De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 9
"De zaak is, mylord," hernam de Schot; "dat Saladin, aan wien niemand den naam van een edelmoedig en dapper vijand zal ontzeggen, dezen geneesheer hierheen heeft gezonden, met een aanzienlijk gevolg en eene wacht, zoo als past hij de hooge achting, waarin El Hakim bij den Sultan staat, met vruchten en ververschingen voor het vertrek van den Koning, en met eene opdracht, die wel tusschen edele vijanden kan plaats hebben, met den wensch, dat hij weldra van zijne koorts moge herstellen, opdat hij te geschikter moge zijn om een bezoek van den Sultan te ontvangen met zijn ontbloot zwaard in de hand, en honderd duizend ruiters in zijn gevolg. Belieft gij, die in den geheimen raad van den Koning zitting hebt, deze kameelen te doen ontladen, en bevel tot de ontvangst van den geleerden geneesheer te geven?"
"Het is vreemd!" zeide de Vaux als in zich zelven sprekende.--"En wie wil voor de eer van Saladin instaan, daar kwade trouw hem op eenmaal van zijn machtigsten tegenstander zou ontslaan?"
"Ik zelf wil zijn borg zijn met mijne eer, mijn leven, en mijne goederen."
"Vreemd!" riep de Vaux andermaal; "de Noorman wordt borg voor den Oosterling--de Schot voor den Turk!--Mag ik u verzoeken, heer ridder, mij te zeggen, hoe gij in deze zaak betrokken zijt geworden?"
"Ik ben op eene bedevaart afwezig geweest," hervatte sir Kenneth, "in den loop waarvan ik een last te volbrengen had bij den heiligen kluizenaar van Engaddi."
"Moogt gij mij dien toevertrouwen, sir Kenneth, met het antwoord van den heiligen man?"
"Dat mag ik niet, mylord," antwoordde de Schot.
"Ik behoor tot den geheimen raad van Engeland," zeide de Engelschman fier.
"En aan dat land ben ik geen plicht als onderdaan verschuldigd," hernam Kenneth. "Ofschoon ik in dezen oorlog vrijwillig het persoonlijk lot van Engeland's Vorst gevolgd ben, werd ik door den algemeenen raad van de Koningen, vorsten en hoofdaanvoerders van het leger van het gezegende kruis gezonden, en aan hen alleen kan ik mijn last overbrengen."
"He! wat zegt gij?" riep de trotsche baron. "Maar verneem, boodschapper van Koningen en vorsten, of wat gij dan zijn moogt, geen geneesheer zal het ziekbed van Richard van Engeland naderen, zonder toestemming van den lord van Gilsland; en hij, die zich daartegen zou willen verzetten, zou met zijne opdracht slecht te recht komen."
Hij wilde zich trotsch omkeeren, toen de Schot, hem meer naderende, en recht tegenover hem zich plaatsende, hem op bedaarden toon, maar niet zonder ook van zijne zijde zijn trots te doen blijken, vroeg, of de lord van Gilsland hem voor een edelman en een goed ridder hield.
"Alle Schotten zijn door hun geboorterecht van adel," antwoordde Thomas de Vaux eenigszins spottend; maar zijne eigene onrechtvaardigheid beseffende, en bespeurende dat Kenneth begon te kleuren, voegde hij er bij: "het zou een misdaad zijn er aan te twijfelen, dat gij een goed ridder zijt, ten minste nadat men u uw plicht zoo goed en dapper heeft zien verrichten."
"Welnu," hernam de Schotsche ridder, voldaan door de oprechtheid van de laatste verklaring, "laat ik u zweren, Thomas van Gilsland, dat, zoo waar als ik een eerlijke Schot ben, wat ik voor een even groot voorrecht houd als mijn ouden stam, en zoo zeker als ik een geslagen ridder ben, die, herwaarts gekomen is om lof en roem in dit sterfelijk leven te verwerven en vergiffenis voor zijne zonden in het toekomstige leven--zoo waar, en bij het heilige kruis dat ik draag, zweer ik u, dat ik niets anders wensch dan de redding van Richard Leeuwenhart, door den dienst van dezen Turkschen geneesheer aan te bevelen."
