De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 32

Chapter 323,723 wordsPublic domain

"Maar van te geringe afkomst, om zich het bloed van Plantagenet te vermengen," zeide Richard op trotschen toon.

"Dat kunnen uwe beginselen in Frangistan zijn," hervatte de Sultan. "Onze dichters in de Oostersche landen zeggen, dat een dapper kameeldrijver waardig is de lippen te kussen eener schoone koningin, terwijl een lafhartig prins niet waardig is, den zoom van haar kleed te kussen. Maar met uw verlof, edele broeder, ik moet voor het oogenblik afscheid van u nemen, om den hertog van Oostenrijk en dien anderen Nazareenschen ridder te ontvangen, die mijner gastvrijheid veel minder waardig zijn, en toch behoorlijk moeten onthaald worden, niet om hunnen 't wil, maar om mijne eigen eer--want wat zegt de wijze Lokman? Zeg niet, dat het voedsel, hetwelk gij aan den vreemdeling geeft voor u verloren is--want indien zijn lichaam daardoor versterkt en gevoed wordt, zoo wordt niet minder uwe eigen eer en uw goede naam daardoor bevorderd en verhoogd."

De Sarraceensche monarch verliet Koning Richard's tent, en hem meer door teekens dan door woorden aangeduid hebbende, waar die van de Koningin en haar gevolg opgeslagen was, ging hij den markies van Montserrat en zijne begeleiders ontvangen, voor wie de prachtlievende Sultan met even veel luister, ofschoon met minder welwillendheid, toebereidselen had laten maken. De heerlijkste ververschingen, zoo wel naar den Oosterschen als den Europeeschen smaak, werden den koninklijken en vorstelijken gasten van Saladin, elk in zijne bijzondere tent, aangeboden; en zoo oplettend was de Sultan op de gewoonten en den smaak zijner bezoekers, dat Grieksche slaven bij de hand waren, om hun den beker aan te bieden, die voor de sekte van Mahomed een gruwel is. Eer Richard zijn maal geëindigd had, trad de oude omrah, die den brief des Sultans naar de Christelijke legerplaats gebracht had, binnen met een programma van de plechtigheden, die den volgenden dag moesten in acht genomen worden. Richard, die op de hoogte was van den smaak van zijn ouden bekende, noodigde hem uit, hem met een flesch Schiras wijn bescheid te doen; maar Abdallah gaf hem met een treurig gelaat te verstaan, dat zelfverloochening in de tegenwoordige omstandigheden eene zaak was, waarbij zijn leven was betrokken; want dat Saladin, in vele opzichten verdraagzaam, de wetten van den profeet zoowel zelf in acht nam, als de vervulling ervan bij anderen door zware straffen zocht af te dwingen.

"Welnu dan," zeide Richard, "indien hij niet houdt van wijn, die het menschelijk hart vervroolijkt, is zijne bekeering niet te wenschen, en de voorspelling van den krankzinnigen priester van Engaddi verstuift als kaf voor den wind."

Hierop stelde de Koning de voorwaarden van het gevecht vast, wat vrij veel tijd kostte, daar men over sommige punten zoowel de tegenpartij als den Sultan raadplegen moest.

Eindelijk werd men het daaromtrent geheel eens, en zij werden in het Fransch en Arabisch in het protocol opgenomen, en dit door Saladin, als scheidsrechter van het strijdperk en door Richard en Leopold, als borgen voor de twee strijders, onderteekend. Toen de omrah voor dien avond afscheid bij den Koning nam, trad de Vaux binnen.

"De goede ridder," zeide hij, "die morgen zal strijden, wenscht te weten, of hij dezen avond zijne opwachting bij zijn koninklijken getuige maken mag."

"Hebt gij hem gezien, de Vaux?" vroeg de Koning glimlachend; "en hebt gij een ouden bekende gevonden?"

"Bij onze lieve Vrouw van Lanercost," antwoordde de Vaux, "er zijn zoo vele verrassingen en gedaantewisselingen in dit land, dat mijne arme hersens daarvan duizelen. Nauwelijks had ik sir Kenneth van Schotland herkend, of zijn goede hond, die gedurende eene korte poos onder mijne zorg geweest was, kwam mij liefkozen; en zelfs toen kende ik het dier alleen aan de breedte van zijne borst, zijn ronde pooten, en zijne wijze van blaffen, want het arme dier was beschilderd als eene Venetiaansche dame."

