De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 33
Een altaar was voor deze gelegenheid opgericht, juist beneden de galerij, waarop de Koningin gezeten was, en daarnaast stond de kluizenaar in de kleeding zijner orde als karmeliter monnik. Er waren ook andere geestelijken tegenwoordig. Naar dit altaar werden de aanklager en de aangeklaagde achtereenvolgens door hunne getuigen geleid. Beide ridders stegen af, en ieder bezwoer de rechtvaardigheid zijner zaak door een plechtigen eed op het Evangelie, en zij baden, dat de uitslag van den strijd mocht overeenstemmen met de waarheid of valschheid van hetgeen zij bezworen hadden. Zij zwoeren ook, dat zij naar ridder wijze en met de gewone wapens kwamen strijden, en zich het gebruik van tooverspreuken, betooveringen of magische kunsten, ten einde de zege op hunne zijde te brengen, ontzegden. De aanklager deed zijn eed met vaste mannelijke stem en een stout en opgeruimd gelaat. Toen de plechtigheid ten einde was, zag hij naar de galerij op, en boog het hoofd, als ter eere van die onzichtbare schoonheden, die daarin verborgen waren; hierop sprong hij, geheel gewapend zoo als hij was, in den zadel, zonder een stijgbeugel te gebruiken en liet zich door zijn paard in huppelende sprongen naar zijne standplaats brengen aan het oostelijke einde van het strijdperk. Koenraad verscheen ook met genoegzame driestheid voor het altaar; maar toen hij den eed aflegde, klonk het hol, alsof die in zijn helm verstikt werd. De lippen, waarmede hij zich op den hemel beriep, ten einde de overwinning aan de zaak te verleenen, verbleekten, terwijl zij den goddeloozen meineed uitten. Toen hij zich omwendde om zijn paard te bestijgen, naderde de grootmeester dichter tot hem, alsof hij iets aan zijn halskraag verhelpen wilde, en fluisterde hem toe: "Dwaze bloodaard! roep uw moed terug, en vecht dapper in dezen strijd, anders, bij den hemel, zoo gij hem al mocht ontkomen, zult gij mij niet ontgaan!"
De woeste toon, waarop hem dit gezegd werd, voltooide misschien de verwarring van den markies, want hij struikelde, toen hij te paard wilde stijgen; en ofschoon hij staan bleef, met zijne gewone vlugheid in den zadel sprong, en zijne behendigheid in het paardrijden aan den dag legde, toen hij zijne plaats tegenover den aanklager innam, ontging dit voorval evenwel niet aan hen, welke op voorteekens letten, die het lot van den dag konden voorspellen. De priesters, na een plechtig gebed, dat God de rechtvaardigheid van den strijd mocht aan den dag brengen, verlieten het strijdperk. De trompetten van den aanklager lieten zich toen luid hooren, en een wapenheraut riep aan het oostelijke uiteinde van het strijdperk uit: "Hier staat een goed ridder, sir Kenneth van Schotland, kampvechter van zijne Majesteit den Koning Richard van Engeland, die Koenraad, markies van Montserrat, van schandelijk verraad en beschimping, genoemden Koning aangedaan, beschuldigt."
Toen de woorden "Kenneth van Schotland" den naam van den kampioen, die tot hiertoe nog niet algemeen bekend was, gehoord werden, weerklonken luide kreten van toejuiching onder het gevolg van Koning Richard, en nauwelijks kon men, trots de herhaalde bevelen tot stilzwijgen, het antwoord van den aangeklaagde hooren. Deze beweerde natuurlijk zijne onschuld, en verklaarde zich bereid daarvoor met zijn lichaam in te staan. De schildknapen der strijders naderden thans, en gaven elk zijn schild en zijne lans, hen helpende om het eerste om den hals te hangen, opdat de beide handen, vrij mochten blijven,--de eene om den teugel te bestieren, de andere om de lans te kunnen hanteeren.