De Engelschman werd getroffen door het plechtige van de verklaring, en antwoordde met meer hartelijkheid dan hij nog getoond had: "Zeg mij, heer ridder van den Luipaard, toegegeven dat gij, waaraan ik niet twijfel, in deze zaak overtuigd zijt, zal ik dan wèl doen in een land, waar de kunst van vergiftigen even algemeen is als die van koken, dezen onbekenden geneesheer met zijne geneesmiddelen eene kuur te laten verrichten bij een Vorst, wiens gezondheid voor de geheele Christenheid van zoo veel waarde is?"
"Mylord," hervatte de Schot, "ik kan hierop slechts dit antwoorden, dat mijn schildknaap, de eenige van mijn gevolg, dien mij de oorlog en ziekten overgelaten hadden, sedert eenigen tijd aan deze zelfde koorts geleden heeft, die in den dapperen Koning Richard het voornaamste lid van onze heilige onderneming heeft verzwakt. Deze geneesheer, El Hakim, heeft hem nog geen twee uren lang behandeld of hij is in een verkwikkende slaap gevallen. Ik twijfel er geenszins aan, of hij kan de ziekte, die zoo noodlottig gebleken is, genezen; dat hij het voornemen heeft om dit te doen, is, dunkt mij, gewaarborgd door zijne zending door den koninklijken Sultan, die oprecht en eerlijk gezind is, voor zoo ver van een verblinde ongeloovige dit gezegd kan worden; en voor den te wachten uitslag kan de zekerheid der belooning, in geval dat het goed uitvalt, en der straf in geval van opzettelijke mislukking, een genoegzame waarborg zijn."
De Engelschman luisterde met ter neder geslagen oogen, als iemand die aarzelde, en nochtans niet ongenegen was om overtuigd te worden. Eindelijk zag hij op en vroeg: "Mag ik uwen zieken schildknaap zien, edele heer?"
De Schotsche ridder aarzelde en bloosde even, toen echter antwoordde hij: "Gaarne, mylord van Gilsland; maar gij moet in het oog houden, wanneer gij mijn armoedig kwartier ziet, dat de edelen en ridders van Schotland niet zoo weelderig leven, niet zoo zacht slapen, en zich niet zoo veel om de pracht hunner woningen bekommeren, als hunne zuidelijke naburen. Ik ben armoedig gehuisvest, mylord van Gilsland," voegde hij er bij met een trotschen nadruk op het woord, terwijl hij niet zonder tegenzin, den weg naar zijn tijdelijk verblijf wees.
Hoe groot ook de vooroordeelen van de Vaux tegen den landaard van zijn nieuwen kennis waren, en ofschoon wij niet trachten willen te ontkennen, dat eenige van deze door hunne armoede, die spreekwoordelijk geworden was, werden opgewekt, bezat hij toch een te edel karakter, om vermaak te scheppen in de kwelling van een dapper man, die aldus gedwongen was, om een toestand aan den dag te brengen, dien zijn hoogmoed gaarne zou hebben verborgen.
"Hij zou schande voor den kruisvaarder zijn," zeide hij, "zoo hij aan wereldschen glans of aan weelderig gemak kon denken, terwijl hij ter verovering van de heilige stad is uitgetogen. Het moge ons zoo erg gaan als het wil, wij zullen het toch nog altijd beter hebben dan de scharen van martelaren en heiligen, die, na deze oorden voor ons betreden te hebben, thans gouden lampen en eeuwig groenende palmen dragen."
