De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina

Part 31

Chapter 313,870 wordsPublic domain

De goede Koning zelf had geen lust om met iemand te twisten. Niets had zijne aangename verwachtingen van een bloedig gevecht op leven en dood in het strijdperk kunnen verhoogen, behalve dat zijn eigen koninklijken persoon deelgenoot in den strijd had kunnen zijn; en hij was zelfs half met Koenraad van Montserrat verzoend. Licht gewapend, rijk gekleed en vroolijk als een bruidegom op den bruiloftsavond, steigerde Richard naast den draagstoel van Koningin Berengaria, haar de verschillende oorden, waar zij doortrokken, aanwijzende, terwijl hij den tocht door de ongastvrije wildernis met verhalen en gezang vervroolijkte. De vorige weg, dien de Koningin bij hare bedevaart naar Engaddi gevolgd had, liep langs de andere zijde van de bergketen, zoodat haar de tafereelen der woestijn vreemd waren; en ofschoon Berengaria het karakter van haar gemaal te wèl kende, om niet te trachten het voorkomen van belangstelling aan te nemen in hetgeen hem behaagde te zeggen of te zingen, kon zij toch eenige vrouwelijke vrees niet weren, toen zij zich in de vreeselijke wildernis bevond, bijna in het midden der zandvlakte, met zulk een klein geleide, dat er als een stip uitzag. Tevens wist zij, dat zij niet zoo ver van de legerplaats van den Sultan waren, of zij konden in een oogenblik door eene grootere macht van zijne vlugge ruiterij overvallen en weggevoerd worden, als de Heiden trouweloos genoeg was om van zulk eene verleidelijke gelegenheid partij te trekken. Maar toen zij deze vermoedens aan Koning Richard liet bespeuren, bejegende hij die met misnoegen en verachting. "Het zou meer dan ondankbaarheid zijn," zeide hij, "zoo men aan de goede trouw van den grootmoedigen Sultan twijfelde."

Toch kwam deze gedachte meer dan eens weder op, niet alleen in het vreesachtig gemoed der Koningin, maar in den krachtiger en openhartiger geest van Edith Plantagenet, die niet zulk een onwankelbaar vertrouwen op de goede trouw van den Muzelman had, dat zij volmaakt gerust was, nu zij zoo geheel in diens macht was; en hare verbazing zou minder groot dan haar schrik geweest zijn, zoo de woestijn plotseling van het geschreeuw van "Allah hu!" weergalmd had, en eene bende Arabische ruiterij als gieren op hunne prooi ware gestort. Deze achterdocht werd niet verminderd, toen zij bij het vallen van den avond een enkelen Arabischen ruiter bespeurden, dien men aan zijn tulband en zijne lange lans onderscheiden kon, en die boven den rand van eene kleine hoogte scheen te zweven, gelijk een havik zich in de lucht beweegt, en bij de verschijning van den koninklijken trein met den spoed van denzelfden vogel wegschoot, wanneer die voor den wind afvliegt en aan den gezichteinder verdwijnt.

"Wij moeten nabij de kampplaats zijn," zeide Koning Richard; "en gindsche ruiter is een van Saladin's buitenposten--mij dunkt, ik hoor het gedruisch der Moorsche horens en cymbalen. Schaart u in orde, vrienden, en omringt de dames op militaire wijze en aaneengesloten."

Terwijl hij sprak, drong elk ridder, schildknaap en boogschutter haastig naar de hem aangewezen plaats, en zij trokken in de meest gesloten orde voorwaarts, zoodat hun getal nog geringer scheen. Om de waarheid te zeggen, ofschoon er mogelijk geene vrees bij hen heerschte, was angst zoowel als nieuwsgierigheid te bespeuren in de aandacht, waarmede zij naar het woeste gedruisch van de Moorsche muziek luisterden, die hoe langer hoe duidelijker zich hooren liet in de richting, waar men den Arabischen ruiter had zien verdwijnen.

