De val van Antwerpen (october 1914)

Part 1

Chapter 1 3,469 words Public domain Markdown

DE VAL VAN ANTWERPEN (10 Oktober 1914) door Jozef Muls

Inhoudstabel

Bldz.

I. De Laatste Dagen van den Vrede II. De Oorlogsverklaring III. Bij de Burgerwacht IV. In de Celgevangenis V. Wat Wij van den Oorlog Vernamen VI. In en Om de Forten van Antwerpen VII. De Zeppelin VIII. De Verspieder IX. In de Ambulances X. De Zelfmoord XI. Antwerpen Hoofdstad XII. Het Uitzicht der Straten XIII. De Stijgende Neerslachtigheid XIV. De Beschieting der Forten XV. Inferno XVI. Rond de Stad XVII. Op Sint-Michielstoren XVIII. Een Nare Dag XIX. De Kardinaal te Antwerpen XX. De Groote Vooravond XXI De Aankondiging van het Bombardement XXII. De Laatste Uren XXIII. De Vlucht der Honderd-Duizend XXIV. Op den Weg der Ballingschap

DE VAL VAN ANTWERPEN door Jozef Muls

I-De Laatste Dagen Van Den Vrede

Tegen het einde van Juli 1914 ging eenieder gedrukt onder de hevige spanning die over heel Europa was gekomen. Men voelde het naderen van de verschrikkelijke orkaan die ging losbarsten. Het was ontstellend grootsch en tragisch die algemeen-europeesche ontroering. De menschen wilden niet den oorlog maar gingen voort naar het onvermijdelijke met den stijgenden angst in hun hart. Wij wisten op ons machten wegen, zwaarder dan de blokken waaronder de helden van Aischulos gebogen gingen. Die duister-werkende machten zouden, fataal, den oorlog ontketenen waarin alle volken dooreen gingen woelen als in een maalstroom.

's Vrijdags, in den nacht van 31 Juli, hadden de klokken van alle torens in Belgie storm geluid, als in de tijden der oude Gemeenten. De groote klok, Carolus, bromde een uur lang, hoog in den hemel, boven het donkere Antwerpen en alle klokken van alle kerken, ver en bij in de stad, beantwoordden de zware en sombere stem die nu den nood verkondde. Tusschen twee fakkeldragers, in den rooden gloed hunner brandende toortsen, had een politie-officier, op de pui voor het stadhuis, het bevel tot de algemeene mobilisatie afgelezen. De nachtelijke straten zagen zwart van 't krielende volk dat rondliep in groote opgewondenheid. De politie-agenten gingen van deur tot deur en riepen overal: "Met of zonder brief eenieder moet zijn depot vervoegen"--Want er was haast bij en alle soldaten konnen niet regelmatig aan huis verwittigd worden.

Maar die algemeene mobilisatie was toch maar om de grenzen te bewaken, om, als in 't jaar 70, de overloopende vijandelijke soldaten te ontwapenen en onze onzijdigheid te doen eerbiedigen zoo dachten we toen nog... Het was wel hard in den vroegen morgen, van zaterdag, al die reeds bejaarde mannen in hunne vaak-niet-meer- passende militaire uniformen afscheid te zien nemen van vrouw en kinders, maar gevaar zouden zij toch niet lijden. Het was een drukte aan alle stations. Ik zag moeders weerkeeren met betraande oogen als van een laatst en hopeloos vaarwel...

De angst der menschen uitte zich te Antwerpen, lijk overal, door het loopen naar de winkels om hun noodrust, door het bestormen der Banken voor hun geld. Honderden en honderden stonden te wachten voor de gesloten poort der Nationale Bank en de opeen- gepakte drom slingerde weldra, langs het voetpad, heel het gebouw rond. Aan de deuren der kruideniers wachtten de koopers hunne beurt af en stonden in lange rijen tot op de straat. Het was te zien hoe vooral de rijken nu met zich zelf bekommerd waren; zij reden huiswaarts in met eetwaren-volgestapelde koetsen en deftige stijve burger-vrouwen waren niet verlegen om, met zijn tweeën, zware pakken naar huis te dragen.