Dit was de meest bloemrijke rede, die men ooit van Thomas van Gilsland gehoord had, te meer misschien, zoo als somtijds gebeurt, omdat hij zijne eigen gedachten niet geheel uitdrukte, daar hij, wat hem zelven betrof, een vriend van goede sier en van eene prachtige levenswijze was. Onderwijl bereikten zij de plaats van het leger, waar de ridder van den Luipaard zijn verblijf had opgeslagen.
Het uitwendig voorkomen deed hier inderdaad geene schending verwachten van de wetten der onthouding, waaraan de kruisvaarders, volgens den door den lord van Gilsland uitgesproken meening, zich moesten onderwerpen. Eene plek grond, groot genoeg om misschien dertig tenten daarop te plaatsen, volgens den regel van de afmeting der legerplaatsen, was voor een groot deel ledig,--omdat de ridder, uit vertooning, grond gevraagd had in evenredigheid van zijn oorspronkelijk gevolg,--gedeeltelijk bezet door eenige weinige ellendige hutten, haastig uit takken samengesteld en met palmbladeren bedekt. Deze woningen schenen geheel verlaten te zijn, en verscheidene ervan waren ineengestort. De middelste hut, die de tent van den aanvoerder verbeeldde, onderscheidde zich door zijn banier in de gedaante van een zwaluwstaart, welke op een punt van een speer geplaatst was, en onbewegelijk naar beneden hing, alsof zij onder de verzengende stralen van de Aziatische zon verwelkte. Maar geen pages of schildknapen, zelfs geen enkele schildwacht, stond bij het zinnebeeld van leenheerlijke macht en ridderschap. Zij had geen anderen bewaker dan zijn eigen roem.
Sir Kenneth wierp een treurigen blik om zich heen; maar zijne gewaarwordingen onderdrukkende, trad hij de tent binnen, terwijl hij den baron van Gilsland een teeken gaf om hem te volgen. Deze zag ook rond met een vorschenden blik, die medelijden, niet geheel vrij van verachting aanduidde, waarmede het misschien even nauw verbonden is als met de liefde. Toen boog hij zijn hoogen vederbos, en trad een lage hut binnen, die zijne forsche gedaante bijna geheel scheen te vullen.
Het binnenste der hut was grootendeels door twee bedden bezet. Het eene was ledig, maar samengesteld uit bijeengezochte bladen en overdekt met eene antilopen huid. Naar de wapenen, die er naast lagen en een zilveren kruis, dat zorgvuldig aan het hoofdeneind geplaatst was, te oordeelen, moest men dit voor de slaapplaats van den ridder zelven houden. Op het andere lag de zieke, van wien sir Kenneth gesproken had, een man krachtig van lichaam en ruw van gelaatstrekken, die, naar zijn voorkomen te oordeelen, reeds boven den middelbaren leeftijd was. Zijn bed was zachter dan dat van zijn heer, en het was duidelijk, dat de zwierige kleederen van dezen, de lastige tabbaard, waarin de ridders zich bij vreedzame gelegenheden vertoonden, en de overige kleine voorwerpen van kleeding en praal door sir Kenneth tot gemak voor zijn zieken dienaar aangewend waren. In een buiten gedeelte van de hut, dat de Engelsche baron overzien kon, zat een knaap, met halve laarsjes van ruwe dierhuiden, eene blauwe muts en een wambuis, waarvan de oorspronkelijke kleur vrij verschoten was, op zijne knieën bij een komfoor met steenkolen, en bakte op een ijzeren bord de koeken van gerst, welke toen, even als thans nog, een geliefkoosd gerecht van de Schotten waren. Een stuk van een antilope hing tegen een der hoofdpijlers van de hut. Het was volstrekt niet moeilijk te begrijpen hoe men die bekomen had; want een groote herdershond, nog edeler van gestalte en voorkomen dan zelfs die, welke het ziekbed van Koning Richard bewaakten, lag daar met het oog op het baksel gevestigd. Het schrandere dier deed bij hun binnenkomen een gesmoord gemor hooren, dat uit zijne diepe keel als een verwijderde donder klonk. Maar hij bespeurde zijn meester, en gaf hiervan blijk door te kwispelstaarten en zijn kop neer te leggen, en onthield zich van alle onstuimige luidruchtige begroetingen, als of zijn edel instinkt hem geleerd had, dat het paste om in eene ziekenkamer stil te zijn.
