De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 8
"Neen, mylord," antwoordde De Vaux, "zij hebben Saladin's woord voor hare veiligheid."
"Dat is waar, dat is waar!" hervatte Richard, "en ik heb den heidenschen Sultan onrecht aangedaan--ik ben hem vergoeding daarvoor verschuldigd--gave God, dat ik slechts in staat ware, om hem die in persoon tusschen de beide legers aan te bieden, voor de oogen van Christen- en heidendom!"
Terwijl Richard zoo sprak, stak hij zijn rechter arm, naakt tot aan den schouder, buiten het bed, en zich smartelijk op zijne legerstede verheffende, schudde hij zijn gebalde vuist, als of hij zwaard of heerbijl greep en die boven den met juweelen versierden tulband van den Sultan zwaaide. Het was niet zonder eenig geweld, dat de Koning bezwaarlijk van een ander zou verdragen hebben, dat de Vaux, in hoedanigheid van ziekenoppasser, den Koning, zijn meester, dwong, om weder te gaan liggen, en zijn gespierden arm, zijn hals en zijne schouders toedekte, met de zorg, die eene moeder voor een ongeduldig kind betoont.
"Gij zijt een ruwe oppasser, maar een goed willige, de Vaux," zeide de Koning met eene uitdrukking van bitterheid lachende, terwijl hij zich onderwierp aan de kracht, die hij niet kon wederstaan; "mij dunkt een vrouwenmuts zou uw somber gelaat even goed staan, als mij eene kindermuts. Wij zouden een kind en eene min zijn, om meisjes te verschrikken."
"Wij hebben in onzen tijd mannen verschrikt, mijn Koning," hervatte de Vaux, "en ik vertrouw, dat wij den dag nog wel zullen beleven dat wij die weder verschrikken. Wat is toch een aanval van de koorts, dat wij dien niet geduldig zouden verdragen, om er te eerder van ontslagen te worden?"
"Aanval van de koorts!" riep Richard driftig uit; "gij kunt, en misschien te recht, denken, dat het een aanval van de koorts bij mij is; maar wat is het bij al de overige Christen vorsten--bij Filips van Frankrijk--bij dien dommen Oostenrijker--bij Montserrat--bij de Hospitaal ridders--bij de Tempeliers--wat is het bij hen allen?--Ik zal het U zeggen--het is een koude verlamming--eene doodelijke slaapziekte--een kwaal, die hen van spraak en werkzaamheid berooft--een kanker, die doorgevreten heeft in alles, wat edel en ridderlijk en deugdzaam onder hen is--die hen ontrouw heeft gemaakt aan de edelste gelofte, welke ooit ridders bezworen hadden--die hun onverschilligheid voor den roem ingegeven heeft en hen hun gast heeft doen vergeten."
"Om 's Hemels wil, mijn Koning," hervatte de Vaux, "wees niet zoo heftig--men zal u buiten de tent hooren, waar zulke gesprekken maar al te zeer onder de gemeene soldaten in omloop zijn, en tweedracht en twist in het christenleger verwekken. Bedenk, dat vooral uwe ziekte hunne ondernemingen verlamt; eene mangonel zal beter zonder schroef en hevel werken, dan het christenleger zonder Koning Richard."
"Gij vleit mij, de Vaux," antwoordde Richard; en daar hij geenszins ongevoelig was voor de macht van den lof, liet hij zijn hoofd op het kussen vallen, met een vaster besluit om te rusten, dan hij tot nog toe aan den dag gelegd had. Maar Thomas de Vaux was geen hoveling; de uitdrukking was ongezocht aan zijne lippen ontsnapt; en hij wist niet, hoe hij het aangename onderwerp vervolgen zou, ten einde de stemming, die hij verwekt had, te voeden en te verlengen. Hij zweeg derhalve, totdat de Koning, in zijne droefgeestige mijmeringen terugzinkende, hem driftig vroeg: "Despardieux! dit is fijn gezegd, om een zieke tot bedaren te brengen; maar verliest dan een verbond van monarchen, eene vergadering van edelen, eene verzameling van de geheele ridderschap van Europa allen moed, door de ziekte van één man, al is deze man toevallig Koning van Engeland? Waarom zou Richard's ziekte of Richard's dood den marsch van dertig duizend man, even dapper als hij zelf, ophouden? Wanneer de aanvoerder van de kudde herten geveld is, dan vluchten de andere niet dadelijk bij zijn val--wanneer de valk den aanvoerenden kraanvogel grijpt, dan neemt een ander de leiding der bende op zich.--Waarom vergaderen de Vorsten niet en kiezen een man, aan wien zij de aanvoering van het leger kunnen toevertrouwen."
