De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 34

Chapter 342,531 wordsPublic domain

Hij sprak tot den dwerg Nebectamus, die zeer ontroerd in de tent stortte, terwijl ieder van zijne vreemde en ongeëvenredigde trekken door den schrik tot nog grooter leelijkheid verwrongen waren,--zijne oogen stijf, zijn mond open, zijne handen met de rimpelige en mismaakte vingers wild uitgestrekt.

"Wat is er nu?" vroeg de Sultan op gestrengen toon.

"Accipe hoc! (Neem dat)" kermde de dwerg:

"Ha! wat zegt gij?" vroeg Saladin op nieuw.

"Accipe hoc!" hernam het door schrik getroffen schepsel, misschien zonder te weten, dat hij dezelfde woorden als te voren herhaalde.

"Vertrek, ik heb geen lust voor zotternijen!"

"Ook ik ben niet langer een gek," hervatte de dwerg, "dan om mijne zotheid en mijn vernuft te helpen, om mijn brood te verdienen, arm, ellendig schepsel dat ik ben.--Hoor, hoor mij, groote Sultan!"

"Welnu, zoo gij over wezenlijk onrecht te klagen hebt," antwoordde Saladin, "gek of wijs, dan hebt gij recht op het oor des Konings--Kom herwaarts met mij." Hierop geleidde hij hem in het binnenste der tent.

Wat ook het onderwerp van hun gesprek was, het werd spoedig afgebroken door het schetteren der trompetten, dat de komst van de Christen vorsten aankondigde, die Saladin koninklijk in zijne tent verwelkomde, zoo als aan hun rang en den zijnen betaamde. Maar vooral begroette hij den jongen graaf van Huntingdon, en wenschte hem edelmoedig geluk met zijne vooruitzichten, ofschoon zij die, welke hij zelf gekoesterd had, schenen te hebben belemmerd en verijdeld.

"Maar meen niet, edel jongeling," zeide de Sultan, "dat de prins van Schotland meer welkom bij Saladin is, dan Kenneth het den eenzamen Ilderim was, toen zij elkander in de woestijn ontmoetten, of de ongelukkige Ethiopiër den Hakim Adonbec. Een braaf en edel karakter, gelijk het uwe, heeft eene waarde, die van stand en geboorte onafhankelijk is, gelijk de koele dronk, dien ik u hier aanbied, even aangenaam uit een aarden vaas, als uit een gouden beker smaakt."

De graaf van Huntingdon gaf een gepast antwoord, en betuigde zijne erkentelijkheid voor de verschillende gewichtige diensten, die hij van den edelmoedigen Sultan ontvangen had; maar toen hij Saladin met den beker sorbet, dien de Sultan hem had aangeboden, bescheid gedaan had, kon hij zich niet weerhouden, om glimlachend op te merken: "de dappere ridder Ilderim kende den ijsvorm niet, maar de milde Sultan verkoelt zijn sorbet met sneeuw."

"Verlangt gij, dat een Arabier of Kurd even verstandig als een Hakim zou zijn?" vroeg de Sultan. "Hij, die eene vermomming aanneemt, moet het gevoel van zijn hart en de geleerdheid van zijn hoofd met zijn aangenomen gewaad doen overeenstemmen. Ik wenschte te zien, hoe een dapper en eerzaam ridder uit Frangistan in een strijd met een opperhoofd, als ik toen scheen, zich zou gedragen; en ik betwijfelde de waarheid van een bekend feit, om te zien, door welke bewijsgronden gij uw gezegde zoudt staven."

Terwijl zij spraken, werd de aartshertog van Oostenrijk, die een weinig ter zijde stond getroffen, door deze opmerking over den door ijs verkoelden sorbet, en vatte met een glans van genoegen op zijn gelaat en eenige ongemanierdheid den grooten beker, toen de Graaf van Huntingdon op het punt stond, dien weder neer te zetten.

"Allerheerlijkst!" riep hij na eene diepe teug uit, die het heete weêr en de koortsachtigheid, een gevolg van den vorigen dag, dubbel aangenaam had gemaakt. Hij zuchtte, toen hij den beker aan den grootmeester der Tempeliers overhandigde. Saladin gaf den dwerg een teeken; deze trad vooruit, sprak met luide stem de woorden: "accipe hoc!" De Tempelier schrikte terug, doch herstelde zich spoedig, en, misschien om zijne verlegenheid te verbergen, bracht hij den beker aan zijne lippen--maar deze lippen raakten slechts den rand van dien beker. Saladin's sabel verliet zijne scheede, als de bliksem de wolk verlaat. Hij zwaaide die in de lucht--en het hoofd van den Grootmeester rolde naar het uiterste einde der tent.