"Gij hebt meer verstand van dieren dan van menschen, de Vaux," zeide de Koning.

"Ik wil niet ontkennen," zeide de Vaux, "dat ik dieren dikwijls beter dan menschen bevonden heb. Ook behaagt het uwe Majesteit mij somtijds een dier te noemen; bovendien ben ik in dienst van den Leeuw, die alle menschen voor den Koning der dieren erkennen."

"Waarlijk, daar hebt gij met uwe lans schoon tegen mijn voorhoofd gestooten," hervatte de Koning. "Ik heb altijd gezegd, dat gij eenig vernuft hebt, de Vaux--maar bij mijne ziel, men moet u met een smidshamer slaan, eer men het vonken kan doen schieten. Maar ter zake--is de goede ridder behoorlijk gewapend en uitgerust?"

"Volkomen en behoorlijk," antwoordde de Vaux; "ik ken de wapenrusting wel--het is die, welke de Venetiaansche commissaris uwe Majesteit voor vijfhonderd byzantynen aanbood, juist vóór dat gij ziek geworden zijt."

"En hij heeft die, daar sta ik voor in, voor een paar dukaten meer en kontante betaling verkocht? Deze Venetianen zouden het heilige Graf zelf verkoopen!"

"Deze zal nooit in een edeler zaak gedragen worden," hernam de Vaux.

"Dank der edelmoedigheid van den Sarraceen," hervatte de Koning, "niet der gierigheid van de Venetiaan."

"Ik wilde om Gods wil, dat uwe Majesteit voorzichtiger ware," zeide de angstvallige de Vaux.--"Hier worden wij door al onze bondgenooten verlaten wegens de beleedigingen, die den een of ander zijn aangedaan: wij kunnen niet hopen op het land te slagen, en wij moeten slechts nog met de amphibie-republiek onderhandelen, om de middelen tot onzen terugtocht over zee niet te verliezen."

"Ik zal mij in acht nemen," hervatte Richard ongeduldig; "maar houd geen boetpredikaties meer. Zeg mij liever, want dit is van belang, heeft de ridder een biechtvader?"

"Ja," antwoordde de Vaux; "de kluizenaar van Engaddi, die dezen plicht bij hem vervuld heeft, toen hij zich ter dood bereidde, is bij de tegenwoordige gelegenheid ook bij hem, daar het gerucht van den tweestrijd hem herwaarts gebracht heeft."

"Het is goed," zeide Richard, "en nu het verzoek van den ridder. Zeg hem, dat Richard hem zal ontvangen, als hij door het vervullen van zijn plicht bij den Diamant der woestijn zijne schuld bij den St. Georgeberg weder zal goed gemaakt hebben. En als gij door het kamp gaat, zeg dan aan de Koningin, dat ik haar in hare tent zal bezoeken, en zeg aan Blondel, dat hij mij daar moet opzoeken."

De Vaux vertrok, en ongeveer een uur daarna wandelde Richard, in zijn mantel gehuld, en zijne gitaar in de hand, naar de tent der Koningin. Verscheiden Arabieren gingen hem voorbij, maar altijd met het hoofd van hem afgewend, en de oogen naar den grond gericht, ofschoon hij bemerken kon, dat allen hem ernstig nazagen, wanneer hij voorbij was. Dit deed hem met reden vermoeden, dat zijn persoon bij hen bekend was; maar dat óf de bevelen van den Sultan, óf de hun eigene Oostersche beleefdheid hen verbood, om acht te slaan op een vorst, die incognito wenschte te blijven.

Toen de Koning de tent der Koningin bereikte, vond hij deze door die ongelukkige dienaars bewaakt, welke de Oostersche jaloezie om de Zenana plaatst. Blondel wandelde voor de ingang heen en weder en tokkelde van tijd tot tijd zijne snaren op eene wijze, dat de Afrikanen hunne ivoren tanden lieten zien, en hem met hunne zonderlinge gebaren en schelle, onnatuurlijke stemmen begeleidden.

"Wat wilt gij met deze kudde zwart vee, Blondel?" vroeg de Koning; "waarom gaat ge niet in de tent?"

"Omdat mijn beroep noch het hoofd noch de vingers kan missen," antwoordde Blondel, "en deze eerlijke Negers dreigden, om mij lid voor lid af te houwen, als ik verder ging."

"Nu, ga dan met mij binnen," zeide de Koning, "ik zal uw vrijgeleide zijn."

