De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 30
Tegen den tijd, dat het gehoor van den lord van Gilsland geëindigd was, kondigde een bode aan, dat de Koningin en haar gevolg de koninklijke tent naderden.--"Een flesch wijn, hola!" riep de Koning; "van den langgespaarden Cypruswijn van den ouden Koning Izaäk, dien wij buit gemaakt hebben bij het bestormen van Famagusta--vult den dapperen lord van Gilsland een beker--nooit had een Vorst een meer zorgvollen en getrouwen dienaar."
"Het verheugt mij," antwoordde Thomas de Vaux, "dat uwe Majesteit den muilezel een nuttigen slaaf acht, ofschoon zijne stem minder muzikaal is dan paardenhaar of koperdraad."
"Hoe, kunt gij die scherts omtrent een muilezel nog niet verdragen?" hervatte Richard. "Wasch die met een bruisenden beker af, man, of gij zult er nog in stikken.--Goed geledigd!--en nu zal ik u zeggen, gij zijt een krijgsman, zoowel als ik, en wij moeten elkanders schertsen in de zaal verdragen, zoowel als elkanders stooten in het toernooi, en elkander des te meer liefhebben, hoe harder wij treffen. Op mijn woord, zoo gij mij in onzen laatsten strijd niet even hard getroffen hebt, als ik u, dan hebt gij toch al uw verstand bij den stoot verbruikt. Maar hier ligt het onderscheid tusschen u en Blondel. Gij zijt slechts mijn makker--mijn kweekeling zou ik kunnen zeggen--in de krijgskunst, Blondel is mijn meester in de kunst der minnezangers en de muziek. U vergun ik de vrijheid der vertrouwelijkheid--hem moet ik eerbied bewijzen, als mijn meerdere in zijne kunst. Kom, man, wees niet verdrietig, maar blijf en hoor ons gezang."
"Uwe Majesteit, in een zoo vroolijken luim te zien," hernam de lord van Gilsland, "op mijn woord, dit zou er mij toe kunnen brengen, dat ik bleef, totdat Blondel de groote romance geëindigd had van Koning Arthur, die drie dagen duurt."
"We willen uw geduld niet op zoo harde proef stellen," hervatte de Koning. "Maar zie, die toortsglans daar buiten bewijst, dat onze gemalin nadert.--Ga schielijk heen om haar te ontvangen, vriend, en verwerf goede gunst in de schitterendste oogen van het Christendom.--Neen, houd u niet op, om uw mantel in orde te brengen. Zie, gij hebt Neville tusschen den wind en de zeilen uwer gallei laten komen."
"Hij was op het slagveld mij nooit vóór," zeide de Vaux, niet bijzonder tevreden, dat hij door den grooten dienstijver van den kamerheer voorkomen was.
"Neen, noch hij noch iemand anders is u daar voorgekomen, mijn goede Tom van Gills," zeide de Koning, "zoo niet wij zelven het tusschen beide waren."
"Ja, mijn Koning," hernam de Vaux, "en laat ons den ongelukkigen recht laten wedervaren;--de ongelukkige ridder van den Luipaard is ook eens vóór mij geweest; want, ziet gij, hij weegt minder te paard, en dus...."
"Stil!" zeide de Koning hem op bevelenden toon in de rede vallende, "geen woord van hem," en hij stapte terstond voorwaarts, om zijne koninklijke gemalin te begroeten; en na dit gedaan te hebben, stelde hij haar Blondel als Koning der minnezangers en zijn meester in de vroolijke wetenschap voor. Berengaria, die wel wist, dat de neiging van haar gemaal voor dichtkunst en muziek bijna zijne zucht naar krijgsroem evenaarde, en dat Blondel zijn bijzondere gunsteling was, droeg de grootste zorg om hem met al de vleiende onderscheiding te ontvangen, die zij verschuldigd was aan hem, dien het den Koning een genoegen was te eeren. Toch was het blijkbaar, dat, ofschoon Blondel naar behooren bij de komplimenten, waarmede hij wat te ruim door de Koningin overstelpt werd, antwoordde, hij met dieper eerbied en nederiger dankbaarheid de eenvoudige en aanvallige verwelkoming van Edith erkende, daar hare korte begroeting hem misschien in evenredigheid van de kortheid en eenvoudigheid oprechter toescheen.