"Waarlijk, wanneer Uwe Majesteit mij vergunt dit te zeggen," antwoordde de Vaux, "ik hoor, dat er onder de koninklijke bevelhebbers, over zoo iets beraadslagingen gehouden zijn."
"Ha!" riep Richard, daar zijne ijverzucht ontwaakte, en een andere wending aan zijn geprikkelde geest gaf. "Ben ik bij mijne bondgenoten vergeten, eer ik het laatste Sacrament ontvangen heb?--Houden zij mij reeds voor dood?--Maar neen, neen--zij hebben gelijk.--En wien kiezen zij tot aanvoerder van het Christenleger?"
"Rang en waardigheid," antwoordde de Vaux, "wijzen den Koning van Frankrijk aan."
"O," hervatte de Engelsche monarch, "Filips van Frankrijk en Navarre--Dennis Montjoie--zijne allerchristelijkste Majesteit--zeer luid klinkende woorden! Er is slechts één gevaar bij--dat hij de woorden en arrière voor en avant mocht gebruiken, en ons naar Parijs terugleiden in plaats van op Jeruzalem los te rukken. Zijn staatkundig hoofd heeft geleerd, dat er meer te winnen is door zijne leenmannen te onderdrukken en zijne bondgenooten te plunderen, dan door met de Turken om het heilige Graf te strijden."
"Zij zouden den Aartshertog van Oostenrijk kunnen kiezen," de Vaux.
"Hoe! omdat hij dik en sterk is, zoo als gij zelf, Thomas--bijna zoo dik van hoofd, maar niet zóó onverschillig voor het gevaar en ongevoelig voor beleedigingen? Ik zeg u, de Aartshertog heeft in dien geheelen vleeschklomp geen koener geest, dan eene valsche wesp betoont, en niet meer moed dan een winterkoninkje bezit. Weg met hem! Hij een aanvoerder der ridderschap bij daden van roem!--Geef hem een flesch Rijnschen wijn te drinken met zijne morsige berenhuiders en lansknechten."
"Daar is de grootmeester der Tempeliers," vervolgde de baron, niet ontevreden, dat hij de aandacht van zijn meester op andere onderwerpen dan op zijne eigen ziekte kon gevestigd houden, al was het dan ook ten koste van den goeden naam van vorsten en potentaten.--"Daar is de grootmeester der Tempeliers, onverschrokken, kundig, dapper in den strijd en wijs in den raad, zonder een eigen koninkrijk, om zijne gedachten van de herovering van het heilige Land af te trekken.--Wat denkt Uwe Majesteit van den grootmeester als algemeen aanvoerder van het christenleger?"
"Ha, Beau Séant?" hernam de Koning. "O, tegen broeder Giles Amaury laat zich niets inbrengen: hij verstaat het een plan voor een veldslag te ontwerpen en voor het front te vechten, als de strijd begint. Maar, sir Thomas, zou het billijk zijn, den heiden Saladin die zoo rijk is aan alle deugden, welke een onchristelijken man kunnen veredelen, het heilige Land te ontnemen, en het aan Giles Amaury te geven, een erger Heiden, dan hij zelf--een afgodendienaar--een duivelaanbidder--een geestenbezweerder--die in de gewelven en geheime plaatsen van verfoeiing en duisternis de zwartste en onnatuurlijkste misdaden bedrijft."
"De grootmeester van de Hospitaalridders van St. Jan van Jeruzalem is van onbesproken naam, zoowel wat ketterij als tooverij betreft," zeide Thomas de Vaux.
"Maar is hij geen lage vrek?" antwoordde Richard driftig; "heeft men hem niet verdacht gehouden--ja meer dan verdacht--dat hij aan de ongeloovigen de voordelen verkocht heeft, welke zij nooit door geweld zouden verkregen hebben? Stil, vriend, het zou beter zijn het leger aan den handel van Venetiaansche schippers en Lombardijnsche kramers af te staan, dan het aan den grootmeester van St. Jan toe te vertrouwen."
"Nu, dan wil ik nog slechts ééne voordracht wagen," zeide de baron de Vaux.--"Wat zegt gij van den dapperen markies van Montserrat, zoo wijs, zoo beschaafd, en zulk een goed krijgsman?"