De oorlog was verklaard door Oostenrijk aan Serbië en achter- eenvolgens ook door Duitschland aan Rusland en Frankrijk. Hoe had die oude vermolmde Habsburger, Frans-Jozef, het aangedurfd, met een voet in 't graf, nog te bevelen dat honderd-duizenden jonge menschen voor hem zouden sterven! Ik hoor nog het onheilspellende roepen "la guerre! la guerre!" van de gazetleurders die langs mijn vensters draafden. Tegelijk kwam ons het nieuws toe van den moord op Jaurès. Ging er misschien revolutie ontvlammen in Frankrijk, na al wat er in de laatste dagen voorviel. Alle horizonten waren vol verschrikking.

Ik voelde seffens die beklemdheid om het hart die de voorbode is van alle geweldige dingen die met ons gebeuren.

Verantwoordelijkheden schoten wakker. Wat moest er gedaan worden? Kommernissen kwamen op. Wat ging er met ons land, met nabestaanden en vrienden niet gebeuren? Het was uit met de orde, de rust, het schoone harmonische bewegen van het vredevolle leven, het stille en zekere wentelen van de dagen.

En toch bleef er hoop dat wij in Belgie buiten het groot conflict zouden zijn gebleven. Het was wel beangstigend de orkaan zoo nabij te weten, maar wij voelden ons nog veilig in ons land. Waren wij geen onzijdige staat, door de oorlogvoerenden plechtig erkend en beschermd?

Ik herdenk nog altijd dien zondag, 2 Augustus. Wij genoten in Belgie de laatste uren van den vrede... Ik was met mijn gezin in ons zomerhuisje te Capellenbosch. Door de groote spiegelruit van het lange lage raam der leefkamer, lag het schoone landschap van onzen hof, open, in al zijne groene zomersche pracht. De schildering der kamer in oranje-roze kleur, de antieke meubels, de bloemen die de kamer versierden, alles rondom ons sprak van geruste weelde. De groene muziekkamer lag zoo stemmig, tusschen de opengeschoven, rood-gebloemde zijden gordijnen en, in de kleur-ramen boven het klavier, droomden donkere populieren bij spiegelend water. Door het kleine venstertje dat van mijn werkplaats op de leefkamer uitzicht geeft, kwam een roze schijn van de donker-rood geschilderde muren. Wonderbaar samentreffen, na het middagmaal, bij de koffie, had ik voorgelezen uit het boek van Léon Bloy, "Sueur de Sang," waarin de baldadigheid der Duitschers beschreven staat in 't jaar '70. Wij dachten toen nog dat het maar literatuur was. Hoe rap zouden wij leeren dat het slechts, getemperd, de afschuwelijkste werkelijkheid weergaf.

Ik ging daarna in den gang zitten in een ligstoel met Oorlog en Vrede van Tolstoj, open op mijn knieen. Maar ik las niet. Is het noodig te lezen wanneer je eigen gedachten bewegen schooner dan je ze in een boek kunt vinden? Ik zag alles in een wonderen glans. Het was of ik het waarlijk met weemoed,--te veel angsten waren reeds geboren,--voor het laatst zoo rustig zien zou. Ik mijmerde op een tekst uit het evangelie van den dag: "Gij hebt uwen vrede niet gekend..." De purper-blauwe muren van den hall waren rondom mij, ginder hoog was een fries van oranje rooskens en boven mijn hoofd de kleurige koepel met een roode bloem in 't midden. Boven de groote openstaande huisdeur waren drie engelen in geschilderd gebrand glas, met amethisten vleugels en oranje bloemen aan hunne voeten. Achter mij wist ik het perspektief van ronde bogen die den gang vormen en uitzicht geven op de rosse stammen en het grijze groen van ons mastenbosch, waaruit nu bij poozen een zacht gemurmel werd vernomen. In den grooten boog der open poort, als in een kader, lag de hof en de blauwe hemel daar boven, als een wonderschoon schilderij. Het had nu en dan zoo wat geregend, van dien zilveren zachten zomerregen die alles nog schooner maakt. Het regende nu niet meer. De witte en gouden wolken dreven lijk schepen door de blauwe lucht. Soms hoopten zij te samen achter en boven de boomen van het eilandje, in den vijver voor het huis, tot hooge ontzaglijke bergen en reuzige ijstoppen. Er kwam een windje door de witte berken, in de grasvlakte, en er regenden blinkende druppeltjes van de fijne trillende blaadjes. Het was of de boomen rilden van een heimelijken wellust in de warme gulden zon...