De Vaux fluisterde den Koning toe: "Zou het niet goed zijn, mijn Vorst, een page naar den top van dien heuvel te zenden? Of behaagt het u, dat ik er heen rijd? Mij dunkt, naar al dat geraas en gedruisch te oordeelen, dat, zoo er niet meer dan vijfhonderd man aan de andere zijde van de heuvels zijn, de helft van het gevolg van den Sultan uit trommel- en cymbalenslagers bestaan moet.... Zal ik er heen rijden?"

De baron hield zijn paard goed in den toom en wilde juist de sporen geven, toen de Koning uitriep: "Om alles in de wereld, doe het niet. Zulk eene voorzorg zou achterdocht verraden, en zou van weinig nut zijn, om eene verrassing te voorkomen, die ik evenwel niet vrees."

Zij trokken dientengevolge in gesloten en vaste orde voorwaarts, totdat zij over de rij lage heuvels en in het gezicht van de bestemde kampplaats kwamen, toen een prachtig maar tegelijkertijd ontzagwekkend schouwspel hen verraste. De Diamant van de woestijn, kort geleden eene eenzame fontein, die alleen te midden van de wildernis door enkele groepen palmboomen onderscheiden werd, was thans het middelpunt van eene legerplaats, waarvan de geborduurde vlaggen en de vergulde sieraden heinde en ver schitterden, en de duizend rijke tinten de ondergaande zon zich weerkaatsten. Het linnen der groote tenten was van de vroolijkste kleuren, scharlaken, hoog geel, bleek blauw, en andere levendige en schitterende verwen, en de spitsen van hunne tentpalen waren met gouden granaatappels en kleine zijden wimpels versierd. Maar behalve deze versierde tenten was er, zooals Thomas de Vaux meende, een ontzaglijk aantal van de gewone zwarte tenten der Arabieren, daar deze, naar zijn oordeel, toereikend waren om volgens Oostersche wijze, een leger van vijfduizend man gemakkelijk in zich op te nemen. Een aantal Arabieren en Kurden, evenredig aan de uitgebreidheid van de legerplaats, vereenigde zich spoedig, ieder zijn paard aan de hand leidende, en hunne revue ging gepaard met een oorverdoovend gedruisch van schelklinkende krijgsinstrumenten, waardoor ten allen tijde de krijgsverrichtingen der Arabieren zich kenmerkten.

Zij vormden weldra een donkeren en verwarden hoop afgestegen ruiterij in het front van hun leger; daarop sprong, op een schel signaal, dat zich ver boven den klank der muziek verhief, ieder ruiter in het zadel. Eene wolk van stof, die bij deze beweging ontstond, verborg voor Richard en zijn gevolg het kamp, de palmboomen en de verafgelegen bergketen, zoowel als de benden, wier plotselinge beweging de wolk had veroorzaakt, welke, zich hoog boven hunne hoofden verheffende, de fantastische vormen van zuilen, koepels en minarets aannam. Men hoorde een tweede schel signaal uit dezen wolksluier klinken. Het was een sein voor de ruiters, om voort te rukken, wat zij in vollen galop deden, terwijl zij zich onder het voortrukken zoodanig rangschikten, dat zij op eenmaal voor het front, op zijde en in de achterhoede van Richard's kleine lijfwacht kwamen, die aldus omringd was en bijna stikte in de dikke wolken stof, die hen van alle kanten omgaven. Door deze heen zag en verloor men bij afwisseling de woeste gestalten en wilde gezichten der Sarraceenen, die onder een woest geschreeuw, hunne lansen in alle mogelijke richtingen rondzwaaiden en voor zich uit stootten, en dikwijls hunne paarden eerst tegenhielden, wanneer zij op eene speerlengte van de Christenen verwijderd waren, terwijl die van de achterhoede dichte wolken pijlen over de hoofden der beide partijen schoten. Een ervan trof den draagstoel, waarin de Koningin zat, die luid gilde, en op dat oogenblik kleurde Richard's voorhoofd.

