De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 5
In een hoek van het vertrek waren landbouwgereedschappen en verdere werktuigen; in een anderen was eene nis met een ruw beeld der Heilige Maagd. Eene tafel en twee stoelen duidden aan, dat zij een werk van de hand des kluizenaars waren, daar zij door hun vorm van het Oostersche huisraad van die soort verschilden. De eerste was niet alleen met kruiden en groen bedekt, maar ook met gedroogd vleesch, dat Theodorik met ijver zoodanig schikte, dat het den eetlust zijner gasten zou uitlokken. Deze blijken van beleefdheid, ofschoon stom en slechts door gebaren uitgedrukt, schenen sir Kenneth onbestaanbaar met zijn vorig wild en woest gedrag. De hermiet was kalm, en waarschijnlijk was slechts een gevoel van godsdienstigen ootmoed oorzaak dat zijne gelaatstrekken, vermagerd door zijne strenge levenswijze, niet edel en fier waren. Hij bewoog zich in zijne cel als een man, die geboren scheen om over anderen te heerschen, maar van zijn gebied afstand had gedaan, om de dienaar des Hemels te worden. Toch moest men erkennen, dat zijne reusachtige grootte, zijne lange, ongeschoren lokken en baard en de gloed van een diep liggend en wild oog veeleer de eigenschappen van een krijgsman dan die van een kluizenaar waren.
Zelfs de Sarraceen scheen den kluizenaar met eerbied te beschouwen, terwijl deze bezig was, en hij fluisterde sir Kenneth toe: "De Hamako is nu in zijne goede luim, maar hij zal niet spreken, vóór dat wij gegeten hebben--want dit brengt zijne gelofte mede."
Zwijgend wenkte dus Theodorik den Schot, om op een der lage stoelen plaats te nemen, terwijl Sheerkohf zich, volgens het gebruik van zijn volk, op een matten kussen zette. Toen hief de kluizenaar beide handen in de hoogte, als het ware om de ververschingen, die hij zijn gasten had voortgezet, te zegenen, en zij gingen aan het eten even zwijgend als hij. Voor den Sarraceen was deze ernst natuurlijk, en de Christen volgde dit zwijgen na, terwijl hij zijne gedachten bezig hield met het zonderlinge van zijn toestand, en het kontrast tusschen de wilde, woeste gebaren, het luid geschreeuw en de gewelddadige handelingen van den hermiet bij hunne eerste ontmoeting, en den stillen, plechtstatigen en kalmen ijver, waarmede hij thans de plichten der gastvrijheid vervulde.
Toen hun maaltijd geëindigd was, bracht de kluizenaar, die zelf geen bete gegeten had, het overgeblevene van de tafel, en zette den Sarraceen eene kruik sorbet en den Schot eene flesch wijn voor.
"Drinkt, mijne kinderen", zeide hij, en dit waren zijne eerste woorden,--"de gaven Gods mogen genoten worden, wanneer men aan den gever denkt."
Na dit gezegd te hebben, begaf hij zich naar de buitencel, waarschijnlijk om zijne gebeden te doen, en liet zijne gasten te zamen in het binnenvertrek, waar Kenneth door vragen aan Sheerkohf alles zocht te vernemen, wat deze emir van hun gastheer wist. Het was meer dan bloote nieuwsgierigheid, wat hem tot dit onderzoek aanspoorde. Hoe moeilijk het ook was, om het woest gedrag van den kluizenaar, bij zijn eerste optreden, met zijn tegenwoordige bescheidenheid en vredelievendheid overeen te brengen, scheen het nog onmogelijker om het in overeenstemming te brengen met de hoogachting, welke, zooals sir Kenneth had vernomen, deze hermiet van de meest verlichte godgeleerden der Christenwereld genoot. Theodorik, de kluizenaar van Engaddi, was in die betrekking de correspondent van pausen en kerkvergaderingen geweest, aan wie zijne brieven, getuigend van een welsprekend vuur, de ellende beschreven hadden, welke de ongeloovigen den Latijnschen Christenen in het heilige land hadden opgelegd, in bewoordingen, die nauwelijks behoefden te wijken voor die, van welke de hermiet Petrus zich bij de kerkvergadering van Clermont bediende, toen hij den eersten kruistocht predikte. In zulk een eerwaardig en geëerd man, de krankzinnige gebaren van een krankzinnigen fakir te vinden, bewoog den Christen tot nadenken, eer hij besluiten kon, om hem zekere gewichtige zaken mede te deelen, die hem door eenige aanvoerders van de kruistocht waren opgedragen.