Zoowel de Koningin als de Koning bemerkten dit onderscheid, en Richard ziende, dat zijne gemalin eenigszins boos was over de voorkeur, die aan zijne nicht betoond werd, en die hem misschien zelf niet zeer aangenaam was, zeide, zoodat beide het hoorden,--"en minnezangers, Berengaria, zoo als gij aan het gedrag van onzen meester Blondel zien kunt, betoonen een grooter eerbied aan een gestrengen rechter, zooals onze bloedverwante, dan aan een welwillenden, partijdigen vriend, gelijk gij, die hunne waarde wel op goed geloof wil aannemen."
Edith werd door deze schijnbare spotternij van haar koninklijken bloedverwant getroffen, en aarzelde niet te antwoorden: "een hard en gestreng rechter te zijn, is eene eigenschap, die niet mij alleen onder de Plantagenets eigen is."
Zij had misschien meer gezegd, daar zij iets van het karakter van dit Huis had, dat, zijn naam en zijn wapen van de lage braam (Planta Genista), als een teeken van nederigheid aangenomen hebbende, misschien eene der meest trotsche familiën was, die ooit in Engeland regeerden. Maar haar oog, dat reeds tot een antwoord ontvlamde, viel eensklaps op dat van den Nubiër, ofschoon hij zich achter de edelen trachtte te verbergen, en zij zonk op een stoel, zoo bleek, dat Koningin Berengaria zich verplicht achtte, water en welriekende olie te vragen, en de verdere gebruikelijke middelen aan te wenden, die bij de flauwte eener dame van dienst zijn. Richard, die Edith's geestkracht beter op prijs wist te stellen, riep Blondel toe, zijne zitplaats te nemen, en zijn gezang te beginnen, en verklaarde, dat de minnezangerskunst ieder ander geneesmiddel overtrof, om eene Plantagenet in het leven terug te roepen.--"Zing voor ons," zeide hij, "dat lied van het Bloedige Gewaad, waarvan gij mij vroeger den inhoud verteld hebt, eer ik Cyprus verliet; gij moet er thans wel volkomen in zijn, of, zoo als onze landlieden zeggen, uw boog is gebroken."
Met bezorgdheid rustte het oog van den minnezanger echter op Edith, en eerst toen hij bemerkte, dat hare kleur terugkeerde, gehoorzaamde hij aan het herhaald bevel des Konings. Hierop zijne stem met de harp begeleidende, zoodat hij den zin van hetgeen hij zong verhoogde en niet verdoofde, zong hij in eene soort van recitatief, een van die oude avonturen van liefde en ridderschap, die in vroeger eeuwen de algemeene aandacht plachten te trekken. Zoodra hij begon voort te spelen, scheen het onbeduidende van zijn persoonlijk voorkomen te verdwijnen, en zijn gelaat gloeide van geestdrift en bezieling. Zijne volle, mannelijke, welluidende stem, zoo geheel onder bedwang van den zuiversten smaak, trof ieder oor en ieder hart. Richard, verheugd als na eene overwinning, riep om tot stilzwijgen te vermanen: "Luistert, heeren, in tuin en zaal." Te gelijk zorgde hij voor orde en stilte in de kring rondom hem met den ijver van een beschermer en een leerling tevens. Hij zelf zette zich neder met een gelaat van ingespannen belangstelling, niet geheel ontbloot van den ernst van den bevoegden beoordeelaar. De hovelingen richtten hunne oogen naar den Koning, om gereed te zijn, de aandoeningen, die zijne trekken zouden uitdrukken te bespieden en na te volgen, en Thomas de Vaux geeuwde verschrikkelijk, als iemand, die zich tegen zijn wil aan een strenge boete onderwerpt. Het gezang van Blondel was natuurlijk in de Normandische taal; maar de volgende verzen geven den inhoud er van weder.
