De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 7
De dwerg floot nog eens en riep van beneden een metgezel op, die hem in leelijkheid evenaarde. Deze tweede gedaante steeg op dezelfde wijze als de eerste naar boven; maar het was een vrouwelijke arm, die in deze tweede verschijning de lamp omlaag hield uit het onderaardsche gewelf, waaruit zij te voorschijn kwamen; en het was eene vrouwelijke gedaante, zeer gelijk aan de vorige in maaksel en evenredigheden, die zich langzaam tot den vloer verhief. Ook hare kleeding was van rood atlas, op eene grillige wijze gesneden en bezet, alsof zij voor eene vertooning van goochelaars of potsenmakers gekleed was geweest, en met dezelfde nauwkeurigheid, als haar voorganger, liet zij haar gelaat en haar persoon door de lamp beschijnen, en deze schenen met die van den man in afzichtelijkheid te wedijveren. Maar bij dit allerongunstigst uiterlijk was er een trek in het gelaat van beiden, die in den hoogsten graad van vlugheid en verstand getuigde. Dit sproot voort uit den glans van hunne oogen, welke, diep onder zwarte kroesige wenkbrauwen liggende, zoo levendig schitterden, dat zij, als de glans in het oog van de pad, eenigszins de bovenmatige leelijkheid van het gelaat en den persoon schenen te vergoeden.
Sir Kenneth stond als vastgenageld, terwijl dit onbeminnelijk paar, dat zich dicht naast elkander door de kapel bewoog en als dienstboden de taak der reiniging scheen te verrichten; maar daar zij slechts eene hand gebruikten, had de vloer niet veel voordeel bij dit werk, dat zij met zonderlinge gebaren en bewegingen tot stand brachten, die met hun geheel, voorkomen overeenstemden. Toen zij in den loop van hunne bezigheid in de nabijheid van den ridder kwamen, hielden zij op gebruik van hunne bezems te maken, en zich naast elkander plaatsende vlak tegenover sir Kenneth, hielden zij wederom de lampen, die zij droegen, zoodanig, dat hij hunne gelaatstrekken duidelijk kon beschouwen, die, nu zij dichterbij waren geenszins bevalliger werden, en de buitengemeene vlugheid en scherpzinnigheid deden opmerken, waarmede hunne zwarte en glinsterende oogen het licht der lampen terugkaatsten. Zij keerden toen het schijnsel van beide lichten naar den ridder, en na hem aandachtig aanschouwd te hebben, zagen zij elkander aan, en hieven een luid, schaterend gelach aan, dat in zijne ooren weêrgalmde. De toon was zoo ijselijk, dat sir Kenneth bij het hooren ervan schrikte, en haastig in den naam van God vroeg, wie zij waren, die deze heilige plaats met zulke akelige gebaren en afschuwelijke kreten ontwijdden.
"Ik ben de dwerg Nebectamus," antwoordde het mannelijke wangedrocht, met eene stem, die met zijn uiterlijk overeenstemde, en meer geleek naar die van de nachtraaf dan naar eenige andere, die zich bij dag laat hooren.
"En ik ben Guenevra, zijne vrouw en zijn schat," hernam de vrouw met een geluid, dat nog scheller en dus ook wilder dan dat van haar metgezel klonk.
"Waarom zijt gij hier?" vroeg de ridder verder, nog niet geheel overtuigd, dat hij menschelijke wezens voor zich zag.
"Ik ben," hervatte de dwerg met groote voorgewende deftigheid en waardigheid, "de twaalfde Imam.--Ik ben Mahomed Mohadi, de leidsman en gids der geloovigen. Honderd paarden staan gereed, gezadeld voor mij en mijn gevolg in de heilige Stad zoowel als in de Stad der Toevlucht. Ik ben degene, die getuigenis zal geven, en deze is eene van mijne houris."
"Gij liegt!" antwoordde de dwergin, haar metgezel in nog scheller tonen in de rede vallende: "ik ben geene van uwe houris, en gij zijt zulk ongeloovig kaf niet als die Mahomed, van wien gij spreekt. Mijn vloek ruste op zijne doodkist.--Ik zeg u, gij ezel van Issachar, dat gij Arthur, Koning van Brittannië zijt, die de toovergodinnen van het veld van Avalon stal, en ik vrouwe Guenevra, ben beroemd om mijn schoonheid."