Het was het hoofddoel geweest van zijne bedevaart, die langs een zoo ongewonen weg ondernomen was, om die mededeelingen te doen; maar hetgeen hij dien avond gezien had, deed hem aarzelen en nadenken, eer hij zijn last ten uitvoer bracht. Van den emir kon hij niet veel naricht bekomen, maar hetgeen hij vernam, kwam op het volgende neer. Dat, zoo als hij gehoord had, de hermiet voorheen een dapper en moedig krijgsman geweest was, wijs in den raad, en gelukkig in den slag; het laatste was voor den ridder zeer waarschijnlijk, naar de groote kracht en behendigheid te oordeelen, die hij hem bij herhaling had zien ten toon spreiden;--dat hij in Jerusalem was verschenen niet in de hoedanigheid van pelgrim, maar als iemand, die zich voorgenomen had het overige van zijn leven in het heilige land door te brengen. Kort daarna vestigde hij zijn verblijf te midden van de woestenij, waar zij hem thans vonden, geëerbiedigd door de Latijnen wegens zijne strenge vroomheid, en door de Turken en Arabieren wegens de teekenen van krankzinnigheid, die hij gaf, en die zij aan goddelijke ingeving toeschreven. Van hen had hij den naam Hamako gekregen, die dit karakter in de Turksche taal uitdrukt. Sheerkohf zelf scheen verlegen onder welke soort hij hun gastheer schikken zou. Hij was, zeide hij, een wijs man geweest, en kon soms uren achtereen lessen van deugd en wijsheid verkondigen, zonder den geringsten schijn van geestverbijstering. Bij andere gelegenheden was hij wild en heftig, maar nooit had hij hem te voren zoo kwaadaardig gezind gezien, als hij zich dezen dag getoond had. Zijne woede werd hoofdzakelijk opgewekt door den hoon jegens zijn godsdienst; en er liep eene geschiedenis van eenige rondtrekkende Arabieren, die zijn godsdienst aangerand en zijn altaar bevlekt hadden, en die hij daarop met den korten geesel, dien hij in plaats van alle wapenen bij zich voerde, aangevallen en gedood had. Dit voorval had veel opspraak verwekt, het was zoowel de vrees voor zijn ijzeren geesel als de achting voor zijne hoedanigheid als Hamako, welke de roofbenden bewoog zijne woonplaats en kapel te eerbiedigen. Zijn naam had zich zóó ver verspreid, dat Saladin bijzondere bevelen had uitgevaardigd om hem te sparen en te beschermen. Hij zelf en andere Mahomedaansche heeren van rang hadden de kluis meer dan eens bezocht, deels uit nieuwsgierigheid, deels omdat zij van zulk een geleerd man als den Christen Hamako eenig licht over de geheimen der toekomst verwachten. "Hij heeft," vervolgde de Sarraceen, "een Rashid of sterrewacht van groote hoogte, om de hemellichamen en inzonderheid het planetenstelsel te beschouwen, door wier bewegingen en invloeden, zooals Christenen zoowel als Muzelmannen gelooven, de loop der menschelijke gebeurtenissen worden beslist, en volgens welke deze kunnen voorspeld worden."
Dit was het voornaamste van de mededeelingen van den emir Sheerkohf, en deze lieten den ridder Kenneth in onzekerheid, of de toestand van krankzinnigheid uit den nu en dan overprikkelden geloofsijver van den kluizenaar sproot, dan of hij misschien geveinsd en aangenomen was om de vrijheden, welke hij hem verschafte. Intusschen scheen het, dat wegens dien toestand de welwillendheid jegens hem buitengewoon groot was, wanneer men de dweepzucht in aanmerking neemt van de volgelingen van Mahomed, in wier midden hij leefde, ofschoon hij de verklaarde vijand van hun geloof was. Hij meende ook eene nauwer bekendheid tusschen den hermiet en den Sarraceen te bespeuren, dan den woorden van den laatsten hem zouden hebben doen vermoeden, en het was hem niet ontgaan dat de eerste de laatsten bij een anderen naam genoemd had, dan hij zelf had opgegeven. Al deze overwegingen spoorden hem aan tot voorzichtigheid, zoo niet tot achterdocht. Hij besloot zijn gastheer nauwkeurig gade te slaan, en niet te haastig te zijn in het mededeelen van den gewichtigen, aan hem opgedragen last.