"Wijs? listig wildet gij zeggen," antwoordde Richard, "beschaafd in het salon eener dame, zoo gij wilt. O ja, Koenraad van Montserrat, wie kent die papegaai niet? Staatkundig en wispelturig, verandert hij even dikwijls van voornemens als de sieraden van zijn wambuis, en gij zult nooit in staat zijn, om de kleur van zijn binnenste bekleeding uit zijn inwendig voorkomen te gissen. Een krijgsman? ja, eene schoone gestalte te paard, en hij kan zich dapper toonen op het toernooiplein en binnen het strijdperk, wanneer de zwaarden stomp van punt en bot van snede zijn, en de lansen met houten in plaats van stalen punten zijn voorzien. Waart gij niet bij mij, toen ik tot denzelfden vroolijken markies zeide: hier zijn wij drie goede Christenen, en op gindsche vlakte rijdt eene bende van een stuk of zestig Saraceenen, wat dunkt u er van, om hen onverhoeds aan te vallen? Er zijn maar twintig van die ongeloovige honden tegen één echt ridder?"
"Ik herinner mij, dat de markies antwoordde," zeide de Vaux, "dat zijne leden van vleesch en niet van klei waren, en dat hij liever het hart van een mensch dan van een dier wilde hebben, al ware dat dier dan ook een leeuw.--Maar ik zie nu wel, hoe de zaak gesteld is--wij zullen eindigen, waar wij mede begonnen zijn, zonder hoop om aan het heilige Graf te bidden, vóór dat de Hemel aan Koning Richard de gezondheid terug schenkt."
Bij deze ernstige opmerking barstte Richard in een hartelijk en schaterend gelach uit, het eerste dat hij sedert eenigen tijd had laten hooren. "Ei wat is het geweten voor een ding," zeide hij, "dat door zijn toedoen zelfs zulk een ruwe noordsche lord, als gij, zijn Vorst er toe kan brengen, om zijne dwaasheid te bekennen? Het is waar, dat, zoo zij zich niet voorstelden als bekwaam om mijn staf van aanvoerder te houden, ik er mij weinig aan storen zou, om aan de poppen, die gij mij achtereenvolgende hebt laten zien, de zijden sieraden af te scheuren.--Wat raakt het mij, in welk een schitterenden tooi van klatergoud zij rondloopen, behalve wanneer zij als mededingers worden genoemd in de roemrijke onderneming, waaraan ik mij heb toegewijd? Ja, de Vaux, ik beken mijn zwakheid en de eigenzinnigheid van mijne eerzucht. Het Christenleger bevat zonder twijfel menigen beteren ridder dan Richard van Engeland, en het zou wijs en passend zijn om aan den besten hunner de aanvoering er van op te dragen--maar," vervolgde de krijgshaftige monarch, zich in zijn bed verheffende, en het dek van zijn hoofd afschuddende, terwijl zijne oogen vonkelden, zooals zij voor den aanvang van den slag plachten te doen, "indien zulk een ridder de banier van het Kruis op den tempel van Jeruzalem plantte, terwijl ik buiten staat was, om aan de edele taak deel te nemen, dan zou hij, zoodra ik sterk genoeg was om de lans in rust te leggen, eene uitdaging op dood en leven van mij ontvangen, wegens de verkleining van mijn roem, en de belemmering de uitvoering van mijne onderneming.--Maar, luister welke trompetten laten zich op een afstand hooren?"
"Die van Koning Filips, geloof ik, mijn Koning," antwoordde de dappere Engelschman.
"Gij hebt een slecht gehoor, Thomas," hervatte den Koning, terwijl hij trachtte op te rijzen--"hoort gij niet dat gekletter en geschal? Bij den Hemel, de Turken zijn in de legerplaats.--Ik hoor hun oorlogskreet."
Hij beproefde weder uit het bed te komen en de Vaux was verplicht om zijn eigen kracht aan te wenden en den bijstand van de kamerheeren uit de binnenste tent in te roepen, om hem terug te houden.
"Gij zijt een valsche verrader, de Vaux," zeide de vergramde monarch, toen hij ademloos en uitgeput door de worsteling, voor de overmacht moest zwichten en stil op zijn bed gaan liggen. "Ik wenschte dat ik.... ik wenschte dat ik maar sterk genoeg was om uwe hersens met mijn strijdbijl te verpletteren."