Over den weg, van aan de verre hof-poort, kwamen toen buren aangewandeld. Ik dacht aan een gewoon bezoek, maar zij stonden daar voor mij met kommervolle gezichten.

--"Luxemburg is bezet! Weet ge 't al? ... Het lijdt geen twijfel of België zal worden overrompeld."

Zij vroegen om raad wat ze doen moesten. Zij dorsten niet meer buiten te blijven, zij waren bezorgd voor hun meisje. Ik ontwaakte uit mijn droom en werd daar, opeens, gesteld voor een oorlogsvizioen: overrompeling, brandstichting, moord, plundering, verkrachting...

Mijn huisgenooten kwamen toen ook buiten en er werd gesproken, bekommerd en vertrouwend dooreen. Mijn oude vader lachte "met al dien ongewettigden schrik" zooals hij 't noemde. Zijn hof was de wereld en hij zag hoe rustig de blauwe hemel er boven stond, hoe goed de perzikken rijpten op zijne fruitboomen, hoe weelderig de erwten en de boonen oprankten langs de staken. Het kon niet zijn dat de Duitschers onze onzijdigheid zouden schenden...

Maar van af dat oogenblik was alle rust uit mij heen en ik voorvoelde, vaag en onduidelijk, al de ellenden die over ons land en ons zelf gingen komen. Het is zoo altijd met groote bekommernissen. Je weet niet juist wat het is of wat zal gebeuren maar je hart wordt zwaar van drukkend en nijpend wee en het harmonische bewegen van den geest verzwindt in een chaos van duister-woelende gedachten en onbestemde angsten.

Dienzelfden avond, om 7 uur, overhandigde de duitsche gezant te Brussel eene nota aan onze Regeering waarbij vrije doorgang gevraagd werd voor het duitsche leger op ons grondgebied. Het was de onvermijdelijke oorlog.

Maar dat wisten wij toen nog niet, dien zachten schoonen avond, den laatsten avond van den vrede.

II-De Oorlogsverklaring

Ik reed 's anderdaags, 3 Augustus, als naar gewoonte naar Antwerpen met den morgentrein. De stad was vol soldaten. De Kipdorpvest werd door linietroepen afgesloten. Generaal Dufour, de militaire gouverneur, had er zijn hoofdkwartier in de kazerne.

Al voortstappende door de straten, ontmoette ik de trommelaars die de burgerwachten opriepen en, op de hoeken, hier en daar, zag ik menschen samenscholen om een wit plakkaat te lezen: Hollandsch Limburg was, zoo gezegd, reeds bezet door de Duitschers en Antwerpen werd in staat van beleg verklaard. "Staat van beleg!" Dat klonk zoo akelig in de ooren. Wij gingen dan toch heelemaal aan den dans komen. Overal reeds zag ik de shako's van de burgerwachten opdagen. Voor het paleis van den koning op de Meir stonden zij in gelid. De belgische driekleur woei boven den geveltop met zijn bloemenslingers en vazen. Ja het was de oorlog en wanneer ik terug trok, naar het station, kon ik met moeite de tranen terugdringen die uit mijn oogen wilden breken. Ik was innerlijk verlegen om mijne gevoeligheid. Wij moesten mee in de ontzaglijke menschen-slachting.