De zwarten lieten nu hunne pieken en sabels voor Koning Richard zinken, en sloegen hunne oogen naar den grond, alsof zij onwaardig waren hem aan te zien. In het binnenste van de tent vonden zij de Koningin. Terwijl Berengaria Blondel verwelkomde, sprak Richard eenigen tijd in het geheim en ter zijde met zijne schoone nicht.

Eindelijk zeide hij fluisterend tot haar: "zijn wij nog vijanden, schoone Edith?"

"Neen, mijn Koning," antwoordde Edith op een toon, juist zacht genoeg om de muziek niet te hinderen--"niemand kan vijandschap tegen Koning Richard houden, wanneer hij zich toonen wil, zooals hij wezenlijk is! grootmoedig en edel, zoo wel als dapper en eervol."

Dit zeggende, reikte zij hem hare hand. De Koning kuste die ten teeken van verzoening en vervolgde toen: "gij meent, schoone nicht, dat mijn toorn in deze zaak geveinsd was; maar gij vergist u. De straf, die ik dezen ridder opgelegd heb, was billijk; want hij had--het doet er niet toe voor welken verleidenden omkoopprijs, schoone nicht--het hem toevertrouwde verraden. Maar ik verheug mij misschien evenzeer als gij, dat de dag van morgen hem de kans geeft, om overwinnaar in den strijd te worden, en de smet uit te wisschen, die eenigen tijd op hem, als op een wezenlijken dief en verrader, gekleefd heeft. Neen! het nageslacht moge Richard wegens zijne onstuimige dwaasheid laken; maar het zal zeggen, dat hij, in het vellen van vonnis rechtvaardig was, wanneer hij moest, en genadig, wanneer hij kon!"

"Prijs niet u zelven, Richard," hernam Edith. "Zij kunnen uwe gerechtigheid wreedheid--uwe genade gril noemen."

"En wees gij niet hoovaardig," hervatte de Koning, "alsof uw ridder, die zijne wapenrusting nog niet aangegespt heeft, die reeds in zegepraal aflegde.--Koenraad van Montserrat wordt voor eene goede lans gehouden, zoo eens de Schot den strijd verloor?"

"Dat is onmogelijk!" antwoordde Edith op vasten toon.--"Mijne eigen oogen hebben dien Koenraad, als een lagen dief zien sidderen en verbleeken. Hij is schuldig--en de kampstrijd is een beroep op de rechtvaardigheid Gods.--Ik zelve zou, in zulk eene zaak, zonder vrees met hem durven strijden."

"Bij de heilige mis, ik geloof, dat gij het doen zoudt, meisje," zeide de Koning, "en hem bovendien ter neer werpen; want er is geen echter Plantagenet op aarde dan gij."

Hier zweeg hij, maar ging na eenige oogenblikken op zeer ernstigen toon voort: "Zorg, dat gij u blijft herinneren, wat gij uwer geboorte verschuldigd zijt."

"Wat beduidt deze raad, dien gij mij op dit oogenblik zoo ernstig geeft?" vroeg Edith. "Ben ik zoo lichtzinnig, dat ik mijn naam en stand vergeten zou?"

"Ik wil ronduit spreken, Edith," antwoordde de Koning, "en als tot eene vriendin.--Wat zal deze ridder voor u zijn, zoo hij uit dien strijd als overwinnaar optreedt?"

"Voor mij?" hervatte Edith, van schaamte en misnoegen hoog blozende; "wat kan hij voor mij meer zijn, dan een geëerd ridder, zulke gunst waardig, als Koningin Berengaria hem zou schenken, indien hij haar voor zijne dame gekozen had, in plaats van eene onwaardiger keus te doen? De geringste kan zich aan den dienst eener Keizerin wijden, maar de roem van zijne keus," dit zeide zij op fieren toon, "moet zijne belooning zijn."

"Nochtans, hij heeft veel voor u gedaan en geleden," hernam de Koning.

"Ik heb zijne diensten met eer en toejuiching en zijn lijden met tranen betaald," antwoordde Edith. "Zoo hij eenig ander loon verwachtte, dan moest hij eene dame van zijn eigen stand bemind hebben."

"Gij zoudt dus het bloedige nachtkleed niet om zijnentwille aantrekken?" vroeg Koning Richard.

"Evenmin," antwoordde Edith, "als ik van hem zou gevorderd hebben, zijn leven bloot te stellen door eene daad, die meer dolheid dan eer was."