Het schild van den Schot vertoonde zijn oud wapen, den Luipaard, maar er waren een halsband en eene gebroken keten bijgevoegd, als toespeling op zijne onlangs geleden slavernij. Het schild van den markies droeg, in verband met zijn titel, een zaagsgewijze gescheurden en rotsachtigen berg. Ieder zwaaide zijne lans boven het hoofd, alsof hij het gewicht en de sterkte van het zware wapen wilde beproeven, en legde ze toen in de rust. De getuigen, herauten en schildknapen trokken zich thans naar de barrière terug, en de strijdenden waren tegenover elkander gezeten, gelaat tegen gelaat, met gevelde lans en gesloten vizier, terwijl de menschelijke gedaante zoo volkomen verborgen was, dat zij er eer als standbeelden van gegoten ijzer, dan wezens van vleesch en bloed uitzagen. De stilte der verwachting was thans algemeen--ieder ademde zwaarder, en de ziel van elk scheen in zijne oogen te zitten, terwijl er geen geluid te hooren was, dan het gebriesch en gestamp der edele rossen, die, gevoelende, wat er gebeuren zou, ongeduldig waren om vooruit te schieten. Zij stonden aldus ongeveer drie minuten lang, toen, op een door den Sultan gegeven teeken, honderd instrumenten de lucht door hun metalen geluid vervulden; en elke kampioen zijn paard de sporen gevende, en den teugel vierende, renden de paarden in vollen galop voorwaarts, en de ridders ontmoetten elkander in het midden van het strijdperk met een schok, aan een donderslag gelijk. De overwinning was niet twijfelachtig,--neen zelfs geen oogenblik. Koenraad toonde inderdaad, dat hij een geoefend krijgsman was; want hij trof zijne tegenpartij ridderlijk midden in zijn schild, terwijl hij zijne lans zoo recht en krachtig hield, dat ze tot aan zijn ijzeren handschoen in splinters vloog. Sir Kenneth's paard deinsde eenige ellen achteruit, en viel op zijne schenkels, maar de ruiter hielp het gemakkelijk met hand en teugel op. Maar voor Koenraad was er geen herstellen aan. De lans van Sir Kenneth was door zijn schild gedrongen, en verder door een borstharnas met Milaneesch staal beslagen, en door een geweven maliënkolder, die onder het borstharnas gedragen werd, hij had hem diep in den boezem gewond en hem uit den zadel gelicht, terwijl de punt van de lans in de wond bleef zitten. De getuigen, herauten en Saladin zelf drongen om den gekwetsten ridder; terwijl sir Kenneth, die reeds zijn zwaard getrokken had, eer hij nog ontdekte, dat zijn tegenstander geheel hulpeloos was, hem thans beval zijne schuld te bekennen. De helm werd in allerijl losgemaakt, en de gewonde, wild ten hemel ziende, hernam: "Wat wilt gij meer?--God heeft rechtvaardig beslist--ik ben schuldig--maar er zijn erger verraders in het kamp dan ik.--Uit medelijden voor mijne ziel, brengt mij een biechtvader!"
Onder het uitspreken dezer woorden kwam hij weder bij.
"Den talisman--het krachtig geneesmiddel, koninklijke broeder," zeide Koning Richard tegen Saladin.
"De verrader," antwoordde Saladin, "is veeleer waard, om uit het strijdperk bij de hielen naar den galg gesleept te worden, dan de kracht van den talisman hier toe te passen;--en er spreekt zulk een noodlot uit zijne blikken," voegde hij er bij, na den gewonden strak te hebben aangezien; "dat, al kon zijne wond genezen, Azraël's zegel op het voorhoofd van den ellendeling niet verdwijnen zal."
"Niettemin," hervatte Richard, "bid ik u, om voor hem te doen wat gij kunt, opdat hij ten minste tijd tot biechten moge hebben.--Vermoord niet ziel en lichaam te gelijk! Voor hem kan een half uur levens tienduizend malen meer waard zijn, dan het leven van den oudsten aartsvader."
"Aan den wensch van mijn koninklijken broeder zal voldaan worden," hernam Saladin. "Slaven, draagt dien gekwetsten man naar onze tent."
"Doet dat niet," zeide de Tempelier, die tot hiertoe somber en stilzwijgend toegezien had. "De koninklijke hertog van Oostenrijk en ik zelf zullen niet toelaten, dat deze ongelukkige vorst aan de Sarraceenen overgegeven worde, opdat zij hunne toovermiddelen aan hem beproeven. Wij zijn zijne getuigen, en verlangen, dat hij aan onze zorgen toevertrouwd worden."
"Dat wil zeggen, gij weigert de zekere middelen, die tot zijn herstel aangeboden worden?" vroeg Richard.
"Dat niet," hervatte de grootmeester zich herstellende.--"Indien de Sultan behoorlijke geneesmiddelen gebruikt, kan hij den patiënt in mijne tent behandelen."