"Ik wenschte dat gij de kracht daartoe hadt mijn Koning," hervatte de Vaux, "en dat zelfs ten koste van het gevaar, dat gij die zelve zoo mocht gebruiken. Het voordeel zou groot voor het Christendom zijn, als Thomas Multon dood en Richard Leeuwenhart weder zich zelf was."
"Mijn eerlijke trouwe dienaar," zeide Richard, zijne hand uitstrekkende, die de baron eerbiedig kuste, "vergeef uw meester zijne ongeduldige luim. Het is die brandende koorts, die tegen u raast, en niet uw meester, Richard van Engeland. Maar ga, bid ik u, en breng mij bericht, welke vreemdelingen er in de legerplaats zijn, want deze klanken komen niet van Christenen."
De Vaux verliet met dat doel de tent en gelastte de pages en bedienden der kamerheeren, om gedurende zijn afwezigheid, die hij geloofde dat slechts kort zou zijn, hunne aandacht bij hun Vorst te verdubbelen, met bedreiging hun verantwoordelijk te zullen houden, hetgeen eer hunne angstvallige beschroomdheid bij het vervullen van hun plicht vermeerderde dan verminderde; want naast den toorn van hun monarch vreesden zij het meest dien van den strengen en onverbiddelijken lord van Gilsland.
HOOFDSTUK VII.
Als Brit en Schot ooit elkander ontmoet In een oord op de grens van hun staat Dan is 't een wonder, als beider bloed, Niet rijkelijk stroomt over straat.
Slag bij Offerbourne.
Een aanzienlijk korps Schotsche krijgslieden had zich bij de kruisvaarders gevoegd en zich natuurlijk onder het bevel van den Engelschen monarch geplaatst, daar zij, even als de troepen uit diens eigen land, van Saksischen en Normandischen stam waren, dezelfde taal spraken, eenigen van hen zoowel Engelsche als Schotsche goederen bezaten, en in sommige gevallen door bloedverwantschap en wederzijdsche huwelijken verbonden waren. Ook ging die tijd vooraf aan de dagen, toen de onbegrensde eerzucht van Eduard I een noodlottig en giftig karakter gaf aan de oorlogen tusschen de twee natiën, daar de Engelschen voor de onderwerping van Schotland vochten, en de Schotten met al den moed en de hardnekkigheid, die steeds hunne natie gekenschetst heeft, voor de verdediging hunner onafhankelijkheid, door de geweldigste middelen, onder de ongunstigste omstandigheden en met het grootste gevaar. Tot dien tijd waren de oorlogen tusschen de twee volken, hoewel fel en veelvuldig, volgens de beginselen van eene eerlijke vijandschap gevoerd, en hadden zij die verzachtende schaduwen toegelaten, waardoor de hoffelijkheid en de achting voor erkende en moedige vijanden, de ijselijkheden des oorlogs wijzigt en verzacht. In tijd van vrede derhalve, en vooral wanneer beide, gelijk tegenwoordig, in een oorlog gewikkeld waren, die voor eene gemeenschappelijke zaak werd gevoerd en hun om hunne godsdienstige begrippen dierbaar was, vochten de avonturiers van beide volken dikwijls naast elkander, terwijl hunne nationale ijverzucht alleen diende om hen aan te sporen, elkander in hunne ondernemingen tegen den algemeenen vijand te overtreffen.
Het open en krijgshaftig karakter van Richard, die geen onderscheid tusschen zijne onderdanen en die van Alexander van Schotland maakte, hun gedrag in den slag alleen uitgezonderd, strekte zeer om de gelederen der beide natiën te vereenigen. Maar bij zijne ziekte en de ongunstige omstandigheden, waarin de kruisvaarders zich geplaatst zagen, begon de nationale oneenigheid tusschen de verschillende tot den kruistocht verbonden benden aan den dag te komen, evenals de wonden op nieuw in het menschelijk lichaam openbreken, wanneer het onder den invloed van ziekte of zwakheid geraakt.