HET BLOEDIGE KLEED.
I.
't Was de avond vóór 't groote toernooi van St. Jan. Door ridders en knapen verlangend verbeid;-- De duisternis viel reeds, toen schreed door het kamp Een page, een knaap nog te jong voor den strijd; Hem zond de prinses van het schoon Benevent Om te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.
Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt, En schamel blijkt 's ridders verblijfplaats te zijn. Geen dienaren maken zijn rusting gereed. Hijzelf staat aan 't aanbeeld en poetst alles rein; Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. Jan Dekt op morgen die rusting den dapperen man.
"Dus", zoo zeide de knaap, "spreekt een eed'le prinses Tot u, onder ridders zoo need'rig in rang:" --"Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft, Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang. Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheid En gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.
Leg op morgen, zoo wil 't Beneventums prinses Uw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed; Een linnen gewaad voor 't beschermende staal! 't Is meer dan tevoren een ridder ooit deed; En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard, Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard."
"De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel." Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof: "Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht, En geen slag velt mij neer, die niet dood'lijk mij trof-- Maar blijf ik in 't leven, zeg dat uw vorstin. Dan geef ze op haar beurt mij 't bewijs van haar min."
II.
't St. Jans-feest getuigde van dappere daân En veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed; Maar één ridder blonk ver boven d'and'ren toch uit En vervulde elk met ontzag voor zijn moed; Want geen pantser van staal was 't waarin hij verscheen, Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.
Wel trof hem van sommigen menige slag, Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon: Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd, Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon, Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag, Om te noemen dien ridder, als held van den dag.
Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon, Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap; Vol steken en kerven, doortrokken van bloed Bracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap. Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt, Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.
"Dit teeken zendt de edele Thomas à Kent Als bewijs, dat het al naar uw wil is geschied. Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht; Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet; Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd, Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt."
--"Ik hergeef", "spreekt mijn meester,"--"dit kleed dat ik droeg, Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt. Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt."-- En zij kuste het, waar 't door zijn bloed was gekleurd; "Zeg mijn ridder, dat hij en heel 't hof nu zal zien Of ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien."
Toen de vorst'lijke stoet naar de kerk zich begaf, Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaad Maar daarover geworpen was 't bloedige hemd-- Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat? En toen voor haar vader ze aan 't gastmaal verscheen Droeg zij weer over zijde en juweelen het heen.
Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aan En sprak: "Veel gevergd is het, dat ik dit duld; Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maakt Zult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld. Als zijn egade voere deez' ridder u weg. Daar ik beide u 't verblijf in mijn prinsdom ontzeg."
Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal, Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed; "Om te winnen uw dochter, mij 't liefste op aard'. En haar met mij te voeren gaf 'k gaarne mijn bloed; En niet lang zal ze treuren om 't schoon Benevent Wordt ze in Eng'land geëerd als gravinne van Kent.
Van alle zijden klonken luide toejuichingen waartoe het voorbeeld was gegeven door Richard zelf, die zijn geliefkoosden minnezanger met loftuitingen overlaadde, en hem ten slotte een ring van aanzienlijke waarde aanbood. De Koningin haastte zich den gunsteling door een rijken armband te onderscheiden, en vele van de tegenwoordige edelen volgden dit koninklijk voorbeeld.
"Is onze nicht Edith," vroeg de Koning, "voor den klank der harp dien zij eens beminde, ongevoelig geworden?"
"Zij dankt Blondel voor zijn lied," antwoordde Edith, "maar dubbel de goedheid van den bloedverwant, die het aangaf."
"Gij zijt boos, nicht," hernam de Koning; "boos omdat gij gehoord hebt van een nog eigenzinniger vrouw dan gij zelve zijt. Maar gij ontsnapt mij niet.--Ik wil een eindwegs met u huiswaarts naar de tent der Koningin wandelen--wij moeten met elkander spreken, eer de nacht in morgen is veranderd."