"Doe dat, bid ik u, goede broeder," zeide Richard tot Saladin, "ofschoon het verlof ongaarne is toegestaan.--Maar nu tot een vroolijker werk.--Klinkt, trompetten--schettert ter eere van Engeland en Engelands kampvechter!"
Trommels, klaroenen, trompetten en cymbalen lieten zich te gelijk hooren, en het zware en regelmatige gejuich, dat sedert eeuwen de kreet van de Engelschen geweest is, klonk te midden van het schel en regelmatig gegil der Arabieren, als het donderen van een orgel te midden van een huilenden storm. Ten laatste ontstond er stilte.
"Dappere ridder van den Luipaard," vervolgde Leeuwenhart, "gij hebt getoond, dat de Neger zijne huid kan veranderen, en de Luipaard zijne vlekken, hoewel de geestelijken zich op de heilige Schrift voor de onmogelijkheid daarvan beroepen. Maar ik heb u nog meer te zeggen, wanneer ik u zal geleid hebben in tegenwoordigheid der dames, de beste rechters en belooners van ridderlijke daden."
De ridder van den Luipaard gaf door eene buiging zijne toestemming te kennen.
"En ook gij, vorstelijke Saladin, zult u naar deze begeven. Ik verzeker u, dat onze gemalin meenen zal niet welkom te zijn geweest, indien haar de gelegenheid ontbreekt, om haar koninklijken gastheer voor het allervorstelijkst onthaal te danken."
Saladin boog het hoofd beleefd, maar wees de uitnoodiging van de hand.
"Ik moet mij bij den gekwetste vervoegen," zeide hij. "De geneesheer verlaat zijn patiënt evenmin als de kampvechter het strijdperk, al werd hij ook in een lustoord als het paradijs, geroepen. En voorts, koninklijke Richard, moet gij weten, dat het Oostersche bloed in tegenwoordigheid van de schoonheid niet zoo kalm vloeit, als dat van uw land. Wat zegt het Boek zelf?--Haar oog is als het scherp van het zwaard des Profeets; wie zal het aanzien? Hij, die niet verbrand wil worden, zorgt, dat hij niet op gloeiende asch treedt--de wijzen spreiden het vlas niet uit voor eene flikkerende toorts.--Hij, zegt de wijze, die een schat verloren heeft, handelt onverstandig, wanneer hij zijn hoofd omwendt, om er naar te zien."
Men mag aannemen dat Richard de redenen van kieschheid eerbiedigde, die voortsproten uit zeden, zoo verschillend van de zijne, en drong niet verder met zijn verzoek bij hem aan.
"Deze middag," zeide de Sultan heengaande, "hoop ik, dat gij een koude maaltijd onder de zwarte kameelhuid van een opperhoofd uit Kurdistan zult willen aannemen."
Dezelfde uitnoodiging werd aan alle andere Christenen gedaan, die aanzienlijk genoeg waren, om aan een feest, dat voor Vorsten bereid was, deel te nemen.
"Luister," zeide Richard; "de pauken kondigen aan, dat onze gemalin en haar gevolg de galerij verlaten--en zie, de tulbanden buigen ter aarde, of zij door een vernielenden engel werden neder-geworpen. Allen liggen daar, alsof de blik van het oog eens Arabier's den glans van eene vrouwenwang kon bezoedelen! Kom, wij willen naar de tent, en onzen overwinnaar in zegepraal daarheen geleiden.--Hoe beklaag ik dezen edelen Sultan, die niets meer van de liefde kent, dan van wezens van mindere natuur."
Blondel stemde zijne harp tot hare meestverheven accoorden, om de intrede van den overwinnaar in de tent van Koningin Berengaria te begroeten. Hij trad binnen, aan iedere zijde met een zijner getuigen, Richard en Willem Langzwaard, en knielde bevallig voor de Koningin neder, ofschoon zijne hulde grootendeels zwijgende, bewezen werd aan Edith, die aan hare rechterhand was gezeten.
"Ontwapen hem dames," zeide de Koning, wiens grootste genot bestond in de uitoefening van dergelijke ridderlijke gebruiken.--"Laat de Schoonheid de Ridderschap vereeren! Maak zijne sporen los, Berengaria, hoewel eene Koningin, zijt gij hem alle blijken van gunst verschuldigd, die gij in staat zijt te geven,--ontdoe hem van zijn helm, Edith;--met deze hand moet gij het doen, al waart gij de meest trotsche Plantagenet van den geheelen stam, en hij de armste ridder op aarde!"