"Ha, St. George!" riep hij uit, "wij moeten wat orde onder dit ongeloovige schuim stellen!"

Maar Edith, wier draagstoel nabij was, stak haar hoofd naar buiten, en in hare hand een der pijlen houdende, riep zij hem toe: "Koninklijke Richard, wacht u, wat gij doet. Zie, deze pijlen hebben geene punten!"

"Edel, gevoelvol meisje!" zeide Richard; "bij den hemel, gij beschaamt ons allen door uwe snelheid van gedachten en uw blik.--Verontrust u niet, mijne goede landslieden," riep hij zijn volgelingen toe--"hunne pijlen hebben geene spitsen--en aan hunne speren ontbreken ook de stalen punten. Het is slechts eene woeste verwelkoming, volgens hun wild gebruik, ofschoon zij ons zonder twijfel gaarne verschrikt of in verwarring zouden zien. Rukt voorwaarts, langzaam en vast!"

De kleine phalanx trok dus voort, van alle zijden door de Arabieren vergezeld onder het schelste en doordringende geschreeuw, terwijl de boogschutters intusschen hunne vaardigheid betoonden, daar zij zoo dicht mogelijk langs de helmen der Christenen schoten, zonder hen te treffen, terwijl de lansdragers elkander met zulke ruwe stooten van hunne plompe wapenen aanvielen, dat meer dan een van hen uit het zadel geraakte en bijna zijn leven in dit gevaarlijke spel verloor. Dit alles, ofschoon het bestemd was om eene verwelkoming aan te duiden, had toch eenig bedenkelijk aanzien in het oog der Westerlingen.

Toen zij omtrent halfweg het kamp waren, terwijl Koning Richard en zijn gevolg, als het ware, den kern vormden, waarom heen deze luidruchtige bende ruiters huilde, schreeuwde, schermutselde, galoppeerde en een tooneel van onbeschrijfelijke wanorde vormde, hoorde men nog eenmaal een schellen gil, waarop al deze onregelmatige benden, die in de voorhoede en op de zijden van den kleinen troep Europeanen waren, terugweken, en eene lange en breede kolom uitmakende, in stille orde de achterhoede, van Richard's troep volgden. Het stof begon thans voor het front te verdwijnen, toen er hun door dien donkeren sluier eene bende ruiterij tegemoet trok van geheel verschillenden en meer geregelden aard, volkomen met wapenen van aanval uitgerust en die wel tot lijfwacht bij den meest verhevenen van alle Oostersche Monarchen had kunnen dienen. Elk paard van dien troep, die uit vijfhonderd man bestond, was het losgeld van een graaf waard. De ruiters waren Georgische en Circassische slaven in den bloei des levens. Hunne helmen en borstharnassen waren uit stalen ringen vervaardigd, die zoo sterk schitterden, alsof zij van zilver waren; hunne kleeding was van de levendigste kleuren en van sommigen van goud- of zilverstof. De sjerpen waren met zijde en goud doorwerkt, hunne rijke tulbanden met vederbossen en juweelen bezet, en hunne sabels en dolken van Damascener staal, en aan het gevest en de scheede met goud en edelgesteenten versierd.