De Koningin en haar gevolg stonden nu op, en de andere gasten verwijderden zich uit de koninklijke tent. Een troep met brandende toortsen en een geleide van boogschutters wachtten Berengaria buiten de tent, en zij was weldra op weg huiswaarts. Richard wandelde zooals hij zich had voorgenomen, naast zijne bloedverwante, en dwong haar zijn arm tot steun aan te nemen, zoodat zij met elkander spreken konden, zonder gehoord te worden.
"Welk antwoord moet ik den edelen Sultan geven?" vroeg Richard. "De Koningen en Vorsten vallen mij af, Edith; deze nieuwe twist heeft hen op nieuw vervreemd. Ik wilde gaarne iets voor het heilige Graf doen, zoo niet door de overwinning, dan door een verdrag; en mijne kans om dat ten uitvoer te brengen, hangt, helaas af, van de grillen eener vrouw. Ik wilde mijne oude speer tegen tien van de beste lansen in het Christendom opheffen, liever dan tegen een eigenzinnig meisje redeneeren, die niet weet wat tot haar eigen best dient--Welk antwoord, nicht, moet ik den Sultan geven? Het moet beslissend zijn."
"Zeg hem," antwoordde Edith, "dat de armste der Plantagenets eer een huwelijk met de ellende dan met het ongeloof wil aangaan."
"Zal ik zeggen met de slavernij, Edith?" zeide de Koning.--"Mij dunkt dit komt nader bij uw meening."
"Er bestaat geene reden," hernam Edith, "voor den achterdocht, dien gij zoo ruw te kennen geeft. Met de slavernij des lichaams had men medelijden kunnen hebben, maar die der ziel is slechts te verachten. Schaam u, Koning van het vroolijke Engeland, gij hebt de leden en den geest van een ridder in slavernij gebracht, die eenmaal nauwelijks minder beroemd was dan gij zelf."
"Zou ik mijne naastbestaanden niet beletten om vergif te drinken, door de vaas te bezoedelen, waarin het zich bevond, zoo ik geen ander middel zag, om haar den noodlottigen drank tegen te maken?" hervatte de Koning.
"Gij zijt het zelf, die mij dwingen wildet om het vergif te drinken, omdat het in een gouden beker aangeboden wordt," antwoordde Edith.
"Edith," hernam Richard, "ik kan uw besluit niet dwingen; maar pas op, dat gij de deur niet sluit, die de Hemel opent. De kluizenaar van Engaddi, hij, dien pausen en kerkvergaderingen als een profeet beschouwd hebben, heeft in sterren gelezen, dat uw huwelijk mij met een machtigen vijand zal verzoenen, en dat uw gemaal een Christen zal zijn. Ik heb dus allen grond om te hopen, dat de bekeering van den Sultan, en de opneming van de zonen Ismaël's in den schoot der kerk een gevolg van uwe verbintenis met Saladin zullen zijn. Kom, gij moet een klein offer brengen liever dan zulke gelukkige vooruitzichten te belemmeren."
"Men kan rammen en geiten offeren," zeide Edith, "maar eer en geweten niet. Ik heb gehoord, dat het de schande van eene Christenmaagd was, die de Sarraceenen in Spanje bracht--de schande eener andere is geen waarschijnlijk middel om hen uit Palestina te verdrijven."
"Noemt gij het eene schande om Keizerin te worden?" vroeg de Koning.
"Ik noem het schande en onteering een christelijk sacrament te ontheiligen, door het aan te gaan met een ongeloovige, dien het niet binden kan; en ik noem het eene lage beschimping, dat ik, de afstammelinge van een Christen vorstin, vrijwillig het hoofd van een harem van heidensche bijwijven zou worden."
"Welaan, nicht," antwoordde de Koning na een poos, "ik mag niet met u twisten, ofschoon het mij voorkomt, dat uw afhankelijke toestand meer toegevendheid zou voorgeschreven hebben."
"Mijn Koning," hervatte Edith, "uwe Majesteit is waardig opgevolgd in alle rijkdom, titels en rechten van het huis van Plantagenet,--misgun derhalve uwe bloedverwante geen klein aandeel van zijn hoogmoed."