"Maar, in waarheid, edele heer," zeide de man, "wij zijn ongelukkige prinsen, onder de vleugels van koning Guy van Jeruzalem, tot dat hij door de goddelijke ongeloovigen uit zijn eigen nest verdreven werd.--Mogen de bliksemstralen des hemels hen verteren!"
"Stil," riep eene stem aan den kant, vanwaar de ridder was binnengekomen--"stil, gekken, pakt u weg; uw dienst is geëindigd."
Nauwelijks hadden de dwergen dit bevel gehoord, of zij bliezen onder luid en onverstaanbaar gefluister met elkander, hunne lampen te gelijk uit, en lieten den ridder in volslagen duisternis, die gepaard ging, nadat het kletteren van hunne schreden zich verloren had, met het gezelschap het best daarbij paste: eene volkomen stilte.
De ridder gevoelde zich door de verwijdering van deze ongelukkige schepsels inderdaad verlucht. Hij kon uit hunne taal, manieren en voorkomen er niet aan twijfelen, of zij behoorden tot die ontaarde klasse van wezens, welke mismaaktheid van lichaam en zwakheid van verstand in den onaangenamen toestand plaatste, om als een aanhangsel van groote familiën door hun uiterlijk en hunne onnoozelheid hun huisgenooten een vroolijk tijdverdrijf te verschaffen. Op een anderen tijd zou de Schotsche ridder, die in geenerlei opzicht boven de begrippen en zeden van zijne eeuw verheven was, in de verschijning dier arme menschelijke karikaturen veel vermaak gevonden hebben; maar thans hadden hunne verschijning, gebaren en taal den gang der diepe en plechtige gewaarwordingen verbroken, die hem vervulden, en hij verheugde zich hartelijk over de verdwijning van deze rampzalige wezens.
Een paar minuten, nadat zij vertrokken waren, ging de deur, waardoor hij binnengetreden was, langzaam open, en daar ze bleef aanstaan, drong er een zwak licht door, dat scheen uit eene lantaarn, welke op den drempel geplaatst was. Haar flauwe schemerende schijn vertoonde eene donkere gestalte, die aan den ingang lag, en waarin hij, naderbij komende de kluizenaar erkende, die nog in dezelfde houding lag, welke hij vroeger had aangenomen, en zonder twijfel behouden had gedurende den ganschen tijd, dat zijn gast in de kapel was geweest.
"Alles is voorbij," zeide de hermiet, toen hij den ridder hoorde naderen--"en de ellendigste van alle aardsche zondaars moet zich even goed, als hij, die zich voor den meest geëerde en den gelukkigste van het menschelijk geslacht moet houden, van deze plaats verwijderen. Neem het licht en leid mij naar beneden, want ik mag mijne oogen niet ontblooten, vóór dat ik ver van deze heilige plaats ben."
De Schotsche ridder gehoorzaamde zwijgend; want een plechtig en zalig gevoel wegens hetgeen hij gezien had, had zelfs zijne vurige nieuwsgierigheid overwonnen. Hij wees met groote nauwkeurigheid den weg door de verschillende geheime gangen en trappen, waarlangs zij naar boven gekomen waren, totdat zij zich eindelijk in de buitencel van de grot van den kluizenaar bevonden.
"De veroordeelde misdadiger is aan zijn kerker teruggegeven, en krijgt uitstel van den eene rampzaligen dag tot den anderen, tot dat zijn vreeselijke Rechter eindelijk het welverdiende vonnis zal laten volvoeren."
Onder het uitspreken van deze woorden legde hij den sluier af, waarmede zijne oogen bedekt waren geweest, en staarde daarop met een gesmoorden en diepen zucht. Nauwelijks had hij dien weder in de nis neergelegd, waaruit hij hem door den Schot had doen krijgen, of hij zeide haastig en ernstig tot zijn bezoeker: "ga heen, ga heen--ter rust, ter rust. Gij moogt slapen--gij kunt slapen--ik kan of mag dit niet."
