De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 4

Chapter 43,816 wordsPublic domain

Verhalen van tooverij en geestenbezwering vormden een deel van de wetenschap van den tijd, en ridder Kenneth, hoorde de bekentenis, die zijn reisgezel hem van zijn duivelschen oorsprong deed, zonder eenig ongeloof en zonder veel verbazing, maar niet zonder eene geheime rilling, dat hij zich op deze verschrikkelijke plaats bevond in het gezelschap van een man, die erkende tot dien stam te behooren. Nochtans van nature onvatbaar voor vrees, sloeg hij een kruis, en vroeg moedig aan den Sarraceen om een verklaring van den stamboom, waarop hij zich beroemd had. Deze voldeed gewillig aan zijn verzoek.

"Gij moet dan weten, dappere vreemdeling," zeide hij, "dat de wreede Zohauk, een der nakomelingen van Giamschid, toen hij den troon van Perzië besteeg, een verbond met de machten der duisternis sloot in de geheimen gewelven van Istakhar, gewelven, die de handen der oorspronkelijke geesten uit de levende rots gehouwen hadden, lang zelfs vóór dat Adam bestond. Hier voedde hij met dagelijksche offeranden van menschenbloed twee verslindende slangen, die, volgens de dichters, een gedeelte van hem zelven waren geworden, en tot wier onderhoud hen eene dagelijksche schatting van menschenoffers lichtte, totdat het geduld zijner onderdanen uitgeput was, en menigeen het zwaard des oproers vatte, zooals de moedige hoefsmid en de altijd overwinnende Feridoun, die den dwingeland eindelijk onttroonden en voor eeuwig in de vreeselijke holen van den berg Damavend opsloten. Maar eer die bevrijding plaats had, en terwijl de macht van den bloeddorstigen dwingeland ten hoogsten top was gestegen, bracht de bende roovende slaven, die hij uitgezonden had om hem zijne dagelijksche slachtoffers te bezorgen, in het paleis van Istakhar zeven zusters te zamen, zoo schoon dat zij zeven houris schenen. Deze meisjes waren de dochters van een wijze, die geen andere rijkdommen bezat dan deze schoonheden en zijne eigen wijsheid. De laatste was niet wijs genoeg om dit ongeluk vooruit te zien, de eersten niet bij machte om het te voorkomen. De oudste was niet boven de twintig, de jongste had nauwelijks haar dertiende jaar bereikt, en zij geleken allen zoozeer op elkander, dat men haar zonder het verschil van grootte niet had kunnen onderscheiden, daar zij in eene onmerkbare, geleidelijke opklimming op elkander volgden, gelijk de hoogten, die naar de poorten van het paradijs voeren. Deze zeven zusters waren zoo beminnelijk, toen zij in het donkere gewelf stonden, ontbloot van alle kleeding behalve een wit zijden bovenkleed, dat hare bekoorlijkheden het hart van onsterfelijke wezens troffen. De donder ratelde, de aarde beefde, de muur van het gewelf spleet van een, en door de opening trad een man, als jager gekleed met boog en pijlen, en gevolgd door zes anderen, zijne broeders. Het ware groote mannen, en, ofschoon donker van kleur, toch liefelijk om te aanschouwen; maar hunne oogen hadden meer den blik der dooden, dan het licht, dat van onder de oogleden der levenden te voorschijn komt. "Zeineb" zeide de aanvoerder van den troep,--en dit zeggende nam hij de oudste der zusteren bij de hand, en zijne stem was zacht, welluidend en zwaarmoedig,--"ik ben Cothrob, Koning der onderwereld, en opperhoofd van Ginnistan. Ik en mijne broeders behooren tot hen, die uit het zuivere oorspronkelijke vuur geschapen, zelfs op bevel der Almacht, het beneden ons rekenden, om hulde te bewijzen aan een klomp leem, omdat die mensch genoemd werd. Gij zult ons zeker wel hebben hooren beschrijven als wreed, onmeedoogend en vervolgziek. Dit is onwaar. Wij zijn van nature goed en edelmoedig; alleen wraakzuchtig, wanneer men ons beleedigt, slechts wreed, wanneer men ons hoont. Wij zijn trouw aan diegenen, die vertrouwen in ons stellen; en wij hebben de gebeden van uw vader, den wijzen Mithrasp gehoord, die wijselijk niet alleen den oorsprong des goeds vereert, maar ook dat, wat de bron des kwaads genoemd wordt. Gij en uwe zusters zijt op den oever des doods; maar laat ieder van u ons één haar uit uwe schoone lokken geven ten teeken van trouw, en wij zullen u vele mijlen van hier naar eene veilige plaats brengen, waar gij Zohauk en zijne dienaars kunt trotseeren! De vrees voor een oogenblikkelijken dood, zegt de dichter, is als de staf van den profeet Aäron, die al de andere staven verslond, toen zij in tegenwoordigheid van Koning Farao in slangen veranderd werden; en de dochters van den Perzischen wijzen waren minder vatbaar dan anderen om voor de woorden van een geest te schrikken. Zij gaven den tol, dien Cothrob vorderde, en in een oogenblik werden de zusters naar een betooverd kasteel op de bergen van Tugrut in Kurdistan overgebracht, en nooit zag een sterfelijk oog haar weer. Maar na verloop van tijd verschenen zeven jongelingen, uitmuntend in den oorlog en de jacht, in de omstreken van het kasteel der onderaardsche geesten. Zij waren donkerder, grooter, fierder en moediger, dan eenige van de verspreide inwoners der valleien van Kurdistan; en zij namen vrouwen, en werden de stamvaders van de zeven der Kurdmannen, wier dapperheid door het gansche heelal bekend is."