"Op mijn woord, meisje," hernam de Koning, "gij hebt mij met dit eene woord uit den zadel gelicht; dus willen wij elkander kussen en vrienden zijn. Ik zal dadelijk uw antwoord aan Saladin zenden. Maar, zou het evenwel niet beter zijn, nicht, om uw antwoord uit te stellen, totdat gij hem gezien hebt? Men zegt, dat hij uitstekend schoon is."
"Er is geen kans, dat wij elkander ontmoeten, Mylord," zeide Edith.
"Bij St. George, daar is bijna zekerheid van," antwoordde de Koning; "want Saladin zal ons zonder twijfel een open veld geven, om dezen nieuwen strijd voor de banier te voeren, en hij zelf zal ervan getuige zijn. Berengaria brandt van begeerte om dien ook bij te wonen, en ik durf wedden, dat geen enkele van u zal achterblijven--en het minst van allen, gij zelve, schoone nicht. Maar kom, wij hebben de tent bereikt, en moeten scheiden--niet in onmin evenwel--neen, gij moet het met den mond zoo wel als met de hand bezegelen, beste Edith--het is mijn recht als souverein, om mijne schoone onderdanen te kussen."
Hij omhelsde haar eerbiedig en hartelijk, en keerde in den maneschijn door het kamp terug, de fragmenten uit Blondel's lied, die hij zich herinneren kon, bij zich zelven neuriënde.
Bij zijne aankomst liet hij geen tijd voorbijgaan, om zijne dépêches gereed te maken, en gaf die aan den Nubiër over, met bevel om met het aanbreken van den dag naar den Sultan terug te keeren.
HOOFDSTUK XXVII.
Den Tekbir hoorden wij--zoo noemen de Arabieren Hun aanvalskreet, als zij met luid geschreeuw Den Hemel smeeken om de zege--
Beleg van Damascus.
Den volgenden morgen werd Richard door Filips van Frankrijk tot een onderhoud genoodigd; en toen deelde deze hem met veel betuigingen van zijne hooge achting voor zijn broeder van Engeland, in hoogst beleefde, maar te duidelijke bewoordingen om misverstaan te worden, zijn stellig voornemen mede, om naar Europa en tot de zorg voor zijn koninkrijk terug te keeren, daar hij geheel aan den verderen uitslag van hunne onderneming bij de vermindering hunner macht en hunne onderlinge oneenigheid wanhoopte. Richard deed vergeefsche vertoogen, en toen de bijeenkomst geëindigd was, ontving hij zonder verwondering eene verklaring van den hertog van Oostenrijk en verscheidene andere vorsten, een gelijk besluit als dat van Filips bevattende, en in onbewimpelde woorden als reden van hun afval van het Kruis de onbeteugelde eerzucht en het willekeurig beheer van Richard van Engeland aanvoerende. Alle hoop om den oorlog met eenig vooruitzicht op goeden uitslag voort te zetten werd nu vaarwel gezegd, en Richard, bittere tranen over zijne teleurgestelde hoop op roem stortende, vond weinig troost in de overweging, dat de mislukking eenigermate aan de voordeelen was toe te schrijven, die hij zijn vijanden door zijn driftig en onvoorzichtig karakter verschaft had.
"Zij hadden mijn vader niet zoo durven verlaten," zeide hij tot de Vaux in de bitterheid zijner gramschap.--"Geen smaadredenen, die zij tegen zulk een wijs Koning konden uitgebraakt hebben, had men in het Christendom geloofd; terwijl ik,--dwaas die ik ben!--hun niet alleen een voorwendsel aan de hand gegeven heb, om mij te verlaten, maar zelfs den schijn, om al den blaam van de breuk op mijne ongelukkige zwakheden te werpen."
Deze gedachten waren zoo bitter pijnigend voor den Koning, dat de Vaux zich verheugde, toen de aankomst van een gezant van Saladin zijne gedachten op een ander voorwerp leidde.