De Schotten en Engelschen, even naijverig, hooghartig en voor hoon gevoelig,--en de eersten des te meer, omdat zij de armste en zwakste natie waren,--begonnen het tijdvak, toen de wapenstilstand hun verbood om hunne vereenigde wraaklust aan de Sarraceenen te koelen, door inwendige verdeeldheid aan te vullen. Gelijk de strijdende Romeinsche legerhoofden in oude tijden, wilden de Schotten geen oppermacht dulden, en hunne zuidelijke naburen geene gelijkheid erkennen. Er werden verwijten en tegenbeschuldigingen geuit, en zoowel de gemeene soldaten als hunne aanvoerders en bevelhebbers, die in tijd van overwinning goede makkers geweest waren, morden tegen elkander in tegenspoed, als of hunne eensgezindheid toen niet noodiger dan ooit geweest was, niet alleen voor den goeden uitslag van hunne gemeenschappelijke zaak, maar ook voor hunne wederzijdsche veiligheid. Dezelfde oneenigheid was begonnen uit te barsten tusschen de Franschen en Engelschen, de Italianen en Duitschers, en zelfs tusschen de Denen en Zweden; maar het was slechts de oneenigheid, welke de twee volkeren scheidde, die één eiland had voortgebracht, en juist om deze reden te vijandiger tegenover elkander schenen, die voornamelijk in betrekking staat tot ons verhaal.
Onder alle Engelschen edelen, die hun Koning naar Palestina gevolgd waren, was de Vaux het meest tegen de Schotten bevooroordeeld; zij waren zijne naaste buren, met wie hij zijn leven lang in openbaren en bijzonderen strijd was gewikkeld geweest, wien hij menige ramp had berokkend, en van wie hij er niet minder ondervonden had. Zijne liefde en verknochtheid aan den Koning was gelijk aan de innige genegenheid van den ouden Engelschen dog jegens zijn meester, terwijl zij hem lomp en ontoegankelijk maakte voor alle anderen, zelfs voor hen, die hem onverschillig waren, en ruw en gevaarlijk voor ieder, tegen wie hij een vooroordeel koesterde. De Vaux had nooit zonder ijverzucht en misnoegen opgemerkt, dat zijn Koning eenig blijk van welwillendheid of gunst betoonde aan den goddeloozen, bedriegelijken en woesten stam, die geboren was aan de andere zijde van eene rivier of van eene denkbeeldige lijn, door woestenijen en wildernissen, getrokken, en hij twijfelde zelfs aan den goeden uitslag van een kruistocht, waarin men deze vergunde de wapenen te dragen, daar hij ze in het binnenste van zijne ziel weinig beter achtte dan de Sarraceenen, die hij was komen bevechten. Men kan er bijvoegen, dat hij, als een rondborstig, onbeschaafd Engelschman, die niet gewoon was om de geringste aandoening van liefde of haat te verbergen, de vleiende hoffelijkheid welke de Schotten geleerd hadden, hetzij door navolging van hunne gewone bondgenooten, de Franschen, of door hun eigen trotsch en achterhoudend karakter, beschouwde als een valsch en arglistig blijk van de gevaarlijkste plannen tegen hunne naburen, op wie hij, met echt Engelsch zelfvertrouwen, geloofde, dat zij door openlijk optreden nooit eenig voordeel zouden kunnen behalen.
Maar ofschoon de Vaux deze meening omtrent zijne noordelijke naburen koesterde, en die met eene geringe verzachting uitstrekte tot hen, die het kruis hadden aangenomen, belette hem echter zijn eerbied voor den Koning en een gevoel van den plicht, dien hem zijne gelofte als kruisvaarder oplegde, deze op eene andere wijze te toonen, dan door allen omgang met zijne Schotsche wapenbroeders zorgvuldig te vermijden, voor zoover dit mogelijk was, door een norsch stilzwijgen te bewaren, wanneer hij hen toevallig ontmoette, en door verachtelijk op hen neder te zien, wanneer hij hen op marsch of in de legerplaats aantrof. De Schotsche barons en ridders waren er de mannen niet naar, om zijne minachting onopgemerkt of onbeantwoord te laten voorbijgaan; en het kwam zoo ver, dat hij als de verklaarde en felle vijand van eene natie beschouwd werd, die hij intusschen hoogstens niet lijden kon en in zekere mate verachtte. Zij die de zaken onpartijdiger beschouwden, moesten erkennen, dat, zoo hij al niet in den geest der heilige Schrift de liefde voor hen koesterde, die lang verdraagt en zacht oordeelt, hem geenszins de deugd ontbrak, die voorschrijft, het lot van anderen te verlichten en hen te helpen. De rijkdom van Thomas van Gilsland verschafte levensmiddelen en geneesmiddelen, en een deel daarvan vloeide gewoonlijk door heimelijke kanalen in de kwartieren der Schotten, daar zijne stroeve welwillendheid op het beginsel rustte, dat na den vriend voor ieder, de vijand van het meeste gewicht was, en hij alle tusschenliggende betrekkingen over het hoofd zag, als te onbeduidend voor hem om er zelfs maar aan te denken. Deze verklaring is noodig, om den lezer ten volle te doen begrijpen wat wij thans zullen verhalen.