De Christen ridder luisterde met verwondering naar het fantastisch verhaal, waarvan in Kurdistan nog de sporen te vinden zijn, en na een oogenblik nagedacht te hebben, antwoordde hij: "In waarheid, heer ridder, gij hebt gelijk--uw stam kan gevreesd en gehaat, maar niet veracht worden. Ook verwonder ik mij volstrekt niet meer over uwe hardnekkige volharding bij een valsch geloof, daar het zonder twijfel een deel uitmaakt van dien vijandelijken geest, afkomstig van uw voorouders die jagers der onderwereld, die gij beschreven hebt, en die meer de logen dan de waarheid beminnen. Ook ben ik in het geheel niet meer verbaasd, dat uw geest vroolijk wordt, en zich in verzen en liederen openbaart, wanneer gij de plaatsen nadert, die door booze geesten bevolkt zijn, daar zij in u dat blijde gevoel moeten verwekken, dat anderen ondervinden, wanneer zij het land hunner menschelijke voorouders naderen."

"Bij den baard mijns vaders, ik geloof, dat gij gelijk hebt," zeide de Sarraceen, eer verheugd dan vertoornd over de vrijmoedigheid, waarmede de Christen deze opmerkingen gemaakt had; "want ofschoon de profeet--geloofd zij zijn naam!--het zaad onder ons uitgestrooid heeft van een beter geloof dan onze voorouders in de gewelven der geesten van Tugrut geleerd hebben, zoo willen wij toch niet, als andere Muzelmannen, eene haastige veroordeeling uitspreken over de verheven en machtige oorspronkelijke geesten, van wie wij onzen oorsprong afleiden. Deze geesten zijn, volgens ons geloof en onze hoop, niet geheel en al verworpen, maar nog op den weg der beproeving, en kunnen daarna gestraft of beloond worden. Wij willen dit aan de Mollahs en de Imans overlaten. Genoeg zij het, dat bij ons de eerbied voor deze geesten niet geheel is uitgewischt door hetgeen wij in den koran geleerd hebben, en dat vele van ons nog ter gedachtenis van het oudere geloof onzer voorouderen, verzen als deze zingen."

Nu zong hij verzen in taal en vorm van hoogen ouderdom, welke sommigen meenen, dat hun oorsprong ontleenden aan de vereerders van Ahriman, het kwade beginsel.

AHRIMAN

Vorst Ahriman! wien Iraks zaad Voor d'oorsprong houdt van wee en kwaad! Als, knielend voor uw rijk, 't Beangstigd menschdom sidd'rend zucht, Waar is dan, onder 't ruim der lucht, Een macht aan u gelijk?

Als 't wezen dat ons gunstig is, Een bron schept in de wildernis, Waaruit de pelgrim drinkt; U is de golf die 't rotsstrand slaat, De draaikolk, waarin 't al vergaat, Waar schip bij schip verzinkt.

Of, als uit d'aarde, door Zijn macht De plant ontspruit vol levenskracht, Slechts enklen redt Zijn' hand Van uw gebied in oost en west, Het vuur der koorts, de bleeke pest, De pijlen uit uw hand.