Deze nieuwe gezant was een emir, die in hooge achting stond bij den Sultan, en wiens naam Abdallah el Hadji was. Hij leidde zijn oorsprong af van het geslacht des profeets en van den stam Hashem en tot teeken van deze afstamming droeg hij een groenen tulband van buitengewone grootte. Hij had ook drie malen de reis naar Mekka gedaan, en hiervan had hij zijn bijnaam van Hadji, of pelgrim. Ondanks deze verschillende aanspraken op heiligheid, was Abdallah, voor een Arabier, een lustig gezel, die vermaak vond in een vroolijk verhaal, en zijne deftigheid zóó ver aflegde, dat hij eene goede flesch ledigde, wanneer geheimhouding hem tegen schandaal waarborgde. Hij was tevens een staatsman, van wiens bekwaamheden Saladin gebruik gemaakt had in onderscheidene onderhandelingen met de Christen Vorsten en bijzonder met Richard, bij wien El Hadji persoonlijk bekend en aangenaam was. Aangespoord door de gereede vergunning, waarmede de gezant van Saladin een vrij veld schonk, tot een strijdperk en een vrijgeleide voor allen, die er getuige van wenschten te zijn, en zijn eigen persoon als borg voor zijne getrouwheid aanbood, vergat Richard spoedig zijne bedrogen hoop, en de naderende ontbinding van het Christen verbond, door de aangename beraadslaging, die een gevecht op het toernooiveld voorafging.
De plek, de diamant van de woestijn genoemd, werd voor de strijdplaats aangewezen, daar deze ongeveer op gelijken afstand tusschen de Christen en de Sarraceensche legerplaats lag. Men kwam overeen, dat Koenraad van Montserrat, de aangeklaagde, met zijne secondanten, den aartshertog van Oostenrijk en den grootmeester der Tempeliers, aldaar op den bepaalden dag met honderd gewapenden en niet meer zou verschijnen; dat Richard van Engeland en zijn broeder Salisbury, die de beschuldiging staande hielden, met hetzelfde getal zouden komen, om des Konings kampioen te beschermen; en dat de Sultan eene wacht van vijfhonderd uitgelezen krijgslieden zou medebrengen, een korps, dat men als niet meer dan aan tweehonderd Christen lansen geëvenredigd oordeelde. Zoodanige personen van aanzien, welke beide partijen zouden noodigen, om den strijd bij te wonen, zouden geene andere aanvallende wapenen dan hunne zwaarden dragen, en zonder wapenen ter verdediging komen. De Sultan nam op zich het strijdperk gereed te maken, en gemakken en ververschingen van allerlei aard te bereiden voor allen, die bij deze plechtigheid zouden tegenwoordig zijn. Zijn brief drukte met veel hoffelijkheid het genoegen uit, dat hij zich beloofde van het vooruitzicht op eene persoonlijke en vreedzame ontmoeting met Melec Ric en zijne groote begeerte, om zijne ontvangst zoo aangenaam mogelijk te maken.
Toen alle voorafgaande punten geregeld en aan den aangeklaagden en zijne secondanten medegedeeld waren, werd Abdallah el Hadji tot eene meer geheime bijeenkomst toegelaten, waar hij met genoegen de gezangen van Blondel hoorde. Na eerst zorgvuldig zijn groenen tulband buiten het gezicht gelegd, en in de plaats daarvan eene Grieksche muts opgezet te hebben, beantwoordde hij de muziek met een drinklied in het Perzisch, en dronk een fijne flesch Cyprus wijn, om te toonen, dat zijne practijk met zijne beginselen overeenkwamen. Den volgenden dag, deftig en nuchter als de waterdrinker Minlip, boog hij zijn voorhoofd tot den grond voor de voetschabel van Saladin, en gaf den Sultan bericht van zijn gezantschap.
Op den dag vóór dien tot het gevecht bestemd, vertrokken Koenraad en zijne vrienden bij het aanbreken van den dag om zich naar de aangewezen plaats te begeven, en Richard verliet de legerplaats op hetzelfde uur en met hetzelfde voornemen. Maar, zooals men overeengekomen was, nam hij een verschillenden weg, eene voorzorg, die men noodig geoordeeld had, om de mogelijkheid van een twist tusschen hunne gewapende begeleiders te voorkomen.