"De vrouwen spreken altijd zoo," zeide de Koning, "maar wanneer de begunstigde minnaar met zijn aanzoek bij een dame aandringt, dan zegt zij met een zucht, dat haar gesternte het anders besloten had."

"Uwe Majesteit heeft mij nu reeds voor de tweede maal met den invloed van mijn horoskoop bedreigd," hervatte Edith met waardigheid. "Vertrouw er op, mijn Koning, dat, hoe groot ook de macht der sterren is, uwe arme bloedverwante nooit een ongeloovige of een avonturier zonder afkomst zal huwen!--Vergun mij, dat ik naar de muziek van Blondel luister, want de toon van uwe koninklijke vermaningen is op verre na niet zoo aangenaam voor mijne ooren."

Het verdere van den avond leverde niets merkwaardigs meer op.

HOOFDSTUK XXVIII.

Hoort gij het gekletter van den strijd Lans tegen lans, ros tegen ros?

Gray.

Men was overeengekomen, wegens de hitte van het klimaat, dat het godsoordeel, dat thans de verschillende volken bij den Diamant der woestijn had bijeengebracht, een uur na zonsopgang plaats zou hebben. Het groote strijdperk, dat onder toezicht van den ridder van den Luipaard was ingericht, omvatte eene ruimte van hard zand die honderd zestig ellen lang en ruim vijftig breed was. Het strekte zich in de lengte van het noorden naar het zuiden uit, zoodat beide partijen gelijk voordeel van de opgaande zon hadden. Saladin's koninklijke zetel was aan de westelijke zijde van de omheining opgericht, vlak in het midden, waar men verwachtte, dat de strijders elkander ontmoeten zouden. Daar tegenover was eene galerij met gesloten vensters, zoo ingericht, dat de dames, voor wie deze plaats bestemd was, het gevecht konden aanschouwen, zonder zelven gezien te worden. Er waren ook tronen opgericht; maar de aartshertog, die bemerkte, dat de zijne lager was dan die van Koning Richard, weigerde daarop plaats te nemen; en Leeuwenhart, die zich veel zou hebben laten welgevallen, eer eene formaliteit den strijd zou verhinderd hebben, gaf gereedelijk zijne toestemming, dat de borgen, zoo als zij genoemd werden, gedurende het gevecht te paard zouden blijven. Aan den eenen kant van het strijdperk werd het gevolg van Richard geplaatst, en tegen hen over stonden de begeleiders van den aangeklaagde, Koenraad. Rondom den troon, voor den Sultan bestemd, waren zijne prachtige Georgische wachten opgesteld, en verder was het de omheining door Christen en Mahomedaansche aanschouwers bezet.

Lang vóór het aanbreken van den dag was het strijdperk door een nog grooter aantal Sarraceenen omringd, dan Richard den vorigen dag gezien had. Toen de eerste stralen van de schitterende zonneschijf zich boven de woestijn verspreidden, klonk de kreet: "ten gebede--ten gebede!" door den Sultan zelven aangeheven, en door anderen beantwoord, wier rang en ijver hun het recht gaven, als muezzins op te treden. Het was een treffend schouwspel, hen allen op den grond te zien neerzinken, om hun gebed te doen, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Maar toen zij van den grond opstonden, schenen de zonnestralen, die nu sterker werden, de meening van den lord van Gilsland van den vorigen avond te bevestigen. Zij werden door tal van speerspitsen weerkaatst, want de lansen zonder punten van den vorigen dag waren er niet meer. De Vaux maakte hierop zijn meester opmerkzaam, die ongeduldig antwoordde, dat hij een onbepaald vertrouwen in de rechtschapenheid van den Sultan stelde; maar dat, zoo de Vaux voor zijn zwaarlijvig lichaam bevreesd was, hij zich kon verwijderen.

Kort daarop hoorde men het gedreun der pauken, op wier klank al de Sarraceensche ruiters van hun paard sprongen, en zich nederbogen, alsof zij een tweede morgengebed wilden verrichten. Dit geschiedde om der Koningin met Edith en haar gevolg gelegenheid te geven, van de tent naar de voor haar bestemde galerij te gaan. Vijftig wachten van Saladin's harem met onbloote sabels begeleidden haar, met bevel, om ieder neder te sabelen, hij mocht prins of boer zijn, die het mocht wagen de dames bij het voorbijgaan aan te zien, of zelfs het hoofd durfden oprichten, voor dat het ophouden der muziek allen zou verkondigen, dat zij in hare galerij waren aangekomen, waar zij door geen nieuwsgierig oog konden worden aanschouwd.