"Neem u in acht, Sarraceen", zeide hij; "mij komt het voor dat de verbeelding van onzen gastheer zoowel in de war is ten opzichte van namen als van andere zaken. Uw naam is Sheerkohf, en hij noemde u zoo straks bij een anderen."
"Mijn naam was Ilderim, toen ik nog in den tent van mijn vader was", hernam de Kurdman, "en nog noemen mij velen bij dien naam. In het veld bij de krijgslieden sta ik bekend als Leeuw van den berg, daar dit de naam is, dien mijn goed zwaard mij heeft verworven. Maar stil, de Hamako komt--het is om ons ter rust te brengen--ik ken zijne gewoonte--geen mensch moet hem bij zijne nachtwaken bespieden."
De kluizenaar trad nu ook binnen, en zijne armen, terwijl hij voor hen stond, kruiselings over elkander slaande, zeide hij op plechtigen toon: "Gezegend zij de naam van Hem, die den rustigen nacht op den werkzamen dag beveelt te volgen, en den kalmen slaap om de vermoeide leden te verfrisschen, en den verontrusten geest tot kalmte te brengen."
Beide krijgslieden antwoordden: "Amen!" stonden van de tafel op, en begaven zich naar hunne legerstede, waarheen hun gastheer hen met zijne hand wenkte, waarop hij zich met eene buiging voor elk van hen verwijderde.
De ridder van den Luipaard legde nu zijne zware wapenrusting af, terwijl de Sarraceen, zijn makker, hem vriendelijk bijstond, om deze los te maken, totdat hij daar stond in de engsluitende kleeding van gemzenleder, die de ridders en gewapenden onder hun harnas plachten te dragen. Zoo de Sarraceen de kracht van zijne tegenpartij bewonderd had, toen hij in staal gekleed was, niet minder was hij thans getroffen door de juiste evenredigheid, die in zijne gespierde en welgevormde gestalte heerschte. De ridder daarentegen, die de beleefdheid van den Sarraceen beantwoordde door hem in het uittrekken zijner bovenkleederen te helpen, opdat hij des te gemakkelijker kon slapen, vond het van zijn kant moeilijk te begrijpen, hoe zulk een teeder en rank maaksel kon overeengebracht worden met de kracht, die hij in den strijd aan den dag gelegd had.
Elk der krijgslieden hield een gebed, vóór dat hij zich ter rustplaats begaf. De Muzelman wendde zich naar zijne Kaaba, het punt, waarheen het gebed van elken volgeling van den profeet gericht moet worden, en prevelde zijne Heidensche gebeden, terwijl de Christen, zich uit de bezoedelende nabijheid van den ongeloovige verwijderde, zijn groot zwaard met het kruisvormige hecht rechtopzette, en daarvóór als het teeken van de verlossing nederknielende, zijne rozenkrans met eene aandacht opzeide, die verhoogd werd door de herinnering aan de tooneelen, welke hij had beleefd, en de gevaren waaruit hij dien dag gered was. Beide krijgslieden, afgemat door vermoeienis en inspanning, lagen weldra in een vasten slaap, ieder op zijn afzonderlijk leger.
HOOFDSTUK IV.
Kenneth, de Schot, wist niet, hoe lang hij in diepe rust verzonken was geweest, toen hij tot bezinning kwam door een gevoel van drukking op de borst, die eerst een vluchtigen droom van strijd met een machtigen tegenstander te weeg bracht, en hem eindelijk geheel het gebruik zijner zinnen teruggaf. Hij was op het punt om te vragen wie daar was, toen hij, de oogen openende, de gedaante van den kluizenaar zag, wild en vertoornd, zoo als wij hem beschreven hebben, naast zijn bed staande, en zijne rechterhand op zijne borst drukkende, terwijl hij eene kleine zilveren lamp in de andere hield.
"Zwijg", zeide de hermiet, terwijl de liggende ridder met verbazing opzag; "ik heb u iets te vragen, dat gindsche ongeloovigen niet hooren mag."
Deze woorden sprak hij in de Fransche taal, en niet in de lingua franca of het mengelmoes van Oostersche en Europeesche talen, waarvan zij zich tot hiertoe bediend hadden.
"Sta op", vervolgde hij, "trek uw mantel aan--spreek niet, maar loop zacht, en volg mij."