Dit prachtige korps rukte onder de tonen van krijgsmuziek voorwaarts, en toen zij bij den stoet der Christenen kwamen, openden zij hunne rijen ter rechter- en linkerzijde, en lieten hen tusschen hunne gelederen doortrekken. Richard nam nu de voorste plaats bij zijn troep in, daar hij begreep, dat Saladin zelf naderde. Het duurde dan ook niet lang of de Sultan kwam, te midden van zijn lijfwacht, omringd door de officieren van zijn huis, en die afschuwelijke Negers, die een Oosterschen harem bewaken, en wier mismaakte gedaante door een rijkdom hunner kleeding nog afzichtelijker werd. Hij naderde met den blik en de houding van een man, op wiens voorhoofd de natuur geschreven had: "deze is een Koning!" In zijn sneeuwwitten tulband en een gewaad van dezelfde kleur en zijne wijde Oostersche broek met eene scharlaken roode sjerp zonder eenig ander sieraad, kon Saladin de eenvoudigste onder zijne lijfwacht geschenen hebben. Maar een nauwgezetter onderzoek deed in zijn tulband dat onwaardeerbaar juweel ontdekken, dat de dichters de "Zee van Licht" noemden; de diamant, waarop zijn wapen was gesneden, en dien hij in een ring droeg, had waarschijnlijk dezelfde waarde als alle kostbare steenen van de Engelsche kroon te samen, en een saffier, aan het uiteinde van het hecht van zijn dolk, was bijna even kostbaar. Hierbij moet men nog voegen, dat de Sultan, om zich voor het stof te behoeden, dat in de nabijheid der Doode Zee aan de fijnste asch gelijk is, of misschien uit Oosterschen hoogmoed, eene soort van sluier droeg, die aan zijn tulband was vastgemaakt, en eene lichte schaduw wierp op zijne edele gelaatstrekken. Hij reed op een melkwit Arabisch paard, dat hem droeg, alsof het wist, welken edelen last het op zijn rug had, en trotsch daarop was.

Zonder eenige voorbereidende ceremonie stegen onmiddellijk de twee vorstelijke helden, want dien naam verdienden zij ten volle, gelijktijdig van hun paard; en terwijl de troepen staan bleven en de muziek eensklaps ophield, naderden zij, het diepste stilzwijgen in acht nemende, elkander, en na eene beleefde buiging van weerszijden, omhelsden zij elkander als broeders en elkaars gelijken. De praal en pracht van beide zijden verloor zijn luister--niemand zag iets anders dan Richard en Saladin, en ook zij zagen niet dan elkander. De blik, waarmede Richard Saladin beschouwde, was echter vorschender dan die, welke de Sultan op hem vestigde; ook was deze de eerste, die het stilzwijgen afbrak.

"Melec Ric is Saladin even welkom, als het water dezer woestijn. Ik vertrouw, dat hij geen wantrouwen tegen deze talrijke schaar heeft. Behalve deze gewapende slaven van mijn huis, zijn degenen, welke u met oogen van verwondering en verwelkoming omringden, zelfs de nederigsten van hen, de bevoorrechte edelen van mijne duizend stammen; want wie, die aanspraak kon maken om tegenwoordig te zijn, zou te huis willen blijven, nu er zulk een Vorst als Richard te zien was, met den schrik voor wiens naam zelfs te midden van het zand van Jemen, de voedster haar kind tot stilte brengt, en de vrije Arabier zijn wederspannig ros beteugelt." [8]

"En dit zijn allen Arabische edelen?" vroeg Richard, om zich heen ziende naar de woeste gedaanten, wier gelaat verzengd was door de zonnestralen, wier tanden het ivoor in witheid evenaarden, terwijl hunne zwarte oogen van onder de schaduw hunner tulbanden met fieren en bovennatuurlijken glans schitterden, en hunne kleeding over het algemeen eenvoudig, zelfs armelijk was.

"Zij maken aanspraak op dien rang," antwoordde Saladin; "maar hoe talrijk ook, toch zijn zij onder de voorwaarden van het verdrag, en dragen geene wapenen behalve de sabel--zelfs het ijzer hunner lansen hebben zij achtergelaten."

"Ik vrees," mompelde de Vaux in het Engelsch, "dat zij het op eene plaats gelaten hebben, waar zij het schielijk kunnen vinden. Een zeer bloeiend huis van Pairs, dat beken ik, en zij zouden Westminster-Hall nog te klein voor zich achten."