Deze bijgeloovige inachtneming van Oosterschen eerbied voor het schoone geslacht deden bij Koningin Berengaria eenige aanmerkingen rijzen, die voor Saladin en zijn vaderland niet zeer gunstig waren. Maar toen haar hol, zooals de koninklijke schoone het geliefde te noemen, door hare zwarte wachters veilig gesloten was en bewaakt, was zij in de noodzakelijkheid om zich te vergenoegen met te zien, en voor het tegenwoordige het nog heerlijker genoegen van gezien te worden ter zijde te stellen.

Intusschen stelden de getuigen van beide kampvechters, zoo als hun plicht voorschreef, een onderzoek in, of deze behoorlijk gewapend en voor het gevecht bereid waren. De aartshertog van Oostenrijk had geen haast om dit deel van de plechtigheid te vervullen, daar hij den vorigen avond een goeden roes van Schiras wijn gehad had. Maar de grootmeester der Tempeliers, die meer belang bij den uitslag van den strijd had, was al spoedig voor de tent van Koenraad van Montserrat. Tot zijne groote verbazing weigerden de bedienden hem binnen te laten.

"Kent gij mij niet, kerels?" vroeg de grootmeester in de hoogste mate vertoornd.

"Zeer goed, zeer dapper en eerwaardig heer," antwoordde Koenraad's schildknaap; "maar zelfs gij moogt voor het oogenblik niet binnen--de markies is gereed om te biechten."

"Te biechten!" riep de Tempelier op een toon uit, waarin schrik met verbazing en minachting vermengd was--"en bij wien, vraag ik u?"

"Mijn meester heeft mij stilzwijgendheid geboden," hernam de schildknaap; waarop de grootmeester hem voorbijsnelde en de tent binnentrad.

De markies van Montserrat knielde aan de voeten van den kluizenaar van Engaddi, en was op het punt, zijne biecht te beginnen.

"Wat beteekent dit, markies?" vroeg de grootmeester; "sta op, schaam u--of zoo gij volstrekt moet biechten, ben ik niet hier?"

"Ik heb reeds te dikwijls bij u gebiecht," antwoordde Koenraad met bleeke wangen en sidderende stem. "Om Gods wil, grootmeester, ga heen, en laat ik mijn geweten aan dien heiligen man ontlasten."

"Waarin is hij heiliger dan ik?" zeide de grootmeester.--"Kluizenaar, profeet, zinnelooze--zeg, zoo gij durft, waarin gij mij overtreft?"

"Stout en verdorven man," antwoordde de kluizenaar, "weet, dat ik gelijk ben aan het getraliede venster, en het goddelijk licht gaat er doorhenen, ofschoon het, helaas! mij zelven niet baat. Gij gelijkt ijzeren staven, die noch zelven licht ontvangen, noch het aan iemand mededeelen."

"Praat niet tegen mij, maar verlaat deze tent," zeide de grootmeester, "de markies zal dezen morgen niet biechten, of het moet bij mij zijn, want ik verlaat zijne zijde niet."

"Is dit uw welgevallen," zeide de kluizenaar tot Koenraad, "want meen niet, dat ik dezen trotschen man zal gehoorzamen, zoo gij mijn bijstand blijft begeeren."

"Helaas!" zeide Koenraad besluiteloos, "wat wilt gij dat ik zeggen zal?--Vaarwel voor het oogenblik--wij zullen later met elkander spreken."

"O uitstel!" riep de hermiet uit, "gij zijt een zielemoorder! Ongelukkige, vaarwel--niet voor een tijdlang, maar tot dat wij elkander ontmoeten zullen--onverschillig waar. En wat u betreft," voegde hij er bij, zich tot den grootmeester wendende, "sidder!"

"Sidderen," hervatte de Tempelier verachtelijk, "ik kan niet, al wilde ik ook."

De kluizenaar hoorde zijn antwoord niet, daar hij de tent reeds had verlaten.

"Welaan, schielijk ter zake," zeide de grootmeester, "daar gij die dwaasheid toch verrichten wilt.--Luister--ik geloof, dat ik uwe meeste zwakheden ken, dus kunnen wij de bijzonderheden daarlaten, daar deze wat te lang zouden duren, en met den aflaat beginnen. Wat beduidt het om de vlekken modder te tellen, wanneer wij op het punt zijn, die van onze handen te wisschen!"