Sir Kenneth stond op en nam zijn zwaard.
"Dat is niet noodig", antwoordde de kluizenaar fluisterend, "wij gaan naar eene plaats, waar geestelijke wapenen veel helpen, en vleeschelijke wapenen niets zijn dan riet en verwelkte kalabas."
De ridder zette zijn zwaard weder naast het bed, en alleen met zijn dolk gewapend, waarvan zich niemand in dat gevaarlijke land scheidde, was hij gereed om zijn geheimzinnigen waard te volgen.
De hermiet ging toen langzaam voorwaarts, en werd door den ridder gevolgd, die nog altijd onzeker was, of de zwarte gedaante, die voor hem heen gleed om den weg te wijzen, inderdaad niet slechts de schepping van een verstoorden droom was. Zij zweefden, schaduwen gelijk, naar het buitenste vertrek, zonder den Heidenschen emir te storen, die nog in diepen slaap lag gedompeld. Voor het Kruis en het altaar in de buitenste kamer, brandde nog eene lamp, een misboek lag opengeslagen, en op den vloer lag een boetegeesel van dunne koorden en draad, die nog met versch bloed bevlekt was, zonder twijfel een teeken van de zware boetedoening van den kluizenaar. Hier knielde Theodorik neder en wees den ridder, dat hij naast hem plaats zou nemen, op de zwarte keisteenen, die daar gelegd schenen te zijn, om de houding van eerbiedige overpeinzing zoo ongemakkelijk mogelijk te maken; hij las verscheidene gebeden van de Roomsche kerk en zong met eene zachte, maar ernstige stem drie boetpsalmen. Deze laatste vermengde hij met zuchten en tranen en stuiptrekkende snikken, die getuigden, hoe diep hij de goddelijke gedichten, die hij opzeide, gevoelde. De Schotsche ridder woonde deze godsdienstoefeningen met hoogen ernst bij, terwijl zijn oordeel omtrent zijn gastheer tevens zoo zeer begon te veranderen, dat hij niet wist, of hij hem niet wegens de gestrengheid zijner boete en het vuur zijner gebeden als een heilige moest beschouwen; en toen zij van den grond oprezen, stond hij met eerbied voor hem, als een leerling voor zijn geëerbiedigden meester. De hermiet van zijn kant was gedurende eenige minuten stil en afgetrokken.
"Zie in dien hoek, mijn zoon", zeide hij, op een ver verwijderden hoek van de cel, wijzende; "daar zult gij een sluier vinden; breng dien hier."
De ridder gehoorzaamde, en in eene kleine opening, die in den muur uitgehouwen en met eene deur van vlechtwerk gesloten was, vond hij den sluier, dien hij zocht. Toen hij dezen bij het licht bracht, ontdekte hij, dat hij gescheurd, en op sommige plaatsen met een donkere zelfstandigheid bevlekt was. De kluizenaar zag hem met een diepe maar onderdrukte aandoening aan, en eer hij tot den Schotschen ridder kon spreken, was hij genoodzaakt zijn gevoel in een stuiptrekkenden snik lucht te geven.
"Gij staat thans op het punt, om den rijksten schat te aanschouwen, dien de aarde bezit," zeide hij eindelijk; "wee mij, dat mijne oogen niet waardig zijn, om daartoe opgeheven te worden! Helaas! Ik ben slechts het lage en verachte uithangbord, dat een vermoeiden reiziger eene herberg van rust en veiligheid aanwijst, maar zelf altijd buiten de deur moet blijven. Te vergeefs ben ik naar de benedenste diepten der rotsen en midden in den schoot der dorre wildernissen gevloden. Mijn vijand heeft mij gevonden--zelfs hij, dien ik verloochend heb, heeft mij tot in mijne sterkten gevolgd."
Hij zweeg weder een oogenblik, en, zich tot den Schotschen ridder wendende, zeide hij op vasten toon: "brengt gij mij eene groete van Richard van Engeland?"
"Ik kom van wege den raad der Christen Vorsten", antwoordde de ridder; "maar daar de Koning van Engeland ongesteld was, ben ik met de bevelen zijner Majesteit niet vereerd."
"Uw teeken?" vroeg de hermiet.
Ridder Kenneth aarzelde; vroegere argwaan en de blijken van krankzinnigheid, die de kluizenaar eerst aan den dag gelegd had, rezen hem plotseling voor den geest; maar hoe zou hij een man verdenken, wiens gedrag zoo vroom was?--"Mijne leus", zeide hij, "is deze: Koningen bedelen bij een bedelaar."