"Stil, de Vaux," antwoordde Richard, "ik beveel het u.--Edele Saladin," sprak hij, "achterdocht en gij, kunnen niet op denzelfden grond bestaan. Ziet gij," op den draagstoel wijzende,--"ik heb ook eenige kampioenen medegebracht, ofschoon zij, misschien met inbreuk op het verdrag, gewapend zijn, want schitterende oogen en schoone gelaatstrekken zijn wapenen, die men niet achterlaten kan."

De Sultan, zich naar den draagstoel wendende, maakte eene even diepe buiging, of hij de oogen op Mekka gericht had, en kuste het zand ten teeken van eerbied.

"Neen, broeder," zeide Richard, "zij vreezen eene andere ontmoeting niet; wilt gij niet naar hare draagstoelen rijden, en de gordijnen zullen dadelijk weggetrokken worden."

"Dat verhoede Allah!" antwoordde Saladin; "want elk Arabier die er getuige van is, zou het voor een schande houden, dat de edele vrouwen met ontbloot gelaat gezien werden."

"Gij zult haar zien als wij alleen zijn, broeder," hernam Richard.

"Waartoe?" hervatte Saladin treurig. "Uw laatste brief was voor de hoop, die ik koesterde, gelijk water voor het vuur; en waarom zou ik opnieuw eene vlam doen ontbranden, die mij kan verteren, maar niet verwarmen?--Maar wil mijn broeder niet in den tent gaan, die zijn dienaar voor hem bereid heeft? Mijn voornaamste zwarte slaaf heeft bevel voor de ontvangst der prinsessen--de officieren van mijn huis zullen voor uw gevolg zorgen; en wij zelf zullen de kamerheer van Koning Richard zijn."

Hij wees bij die woorden den weg naar eene prachtige tent, waarin zich alles bevond, wat koninklijke weelde kon bedenken. De Vaux, die den Koning bediende, nam hem toen de capa of langen reismantel af, dien Richard droeg, en deze stond voor Saladin in de eng sluitende kleeding, welke de kracht en de wel gevormde leden van zijn persoon voordeelig deed uitkomen, terwijl zij een sterk contrast vormde met het fladderende gewaad, dat de magere gestalte van den Oosterschen Monarch bedekte. Maar het was Richard's ontzaglijk zwaard, dat vooral de aandacht van den Sarraceen trok, eene breede, rechte kling, waarvan de schijnbaar niet te hanteeren lengte zich bijna van den schouder tot de hiel van den drager reikte.

"Had ik dit staal niet in het front van den slag zien schitteren," zeide Saladin, "gelijk dat van Azraël, dan zou ik moeilijk geloofd hebben, dat een menschenarm het kon bestieren. Mag ik verzoeken, om Melec Ric in vrede en alleen tot eene proef van zijne kracht een slag daarmede te zien doen?"

"Gaarne, edele Saladin," antwoordde Richard, en rondziende naar iets, waarop hij zijne kracht kon uitoefenen, zag hij eene stalen knots, die een der wachten hield, waarvan de steel van hetzelfde metaal en omtrent anderhalf duim in doorsnede was--deze legde hij op een houten blok.

De bezorgdheid van de Vaux voor de eer zijns meesters deed hem in het Engelsch fluisteren: "om der heiligen Maagd's wille, mijn Koning, zie toe wat gij onderneemt. Uwe volle kracht is nog niet teruggekeerd--geef den ongeloovigen geen gelegenheid tot zegepraal."

"Zwijg, dwaas!" zeide Richard, vast op zijne plaats staande, en een fieren blik om zich heen werpende,--sprak hij, "denkt gij, dat het in zijne tegenwoordigheid missen kan?"

Het blinkende zwaard, door zijne beide handen bestierd, verhief zich tot boven zijn linker schouder, draaide om zijn hoofd, viel met den zwaai van een ontzaglijk werktuig neder, en de ijzeren stang rolde in twee stukken op den grond, zooals een houthakker een jong boompje met een groot snoeimes zou afhouwen.