Wegens de diepe ontroering, waarmede dit gezegd werd, begaf zich de ridder naar het binnengedeelte van de cel; maar toen hij bij het uitgaan van de grot omzag, bespeurde hij den kluizenaar met krankzinnige drift den harigen deken van de schouders trekken, en vóór dat hij nog de zwakke deur, welke de twee vertrekken van het hol scheidde, kon sluiten, hoorde hij de slagen van den geesel van het slachtoffer, en het gekerm van den boeteling onder zijne eigen kastijding. Eene koude rilling voer door het lichaam van den ridder, terwijl hij nadacht, welke zware zonde het zijn moest, die zoo hevige wroegingen verwekte, dat, naar het scheen, zulke eene gestrenge kastijding die noch verzoenen noch lenigen kon. Hij bad ootmoedig zijn rozenkrans en legde zich op zijne legerstede, na een blik op den nog slapenden Muzelman geworpen te hebben, en vermoeid door de verschillende ervaringen van den dag en den nacht, sliep hij weldra zoo vast als een kind. Na zijn ontwaken in den morgen overlegde hij bij zich zelven eenige belangrijke zaken, die hem bewogen om nog twee dagen in de grot te blijven. Hij was, zooals het een pelgrim paste, stipt in zijne godsdienstoefeningen, maar hij werd niet weder in de kapel toegelaten, waarin hij zulke wonderen aanschouwd had.
HOOFDSTUK VI.
Verander van tooneel. Laat luid de hoorn weerklinken; De sterke leeuw kwam thans te voorschijn uit zijn hol.
Oud Tooneelstuk.
Het tooneel moet thans veranderen, zooals ons motto aangekondigd heeft en uit de rotsachtige woestijn van de Jordaan verplaatst worden naar de legerplaats van Richard, Koning van Engeland, die toen tusschen St. Jean d'Acre en Ascalon was opgeslagen, en het leger bevatte, waarmede Leeuwenhart zich een zegepralenden tocht naar Jeruzalem beloofd had, waarin hij waarschijnlijk geslaagd zou zijn, als hij niet ware verhinderd geworden door den naijver der Christenvorsten, die aan dezelfde onderneming deelnamen, en door hunne geraaktheid over den grenzenloozen trots van den Engelschen monarch en de minachting die hij voor vorsten betoonde, welke, ofschoon zijne gelijken in rang, echter ver beneden hem stonden in moed, stoutheid en krijgskundige bekwaamheid.
Zulke oneenigheden, en inzonderheid die tusschen Richard en Filips van Frankrijk, veroorzaakten twisten en moeilijkheden, die al de krachtige maatregelen belemmerden, welke door den heldhaftigen maar onstuimigen Richard werden voorgesteld, terwijl de gelederen der kruisvaarders met den dag verminderden, niet alleen door het wegloopen van enkelen, maar van geheele benden, onder aanvoering van hunne leenheeren, die zich aan een strijd onttrokken, waarvan zij geen gunstigen uitslag meer durfden hopen.
De invloed van het klimaat werd, zoo als gewoonlijk, noodlottig voor krijgslieden uit het Noorden, te meer daar de onbeteugelde losbandigheid der kruisvaarders, die een zonderling contrast vormde met het beginsel en het doel van hun tocht, hen gemakkelijk tot slachtoffers maakten van de nadeelige uitwerking van eene verzengende hitte en een ijskouden dauw. Bij deze ontmoedigende oorzaken van verlies voege men nog het zwaard van den vijand. Saladin, de grootste naam, die in de Oostersche geschiedenis geboekt staat, had tot zijn nadeel ondervonden, dat zijne licht gewapende volgelingen niet zeer geschikt waren om in een gevecht van man tegen man tegenstand te bieden aan de in ijzer gekleede Franken, en had te gelijker tijd den ondernemenden geest van zijn vijand Richard leeren duchten. Maar zoo zijne legers meer dan ons met groot verlies op de vlucht gedreven werden, gaf het aantal zijner strijders hem het voordeel in de kleine schermutselingen, waarvan vele onvermijdelijk waren. Naarmate het leger zijner aanvallers verminderde, werden de ondernemingen van den Sultan menigvuldiger en stouter in deze soort van guerilla-oorlog. De legerplaats der kruisvaarders was omringd en bijna belegerd door wolken lichte ruiterij, die op zwermen wespen geleken, welke, als men ze eens gegrepen heeft, gemakkelijk dood gedrukt worden, maar die vleugels hebben, om de meerdere kracht te ontwijken, en angels om schade en onheil te stichten. Er werden voordurend gevechten tusschen voorposten en fourageurs geleverd, waarbij menig kostbaar leven verloren ging, zonder dat een daardoor evenredig voordeel verkregen werd; bedekkingen werden onderschept en verbindingen afgesneden. De kruisvaarders moesten de middelen tot onderhoud van het leven met het leven zelf koopen; en water, gelijk dat uit de bron van Bethlehem, waarnaar Koning David, een van de oude Monarchen verlangde, werd toen, gelijk voorheen, slechts met bloed verkregen.