Beide dames gehoorzaamden aan het koninklijk bevel, Berengaria met driftigen ijver, alsof zij begeerig was, aan den wil van haar gemaal te voldoen, en Edith, beurtelings blozende en verbleekende, terwijl zij langzaam en onhandig met den bijstand van Langzwaard de banden losmaakte, die den helm aan den halskraag bevestigden.
"En wat verwacht gij onder dat metalen bekleedsel?" zeide Richard, toen de weggenomen helm het edele gelaat van sir Kenneth vertoonde, terwijl het gloeide door de laatste inspanning en niet minder van aandoening. "Wat denkt gij van hem, gij dapperen en schoonen?" vroeg Richard. "Gelijkt hij op een Ethiopischen slaaf, of vertoont hij het gelaat van een gelukzoeker zonder afkomst of naam? Neen bij mijn goed zwaard!--Hier eindigen zijne verschillende vermommingen. Hij heeft voor u geknield, onbekend behalve door zijne eigen waarde--hij rijst op, evenzeer hoogverheven door zijne geboorte en door zijn vermogen. De avontuurlijke ridder, Kenneth, staat op als David Graaf van Huntingdon, Kroonprins van Schotland."
Eene algemeene kreet van verbazing werd gehoord, en Edith liet den helm, dien zij zoo even afgenomen had, uit hare hand vallen.
"Ja, mijne heeren," ging de Koning voort, "zoo is het. Gij weet, hoe Schotland ons misleidde, toen het ons beloofde, dezen moedigen graaf met een dapper korps van de besten en edelsten te zenden, om onze wapenen in het veroveren van Palestina te steunen, maar in gebreke bleef, zijne verbintenissen na te komen. Deze edele jongeling, onder wiens aanvoering de Schotsche kruisvaarders ten strijde hadden moeten trekken, hield het voor laaghartig, dat zijn arm aan den heiligen oorlog zou onttrokken worden, en vereenigde zich in Sicilië met een klein gevolg van aan hem gehechte trouwe dienaars, dat door vele zijner landslieden, aan wie de rang van hun bevelhebber bekend was, vermeerderd werd. De vertrouwden van den koninklijken prins waren allen, op een ouden schildknaap na, door den dood weggerukt, toen zijn maar al te goed bewaard geheim, mij bijna in den persoon van een Schotschen avonturier een jong vorst van de schoonste verwachting had doen opofferen.--Waarom hebt gij uwe rang verzwegen, edele Huntingdon, toen die door mijn haastig en driftig vonnis in gevaar gebracht werd?--Was dit, omdat gij Richard in staat hieldt, om van het voordeel misbruik te maken, dat ik toen had op den erfgenaam van een Koning, dien ik zoo menigmaal vijandig bevonden had?"
"Dit onrecht deed ik u niet, koninklijke Richard," antwoordde de graaf van Huntingdon; "maar mijn hoogmoed gedoogde niet, dat ik mij als prins van Schotland zou doen kennen, om mijn leven te redden, dat door een gebrek van trouw aan mijn plicht in gevaar was gebracht. En bovendien had ik eene gelofte gedaan om mijn rang onbekend te doen blijven, totdat de kruistocht zou geëindigd zijn. Ook heb ik er geene melding van gemaakt, behalve in articulo mortis (in het oogenblik des doods) en onder het zegel der biecht, aan gindschen eerwaardigen kluizenaar."
"Het was dus de bekendheid met dit geheim, dat den goeden man zoo bij mij deed aandringen, om mijn gestreng vonnis te herroepen?" zeide Richard. "Terecht zeide hij, dat, zoo deze brave ridder op mijn bevel ware ter dood gebracht geworden, ik de daad ongedaan zou gewenscht hebben, al had mij dit ook een lid mijns lichaams gekost.--Een lid!--Ik zou het ongedaan gewenscht hebben, al had mij dit mijn leven gekost; daar de wereld zou gezegd hebben, dat Richard misbruik had gemaakt van den toestand, waarin de erfgenaam van Schotland zich door zijn vertrouwen in zijn edelmoedigheid had geplaatst."
"Maar mogen wij van uwe Majesteit vernemen, door welk vreemd en gelukkig toeval dit raadsel eindelijk is opgelost?" vroeg Koningin Berengaria.