"Bij het hoofd van den Profeet, een allermerkwaardigste houw!" riep de Sultan, terwijl hij met het oog eens kenners de in stukken gehouwen ijzeren stang nauwkeurig onderzocht. De kling van het zwaard was zóó gehard, dat zij niet het minste blijk vertoonde, dat zij door de verrichte daad van kracht geleden had. Hierop nam hij des Konings hand, en de groote en gespierde kracht, die duidelijk eraan te zien was, beschouwende, lachte hij, terwijl hij de zijne er naast legde, die zoo rank en dun en zooveel minder in vleesch en spieren was.

"Ja, zie goed toe," zeide de Vaux in het Engelsch, "het zal lang duren, eer uwe lange apenvingers met uwe schoone, vergulde sikkel zulk een daad verrichten."

"Stil, de Vaux," zeide Richard; "bij onze lieve Vrouw, hij verstaat of gist uwe meening--wees niet zoo onbeschoft, bid ik u."

De Sultan zeide inderdaad op hetzelfde oogenblik: "iets wilde ik gaarne beproeven--maar waarom zouden de zwakken hunne minderheid in tegenwoordigheid der sterken laten zien? Intusschen, ieder land heeft zijne eigen oefeningen, en mogelijk is dit nieuw voor Melec Ric."--Bij deze woorden nam hij een kussen van zijde en dons van de vloer, en zette het op het eene einde rechtop.--"Kan uw wapen dit kussen splijten?" vroeg hij aan Koning Richard.

"Neen, zeker niet," antwoordde de Koning, "geen zwaard op aarde, al ware het de Excalibur van Koning Arthur, kan iets doorsnijden, dat geen vasten tegenstand biedt."

"Pas dan op," zeide Saladin; en de mouw van zijn gewaad optrekkende, liet hij zijn arm zien, die wel is waar lang en mager was, maar die door gedurige oefening verhard was tot eene massa, die uit niets dan peezen en zenuwen bestond. Hij trok zijn sabel uit de scheede; het was eene kromme smalle kling, die niet, gelijk de zwaarden der Franken schitterde, maar integendeel van eene matte, blauwe kleur was, met millioenen slangswijze loopende lijnen geteekend, welke toonden, hoe het metaal door den wapensmid bewerkt was geworden. Met dit wapen, dat in schijn zoo weinig kon uitrichten, als het met dat van Richard vergeleken werd, stond de Sultan, steunend op zijn linker voet, die een weinig voorwaarts stond; hij balanceerde een oogenblik, alsof hij zijn doel goed wilde vatten; toen plotseling voorwaarts tredende, trok hij de sabel dwars door het kussen, terwijl hij het lemmet zoo behendig en tevens met zoo weinig zichtbare inspanning gebruikte, dat het kussen eer uiteen scheen te vallen, dan dat het door geweld vaneen gescheiden werd.

"Dit is een goochelaarskunstje," zeide de Vaux, vooruitspringende en het stuk van het kussen, dat afgesneden was, opvattende, alsof hij zich van de werkelijkheid der zaak wilde overtuigen--"daar is tooverij bij."

De Sultan scheen hem te begrijpen; want hij maakte de soort van sluier, dien hij tot hiertoe om gehad had, los, legde dien dubbel over het lemmet van zijn sabel, strekte die in de lucht, en trok ze eensklaps door den sluier, ofschoon die geheel los om de kling hing, en scheidde ook dezen in twee deelen, die naar verschillende zijden der tent vlogen, aldus evenzeer de buitengemeene hardheid en scherpte toonende van het wapen als de uitstekende behendigheid van hem, die het hanteerde.