Wat te doen? Ik vond het voor mijn huisgenooten toch geruster in de stad, binnen de vesten. Wij hadden toen nog onze illuzie's over versterkte steden en maanden-lange belegeringen.

Toen ik met den middagtrein, om een uur op den buiten kwam, geraakte mijn gemoed weer eenigzins tot kalmte. Was het dan toch wel oorlog? Wij zaten zoo rustig aan tafel bij het open raam. De natuur was toch zoo schoon en zoo vreedzaam rondom ons. Geen geluid dan het zacht geruisch der berken in de grasvlakte en het ver en staag gemurmel van het dennenbosch.

Waarom de menschen uit dien vrede weghalen en brengen in de koorts en de opwinding der groote stad. Maar toch het moest, het was beter, voorzichtiger, allen meenden 't zoo. Alles scheen toch zoo verschrikkelijk snel te zullen toegaan. Wie kon vandaag weten wat morgen zou gebeuren? Geen tijd mocht verloren. Alles werd ingepakt. De tapijten werden opgerold, naar den zolder gesleurd en geborgen onder de balken. Wij sloten de luiken. Ons lachend zomerverblijf scheen in enkele oogenblikken een doodenhuis geworden.

Over den anders-zoo-rustigen steenweg, voor ons hof, zagen wij, als in waanzinnige vlucht, auto's en rijtuigen van alle slag voorbij snellen, volgeladen met kisten en pakken. De stad scheen voor eenieder het zekere toevluchtsoord. Het vreedzame platte land werd verlaten voor de ingebeelde zekerheid eener vesting.

Ik kwam rond vijf uur in de stad terug. Op de Keizerlei waren er groote samenscholingen van menschen. Men huilde en tierde voor de duitsche koffiehuizen. Uithangborden vielen aan scherven, blazoenen van duitsche maatschappijen werden neergehaald.

De belgische vlaggen verschenen aan alle gevels. Het was nu bekend geworden dat het groote duitsche rijk zijn ultimatum had gezonden en den oorlog verklaarde aan het kleine en vreedzame België. Dienzelfden morgen om 7 uur was het antwoord onzer regeering reeds overhandigd met de bevestiging dat elke aanslag op ons recht van onschendbare natie door alle middelen zou worden afgeweerd.

Door de van-volk-krielende straten schreeuwden de krantventers langs alle kanten oorlogsnieuws: De engelsche vloot bewoog voorbij de Oosterschelde; het gerucht liep zelf dat zij de Schelde op vaarde en dat de engelsche soldaten nog dienzelfden avond bij de antwerpsche burgers zouden worden ingekwartierd. De russische legers rukten op Kœnigsberg af, maar de bezetting van hollandsch Limburg was onwaar bevonden, de staat van beleg werd opgeheven...

Ik verademde. Wij konden dan nog wat buiten blijven. Het was toch zoo rustig ginder in de bosschen. Men hoorde er niets van al 't gewoel hier en het schrikbarend nieuws. Zoo was mijn gevoelen toen ik dien avond weer op ons landhuis kwam in de stilte der natuur.

Wij woonden er nog tot woensdag 5 Augustus. Doch het waren droeve dagen. De luiken bleven dicht. De keuken en een klein kamertje daarnaast alleen waren open nog en in gebruik. Wij zaten er lijk landverhuizers met onze kisten en manden. De oorlog was dan toch onwederroepelijk begonnen voor ons landje... De vrouwen lazen toen reeds met verkropt gemoed en snikken in hare keel het nieuws van het eerste belgisch bloed dat voor het vaderland vloeide. Want in den nacht van 3 tot 4 Augustus waren de duitsche troepen gewelddadig onze grens overgeschreden. Twaalf regimenten ruiterij hadden het land van Herve overrompeld en de eerste botsing gebeurde tegenover de vernielde Maasbrug van Visé.