"Er werden ons brieven uit Engeland overgebracht," zeide de Koning, "waaruit wij vernamen, onder andere onaangename tijdingen, dat de Koning van Schotland drie van onze edelen, die op eene bedevaart naar St. Ninian waren, gevat, en als reden opgegeven had, dat zijn erfgenaam, dien hij veronderstelde, in de rijen der Duitsche ridders tegen de heidenen in Pruisen te vechten, inderdaad in onze legerplaats en in onze macht was; en daarom was Willem voornemens, deze edelen als gijzelaars voor zijne veiligheid te houden. Dit gaf mij het eerste licht omtrent den wezenlijken rang van den ridder van den Luipaard, en mijne vermoedens werden door de Vaux bevestigd, die bij zijne terugkomst uit Askalon, den eenigen dienaar van den graaf van Huntingdon had teruggebracht. Deze, een domme slaaf, was dertig mijlen ver gereisd, om de Vaux een geheim mede te deelen, dat hij mij had moeten toevertrouwen."
"Den oude Strauchan moet men niet te hard vallen," zeide de lord van Gilsland. "Hij wist bij ondervinding, dat mijn hart wat zachter is, dan wanneer ik mij Plantagenet noemde."
"Uw hart zacht! Gij stuk oud ijzer--gij Cumberlandsche keisteen!" riep de Koning uit.--"Wij Plantagenets kunnen op zachte en gevoelvolle harten roemen. Edith," ging hij voort zich tot zijne nicht wendende met eene uitdrukking, die het bloed in hare wangen deed stijgen, "geef mij uwe hand, schoone nicht, en geef mij de uwe, prins van Schotland."
"Laat af, mylord," antwoordde Edith, terugtredende, en trachtende hare verwarring te verbergen, onder eene poging om over de lichtgeloovigheid van haar koninklijken broeder te spotten. "Herinnert gij u niet, dat mijne hand het teeken moest zijn, om de Sarraceenen en Arabieren, Saladin en zijne geheele getulbande bende tot Christenen te bekeeren?"
"Ja, maar de wind der profetie is gedraaid, en waait nu uit een anderen hoek," zeide Richard.
"Spot niet, vrees dat uwe banden nog krachtiger zullen worden," zeide de kluizenaar, vooruit tredende. "De hemel schrijft niets dan waarheid in zijne oorkonden. Het zijn de oogen van den mensch, die te zwak zijn, om het schrift goed te lezen. "Weet, dat, toen Saladin en Kenneth van Schotland in mijne grot sliepen, ik in de sterren las, dat er onder mijn dak een vorst rustte, die de geboren vijand van Richard was, en met wien het noodlot van Edith Plantagenet moest verbonden worden. Kon ik twijfelen, dat dit Saladin moest zijn, wiens rang mij wel bekend was, daar hij mijne cel dikwijls bezocht, om over de wentelingen der hemelsche lichamen te spreken?--Voorts, de lichten aan het uitspansel verkondigden, dat deze Vorst, de gemaal van Edith Plantagenet, een Christen moest zijn; en ik--zwak en onbezonnen uitlegger!--leidde daaruit de bekeering af van den edelen Sultan, wiens goede hoedanigheden hem dikwijls tot het betere geloof deden neigen. Het gevoel mijner zwakheid heeft mij tot het stof vernederd, maar in het stof heb ik troost gevonden! Ik heb het lot van anderen niet goed gelezen--wie kan mij verzekeren, dat ik mij niet in mijn eigen lot misrekend heb? God wil niet, dat wij in het huis van zijnen raad dringen of zijne verholen geheimen bespieden. Wij moeten zijn tijd met waken en gebed--met vrees en hoop afwachten. Ik kwam hierheen als de ernstige ziener--de trotsche profeet--ervaren genoeg, naar ik meende, om vorsten te onderwijzen, en zelfs met bovennatuurlijke kracht begaafd, maar met een last bezwaard, dien ik dacht, dat alleen mijne schouders hadden kunnen dragen. Maar mijne banden zijn verbroken! Ik ga van hier vernederd in mijne onwetendheid, boetvaardig--maar niet zonder hoop."
Met deze woorden verwijderde hij zich uit de bijeenzijnden, en men verhaalt, dat van dit tijdstip af zijne aanvallen van zinneloosheid zelden terugkeerden, en zijne boetedoeningen van zachteren aard waren, en met beter hoop op de toekomst gepaard gingen. Zoo veel eigenwaan ligt er zelfs in de krankzinnigheid opgesloten, dat het besef, dat hij eene ongegronde voorspelling met zoo veel overtuiging gekoesterd en uitgedrukt had, scheen te werken als het verlies van bloed op het menschelijk lichaam, om den gespannen toestand der hersenen te wijzigen en te doen verminderen.