Er ontstond een algemeene kreet van verraad, en de aartshertog, die het naast aan Saladin met de bloedige sabel in de hand stond, deinsde terug, alsof hij vreesde, dat hij nu aan de beurt was. Richard en anderen sloegen de handen aan hun zwaard.

"Vrees niets, edele hertog," zeide Saladin even bedaard, alsof er niets ware voorgevallen, "en gij, koninklijke broeder van Engeland, wees niet vertoornd over hetgeen gij gezien hebt. Niet wegens zijn menigvuldig verraad en niet wegens den aanslag, dien hij, volgens getuigenis van zijn eigen schildknaap, tegen het leven van Koning Richard maakte;--niet, omdat hij den prins van Schotland en mij zelven in de woestijn vervolgde, en ons noodzaakte, om het leger door de snelheid onzer paarden te redden;--niet, omdat hij de Maronieten opgestookt had, om ons bij diezelfde gelegenheid aan te vallen, wier plan ik echter verijdelde, door onverwacht een groot getal Arabieren tegen hem aan te voeren;--niet om eene van al deze misdaden ligt hij thans daar, ofschoon die wel zulk eene straf verdienden;--maar omdat hij, nauwelijks een half uur vóór hij onze tegenwoordigheid vergalden, gelijk de samoen den dampkring vergiftigt, zijn makker en medeplichtige, Koenraad van Montserrat, heeft doorstoken, uit vrees, dat deze de schandelijke samenzweringen, waarin zij beide gewikkeld waren, mocht bekennen."

"Hoe! Koenraad vermoord?--en wel door den grootmeester, zijn getuige en meest vertrouwden vriend?" riep Richard uit. "Edele Sultan--ik wilde gaarne uwe woorden niet in twijfel trekken--dit evenwel moet bewezen worden--anders...."

"Hier staat de getuige," antwoordde Saladin, op den verschrikten dwerg wijzende. "Allah die den glimworm zendt om den nacht te verlichten, kan door de verachtelijkste middelen geheime misdaden doen ontdekken."

De Sultan begon nu de geschiedenis van den dwerg te verhalen, die hierop nederkwam.--In zijne dwaze nieuwsgierigheid, of, zooals hij gedeeltelijk bekende, met het onbestemd plan om een kleinigheid te stelen, was Nebectamus in de tent van Koenraad geraakt, die zijne volgelingen verlaten hadden; eenige hadden ijlings het kamp verlaten, om de tijding zijner nederlaag aan zijn broeder mede te deelen; anderen bedienden zich van de gelegenheid tot smullen, die Saladin hun verschaft had. De gekwetste sliep onder den invloed van Saladin's verwonderlijken talisman, zoodat de dwerg gelegenheid had, om naar welgevallen rond te zoeken, totdat de schrik bij het hooren van een zwaren tred hem bewoog, zich te verbergen. Hij verschool zich achter een gordijn, maar kon de bewegingen zien, en de woorden hooren van den Grootmeester, die binnentrad, en den ingang van de tent zorgvuldig achter zich dicht maakte. Zijn slachtoffer schrikte uit den slaap op, en het scheen, dat hij dadelijk het voornemen van zijn ouden bondgenoot vermoedde; want het was op een toon van ongerustheid, dat hij hem vroeg, waarom hij hem stoorde?

"Ik kom om u de biecht te doen afleggen; en dan den aflaat te geven," antwoordde de grootmeester.

Van hun verder gesprek herinnerde zich de verschrikte dwerg weinig, behalve dat Koenraad den grootmeester smeekte, een geknakt riet niet te breken, en dat de Tempelier hem met een Turkschen dolk het hart doorstak, met de woorden: "accipe hoc"--woorden, die nog lang daarnaar de verschrikte verbeelding van den verscholen getuige kwelden.

"Ik heb mij van de waarheid van het verhaal overtuigd," zeide Saladin, "door het lijk te doen onderzoeken; ik deed dit rampzalige wezen, dat Allah tot ontdekker van de misdaad gemaakt heeft, in uwe tegenwoordigheid de door den moordenaar gesproken woorden herhalen; en gij zelf hebt de uitwerking gezien, die ze op zijn geweten teweeg brachten."