Maar wij waren fier over het nobele antwoord dat onze regeering op het duitsche ultimatum had gegeven. De besluiten genomen in de buitengewone Parlements-zitting van 4 Oogst, waar heel ons Vorstenhuis aanwezig was, vervulde ons gemoed met nationale trots en ons hart bonsde bij de proclamatie van den koning aan het leger "Vlamingen denkt aan den Guldensporenslag! Walen herinnert u de 600 Franchimontezen!" Dat klonk heroïsch want wij wisten dat onze jeugdige, vroeger zoo stille vorst, nu zelf naar de grens trok om aan het hoofd van zijn leger den vadergrond te verdedigen.

Het was een grootsch en onvergetelijk ogenblik! Wij waren een land en een volk dat vastberaden zijn stem had laten hooren in de wereld en wij waren de eersten om den ontzaglijken strijd te beginnen, waar niemand nog de afschuwelijkheid van vermoedde. In de heerlijkste tijden onzer geschiedenis, wanneer de trotsche gemeenten bloeiden en de belforten werden gebouwd, hingen wij nog, door onze prinsen, van het Huis van Frankrijk, van het Huis van Burgondië, van Spanje of Oostenrijk af en onze akkers waren steeds de slagvelden geweest van voor ons vreemde belangen en heerschzuchtigheden.

Maar nu eindelijk hadden wij de kans om voor ons zelf te vechten. Wij maakten geschiedenis, of beter gezegd, wij zetten nu eens voor goed onze meest eigen geschiedenis voort, van de stammen die vochten tegen Caesar tot de wevers en beenhouwers die streden op den Groeninger kouter en de vrijschutters der brabantsche omwenteling in de 18e eeuw. Wij werden een factor in de wereldhistorie. En de Koning, die bij den aanvang van den reusachtigen strijd de herinnnering opriep der oude gemeenten, die stelde de poorten van 't Verleden wagenwijd open om den onafgebroken stoet te wijzen van helden die vochten en stierven voor dezen grond en waar de jeugd van nu haar plaats ging achter nemen. Door zijn woorden had die Koning het heden met het verleden verbonden. Hij was niet langer meer de afstammeling van die kleine duitsche prinsen van het Huis van Saxen-Coburg-Gotha, maar de rechtstreeksche erfgenaam der graven van Vlaanderen en Namen, der hertogen van Brabant en Burgondië. Hij werd de vorst van een eeuwenoud volk dat altijd voor zijn vrijheid gevochten had en nooit ten onder was gegaan.

III-Bij De Burgerwacht

Ik ging mij aanbieden hij de burgerwacht waarvan ik tot dan toe was ontslagen geweest. Zij was belast met het bewaken der omheining van Antwerpen. Ik aanzag het als een ernstige taak. Wij stonden onder algemeen legerbevel.

Het militarisme bestond niet in België. Maar de militaire geest was er levend, die geest die van elk burger een soldaat maakt die zijn leven veil heeft voor het land. Hoe onbeholpen en nutteloos de inrichting later ook mocht blijken, het was die militaire geest die de burgerwachten van Antwerpen en elders gewetensvol hun plicht deed doen. Het was die geest die in de eerste dagen van den oorlog meer dan 30000 vrijwilligers deed opkomen uit alle streken. Ik zag heele scharen van jonge mannen stoetsgewijs naar de kazernen trekken onder de toejuichingen der bevolking. Iedereen was blij het uniform en de wapens te dragen en zich zoo een lid van de landsverdediging te weten in dezen grooten nood.

Op donderdag, 6 Augustus, betrok ik voor 't eerst de wacht op de vesten aan de Berchemsche poort en dienzelfden nacht sliep ik voor 't eerst ook in een soldatenbed in de Sint Joris Kazerne. Ik herinner mij nog die lange witgekalkte slaapzalen met ijzeren bedden. De geweerkolven bonsden telkens op de houten vloeren. De ransels werden losgegespt. Een tijd werd er nog gegekt en geroepen maar weldra lagen al de lijven onder de dekens. In den schijn van een enkel verouderd olielampje ging er soms een arm omhoog of een jongen die luidop droomde verbrak de ronkende stilte.