"Dat is juist", antwoordde de hermiet en zweeg een oogenblik; toen vervolgde hij: "ik ken u wel; maar de schildwacht op zijn post--en de mijne is van hoog gewicht--roept vriend zoowel als vijand aan."
Hij ging toen vooruit met de lamp naar de kamer, die zij zoo straks verlaten hadden. De Sarraceen lag in diepen slaap op zijn bed. De kluizenaar bleef bij hem staan en zag op hem neder. "Hij slaapt", zeide hij, "in duisternis, en moet niet gewekt worden."
De houding van den emir getuigde inderdaad van eene zeer diepe rust. De eene arm om het lijf geslingerd, terwijl hij met zijn gelaat half naar den muur gekeerd lag, verborgen zijne losse en lange mouw het grootste gedeelte van zijn aangezicht; maar het hooge voorhoofd was nog zichtbaar. Zijne zenuwen, die gedurende zijn waken zoo gedurig in beweging waren, thans bewegingloos, alsof zijn gelaat uit zwart marmer bestond; en zijne lange, zijden wenkbrauwen bedekten zijn doordringend valkenoog. De geopende en ontspannen hand en de diepe regelmatige en zachte ademhaling gaven allen blijken van de diepe rust. Eene zonderlinge groep vormde de slaper met de hooge gestalte van den hermiet in zijne ruwe geitenkleeding, met de lamp in de hand, en den ridder in zijn eng leeren gewaad, de eerste met een sombere uitdrukking van ascetische droefgeestigheid, de laatste met eene angstige nieuwsgierigheid in zijne mannelijke trekken.
"Hij slaapt vast", zeide de kluizenaar, op denzelfden zachten toon als zoo even, en de woorden herhalende, ofschoon hij ze niet meer in een letterlijken maar oneigenlijken zin sprak "hij slaapt in de duisternis, maar er zal een dag voor hem aanbreken. O Ilderim, uwe wakende gedachten zijn nog zoo ijdel en wild als die, welke hun dwarrelenden dans in uwe slapende hersens houden, maar de bazuin zal zich doen hooren, en de droom zal verdwijnen."
Dit zeggende, en den ridder een teeken gevende om hem te volgen, ging de kluizenaar naar het altaar, en zich daarachter plaatsende, drukte hij op eene veer, die, zonder gedruisch te veroorzaken, eene kleine ijzeren deur in de zijde van de grot deed opengaan, die bijna onzichtbaar was, als men met de grootste nauwkeurigheid er naar zocht. Eer de hermiet het waagde om de deur geheel te openen, liet hij eenige droppels olie uit de lamp op de hengels vallen. Toen de ijzeren deur geheel geopend was, ontdekte men een kleine trap, in de rots uitgehouwen.
"Neem den sluier, dien ik draag", zeide de kluizenaar op zwaarmoedigen toon; "en bind mij dien voor de oogen; want ik mag zonder zonde en aanmatiging den schat niet aanschouwen, dien gij zoo straks zult zien."
Zonder te antwoorden, hulde de ridder thans het hoofd van den kluizenaar in den sluier, en deze daalde de trap af, als een man, die aan den weg te gewoon was, om het gebruik van licht noodig te hebben, terwijl hij terzelfder tijd den Schot de lamp voorhield, die hem nu volgde, verscheidene trappen afdalende. Eindelijk bleven zij staan in een klein gewelf van onregelmatigen vorm, in een hoek waarvan de trap eindigde, terwijl in den tegenovergestelden hoek een andere trap weder naar boven voerde. In een derden hoek was eene Gotische deur, zeer ruw met de gewone versiering van groepen, zuilen en beeldhouwwerk, en waarin een sterk, met ijzer beslagen, en met groote spijkers voorzien luikje was gemaakt. Naar dit laatste punt wendde de hermiet zijne schreden, die schenen te aarzelen, toen hij naderde.
"Trek uwe schoenen uit", zeide hij tot mijn metgezel; "de grond, waarop gij staat, is heilig. Verban uit het binnenste uws harten elke wereldsche en vleeschelijke gedachte, want het zou eene doodzonde zijn, die op deze plaats te koesteren."
