzondere gebeden werden gelezen tot lafenis van de zielen der gesneuvelde soldaten. Het was aangrijpend. Een rilling liep door de scharen der geloovigen, vele oogen weenden. In de Augustijnen kerk, mijn eigen parochie, zag ik het volk staan tot op de straat. In de vallende duisternis gloeide de open poort van het inwendig licht. Ik hoorde het machtig gedreun van het orgel en de stemmen der menschen die zongen de "Brabançonne".

VI-In En Om De Forten Van Antwerpen

Het onderzoek van sommige krijgszaken vereischte reizen en verplaatsingen van het auditoraat waar ik dan d. d. griffier was. Wij bolden zoo in een auto heel de omgeving van Antwerpen af.

Ik zag de omliggende forten der verouderde verdedigingslijn, Merxem, Wijneghem, Borsbeeck, Oude-God, Wilrijk. Ik zag de verwoesting die het belgisch leger voor de verdediging der stad overal had aangericht. Ik kwam in die gewelfde wit-gekalkte kazematten, langs donkere trappen en gangen, onder duistere gewelven, waar wij commandanten en officieren vonden, met in verschillende weken niet meer geschoren baarden, en die met hunne soldaten nog alles in 't werk stelden om die verouderde stellingen toch nog in staat van verweer te brengen.

Ik bedacht toen hoe wij ze vroeger op onze wandelingen, naar het Peersbosch of naar Schilde en s' Gravenwezel, ontmoetten. Het waren oasissen van groen, verdoken achter hooge schoone boomen, in de Lente bedolven onder het gele goud der bremstruiken. Zij schenen nooit in een oorlog te zullen gebruikt worden, zoo rustig en schilderachtig kwamen zij ons voor. Hun uitzicht had iets tooverachtigs en romantisch. Nu was alles op kilometers in het rond afgehakt en neergehaald. De prachtige eeuwenoude dreven van beuken, eiken of olmen waren als in eene reusachtige orkaan omgekomen en verdwenen. De stompels staken uit ten allen kant, soms breed en rond als tafels en maakten het land tot een gruwzame wildernis. Men kon zien van het eene fort naar het andere. Zij schenen in de verte lijk kleine heuvels boven de effen vlakte, waar de puinhoopen lagen der afgebroken huizen en nog hier en daar een gebouw te smeulen stond of te branden en er een ander, in een wolk van stof en vuur, door dynamiet in de lucht vloog.

Overal in de vroeger rustig-schoone velden, in de verwoeste bosschen en tuinen, waar eens lachende villa's stonden en weelderige kasteelen, waren loopgrachten gegraven en, over groote uitgestrektheden, pindraad-versperringen aangelegd. Er werd verteld van heele velden die ondermijnd waren, van lege tonnen met latjes en aarde gedekt waarin de aanvallers onverhoeds moesten neertuimelen. De wegen waren afgesloten door hooge wagens of dwarsgelegde boomen of takken en in ons vrij land kon men nergens meer door, zonder het wachtwoord te kennen of speciale papieren op zak te dragen. Overal dregen de schildwachten met gevelde bajonet.