Gij heerscht in 't diepst van 's menschen ziel; En dikwijls als hij nederviel En andre Godheên huldt-- Hoe schoon dan zijn gebed ook praal, Het diepst van 't hart weerspreekt zijn taal, En is met u vervuld.

Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm, Spreekt g'in den donder, woont ge in storm, Zoo als de wijze meent? Een ziel met haat en toorn vervuld, Met vleuglen van den dood omhuld En schrikkelijk gebeent?

Of zijt gij met Natuur verknocht, Een kracht die woont in elk gewrocht, En goed in kwaad verkeert? Een boos beginsel, bron van smart, Hetwelk ons beter deel steeds tart, En ach! zoo vaak beheert?

't Is vruchtloos, 't zij men twiste of niet, Elk voorwerp huldigt uw gebied, Natuur en 's menschen staat: Ja, iedere drift van 's sterflings hart, Min, haat, verachting, blijdschap, smart, Verkeert uw macht in kwaad!

Zoodra er op ons tranenveld, Één enkel zuiver straaltje welt, Zijt gij niet ver meer af: In dit kortstondig gunstig lot, Leidt ge iedre bron van ons genot, Tot ons verderf en smart.

Dus, van het uur van elks geboort, Zoo lang als de aard hem zuchten hoort, Houdt ge ieders lot bepaald. Gij kwelt nog 's levens laatsten nacht: En--wie beslist, of dan uw macht, Gij Geest des kwaads, hier faalt?

Deze verzen mogen misschien de niet onnatuurlijke uiting van den een of anderen halfverlichten wijsgeer geweest zijn, die in de fabelachtige godheid, Ahriman, alleen het overwicht van het zedelijk en natuurlijk kwaad zag; maar in de ooren van sir Kenneth van den Liggenden Luipaard hadden zij eene gansch andere uitwerking, en gezongen door iemand, die zich zoo even beroemd had een afstammeling der onderaardsche geesten te zijn, klonken zij bijna als eene oproeping tot den dienst van den aartsvijand zelven. Hij overwoog in zijn hart, of het na het aanhooren van zulk eene godslastering in dezelfde woestijn, waar Satan met zijne eischen op aanbidding was afgewezen, voldoende was, dat hij zijn afschuw toonde door een plotseling afscheid van den Sarraceen te nemen; dan of hij niet veeleer door zijne gelofte als kruisvaarder gedwongen was, om den ongeloovige op de plek zelve ten strijd te dagen, en hem tot voedsel voor de dieren der wildernis te laten, toen zijne aandacht, eensklaps getrokken werd door eene onverwachte verschijning.

De dag neigde reeds bijna ten einde; maar het was nog licht genoeg, om den ridder te doen bespeuren, dat zij niet langer alleen in het woud waren, maar van nabij door een zeer groote en magere gedaante werden gadegeslagen, die met zoo veel vlugheid over rotsen en struiken sprong, dat het, gevoegd bij het wilde en harige voorkomen van dit wezen, hem aan de faunen en boschgoden herinnerde, wier beeltenissen hij in de oude tempels van Rome gezien had. Daar de Schot in den eenvoud zijns harten nooit een oogenblik getwijfeld had, of deze goden der oude heidenen waren wezenlijke duivels, aarzelde hij niet te gelooven, dat het godlasterende lied van den Sarraceen een helschen geest had doen te voorschijn komen.

"Maar wat kan het mij deren!" zeide de dappere sir Kenneth bij zich zelven; "weg met den booze en zijne vereerders!"

Hij achtte het echter niet noodig, om twee vijanden uit te dagen, gelijk hij één zeker zou gedaan hebben. Zijne hand lag reeds aan zijne knots, en misschien ware de zorgelooze Sarraceen voor zijne Perzische dichtkunst betaald geworden, door het verpletteren zijner hersens, zonder dat er eenige reden voor opgegeven werd; maar den Schotschen ridder werd eene daad gespaard, die eene blijvende schandvlek op zijn wapenschild zou geworpen hebben. De verschijning, waarop zijne oogen gedurende eenigen tijd waren gevestigd, had eerst hun pad schijnen te volgen, door zich achter rotsen en struiken te verbergen, waarbij hij de voordeelen van het terrein met groote behendigheid had weten te gebruiken, en de oneffenheid ervan met verbazende vlugheid was te boven gekomen. Eindelijk, juist toen de Sarraceen zijn gezang eindigde, sprong de gedaante, die van een groot man in een geitenvel gekleed, midden in het pad, en greep een teugel van het paard des Sarraceens in elke hand, zich zoo voor het edele dier plaatsende en het achteruit dringende. Niet in staat om het drukken van dezen onverwachten aanval op zijn gebit en op de stijve kinketen uit te staan, die naar het Oostersch gebruik uit een sterken ijzeren ring bestond, steigerde het dier en viel eindelijk ruggelings op zijn meester, die echter het gevaar van den val ontdook door zich behendig op de eene zijde te werpen.