"Daar gij weet, wat gij zelf zijt," zeide Koenraad, "is het godlasterend er van te spreken, een ander te willen vergeven."

"Dat is niet naar den regel, heer markies," antwoordde de Tempelier, "gij zijt meer nauwgezet dan rechtgeloovig. De aflaat van den slechten priester is van even veel kracht, als die van een heilige--anders moge God den armen boeteling helpen! Welk gekwetste vraagt er naar, of de wondarts, die zijne wonden onderzoekt, schoone handen heeft of niet?--Kom, zullen wij het spel beginnen?"

"Neen," antwoordde Koenraad, "ik wil liever sterven zonder te biechten, dan met het sacrament te spotten."

"Kom, edele markies," hernam de Tempelier, "vat moed, en spreek niet aldus. Binnen een uur zult gij zegevierende in het strijdperk staan, of in uw helm biechten, gelijk een dapper ridder."

"Helaas, grootmeester!" hervatte Koenraad, "alles voorspelt kwaad in deze zaak. De merkwaardige ontdekking door het instinkt van een hond--het herleven van dezen Schotschen ridder, die optreedt als een spook--alles slechte voorteekens."

"Ba," zeide de Tempelier, "ik heb u moedig uwe lans uit scherts tegen hem zien zwaaien, en dat wel met gelijke kans van goeden uitslag--verbeeld u, dat gij slechts in het toernooi zijt, en wie staat hem beter in het toernooiveld dan gij?--Komt, knapen en wapendragers, uw meester moet voor den strijd uitgerust worden."

De dienaren traden nu binnen, en begonnen den markies te wapenen.

"Welk weer is het buiten?" vroeg Koenraad.

"De zon gaat donker op," antwoordde een schildknaap.

"Gij ziet, grootmeester," vervolgde Koenraad, "niets lacht ons toe."

"Gij zult des te koelbloediger vechten, mijn zoon," antwoordde de Tempelier, "dank den Hemel, dat Hij de zon dezen morgen getemperd heeft, om u ter wille te zijn."

Zoo schertste de grootmeester; maar zijne spotternijen hadden haar invloed op het gemoed van den markies verloren, en, in weerwil van zijne pogingen om opgewekt te schijnen, deelde de droefgeestigheid zich aan den grootmeester mede.

"Deze lafaard," dacht hij, "zal uit louter flauwheid en lamheid in den strijd bezwijken, en dat noemt hij een gevoelig geweten. Ik, wien visioenen en voorteekenen niet schokken--ik, die vast ben in mijn voornemen, als de levende rots--ik zelf moest den strijd gestreden hebben.--Gave God, dat de Schot hem op de plek doodde; dit zou het beste zijn, zoo hij de overwinning niet behalen kan. Maar er kome wat er wil, hij moet geen anderen biechtvader hebben dan mij--onze zonden zijn te gemeenschappelijk, en hij kon wel eens mijn deel te gelijk met het zijne biechten."

Terwijl deze gedachten hem door zijn hoofd speelden, ging hij voort met den markies bij het wapenen te helpen, maar het geschiedde zwijgend.

Het uur was eindelijk daar, de trompetten klonken, de ridders reden het strijdperk binnen, van top tot teen naar behooren gewapend, en gelijk mannen, die voor de eer van een koninkrijk zouden strijden. Zij hadden hunne vizieren open, en, drie malen het strijdperk rond rijdende, vertoonden zij zich aan de toeschouwers. Beide waren aanzienlijke mannen en met een edel gelaat. Maar er stond op het voorhoofd van den Schot mannelijk vertrouwen te lezen, eene straal van hoop, die zelfs naar vroolijkheid zweemde. Op Koenraad's gelaat integendeel, ofschoon trots en herhaalde pogingen veel van zijn natuurlijken moed teruggeroepen hadden, zweefde nog eene wolk van onheilspellende moedeloosheid. Zelfs zijn paard scheen niet zoo licht en vurig op het trompetgeschal te trappelen, als de edele Arabier, dien sir Kenneth bereed; en de spreukspreker schudde het hoofd, terwijl hij opmerkte, dat de uitdager om het strijdperk reed volgens den loop der zon, dat is van de rechterhand naar de linker, maar de aangeklaagde dit van de linker naar de rechter deed, wat men in de meeste landen als een slecht voorteeken beschouwt.