Deze moeilijkheden werden echter in eene hooge mate opgewogen door de ernstige standvastigheid en de rustelooze werkzaamheid van Koning Richard die met eenige zijner beste ridders altijd te paard zat, gereed om zich naar elk punt te begeven, waar gevaar dreigde, en die dikwijls niet alleen onverwachte hulp aan de Christenen bracht, maar ook de ongeloovigen versloeg, wanneer zij zich reeds volkomen zeker van de overwinning waanden. Maar zelfs het ijzeren gestel van Richard Leeuwenhart kon niet zonder nadeel de wisselingen van het ongezonde klimaat, gevoegd bij onophoudelijke inspanning van geest en lichaam, verduren. Hij werd aangetast door eene dier sluipende, ondermijnende koortsen, die eigen aan Azië zijn, en in weerwil van zijne groote kracht en zijn nog grooter moed, werd hij eerst onbekwaam om te paard te stijgen, en toen ongeschikt om den krijgsraad bij te wonen, dien de kruisvaarders van tijd tot tijd hielden. Het valt moeielijk te beslissen, of deze toestand van persoonlijke machteloosheid kwellender dan wel dragelijker gemaakt werd door het besluit van den raad, om een wapenstilstand van dertig dagen met Sultan Saladin te sluiten; want zoo hij van den eenen kant ongeduldig werd door de vertraging, welke die in den voortgang der groote onderneming te weeg bracht, werd hij van den anderen kant eenigermate getroost door het besef, dat anderen zich geen lauweren verwierven, terwijl hij zelf op het ziekbed lag uitgestrekt.
Maar hetgeen Leeuwenhart het minst vergeven kon, was de algemeene werkeloosheid, die in het leger der kruisvaarders heerschte, zoodra zijne ziekte een ernstig karakter aannam, en de berichten, die hij aan de zijnen met geweld ontwrong, gaven hem de overtuiging dat de hoop van het leger afnam in evenredigheid van het toenemen zijner ziekte, en dat de tusschenpoozing van den wapenstilstand niet besteed werd om het leger aan te vullen, zijn moed te verhoogen, den geest van verovering te voeden, en het tot een spoedigen en beslissenden tocht naar de heilige stad voor te bereiden, maar om de door hunne verzwakte strijdgenooten bezette legerplaats met loopgraven, stormpalen en andere vestingwerken te versterken, alsof zij zich veeleer voorbereidden om den aanval van een machtigen vijand af te weren, zoodra de vijandelijkheden zouden beginnen, dan wel het stoute karakter van veroveraars en aanvallers te handhaven.
De Engelsche Koning werd toornig bij deze berichten, gelijk de gevangen leeuw, die zijn prooi van achter de ijzeren traliën zijner kooi ziet. Van nature driftig en onstuimig, verteerde hem de prikkelbaarheid van zijn karakter. Hij werd door zijn dienaren gevreesd en zelfs de geneesheeren, die hem bijstonden, waagden het niet het noodige gezag aan te nemen, dat een geneesheer noodzakelijk op zijne patiënten moet uitoefenen, wanneer hij dezen goed behandelen wil. Eén der getrouwe barons, die misschien uit overeenstemming van karakter, met hart en ziel aan den persoon des Konings verknocht was, waagde het om zich tusschen den draak en zijne grimmigheid te stellen, en hield bedaard, maar vast, een toezicht, dat geen ander over den gevaarlijke zieke durfde aanvaarden, en die Thomas de Multon alleen uitoefende, omdat hij het leven en de eer van zijn vorst op hoogeren prijs stelde dan de mate van gunst, die hij kon verliezen, of zelfs het gevaar, dat hij misschien liep door een zoo onhandelbaren zieke, wiens ongenoegen zoo hoogelijk te duchten was, op te passen.
Sir Thomas was lord van Gilsland in Cumberland, en in eene eeuw, waarin geslachtsnamen en titels niet zoo duidelijk verbonden waren als thans aan de personen die ze droegen, werd hij door de Normandiërs lord de Vaux, en in het Engelsche door de Saksers, die aan hunne geboortetaal verknocht waren, en zich verhoovaardigden op het Saksische bloed in de aderen van dezen beroemden krijgsman, Thomas, of meer vertrouwelijk Thom van Gills genoemd, naar de enge vallei, waarvan zijne uitgestrekte bezittingen haar welbekenden naam ontleenden.