De aanvaller liet toen den teugel van het paard los en greep de keel van den ruiter. Hij sprong op den worstelenden Sarraceen, en hield hem, ondanks zijne jeugd en kracht, onder, terwijl hij zijne lange armen om die van zijn gevangene sloeg, die vertoornd en toch half lachende uitriep: "Hamako--gek--laat mij los--dit gaat uw voorrecht te boven--laat mij los, of ik zal mijn dolk gebruiken."

"Uw dolk!--ongeloovige hond!" riep de gedaante in het geitenvel, "houd hem vast, wanneer gij kunt," en in een oogenblik scheurde hij het wapen uit des eigenaars hand, en zwaaide het boven zijn hoofd.

"Help, Nazareër!" riep Sheerkohf, nu ernstig ontsteld; "help, of de Hamako zal mij vermoorden."

"U vermoorden," hernam de bewoner der woestijn; "Wel hebt gij den dood verdiend door het zingen uwer godlasterende liederen, niet alleen op den lof van uw valschen profeet, die de bode is van den booze, maar op dien van den oorsprong des kwaads zelf."

De Christen ridder had tot hiertoe als verstomd toegezien, zoo zeer streed deze gebeurtenis in hare toedracht en uitslag tegen al wat bij had kunnen voorzien. Hij gevoelde echter eindelijk, dat zijne eer van hem vorderde, om zich voor zijn overwonnen metgezel in de bres te stellen; en wendde zich daarom tot de zegevierende gestalte in het geitenvel.

"Wie gij ook zijn moogt," zeide hij, "van goed of kwaad geslacht, verneem, dat ik voor het oogenblik gezworen heb de getrouwe reisgezel van den Sarraceen te zijn, dien gij in uwe macht hebt; daarom verzoek ik u hem te laten opstaan, anders zal ik met u voor hem strijden."

"En een zeer geschikte strijd zou het voor een kruisvaarder zijn, om met een man van zijn eigen heilig geloof voor een ongedoopten hond te vechten! Zijt gij in de woestijn gekomen, om voor de Halve Maan tegen het Kruis het zwaard te trekken? Gij zijt een allerliefst krijgsman van God, daar gij luistert naar hen, die tot lof van Satan zingen!"

Nochtans stond hij onder het spreken van deze woorden op, liet den Sarraceen ook oprijzen, en gaf hem zijn dolk terug.

"Gij ziet, in welk een gevaar uwe onvoorzichtigheid u gestort heeft," vervolgde de man met het geitenvel, zich nu tot Sheerkohf wendende, "en door welke geringe middelen uwe geoefende behendigheid en geroemde vlugheid kunnen overwonnen worden, als dit de wil des Hemels is. Neem u dus in acht, Ilderim! want verneem, dat, zoo er niet in uwe geboortester eene flikkering was, die u iets goeds en genadigs in Gods goeden tijd beloofde, wij niet van elkander zouden gescheiden zijn, vóór dat ik de keel verscheurd had, die nog zoo kort geleden godslasteringen had uitgebraakt."