Hier zweeg de Sultan, en de Koning van Engeland was de eerste die het stilzwijgen afbrak:

"Indien dit de waarheid is, waaraan ik niet twijfel, hebben wij eene groote daad van gerechtigheid aanschouwd, ofschoon die een geheel ander karakter scheen te hebben. Maar waarom in dit gezelschap? waarom met uwe eigen hand?"

"Ik was voornemens het anders te doen geschieden," antwoordde Saladin; "maar had ik zijne straf niet verhaast, dan zou die geheel afgewend geworden zijn, indien ik hem vergund had om uit mijn beker te drinken, zoo als hij op het punt was te doen, en daar ik dan, zonder de gastvrijheid geschonden te hebben, hem, gelijk hij verdiende, den dood niet had kunnen doen ondergaan. Al had hij mijn vader vermoord, en daarna mijn beker met mij gedeeld, dan had ik geen haar van zijn hoofd durven krenken. Maar genoeg van hem--laat zijn lijk en zijne gedachtenis uit ons midden verwijderd worden."

Het lijk werd weggebracht, en de sporen van de terechtstelling vernietigd of verborgen met eene vaardigheid die bewees, dat het voorval niet zoo geheel ongewoon was, dat het de dienaren en officieren van het huis des Sultans in verlegenheid kon brengen.

Maar de Christen vorsten gevoelden, dat het tooneel, hetwelk zij aanschouwd hadden, zwaar op hun geest drukte; en ofschoon zij, op vriendelijk verzoek van den Sultan, hunne plaats bij het gastmaal weder innamen, geschiedde dit echter met het stilzwijgen van twijfel en verbazing. Het gemoed van Richard alleen overwon allen argwaan en verlegenheid. Hij scheen evenwel ook over een voorslag na te denken, alsof hij begeerde, die in de vleiendste en aangenaamste wijze te doen, welke hem mogelijk was. Eindelijk dronk hij een grooten beker wijn ledig, en zich tot den Sultan wendende, wenschte hij te weten, of het niet waar was, dat hij den graaf van Huntingdon met een persoonlijk gevecht had vereerd.

Saladin antwoordde glimlachend, dat hij zijn paard en zijne wapenen tegen den erfgenaam van Schotland beproefd had, zoo als de ridders gewoon zijn te doen, wanneer zij elkander in de woestijn ontmoeten--en voegde hij er op bescheiden toon bij, dat, ofschoon de strijd niet geheel beslissend geweest was, hij evenwel van zijn kant niet veel reden had om op den uitslag te roemen. De Schot, van den anderen kant, wees de hem toegekende meerderheid af, en wenschte die aan den Sultan te geven.

"Gij hebt eer genoeg in die ontmoeting behaald," zeide Richard, "en ik benijd u hierom meer, dan om de lonken van Edith Plantagenet, ofschoon een paar daarvan voldoende zouden zijn, om een bloedig dagwerk te betalen.--Maar wat zegt gij, edele vorsten, past het, dat zulk een koninklijke kring van ridderschap opbreke, zonder dat er iets gedaan wordt, waarvan toekomende tijden kunnen spreken? Wat is de nederlaag en dood van een verrader voor eene zoo schoone kring van edele mannen, als hier vergaderd zijn, en die niet scheiden moeten, zonder iets aanschouwd te hebben, dat hunner achting waardiger is. Wat zegt gij, vorstelijke Sultan--zoo wij beide thans en in tegenwoordigheid van dit edel gezelschap den lang gevoerden strijd om dit land van Palestina beslisten, en in eens dezen lastigen oorlog eindigden? Ginds is het strijdperk gereed, en nooit kan het Heidendom een beteren kampvechter verwachten, dan u. Ik wil, zoo zich niet een waardiger aanbiedt, mijn handschoen ten voordeele van het Christendom neerleggen, en in alle liefde en eer zullen wij met elkander den strijd op dood en leven aangaan om het bezit van Jeruzalem."

Er volgde een diep stilzwijgen, vol verwachting op hetgeen de Sultan zou antwoorden. Zijne wang en zijn voorhoofd kleurden sterk, en vele van de aanwezenden waren van meening, dat hij aarzelde, of hij de uitdaging zou aannemen, ja dan neen. Eindelijk zeide hij: "Zoo ik voor de heilige stad vocht tegen hen, welke wij als afgodendienaars en aanbidders van blokken en steenen en gesneden beelden beschouwen, zou ik kunnen vertrouwen, dat Allah mijn arm kracht zou verleenen; of zoo ik onder het zwaard van Melec Ric viel, kon ik door geen roemrijker arm in het paradijs komen. Maar Allah heeft Jeruzalem reeds aan de ware geloovigen gegeven, en het zou eene verzoeking van den God des Profeets zijn, zoo ik met mijne persoonlijke kracht en behendigheid datgene op het spel zette, wat ik door mijne groote macht bezit."