Deze veldheer was bijna in alle oorlogen geoefend, hetzij die gevoerd waren tusschen Engeland en Schotland, of tusschen de verschillende binnenlandsche partijen, welke destijds eerstgenoemd land verscheurden, en had zich in allen onderscheiden zoowel door zijn krijgskundig talent als door zijne persoonlijke dapperheid. Hij was in andere opzichten een ruw soldaat, lomp en onbeschaafd in zijn gedrag en stil, ja bijna norsch, in den gezelligen omgang, en, ten minste in schijn, onbekend met alle beleefdheidsvormen en wereldsche hoffelijkheid. Er waren echter mannen, die meenden, diep in zijn karakter te lezen, en verzekerden, dat de lord de Vaux niet minder listig en eerzuchtig dan lomp en stout was, en die van oordeel waren, dat, zoo hij zijn karakter en onbesuisde stoutheid aan dat des Konings gelijk zocht te maken, dit eenigermate althans met het doel geschiedde, om diens gunst te verwerven en zijne eigen geheime eerzucht te bevredigen. Maar niemand waagde het, zijne plannen, zoo hij er had, te dwarsboomen, door met hem de gevaarlijke taak te deelen, dagelijks bij het ziekbed van een lijder te zijn, wiens kwaal besmettelijk werd genoemd; en nog meer bijzonder, wanneer men zich herinnerde, dat deze patiënt Richard Leeuwenhart was, die leed onder het pijnigend ongeduld van een krijgsman, die niet ten strijde kan trekken, en een Vorst, die in de uitoefening van zijne macht belemmerd werd. De gemeene soldaten echter, ten minste in het Engelsche leger, waren over het algemeen van oordeel, dat de Vaux den Koning, gelijk de eene makker den anderen, oppaste, met de eerlijke, onbaatzuchtige en oprechte vriendschap, die tusschen strijd- en lotgenooten in dagelijksche gevaren was gesloten.
Het was op den avond van een Syrischen dag, dat Richard op zijn ziekbed lag, dat voor zijn geest even kwellend werd, als het voor zijn lichaam smartelijk was. Zijn helder blauw oog, dat te allen tijde met ongemeen veel vuur en glans schitterde, had in gloed toegenomen door de koorts en het ongeduld van zijn gemoed, en glinsterde van onder zijne gekrulde en ongesneden lokken van geel haar even scherp en levendig, als de laatste stralen van de zon door de wolken van een naderend onweder schieten, die echter nog hare stralen verguld worden. Zijne mannelijke trekken toonden den voortgang der uitterende ziekte, en zijn verwaarloosde en onopgemaakte baard was over zijn lippen en kin heengegroeid. Zich van de eene zijde op de andere werpende, nu eens de dekens over zich heentrekkende, dan weder ze ongeduldig van zich afstootende, toonden zijn in wanorde gebracht bed en zijne ongeduldige gebaren te gelijker tijd de kracht en de hevige onstuimigheid van zijn karakter, dat van nature tot groote werkzaamheid geneigd was.
Naast zijn bed stond Thomas de Vaux, in gelaat, houding en manieren het grootst mogelijke contrast met den lijdenden monarch vormende. Zijne lengte grensde aan het reusachtige, en zijn haar had in dikte met dat van Simson kunnen vergeleken worden, schoon niet eerder dan toen de lokken van den Israëlitischen richter onder de schaar van de Filistijnen waren geweest, want die van de Vaux waren kort afgesneden, opdat zij door den helm konden bedekt worden. Het licht van zijn groot, bruin oog geleek dat van den herfstmorgen, en het werd slechts voor een oogenblik verduisterd, wanneer het door Richard's hevige blijken van aandoening en rusteloosheid van tijd tot tijd werd aangetrokken. Zijne gelaatstrekken, die, evenals zijn lichaam, van kracht getuigden, konden schoon geweest zijn eer zij door lidteekens misvormd waren geworden; zijne bovenlip was, volgens Normandische gewoonte, met een zwaren knevel bedekt, die zoo lang en weelderig groeide, dat hij zich met zijn haar vermengde, en, gelijk dit, donker bruin was, een weinig met grijs vermengd. Zijne gestalte scheen van dien aard te zijn, die het best de vermoeienissen en klimaat trotseert, want hij had smalle lendenen, eene breede borst, lange armen, eene krachtige long en sterke leden. Hij had zijn wambuis van buffelleder, dat het op zijn schouder gesneden kruis vertoonde, gedurende drie nachten niet afgelegd, terwijl hij slechts de kortstondige rust genoot, die de oppasser van een zieken monarch zich gunnen kan. Hij veranderde zelden van houding, behalve om Richard de geneesmiddelen of ververschingen toe te deelen, die geen van zijn minder begunstigde bedienden den ongeduldigen Vorst kon overreden te gebruiken; en er was iets aandoenlijks in de vriendelijke, ofschoon onhandige wijze, waarop hij diensten verrichtte, die zoo zonderling in strijd waren met zijne ruwe krijgsmanszeden en gewoonten.