"Hamako," zeide de Sarraceen, zonder eenigen schijn van gevoeligheid over diens heftige taal en zijn nog heftiger aanval, "ik bid u, goede Hamako, om u te wachten, niet weder van uw voorrecht zulk een gebruik te maken; want, ofschoon ik als goed Muzelman hem eerbiedig, wien de hemel van zijn verstand beroofd heeft, om hem den geest der voorspelling te schenken, houd ik er toch niet van, dat vreemde lieden hunne handen aan den toom van mijn paard of aan mijn persoon slaan. Zeg dus tegen mij wat gij verkiest, en gij zult niets van mijn toorn te vreezen hebben; maar tracht uwe gedachten voor zoo ver bij elkander te houden, om te kunnen begrijpen, dat ik bij de eerste gelegenheid, dat gij mij weder eenig geweld zoudt willen aandoen, uw ruig hoofd van uwe magere schouders zal afslaan.--En u, vriend Kenneth," voegde hij er bij, zijn paard weder bestijgende, "voel ik mij verplicht te zeggen, dat ik bij een metgezel door de woestijn meer houdt van vriendschappelijke daden dan van groote woorden. Van de laatsten hebt gij mij genoeg gegeven; maar het ware beter geweest, mij wat spoediger te helpen in mijn strijd met dezen Hamako, die mij in zijne krankzinnigheid bijna van het leven beroofd had."

"Inderdaad," antwoordde de ridder; "ik heb hierin gefaald--ik was wat traag om dadelijk bij te springen; maar het zonderling voorkomen van den aanvaller, het onverwachte van het tooneel.... het was alsof uw wild en goddeloos lied den duivel onder ons had doen opstaan, en zoo groot was mijne verrassing, dat er twee of drie minuten verliepen, eer ik mijn wapen kon vatten."

"Gij zijt slechts een koel en al te bedachtzaam vriend," zeide de Sarraceen: "en zoo de Hamako een graad razender geweest was, dan zou uw metgezel tot uwe eeuwige schande aan uwe zijde gedood zijn geworden, zonder dat gij een vinger tot zijne redding uitgestoken hadt, ofschoon gij gewapend en wel bereden daarbij stondt."

"Op mijn woord, Sarraceen", hernam de Christen, "als ik het u ronduit zeggen zal, ik meende, dat die zonderlinge gedaante de duivel was, en daar hij van uw geslacht was, wist ik niet, welke familiegeheimen gij elkander mededeeldet, toen gij zoo teeder met elkander in het zand roldet."

"Uw spot is geen antwoord, broeder Kenneth", hervatte de Sarraceen, "want weet, dat al was inderdaad mijn aanvaller de vorst der duisternis zelf geweest, gij niettemin verplicht waart, om met hem den strijd aan te gaan voor uw reisgenoot. Gij moet ook weten, dat al wat er slecht of duivelsch in den Hamako is, meer tot uw stam dan tot den mijnen behoort, want deze Hamako is de kluizenaar, dien gij zijt komen bezoeken."

"Deze!" riep sir Kenneth, de athletische, maar vervallen gedaante die voor hem stond, beschouwende--"deze!--gij schertst Sarraceen--dit kan de eerwaardige Theodorik niet zijn!"

"Vraag hem zelven, zoo gij mij niet gelooven wilt", antwoordde Sheerkohf, en nog eer hij deze woorden uitgesproken had, bevestigde de kluizenaar wat hij had gezegd.

"Ik ben Theodorik van Engaddi", zeide hij--"ik ben de wandelaar der woestijn--ik ben de vriend van het Kruis, en de geesel van alle ongeloovigen, ketters en duivelaanbidders! Wacht u, wacht u!--Weg met Mahomed, Termagaunt en al hunne aanhangers!"--Dit zeggende, haalde hij van onder zijn ruig gewaad eene soort van geestel of ineengedraaide met ijzer beslagen knots, die hij met verwonderlijke behendigheid om zijn hoofd zwaaide.

"Gij ziet uw heilige," zeide de Sarraceen, voor de eerste maal lachende over de grenslooze verbazing, waarmede sir Kenneth op de woeste gebaren van Theodorik staarde en diens onzinnig geprevel aanhoorde. Deze, na zijn geesel naar alle zijden heen gezwaaid te hebben, zonder zich, naar het scheen, in het minst er aan te storen, of die het hoofd van een zijner gezellen trof, toonde eindelijk zijne eigen kracht en die van het werktuig door een groote steen, die naast hem lag, te verbrijzelen.

"Dit is een krankzinnige", zeide sir Kenneth.

"En daarom niet minder heilig," hernam de Muzelman, volgens het welbekende Oostersche geloof, dat de krankzinnigen onder den invloed van hoogere ingeving staan. "Weet, Christen, dat, wanneer het eene oog uitgedoofd is, het andere te scherper wordt--dat wanneer de eene hand af gehouwen is, de andere in kracht toeneemt; en zoo wordt ook, wanneer onze rede in menschelijke zaken verstoord of vernietigd is, ons gezicht op hetgeen van den hemel is te scherper en volmaakter."