"Indien dan niet om Jeruzalem," hernam Richard op den toon van iemand, die eene gunst van een boezemvriend verzoekt, "laat ons dan ter liefde voor de eer ten minste drie uitvallen met scherpe lansen tegen elkander doen."

"Zelfs dit," hernam Saladin, half glimlachende over den driftigen ernst van Richard Leeuwenhart voor den strijd, "zelfs dit mag ik volgens de wet niet doen. De meester stelt den herder over de kudde aan, niet om des herders wil, maar om de schapen. Had ik een zoon, die den scepter kon voeren, wanneer ik viel, dan zou ik de vrijheid gehad hebben, even als ik den wil heb, om dit stoute gevecht te ondernemen; maar uw eigen schrift zegt, dat, wanneer de herder verslagen is, de schapen verstrooid worden."

"Gij hebt al het geluk gehad," zeide Richard, zich met een zucht tot den Graaf van Huntingdon wendende. "Ik zou het beste jaar van mijn leven voor dat ééne halve uur in de nabijheid van den Diamant der woestijn gegeven hebben."

De ridderlijke opgewondenheid van Richard deed de vroolijkheid van het gezelschap ontwaken, en toen zij eindelijk opstonden, om te vertrekken, trad Saladin voorwaarts, en greep Richard's hand.

"Edele Koning van Engeland," zeide hij, "wij scheiden thans, om elkander nooit weder te ontmoeten. Dat uw verbond verbroken is, om nooit weder hersteld te worden, en dat uw eigen macht veel te gering is om u in staat te stellen uwe onderneming voort te zetten, is u even goed als mij bekend. Ik mag u dat Jeruzalem, hetwelk gij zoo zeer wenscht te bezitten, niet afstaan. Het is voor ons, even als voor u, eene heilige stad. Maar welke andere voorwaarden Richard van Saladin vordert, die zullen hem even welwillend toegestaan worden als gindsche fontein haar water schenkt. Ja, het zou even oprecht toegestaan worden, zoo Richard met slechts twee boogschutters bij hem in de woestijn stond!"

De volgende dag zag Richard naar zijne eigene legerplaats terugkeeren, en korten tijd daarna huwde de jonge Graaf van Huntingdon met Edith Plantagenet. De Sultan zond tot geschenk bij deze gelegenheid, den beroemden Talisman; maar, ofschoon er vele genezingen in Europa mede geschiedden, evenaarde toch geene in goeden uitslag en vermaardheid die, welke de Sultan zelf verricht had. Deze is nog in aanwezen, daar de Graaf van Huntingdon hem aan een dapper Schotsch ridder, Sir Mungo of the Lee vermaakt had, in wiens oud en zeer geëerd geslacht deze nog wordt bewaard; en ofschoon betooverde steenen uit de hedendaagsche pharmacopoea verbannen zijn, worden de krachten ervan nog voor het stillen van het bloed in gevallen van hondsdolheid gebruikt.

Hier eindigt onze geschiedenis, daar de voorwaarden, waarop Richard zijne veroveringen prijsgaf, in elke geschiedenis van dat tijdvak te vinden zijn.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Zoo deze mannen niet in het schip blijven, kunt gij niet gered worden!

[2] De zegen des Heeren zij met u.

[3] De grootste soort van toen bekende schepen heette Dromonds of dromedarissen.

[4] Dit kan een zoo buitengewone en onwaarschijnlijke voorslag schijnen, dat het noodig is te zeggen, dat er wezenlijk zulk een gemaakt werd. De geschiedschrijvers stellen echter de Koningin Douairière van Napels, zuster van Richard, voor de bruid en Saladin's broeder voor den bruidegom. Zij schijnen van het bestaan van Edith van Plantagenet onbewust te zijn.--Zie Mill's geschiedenis der kruisvaarten, II. Deel. p. 61.

[5] Woordelijk de gescheurde rok. Zoo wordt het gewaad der dervischen genoemd.

[6] Groot is de waarheid en zij zal zegevieren.

[7] Vergeet de bedrukte bruid niet.

[8] Inderdaad bleef bij de Sarraceenen lang na des Konings aftocht een spreekwoord dat Richard in het bosch zat.