Het is onnoodig, de gesprekken in de koninklijke tent verder te volgen, of te onderzoeken, of David, graaf van Huntingdon, even stom in tegenwoordigheid van Edith Plantagenet was, als toen hij verplicht was in het karakter van een avonturier zonder afkomst of naam te handelen. Men mag vrij gelooven, dat hij daar met behoorlijken ernst den hartstocht openbaarde, waaraan hij het te voren zoo dikwijls moeilijk gevonden had, woorden te geven.
Het middaguur naderde thans en Saladin wachtte om de Christen vorsten in eene tent te ontvangen, welke, behalve hare ruime uitgestrektheid, weinig van het gewone verblijf van den Kurd of Arabier verschilde; evenwel was onder haar wijd en donker bekleedsel een gastmaal naar de overvloedigste Oostersche gewoonte bereid, dat op tapijten van de rijkste stoffen uitgespreid was, terwijl er kussens voor de gasten gelegd waren. Maar wij kunnen ons niet bezighouden, het goud- en zilverlaken--het krachtig Arabisch borduursel, de shawls van kasjmir--en het Indisch neteldoek, te beschrijven, die hier in al hun glans ten toon gespreid waren; noch veel minder het verschillende suikerwerk, ragouts met rijst van verschillende kleuren omgeven, met al de andere lekkernijen van de Oostersche kookkunst op te noemen; en hunne geheel gebraden lammeren, en wild en gevogelte als pasteien toebereid, waren in gouden, zilveren en porceleinen vazen opgedischt en afgewisseld met groote bekers sorbet, die in sneeuw en ijs uit de holen van den berg Libanon verkoeld waren. Een prachtige stapel kussens boven aan de tafel scheen bestemd voor den aanlegger van het feest en zulke hooge personen, die hij mocht uitnoodigen, om deze plaats van onderscheiding te deelen, terwijl, van boven van de tent in alle richtingen, maar boven deze verheven plaats in het bijzonder, menige banier en menig vaandel wapperde, de zegeteekenen van gewonnen veldslagen en onderworpen koninkrijken. Maar onder en boven deze stak aan eene lange lans een lijklaken, de banier des doods, met dit veelzeggend opschrift: "Saladin, Koning der Koningen, de overwinnaar der overwinnaars--Saladin moet sterven." Te midden van deze toebereidselen stonden de slaven, welke deze ververschingen opgebracht hadden, met gebogen hoofden en gekruiste armen, stom en roerloos als gedenkteekenen van overledenen, of als automaten, die de aanraking van den kunstenaar afwachtten, om hen in beweging te brengen.
Terwijl de Sultan, die, gelijk de meesten, met de bijgeloovigheden van zijn tijd behebt was, de komst van zijne vorstelijke gasten afwachtte, stond hij peinzend gebogen over een horoskoop en eene daarmede verbonden perkamentrol, die hem de kluizenaar van Engaddi bij zijn vertrek uit het leger gezonden had.
"Zonderlinge en geheimzinnige wetenschap," zeide hij in zich zelven, "die, voorwendende den sluier der toekomst op te lichten, diegene misleidt, die zij schijnt te leiden, en het tooneel verduistert, dat zij voorgeeft te verlichten! Wie zou niet gezegd hebben, dat ik die gevaarlijkste vijand voor Richard was, wiens vijandschap door de verbintenis met zijne nicht eindigen moest? Toch blijkt het nu, dat eene vereeniging tusschen dezen dapperen graaf en de dame eene verzoening tusschen Richard en Schotland zal teweeg brengen, een gevaarlijker vijand dan ik, zooals eene wilde kat in de kamer meer te vreezen is, dan een leeuw in een afgelegen woestijn.--Maar toch," vervolgde hij bij zich zelven, "de berekening toonde aan, dat deze echtgenoot een Christen moest zijn.--Christen?" herhaalde hij na eene poos zwijgen,--"dat gaf den zinneloozen dweper de hoop, dat ik mijn geloof zou afzweren! maar mij, den getrouwen aanhanger van den Profeet--mij moest het uit den droom geholpen hebben. "Ziedaar, geheimzinnige rol," voegde hij er bij, die onder den stapel kussens werpende; "vreemd en noodlottig zijn uw voorspellingen, daar zij, zelfs wanneer zij op zich zelven waarheid behelzen, bij hem, die de meening trachten te ontcijferen, al de uitwerkselen der valschheid hebben.... Hoe nu! wat beteekent die stoornis!"