"Nu, in vollen ernst, broeder," zeide Richard, "gij zijt zonder wederga in de hanteering van het zwaard, en het zou zeer gevaarlijk zijn met u te vechten. Intusschen, ik stel eenig vertrouwen in een goeden Engelschen slag, en wat wij niet door list vermogen, vergoeden wij door sterkte. Niettemin zijt gij in waarheid even ervaren in het toebrengen van wonden, als mijn wijze Hakim in het genezen ervan. Ik hoop toch, dat ik den geleerden arts zal zien.--Ik heb hem veel te danken, en bracht eenige kleine geschenken mede."

Terwijl hij sprak, verwisselde Saladin zijn tulband met eene Tartaarsche muts. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Vaux opende eensklaps zijn breeden mond en zijne groote, ronde oogen, en Richard staarde met niet minder verwondering, terwijl de Sultan op ernstigen en veranderden toon zeide:

"De zieke," zegt de dichter, "kent den geneesheer aan zijn stap; maar wanneer hij hersteld is, kent hij niet eens zijn gelaat, als hij hem aanziet."

"Een wonder!--een wonder!" riep Richard uit.

"Zonder twijfel door Mahomed bewerkt," zeide Thomas de Vaux.

"Dat ik mijn geleerden Hakim alleen door het afleggen van zijne muts en zijn tulband zou verliezen, en hem in mijn koninklijken broeder Saladin mag wedervinden!"

"Zoo gaat het in de wereld," antwoordde de Sultan; "het gescheurde kleed maakt niet altijd den dervisch uit."

"En het was op uwe voorspraak," vroeg Richard, "dat de ridder van den Luipaard van den dood gered werd--en door uwe list, dat hij mijne legerplaats weder vermomd bezocht?"

"Zoo is het," hervatte Saladin; "ik was bekwaam genoeg als geneesheer om te weten, dat, zoo de wonden van zijne bloedende eer niet gestild werden, de dagen zijns levens weinig zouden zijn. Zijne vermomming werd lichter doorgrond, dan ik van den goeden uitslag van de mijne verwacht had."

"Een toeval," antwoordde Richard,--waarschijnlijk doelende op de omstandigheid, dat hij met zijne lippen de wond van den gewaanden Nubiër had uitgezogen,--"deed mij eerst ontdekken, dat zijn vel door kunst gekleurd was; en toen ik eenmaal die aanwijzing had, werd de ontdekking zeer gemakkelijk, want zijne gestalte en zijn voorkomen zijn niet zoo licht te vergeten. Ik vertrouw vast, dat hij morgen zal strijden."

"Hij bereidt zich reeds voor en is vol hoop," zeide de Sultan. "Ik heb hem wapens en een paard verschaft, daar ik eene hooge gedachte van hem heb, voor zoover ik hem in verschillende vermommingen heb gadegeslagen."

"Weet hij thans," vroeg Richard, "aan wien hij die groote verplichting heeft?"

"Ja," antwoordde de Sarraceen--"ik was verplicht te bekennen, wie ik was, toen ik hem mijn plan mededeelde."

"En bekende hij u iets?" vroeg de Koning van Engeland.

"Rechtstreeks niets," zeide de Sultan; "maar uit vele dingen, die tusschen ons voorgevallen zijn, maak ik op, dat zijne liefde te hoog geplaatst is, om tot een gelukkig einde te leiden."

"En gij wist, dat zijne vermetele, onbeschaamde hartstocht uwe eigen wenschen in den weg stond?" vroeg Richard.

"Dit kon ik gissen," hernam Saladin; "maar zijn hartstocht heeft bestaan, eer mijne wenschen gevormd waren--en dit moet ik er thans bijvoegen: zij zal die ook wel overleven.--Ik kan het met mijne eer niet overeenbrengen om mijne teleurstelling te wreken op hem, die er geen deel in had. Of, zoo deze hooggeboren dame hem meer dan mij beminde, wie kan zeggen, dat zij geen recht liet wedervaren aan een ridder, die zoo edel is?"