Dienzelfden nacht werd ik, met een patroelje, naar het militaire gasthuis gezonden, in de Maria-lei. Er was een trein van gekwetsten verwacht, de eersten die daar aankwamen, en wij zouden voor de poort de orde handhaven.

Er stond een almoezenier in het portaal, een majoor-dokter deed de berrie's gereed zetten en gaf vermaningen om kalm te blijven. Wij gingen dan de eerste bloedige wrakken zien uit dezen geweldigen oorlog, misschien van dat skadron lanciers, van het 2de regiment, die te Plainevaux, ten zuiden van Luik, een heel regiment duitsche ruiters hadden gechargeerd en aldus de drie-vierden hunner manschappen in een ongelijken strijd verloren. Wij waren ontroerd. Maar het bericht kwam dat de aangekondigde trein in een andere richting was gezonden. Wij stonden daar doelloos, in eene eenzame straat, waar het regende...

Wij kregen verlof om in een wachtzaal van het gasthuis den morgen af te wachten. Een dokter, die mij kende, nam mij mee in een der groote slaapzalen, waar ik mij in volle uitrusting op een bed neerstrekte. Ik sliep niet. Het was zoo vreemd in dat gasthuis te liggen naast die ontelbare rijen lege beddekens en in den reuk van iodoform die alles doortrok. Ik wist toen nog niet hoe ik later in mijn ballingschap, zoovele lange lijdensweken zou doorgebracht hebben in de droeve hospitalen van vreemde steden. Maar een geheim voorgevoel beklemde mij. Ik kreeg een voorsmaak van de lichamelijke misères die mij te wachten stonden. Geluidloos kwam er nu en dan door het halfduister een kloosterzuster voorbij.

Wij hadden 24 uren dienst in de kazerne of op wacht en 12 uren rust, dat wij naar huis mochten. Ik zou onder de wapens echter niet veel uitrichten. Het was op wacht staan of op een bank aan de stadspoorten zitten,--voor wie niet mee deed aan de gelagen in de herbergen,--en 's avonds van den tweeden dag, in regiment, van Berchem naar de kazerne stappen.

Luid en blij zongen toen de wachten op marsch. Het scheen wel een parade in 't begin, als zij hunne hooge zwarte vilten hoeden droegen met de waaiende zwart-blauwe haneveren en hunne lange blauwe mantels die links en rechts, hoeksgewijs, moesten worden opgeknoopt om den gang niet te hinderen. Er hing als een feestlucht over de stad: door alle straten het kleurgewemel der waaiende vlaggen, de menschen alle dagen van de week in hun zondagsche pak, kuierend of verteer makend in de volgepropte koffiehuizen en terrassen alsof het kermis ware geweest. Engeland was nu ook in den oorlog gekomen. Duitschland stond alleen tegen half Europa. De overwinning aan onze zijde scheen onvermijdelijk en in een nabije toekomst. De Franschen zegevierden reeds te Altkirch en Mulhouse was ingenomen. De vlaggen onzer bondgenooten werden geestdriftig begroet aan de gevels op onzen weg. Gehuil en gefluit en geroep van "er aus" klonk voor de deuren der gekende duitsche huizen.

Wij aten op de groote koer der Sint Joris kazerne, ieder in zijn hoekje, uit eene gamelle, gingen daarna slapen in de zwart-ijzeren bedden, om dan weer 's nachts in de stad te patroeljeeren of hier of daar een post te bezetten.

Ik moet wel geen vechtersbloed in mijn aderen hebben, want wanneer ik op wacht stond, op de vesten, droomden mijne oogen over de pracht der velden en door de heilige rust der nachten of ik keek naar de groote stad. Van af de hooge groene wallen gezien, was zij zoo schoon met al hare torens en de groezeling der daken. Ik keek er naar als naar iets dat misschien zou vergaan...