Hier werd de stem van den Sarraceen door die van den kluizenaar overschreeuwd, die in een wilden, zingenden toon luid begon te schreeuwen: "Ik ben Theodorik van Engaddi--ik ben de brandtoorts van de woestijn--ik ben de geestel der ongeloovigen! De leeuw en de luipaard zullen mijne makkers zijn, en in mijne cel eene schuilplaats zoeken; en de jonge bok zal niet voor hunne klauwen bevreesd zijn--ik ben de toorts en de lantaarn--Kyrie Eleison!"

Hij besloot zijn gezang met een korten sprong en eindigde dezen weder door sprongen voorwaarts, die hem in eene oefenschool voor de gymnastiek groote eer zouden gedaan hebben, maar zoo slecht met zijn stand van kluizenaar strookten, dat de Schotsche ridder even verbaasd als ontsteld was.

De Sarraceen scheen hem beter te verstaan. "Gij ziet", zeide hij, "dat hij van ons verwacht, dat wij hem naar zijne cel zullen volgen, die dan ook inderdaad onze eenige schuilplaats voor dezen nacht is. Gij zijt de luipaard volgens het beeld op uw schild--ik ben de leeuw, zooals mijn naam aanduidt--en met de geit bedoelt hij, met toespeling op zijn geitenvel, zich zelven. Wij moeten hem echter in het oog houden, want hij is even vlug als een dromedaris."

En inderdaad was die taak moeilijk; want, ofschoon de eerwaardige gids van tijd tot tijd staan bleef, en met zijne hand wuifde, alsof hij hen aanmoedigen wilde om voorwaarts te komen, leidde hij toch, goed bekend met al de kronkelende holle wegen en enge passen der woestijn, en met ongemeene snelheid begaafd, die misschien door zijn verstoorden gemoedstoestand in gedurige beweging gehouden werd, de ridders door kloven en overpaden, waar zelfs de lichtgewapende Sarraceen met zijn wel geoefend ros in groot gevaar verkeerde, en waar de in ijzer gekleede Westerling en zijn zwaar beladen paard zich in zulk een dreigend gevaar bevonden, dat de ruiter liever in een heet gevecht zou zijn geweest. Hij was blijde toen hij eindelijk, na dezen wilden tocht, den heiligen man, die hen geleid had, bij een hol zag staan, met eene groote fakkel in de hand, die uit een stuk hout bestond, dat in pek gedoopt was, en een breed, flikkerend licht verspreidde, terwijl zij een sterken, zwavelachtigen geur van zich gaf.

Niet afgeschrikt door den verstikkenden damp, sprong de ridder van het paard en trad de grot binnen, die het voorkomen niet had van eenige gemakken te zullen verschaffen. De cel was in twee afdeelingen gescheiden, in de buitenste waarvan een steenen altaar met een kruis van riet stond: deze diende den kluizenaar tot kapel. Aan de eene zijde van dit buitenste hol bond de Christen ridder, ofschoon niet zonder eenige aarzeling, die uit godsdienstigen eerbied voor de hem omringende voorwerpen sproot, zijn paard vast, en verzorgde het voor den nacht, in navolging van den Sarraceen, die hem te verstaan gaf, dat dit de gewoonte der plaats was. De kluizenaar was intusschen bezig met zijn binnenvertrek in orde te brengen, om zijne gasten te ontvangen, en zij voegden zich daar spoedig bij hem. In den achtergrond van het binnenste hol leidde eene kleine opening, met eene deur van ruwe planken gesloten, naar het slaapvertrek van den kluizenaar, dat van meer gemakken was voorzien. De vloer was door het werk van den bewoner eenigermate effen gemaakt, en vervolgens met wit zand bestrooid, dat hij dagelijks begoot met water uit eene kleine fontein die in den eenen hoek uit de rots opwelde, en in die verstikkende luchtstreek zoowel het oor als den smaak verkwikking verschafte. Matrassen, uit gevlochten biezen gemaakt, lagen tegen den wand van de cel; de muren waren, even als de vloer effen gemaakt, en er hingen daaraan onderscheidene kruiden en bloemen. Twee wasfakkels, die de hermiet aanstak gaven een vroolijk aanzien aan de plaats, die door hare welriekende geur en koelte aangenaam werd gemaakt.