Thomas de Vaux had slechts enkele schreden buiten de koninklijke tent gezet, of hij bespeurde, wat het veel scherper oor van den Engelschen monarch, niet weinig geoefend in de kunst der minnezangers, terstond ontdekt had, namelijk dat de muziek, die tot hunne ooren was doorgedrongen, door de fluiten, schalmeien en keteltrommen van de Sarraceenen voortgebracht werd; en op den achtergrond van een rij van tenten, die een breeden toegang tot Richard's tent vormden, kon hij een troep soldaten zien, die niet in dienst waren en geschaard stonden om de plek, van waar het geluid kwam, bijna in het midden van de legerplaats; en hij zag tot zijne groote verbazing, te midden van de helmen van onderscheiden vorm, die de kruisvaarders van verschillende natiën droegen, witte tulbanden en lange pieken, welke de tegenwoordigheid van gewapende Sarraceenen verrieden, en de groote gedrochtelijke koppen, van verscheiden kameelen en dromedarissen, welke de middel van hun lange, ongeëvenredige halzen boven de menigte uitstaken.
Verwonderd en misnoegd over zulk een onverwacht en zonderling tooneel--want het was de gewoonte, om alle vredevlaggen en dergelijke teekenen van den vijand op eene bepaalde plaats buiten de barrières te laten--zag de baron verlangend naar iemand uit, dien hij naar de reden van deze onrustbarende nieuwigheid kon vragen.
Den eersten, die hij maar op zich zag toekomen, herkende hij dadelijk aan zijn deftigen en trotschen gang voor een Spanjaard of Schot; en hij mompelde in zich zelven: "Een Schot is het--en wel die van den Luipaard. Ik heb hem voor zijn land dapper zien vechten."
Niet geneigd om zelfs maar eene vraag te doen, was hij op het punt om sir Kenneth voorbij te gaan met dien norschen en deftigen tred, die schijnt te zeggen: "ik ken u, maar ik wil niets met u te doen hebben;" maar zijn voornemen werd verijdeld door den Schot zelven, die rechtstreeks naar hem toekwam, en tot hem met plechtige hoffelijkheid zeide: "Mijnheer de baron de Vaux van Gilsland, ik heb last om met u te spreken."
"Zoo!" antwoordde de Engelsche baron, "met mij? Maar spreek op, zoo het kort is.--Ik ben hier op last van den Koning."
"Mijn last gaat Koning Richard nog van meer nabij aan," antwoordde sir Kenneth; "ik breng hem, naar als ik vertrouw, de gezondheid."
Lord de Vaux van Gilsland mat den Schot met ongeloovige oogen, en hervatte: "Gij zijt toch geen geneesheer, meen ik, heer Schot--ik had bijna even goed kunnen gelooven, dat gij den Koning van Engeland rijkdom bracht."
Ofschoon sir Kenneth over dit antwoord des barons ontstemd was, antwoordde hij toch bedaard: "Gezondheid voor Richard is roem en rijkdom voor het Christendom.--Maar ik heb haast; ik bid u, mag ik den Koning zien?"
"Voorzeker niet, waarde heer," zeide de baron, "zoo niet uwe boodschap duidelijker meegedeeld wordt. De ziekenkamers van Vorsten staan niet open voor allen, die er om vragen, zooals in de herbergen van het noorden."
"Mylord," zeide Kenneth, "het kruis, dat ik draag even als gij, en het gewicht van hetgeen ik te zeggen heb, moeten mij voor het tegenwoordige een gedrag voorbij doen zien, dat ik anders niet zou kunnen dulden. Ronduit dan, ik breng een Moorschen geneesheer mede, die trachten wil om eene kuur op Koning Richard te verrichten."
"Een Moorsch geneesheer!" riep de Vaux uit, "en wie wil er voor instaan, dat hij geen vergif in plaats van geneesmiddelen medebrengt."
"Zijn eigen leven, mylord--zijn hoofd, dat hij tot waarborg aanbiedt."
"Ik heb menig stouten roover gekend," hervatte de Vaux, "die zijn leven zoo weinig achtte als hij het verdiende, en zoo vroolijk naar de galg wandelde, als of de beul met hem wilde dansen."