De tent, waarin deze personen zich bevonden, had, zoo als met den aard der tijden zoowel als het persoonlijk karakter van Richard overeenkwam, meer een militair dan een prachtig of koninklijk aanzien. Wapenen tot aanval en verdediging, waaronder verscheidene van vreemd en nieuw uitgevonden maaksel, lagen in het rond, of stonden tegen de pijlers. Huiden van dieren, die op jacht geveld waren, lagen op den grond of langs de wanden der tent uitgespreid, en op een stapel van dezen jachtbuit lagen drie wolfhonden van de grootste soort en zoo wit als sneeuw. Hun kop, die met menig lidteeken van klauwen en slachttanden bedekt was, toonde hun aandeel in het verzamelen van de zegeteekenen, waarop zij rustten, en hunne oogen, die zij van tijd tot tijd met een veelbeteekenenden blik en met gapenden muil op Richard's bed vestigden, deden zien, hoezeer zij verbaasd en bedroefd waren onder de ongewone werkeloosheid, waarin zij gedoemd waren te deelen. Dit waren slechts de toerustingen van den krijgsman en jager, maar op een tafeltje, dicht bij het bed, lag een driehoekig schild van staal, waarop de drie stappende leeuwen stonden, die de ridderlijke monarch het eerst had aangenomen, en daarvoor de gouden band, zeer veel op een hertogskroontje gelijkende, behalve dat hij van voren hooger dan van achteren was, en die met de geborduurde tiaar van purper fluweel, welke de kroon omgaf, toen het zinnebeeld vormde van Engelands souvereiniteit. Naast dezen lag, als het ware gereed om het koninklijke eereteeken te verdedigen, eene machtige strijdbijl, die voor den arm van ieder ander, dan Richard Leeuwenhart, te zwaar zou zijn geweest.
In eene buitenste afdeeling van de tent bevonden zich twee of drie bedienden van den koninklijken hofstoet, ongerust over den gezondheidstoestand huns meesters en niet minder over hunne eigene toekomst, ingeval hij kwam te sterven. Hunne sombere bezorgdheid verspreidde zich onder de wachten daarbuiten, die in neerslachtige en stille overdenking heen en weer liepen, of, op hunne hellebaarden rustend, onbeweeglijk op hun post stonden, eer als gewapende tropheën dan als levende krijgslieden.
"Dus hebt gij mij geen betere tijdingen uit de buitenwereld te brengen, sir Thomas?" zeide de Koning na een lang en onrustig stilzwijgen en de koortsachtige bewegingen, die wij gepoogd hebben te beschrijven. "Al onze ridders zijn vrouwen en onze dames bidzusters geworden, en nergens ziet men een vonk van dapperheid of galanterie om eene legerplaats tot luister te verstrekken, die de uitgelezensten van Europa's ridderschap bevat.--Ha!"
"De wapenstilstand, mylord," antwoordde de Vaux met hetzelfde geduld, waarmede hij die verklaring twintig malen had herhaald,--"de wapenstilstand belet ons om ons als mannen van de daad te gedragen, en, wat de dames betreft, Uwe Majesteit weet zeer wel, dat ik niet veel deelneem aan vroolijke gezelschappen, en zelden mijn buffelleder en staal tegen fluweel en goud verwissel;--maar zooveel ik weet, dat onze uitgelezenste schoonen Hare Majesteit de Koningin en de Prinses op eene bedevaart vergezellen naar het klooster van Engaddi, om hare gelofte voor de redding van Uwe Majesteit uit deze ongesteldheid te vervullen."
"En is het zoo," zeide Richard met ziekelijk ongeduld, "dat koninklijke vrouwen en maagden zich wagen, terwijl de ongeloovige honden, die door het land zwerven, even weinig trouw jegens menschen als geloof in God betoonen?"