Naast het bed zat op een kussen, dat ook uit huiden bestond, de Moorsche geneesheer van wien sir Kenneth gesproken had, met de beenen kruiselings over elkander volgens Oostersche gewoonte. Het gedempte licht liet weinig van hem zien, behalve dat het beneden gedeelte van zijn gelaat bedekt was met een langen zwarten baard, die tot over zijne borst hing--dat hij een hoogen tolpach op had, dat is eene Tartaarsche muts van lamswol, welke te Astracan was bewerkt, van dezelfde donkere kleur, als zijn wijde kaftan of Turksch gewaad. Twee doordringende oogen, die met buitengewonen glans schitterden, waren de eenige trekken, die in de duisternis, welke hem omgaf, konden onderscheiden worden. De Engelsche lord stond zwijgend, bijna eerbiedig; want ondanks de ruwheid van zijn gewoon gedrag, zou een tooneel van ellende en armoede, met standvastigheid en zonder morren of klagen verdragen, ten allen tijde meer achting aan Thomas de Vaux ingeboezemd hebben, dan al de schitterende plechtigheid van eene koninklijke audientiezaal, zelfs die van Koning Richard zelven. Men hoorde een poos lang niets dan het zware en regelmatige ademhalen van den zieke, die in diepe rust scheen te liggen.
"Hij heeft gedurende de laatste zes nachten geen oog toegedaan," zeide sir Kenneth, "zooals zijn jonge oppasser mij verzekerd heeft."
"Edele Schot," zeide Thomas de Vaux, terwijl hij de hand van den Schotschen ridder met meer hartelijkheid drukte, dan hij zich vergunde met woorden te doen blijken; "die toestand moet verbeterd worden--uw schildknaap wordt te slecht gevoed en opgepast."
Bij die laatste woorden verhief hij zijne stem natuurlijk tot haar gewonen beslissenden toon. De zieke werd in zijn slaap gestoord.
"Mijn meester," prevelde deze als in den droom, "edele sir Kenneth--vindt gij u even als ik de wateren van de Clyde niet koel en verfrisschend na de brakke bronnen van Palestina?"
"Hij droomt van zijn vaderland, en hij is gelukkig in zijn slaap," fluisterde sir Kenneth de Vaux toe; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geneesheer, opstaande van de plaats, die hij naast het bed van den zieke ingenomen had, en de hand van den patiënt, wiens pols hij zorgvuldig gadegeslagen had, zachtjes op het bed latende vallen, kwam bij de twee ridders, en elk van hen bij de hand nemende, terwijl hij hun een wenk gaf om te zwijgen, geleidde hij hen naar de voorzijde van de hut.
"In den naam van Issa Ben Mariam," zeide hij, "dien wij, even als gij, ofschoon niet met hetzelfde blinde bijgeloof, vereeren, verstoort de uitwerking niet van het heilzame geneesmiddel, dat hij gebruikt heeft. Zoo hij thans wakker gemaakt werd, zou het hem het leven of ten minste zijn verstand kosten; maar keer op het uur terug, als de Muezzin van de minaret tot het avondgebed in de moskee roept, en, zoo hij tot op dien tijd in rust gelaten wordt, beloof ik u, dat deze Frankische soldaat, zonder nadeel voor zijne gezondheid, in staat zal zijn om een kort gesprek met u te houden over alles, wat een van u beide en in het bijzonder zijn meester, hem te vragen zal hebben."
De ridders verwijderden zich op het bevelend gezag van den geneesheer, die volkomen het gewicht van het Oostersche spreekwoord scheen te begrijpen, dat de ziekenkamer van den lijder het koninkrijk van den geneesheer is.
Er ontstond eene stilte en zij bleven te zamen aan de deur van de hut staan, sir Kenneth met het gelaat van iemand, die verwachtte, dat zijn bezoeker afscheid zou nemen,--en de Vaux, als of hij iets op het hart had, dat hem belette dit te doen. De hond echter was hun uit de hut nageloopen, en stak nu zijn langen, ruigen snuit in de hand van zijn meester, als of hij bescheiden om eenig blijk van diens genegenheid verzocht. Hij had nauwelijks zijn doel door een vriendelijk woord en eene kleine streeling bereikt, of, verlangend zijne dankbaarheid en vreugde over de terugkomst van zijn heer te kennen te geven, vloog hij in vollen ren weg, met uitgestrekten staart, heen en weer tusschen de vervallene hutten en het plein, dat wij beschreven hebben, maar nooit buiten die grenzen, welke zijne schranderheid hem leerde, dat door de banier zijns meesters beschermd werden. Na eenige van die sprongen kwam de hond dicht bij zijn meester, legde op eens zijn vroolijken aard af, verviel weder in zijn gewonen ernst en zag er uit, alsof hij zich schaamde, dat iets hem had kunnen bewegen, om zóó ver zijne bedaardheid te vergeten. Beide ridders zagen hem met genot aan; want sir Kenneth was terecht trotsch op zijn edelen hond, en de baron uit het noorden van Engeland was natuurlijk een liefhebber van de jacht, en wist de waarde van het dier op prijs te stellen.
"Een zeer verstandige hond," zeide hij; "mij dunkt, edele heer, Koning Richard heeft geen jachthond, die hem evenaart, zoo hij even sterk als vlug is. Maar mag ik u in alle eer en welwillendheid vragen, hebt gij de afkondiging niet gehoord, dat niemand, die onder den rang van graaf is, jachthonden zal houden binnen de legerplaats van Koning Richard, zonder koninklijk verlof,--dat gij, sir Kenneth, naar ik meen niet gekregen hebt?--Ik spreek als stalmeester."
"En ik antwoord als vrij Schotsch ridder," antwoordde Kenneth op ernstigen toon. "Voor het tegenwoordige volg ik de banier van Engeland, maar ik kan mij niet herinneren, dat ik mij ooit aan zijne jachtwetten onderworpen heb; ook heb ik er niet zooveel eerbied voor, dat ik hiertoe genegen zou zijn. Wanneer de trompet ons te wapen roept, is mijn voet zoo spoedig als die van eenig ander in den stijgbeugel--wanneer deze tot den aanval blaast, is mijne lans nog niet het laatst in de rust gelegd. Maar in mijne uren van vrijheid of ledigheid, heeft Koning Richard geen recht om mijne genoegens te belemmeren."
"Niettemin," hernam de Vaux, "is het eene dwaasheid, om aan het bevel des Konings ongehoorzaam te zijn--dus, met uw verlof, zal ik u, daar ik in deze zaak eenig gezag heb, eene bescherming voor dezen vriend zenden."
"Ik dank u," hervatte de Schot woel; "maar hij kent het mij aangewezen kwartier, en binnen dat terrein kan ik hem zelf beschermen.--Maar," voegde hij er met eene plotselinge verandering van toon bij, "dit is een koele dank voor eene welgemeende vriendelijkheid. Ik dank u hartelijk, mylord. De stalknechten of jagers van den Koning zouden Roswal kunnen vinden op een oogenblik als hij er niet op verdacht was en hem eenig leed aandoen, dat ik waarschijnlijk niet ongewroken zou laten, en zoo zou er kwaad van kunnen komen. Gij hebt zooveel van mijne huishouding gezien, mylord," vervolgde hij met een glimlach, "dat ik mij niet behoef te schamen om te zeggen, dat Roswal de voornaamste verschaffer onzer levensmiddelen is; en ik hoop voorwaar, dat onze Leeuw Richard niet zal zijn als de leeuw in de fabel van den minnezanger, die op de jacht ging en den geheelen buit voor zich behield. Ik kan niet gelooven, dat hij een armen edelman, die hem getrouw volgt, zijn uurtje jachtvermaak en zijn stukje wild zal misgunnen, vooral daar ander voedsel moeilijk genoeg te verkrijgen is."
"Op mijne eer, gij doet den Koning niet meer dan recht--en toch," zeide de baron, "er ligt iets in die woorden, jacht en wild, dat onze Noordsche vorsten het hoofd geheel op hol brengt."
"Wij hebben onlangs gehoord," zeide de Schot, "van minnezangers en pelgrims, dat uwe vogelvrij-verklaarde boeren in de graafschappen York en Nottingham groote benden gevormd hebben, aan hun hoofd den stoutsten boogschutter, Robin Hood genaamd, die tot luitenant, den kleinen Jan, had. Mij dunkt, het ware beter, dat Richard zijn jachtwetten in Engeland verzachtte, in plaats dat hij tracht om die in het heilige Land van kracht te doen zijn."
"Wild werk, sir Kenneth," hernam de Vaux, de schouders ophalende, als iemand, die een gevaarlijk of onaangenaam onderwerp van gesprek wilde vermijden--"eene dwaze wereld, sir.--Ik moet u thans vaarwel zeggen, daar ik dadelijk naar de tent des Konings moet terug keeren. Tegen den vesper zal ik, met uw verlof, uw kwartier weder bezoeken en met dezen ongeloovigen geneesheer spreken. Ik zou intusschen, zoo het u niet beleedigt, u gaarne iets zenden, dat uw maaltijden een weinig verbeteren kon."
"Ik dank u, mijnheer," antwoordde sir Kenneth, "maar het is niet noodig; Roswal heeft mijne spijskamer reeds voor twee weken verzorgd, daar de zon van Palestina weliswaar ziekten aanbrengt, maar ook tevens dient om het wild te drogen."
De twee krijgslieden scheidden als veel betere vrienden, dan zij elkander ontmoet hadden; maar eer zij van elkaar gingen, ontving Thomas de Vaux nauwkeuriger mededeelingen van de zending van den Oosterschen geneesheer, en tevens van den Schotschen ridder de geloofsbrieven, die hij van wege Saladin voor Koning Richard medegebracht had.
HOOFDSTUK VIII.
Een wijs geneesheer, in de heelkunst zeer bedreven. Is meer dan legers voor het heel van onzen staatsbelang.
Pope's Ilias.
"Dat is een vreemd verhaal, sir Thomas," zeide de zieke koning, toen hij het bericht van den trouwhartigen baron van Gilsland gehoord had; "zijt gij overtuigd, dat deze Schot een vertrouwbaar en oprecht man is?"
"Ik kan het niet zeggen, mylord," antwoordde de ijverzuchtige grensbewoner; "ik woon een weinig te dicht bij de Schotten, om veel waarheid omtrent hen op te garen, daar ik hen altijd eerlijk en ook valsch gevonden heb. Maar het gedrag van dezen is dat van een oprecht man, al ware hij zoowel een duivel als een Schot--dat moet ik op mijn geweten van hem zeggen."
"En zijn gedrag als ridder, wat zegt gij daarvan, de Vaux?" vroeg de Koning.
"Het is meer de zaak van uwe Majesteit, om op het gedrag der mannen acht te geven; en ik sta er voor in, dat gij het gedrag van dezen ridder van den Luipaard wel hebt gadegeslagen. Men heeft met zeer veel lof over hem gesproken."
"En dat terecht, Thomas," hervatte de Koning. "Wij zelven zijn daarvan ooggetuigen geweest. Wanneer wij ons altijd aan de spits van ons leger stellen, is het inderdaad ons doel, om te zien, hoe onze leenmannen en volgelingen zich gedragen, en niet uit begeerte, om ijdelen roem voor ons zelven te verwerven, zoo als sommigen vermoed hebben. Wij kennen de ijdelheid van menschenlof, die niets is dan eene damp, en wij gorden onze wapenrusting voor andere oogmerken aan, dan om dien in te oogsten."
De Vaux was verbaasd, toen hij den Koning eene verklaring hoorde afleggen, die zoo geheel onvereenigbaar met zijn aard was, en geloofde eerst, dat niets minder, dan de nadering van den dood, hem in zulke minachtende bewoordingen van den krijgsroem had kunnen doen spreken, daar hij geheel en al voor dezen leefde. Maar zich herinnerende, dat hij den koninklijken biechtvader in de buitenste tent ontmoet had, was hij slim genoeg, om deze oogenblikkelijke zelfvernedering aan den invloed van de vermaningen van den eerwaarden man toe te schrijven, en liet den Koning voortspreken, zonder hem te antwoorden.
"Ja," ging Richard voort, "ik heb inderdaad de wijze opgemerkt, waarop deze ridder zijn plicht vervult. Mijn bevelhebberschap zou de zotskap van een nar niet waard zijn, zoo hij mijner aandacht ontsnapt was--en hij zou reeds lang mijne gunst ondervonden hebben, zoo ik niet tevens zijne inbeelding en verwaanden trots had opgemerkt."
"Mijn koning," hernam de baron van Gilsland, toen hij het gelaat van den Koning zag veranderen, "ik vrees, dat ik uw wil overtreden heb, door aan zijne overtreding steun te geven."
"Hoe, de Multon, gij?" riep de Koning op een toon van verbazing en toorn, terwijl hij zijne wenkbrauwen samentrok.--"Gij zijne onbeschaamdheid ondersteund!--Dat kan niet zijn."
"Ja, Uwe Majesteit zal het mij vergeven, hem te herinneren, dat ik uit kracht van mijn ambt het recht heb, om aan mannen van edel bloed te vergunnen, een of twee honden in het kamp te houden, en de edele jachtkunst te beoefenen; en buitendien zou het eene zonde zijn, om een zoo edel dier, als den hond van dezen ridder, te verlammen of te schenden."
"Is die dan zoo schoon?" vroeg de Koning.
"Het volmaaktste schepsel onder den hemel," antwoordde de baron, die een enthusiast liefhebber van de jacht was--"van het edelste Noordsche ras--met eene diepe borst, een forschen staart, zwarte kleur, en bont van borst en poten, niet gevlekt met wit, maar meer in het grijze geschakeerd, sterk genoeg om een stier in stukken te scheuren, en snel genoeg om eene antilope in te halen."
De Koning lachte om zijne geestdrift. "Nu, gij hebt hem verlof gegeven om den hond te behouden, en daar is het mede uit. Wees echter niet te mild met uwe vergunningen bij deze ridders-gelukzoekers, die geen vorst of aanvoerder hebben, van wien zij afhangen.--Zij zijn niet te beteugelen, en zullen geen wild in Palestina overlaten.--Maar wat dit stuk van heidensche geleerdheid betreft--gij zegt, dat de Schot hem in de woestijn ontmoette?"
"Neen, mijn Koning, zooals de Schot verhaalt, heeft het zich aldus toegedragen. Hij werd naar den ouden kluizenaar van Engaddi gezonden, van wien men zooveel spreekt...."
"Dood en hel!" riep Richard opspringende: "Door wien gezonden en waartoe? Wie durfde iemand derwaarts zenden, terwijl onze gemalin in het klooster van Engaddi was op eene bedevaart voor onze herstelling?"