De ridder legde zijne schoenen af, gelijk hem bevolen was, en de kluizenaar toefde intusschen, als in een stil gebed verdiept; toen stelde hij zich weder in beweging, en beval den ridder om drie malen aan het deurtje te kloppen. Deze deed dit. De deur ging van zelf open; althans sir Kenneth bespeurde niemand; en eensklaaps werden zijne zinnen getroffen door een stroom van het zuiverste licht en een sterke en bijna bedwelmende geur van de liefelijkste reukwerken. Hij deinsde twee of drie schreden achterwaarts, en het duurde wel eene minuut, eer hij van de verblindende en overweldigende werking van den plotselingen overgang van duisternis in licht herstelde.
Toen hij in het vertrek trad, waarin zich deze heldere glans verspreidde, bespeurde hij, dat het licht voortkwam uit een aantal zilveren lampen, gevuld met de zuiverste olie, die den heerlijksten reuk verspreidden, en aan zilveren kettingen van het gewelf van eene kleine Gotische kapel hingen, die, evenals het grootste gedeelte van het zonderling verblijf van den kluizenaar, in de zuivere en harde rots uitgehouwen was. Maar terwijl op elke andere plaats, die sir Kenneth gezien had, de arbeid, die aan de rots was besteed geworden, van den eenvoudigsten en ruwsten aard geweest was, waren in deze kapel de kunst en de beitels van de bekwaamste bouwkundigen gebruikt. De geaderde gewelven rustten aan iedere zijde op zes zuilen, die met het grootste talent waren uitgehouwen; en de wijze, waarop de bogen met elkander verbonden waren met daarbij passende versieringen, was geheel in den schoonsten stijl van de beste bouworde van dien tijd. In overeenstemming van de rij pilaren, waren er aan iedere kant zes prachtig gewerkte nissen, waarvan elke het beeld van een der twaalf apostelen bevatte. Aan het bovenste en oostelijke einde van de kapel stond het altaar, waarachter eene kostbare rijke gordijn van Perzische zijde, zwaar met goud geborduurd, eene geheime plaats bedekte, die zonder twijfel het eene of andere beeld of eene reliquie van groote heiligheid bevatte, ter eere waarvan dit zonderlinge oord van godsvereering was opgericht. In de overtuiging, dat dit het geval moest zijn, ging de ridder naar het vertrek, knielde neder, en herhaalde zijne gebeden met vuur; hierin werd hij gestoord door dat de gordijn eensklaps opgetrokken, of liever ter zijde geschoven werd, hoe of door wien, zag hij niet; maar in de zoo ontsloten nis zag hij een kast van zilver en ebbenhout, met dubbele vleugeldeuren, in het klein eene Gotische kerk nabootsende.
Terwijl hij met gespannen belangstelling naar de kast zag, gingen ook de twee vleugeldeuren open, waardoor een groot stuk hout voor den dag kwam, waarop de woorden gesneden waren: "Vera Crux", en tegelijkertijd zong een koor van vrouwen het "Gloria Patri". Toen het gezang opgehouden had, sloot zich de kast weder, en viel de gordijn, en de ridder, die voor het altaar knielde, kon thans zijn gebed ongestoord voortzetten tot de heilige reliquie, die zoo even voor zijne oogen zichtbaar was geworden. Hij deed dit met den diepen ootmoed van een man, die met zijn eigen oogen eene verhevene bevestiging van de waarheid van zijn godsdienst gezien had, en het duurde eenigen tijd, voor dat hij zijn gebed eindigde, opstond en het waagde naar den kluizenaar om te zien, die hem naar deze heilige en geheimzinnige plek geleid had. Hij zag hem, met zijn hoofd nog steeds in den sluier gewikkeld, dien hij er zelf omheen geslagen had, als een hond, op den drempel van de kapel liggende, en, naar het scheen, zonder het te durven vragen, om daar over te stappen: de heiligste eerbied, de meest berouwhebbende wroeging was in zijne houding te lezen, welke die was van een man, die terneergebogen aan den grond gekluisterd scheen door den druk van zijne inwendige gewaarwordingen. Het kwam den Schot voor, dat alleen het gevoel van het diepste berouw, en de grootste verootmoediging zulk een sterk lichaam en een zoo vurigen geest konden vernederd hebben.
Hij naderde hem, als of hij met hem spreken wilde; maar de hermiet voorkwam zijn voornemen, door in gesmoorde tonen van achter den sluier en met eene stem, die uit een mummie scheen te komen, te zeggen: