De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina
Part 29
"Ei, zie eens!" riep de Koning, "de klank alleen van den naam van een koninklijke maagd, van zulk eene uitstekende schoonheid, als die van onze beminnelijke nicht, schijnt bijna kracht genoeg te hebben, om een stomme te doen spreken. Welke wonderen zouden dan hare oogen op zulk een voorwerp uitwerken! Ik wil de proef nemen, vriend slaaf. Gij zult deze uitgelezen schoonheid van ons hof zien, en den last van den vorstelijken Sultan overbrengen."
Wederom een blijde blik--wederom eene kniebuiging--maar toen hij oprees, legde de Koning zijne hand zwaar op zijn schouder, en vervolgde dus met statige majesteit en ernst:--"laat ik u voor ééne zaak waarschuwen, mijn zwarte zendeling. Zelfs zoo gij voelen mocht, dat de vriendelijke invloed van haar, die gij welhaast zult zien, de banden van uwe tong mocht losmaken, die tegenwoordig gevangen zit, zoo als de goede Sultan het uitdrukt, binnen de ivoren muren van haar kasteel, zoo wacht u, uw stilzwijgend karakter te veranderen, of een woord in hare tegenwoordigheid te uiten, zelfs zoo uw spraakvermogen op eene wonderdadige wijze hersteld werd. Geloof mij, dat ik u de tong bij den wortel zou laten uitrukken, en haar ivoren paleis, dat is, gelijk ik vermoed, de rij tanden, de eene na de andere, uittrekken. Derhalve wees verstandig en dood stil."
Zoodra de Koning zijne zware hand van den schouder van den Nubiër genomen had, boog deze zijn hoofd, en legde zijne hand op zijne lippen, tot een teeken van stille gehoorzaamheid.
Maar Richard legde zijne hand weder, ofschoon zachter, op hem, en voegde er bij: "dit gebod leggen wij u als slaaf op. Waart gij een ridder en edelman, dan zouden wij uwe eer tot borg voor uwe stilzwijgendheid vorderen, daar deze eene bijzondere voorwaarde van ons tegenwoordig vertrouwen is."
De Ethiopiër verhief zijn lichaam fier, zag den Koning open in het gelaat, en legde zijne rechterhand op zijn hart.
Hierop riep Richard zijn kamerheer.
"Ga, Neville", zeide hij, "met dezen slaaf naar de tent van onze koninklijke gemalin, en zeg, dat het ons welbehagen is, dat hij een gehoor--een geheim gehoor--bij onze nicht Edith hebbe. Hij is met eene boodschap aan haar belast. Gij kunt hem den weg ook wijzen, zoo hij uwe leiding noodig heeft, ofschoon gij misschien opgemerkt hebt, dat het verwonderlijk is, hoe vertrouwd hij reeds schijnt te zijn met den omtrek van onze legerplaats.--En gij, mijn vriend de Ethiopiër", vervolgde de Koning, "doe snel, wat gij doet, en keer binnen een half uur hier terug."
"Ik ben ontdekt", dacht de gewaande Nubiër, terwijl hij, met ter neergeslagen blikken en gekruiste armen, den haastigen tred van Neville naar de tent van Koningin Berengaria volgde,--"ik ben zonder twijfel ontdekt en doorgrond door Koning Richard; evenwel kan ik niet bespeuren, dat zijn toorn groot tegen mij is. Indien ik zijne woorden begrijp, en voorzeker is het mogelijk, om die verkeerd uit te leggen, dan geeft hij mij eene edele kans, om mijne eer te herwinnen op den vederbos van dien valschen markies, wiens schuld ik in zijn verschrikten blik en zijne bevende lippen las, toen de beschuldiging tegen hem werd aangevoerd.--Roswal, trouw hebt gij uw meester gediend, en zeer duur zal het u aangedane leed gewroken worden.--Maar wat zal het tegenwoordig verlof beduiden, om haar te aanschouwen, die ik gewanhoopt had ooit weder te zien?--En, waarom of hoe kan de koninklijke Plantagenet er in bewilligen, dat ik zijne aangebeden bloedverwante zou zien, hetzij als de bode van den heidenschen Saladin, of als de schuldige balling, dien hij nog zoo kort geleden uit zijne legerplaats verdreven heeft--daar zijne stoute bekentenis van de liefde, waarin hij zijn roem stelt, zijn schuld het grootst maakt? Dat Richard er in zou toestemmen, dat zij een brief van een ongeloovigen minnaar uit de handen van iemand van zoo ongeëvenredigden rang zou ontvangen, zijn beide omstandigheden, die even ongelooflijk, als tevens onbestaanbaar met elkander zijn. Maar wanneer Richard niet door zijne onwederstaanbare hartstochten bewogen wordt, is hij mild, grootmoedig en waarlijk edel, en als zoodanig wil ik hem behandelen, en mij naar zijne rechtstreeksche of onmiddellijke voorschriften gedragen, en trachten niet meer te weten, dan zich geleidelijk zonder scherp onderzoek van mijn kant ontwikkelen zal. Hem, die mij zulk eene schoone gelegenheid gegeven heeft, om mijne bevlekte eer te herstellen, ben ik onderdanigheid en gehoorzaamheid verschuldigd; en hoe smartelijk het ook zij, de schuld zal betaald worden. En toch,"--zoo sprak de stem, van zijn fier hart, dat in verzet kwam, "en toch kon Leeuwenhart, zoo als hij genoemd wordt, het gevoel van anderen naar het zijne afgemeten hebben. Ik een aanzoek bij zijne bloedverwante bevorderen! Ik, die nooit een woord tegen haar gesproken heb, dan toen ik een koninklijken prijs uit hare hand ontving--toen ik niet voor den geringste in ridderdaden onder de verdedigers van het Kruis gerekend werd! Ik haar naderen in eene lage vermomming en in een slaafsch kleed--en helaas! daar mijn tegenwoordige toestand die is van een slaaf, met eene vlek van schande op datgene, wat eens mijn schild was! Ik dat doen! Hij kent mij weinig. Toch dank ik hem voor de gelegenheid, die ons allen beter met elkander bekend kan maken!"
Toen hij tot dit besluit gekomen was, stonden zij voor den ingang van de tent der Koningin.
Zij werden dadelijk door de wachten toegelaten, en Neville, den Nubiër in een klein voorvertrek latende, dat hij zich maar al te wel herinnerde, ging in dat, hetwelk tot gehoorzaal der Koningin was ingericht. Hij deelde het verlangen van zijn koninklijken meester op zachten en eerbiedigen toon mede, die zeer verschilde van de barschheid van Thomas de Vaux, voor wien Richard alles, en het overige Hof, Berengaria zelve niet uitgezonderd, niets was. Eene uitbarsting van gelach volgde op de mededeeling van zijn last.
"En hoe ziet de Nubische slaaf er uit, die met zulk een last als gezant van den Sultan komt?--het is een neger, niet waar, Neville?" zeide eene vrouwelijke stem, die men gemakkelijk als die van Berengaria herkennen kon. "Het is toch een neger, de Neville, met een zwart vel, een hoofd met kroes haar als dat van een ram, eene platte neus, en vooruitstekende lippen--niet zoo, waardige sir Henry?"
"Uwe Majesteit vergete de schenen niet," zeide eene andere stem, "naar buiten gebogen, als het scherp van eene Sarraceensche sabel."
"Veeleer gelijk de boog van een Cupido, daar hij met een minnebrief komt," hernam de Koningin. "Goede Neville, gij zijt altijd gereed, om ons arme vrouwen genoegen te doen, daar wij zoo weinig hebben om onze ledige oogenblikken mede door te brengen. Wij moeten dezen minnebode zien. Turken en Moren heb ik in menigte gezien, maar nog nooit een neger."
"Ik ben geschapen om de bevelen van uwe Majesteit te voorkomen; dus zult gij het bij mijn Koning weder goed maken, als ik dit doe," antwoordde de onderdanige ridder. "Evenwel laat ik uwe Majesteit verzekeren, dat gij iets zult zien, dat eenigszins verschilt van hetgeen gij verwacht."
"Zoo veel te beter--nog leelijker, dan mijne verbeelding zich hem voorstellen kan, en nochtans de uitverkoren liefdebode van dezen hoffelijken Sultan!"
"Genadige mevrouw," zeide lady Calista, "mag ik u bidden, den goeden ridder te vergunnen, dezen bode rechtstreeks aan lady Edith over te brengen, daar zijne geloofsbrieven aan haar gericht zijn? Wij zijn slechts ternauwernood de ernstige gevolgen van zulk eene zoodanige scherts ontkomen."
"Ontkomen?"--herhaalde de Koningin minachtend. "Maar toch gij kunt gelijk hebben, Calista, met uwe voorzichtigheid--laat dezen Nubiër, zoo als gij hem noemt, eerst zijne boodschap bij onze nicht doen. Bovendien is hij ook stom--niet waar?"
"Ja, uwe Majesteit," antwoordde de ridder.
"Een vorstelijk genoegen hebben deze Oostersche dames," zeide Berengaria, "daar zij door wezens bediend worden, tot wie zij alles kunnen zeggen, en die toch niets kunnen overbrengen; terwijl in onze legerplaats, zooals de prelaat van St. Juda pleegt te zeggen, een vogel uit de lucht de zaak verder brengt."
"Omdat," zeide De Neville, "uwe Majesteit vergeet, dat gij binnen linnen muren spreekt."
Bij deze opmerking zonken de stemmen, en na een weinig gefluister keerde de Engelsche ridder naar den Ethiopiër terug, en gaf hem een teeken hem te volgen. Hij deed dit, en Neville geleidde hem naar eene tent, die een weinig van die der Koningin verwijderd was, en, naar het scheen, ten dienste van Edith en hare bedienden was opgericht. Eene van hare Koptische dienaressen nam de door sir Henry Neville medegedeelde boodschap aan, en na verloop van zeer weinige minuten werd de Nubiër in Edith's tegenwoordigheid gevoerd, terwijl Neville aan de buitenzijde van de tent bleef. De slavin, die hem binnenleidde, verwijderde zich op een teeken van hare meesteres, en het was met diepen ootmoed, niet alleen van zijne houding, maar van het binnenste zijner ziel, dat de zoo zonderling vermomde, ongelukkige ridder zich op eene knie wierp, met ter neder geslagen blikken, en gekruiste armen, gelijk een misdadiger, die zijn vonnis verwacht. Edith was op dezelfde wijze gekleed, als toen zij Koning Richard ontving, terwijl haar lange, doorschijnende sluier om haar hing, als de schaduw van een zomernacht over een schoon landschap, en de schoonheden, die hij niet verbergen kon, bedekte en verduisterde. Zij had in hare hand een zilveren lamp, met geurigen spiritus gevuld, die ongemeen helder brandde.
Toen Edith weinige schreden van den knielenden en onbeweeglijken slaaf stond, hield zij het licht naar zijn gelaat toegekeerd, alsof zij zijne trekken nauwkeuriger wilde onderzoeken; daarop wendde zij zich van hem af, en plaatste hare lamp zoodanig, dat de schaduw van zijn gelaat in profil viel op het gordijn, dat aan de zijde hing. Eindelijk zeide zij op bedaarden en toch diep bedroefden toon:
"Zijt gij het?--Zijt gij het inderdaad, dappere ridder van den Luipaard--dappere sir Kenneth van Schotland--zijt gij het wezenlijk?--als slaaf vermomd--aldus door honderd gevaren omringd?"
Toen de ridder zoo onverwacht de klank hoorde van de stem zijner dame, wier woorden tot hem gericht waren, en dat wel op een toon van medelijden, die aan teederheid grensde, vloog er een daarmede overeenstemmend antwoord op zijne lippen; en nauwelijks konden Richard's bevelen en zijne beloofde stilzwijgendheid hem beletten te antwoorden, dat het gezicht, hetwelk hij zag, de klanken, die hij zoo even gehoord had, voldoende waren om de slavernij van een geheel leven, en alle gevaren, welke dit leven elk uur bedreigden, te vergelden. Hij bedacht zich echter nog, en een diepe en vurige zucht was zijn eenig antwoord op de vraag der hooggeboren Edith.
"Ik zie--ik weet, dat ik goed gegist heb--" vervolgde Edith. "Ik heb u van het oogenblik, dat gij u voor de eerste maal hebt vertoond nabij het platform, waarop ik met de Koningin stond, opgemerkt. Ik kende ook uw dapperen hond. Geene trouwe dame zou zij zijn, en de dienst van zulk een ridder, als gij zijt, onwaardig, zoo eenig vermomming of kleeding of kleur een trouw dienaar voor haar kon verbergen. Spreek dus, zonder vrees, tot Edith Plantagenet. Zij weet in het ongeluk den ridder te achten, die haar diende en eerde en dappere wapenfeiten in haar naam bedreef, toen de fortuin hem begunstigde.--Nog zwijgt gij? Is dit de schuld van vrees of schaamte? De vrees moest u onbekend zijn; en de schaamte, laat die aan hen, welke u onrecht gedaan hebben."
De ridder, wanhopend dat hij verplicht was, den stomme bij eene zoo belangrijke bijeenkomst te spelen, kon zijne smart alleen uitdrukken door eene diepen zucht, en den vinger op de lippen te leggen. Edith trad een weinig terug, alsof zij eenigszins ontevreden was.
"Hoe!" zeide zij, "de Aziatische stomme in daden, zoo wel als gewaad. Dit verwachtte ik niet--of misschien veracht gij mij, nu ik zoo stoutmoedig beken, dat ik de hulde, die gij mij betoond hebt, heb opgemerkt? Koester daarom geene onwaardige gedachten van Edith. Zij kent de grenzen wel, die ingetogenheid en zedigheid aan hooggeboren vrouwen voorschrijven, en zij weet, wanneer en hoe ver die voor de dankbaarheid moeten wijken.... voor eene oprechte begeerte, dat het in hare macht mocht zijn, om diensten te beloonen en beleedigingen te vergoeden, die uit de genegenheid, welke een goed ridder voor haar had, ontsproten.... waarom uwe handen gevouwen, en met zulk eene drift gewrongen? Kan het zijn," voegde zij er bij, bij dit denkbeeld van schrik terugdeinzende, "dat hunne wreedheid u wezenlijk van de spraak beroofd heeft? Gij schudt met het hoofd. Het zij eene betoovering--het zij stijfhoofdigheid, ik ondervraag u niet verder, maar wil u uw last op uwe eigen manier laten overbrengen. Ook ik kan stom zijn."
De vermomde ridder maakte eene beweging, alsof hij te gelijk zijn eigen toestand betreurde, en haar misnoegen bezweren wilde, terwijl hij haar te gelijker tijd, zoo als gewoonlijk, in fijne zijde en goudlaken gewikkeld, den brief van den Sultan overreikte. Zij nam dien aan, beschouwde hem onverschillig, legde hem toen ter zijde, en hare oogen nogmaals op den ridder vestigende, zeide zij op zachten toon: "Zelfs geen woord, bij uwe boodschap aan mij?"
Hij drukte beide handen tegen het voorhoofd, alsof hij de smart te kennen wilde geven, die hij gevoelde, omdat hij niet bij machte was haar te gehoorzamen, maar zij wendde zich toornig van hem af.
"Vertrek!" riep zij, "ik heb genoeg--te veel gesproken tot iemand, die geen woord tot antwoord tegen mij verliezen wil. Vertrek! en zeg, dat, zoo ik u onrecht heb aangedaan, ik ook geboet heb; want ik ben het ongelukkige werktuig geweest om u van een eervollen post te ontrukken; ik heb, bij deze bijeenkomst, mijne eigen waarde vergeten, en mij in uwe oogen en mijne eigene vernedert."
Zij bedekte hare oogen met de hand, en scheen diep ontroerd. Sir Kenneth wilde naderen, maar zij gaf hem een teeken, om op een afstand te blijven.
"Terug! gij, wiens ziel de Hemel voor haar nieuwen toestand heeft geschikt gemaakt! Ieder, die minder dom en vreesachtig dan een stomme slaaf geweest ware, zou een woord van dankbaarheid gesproken hebben, al ware het slechts om mij met mijne vernedering te verzoenen. Waarom draalt gij nog?--Vertrek."
De vermomde ridder zag bijna onwillekeurig naar den brief, als eene verontschuldiging voor langer vertoef. Zij nam dien op terwijl zij op een toon van spot en verachting zeide: "Ik had het vergeten--de gehoorzame slaaf wacht op een antwoord op zijne boodschap.--Wat is dat--van den Sultan!"
Zij doorlas schielijk den inhoud, die in het Arabisch en Fransch was opgesteld, en toen zij geëindigd had, lachte zij met bittere gramschap.
"Nu, dit gaat alle verbeelding te boven!" zeide zij; "geen goochelaar kan eene zoo spoedige verandering vertoonen. Hij kan zechynen en byzantynen in duiten en marevadi veranderen; maar kan zijne kunst een Christen ridder, die altijd onder de dappersten van den heiligen kruistocht gerekend werd, in den het stof kussenden slaaf van een heidenschen Sultan veranderen--den overbrenger van zijne onbeschaamde voorstellen aan eene Christenmaagd--ja, hem zelfs de wetten der ridderschap zoowel als van den Godsdienst doen vergeten! Maar het baat niets, om tegen den gewilligen slaaf van een heidenschen hond te spreken. Zeg aan uw meester, wanneer zijn geesel u eene tong zal hebben doen vinden, wat gij mij hebt zien doen."--Dit zeggende wierp zij den brief van den Sultan op den grond, en zette er haar voet op.--"En zeg hem, dat Edith Plantagenet de hulde van een ongedoopten Heiden versmaadt."
Met deze woorden was zij op het punt om zich snel van den ridder te verwijderen, toen deze in bitteren zieleangst aan hare voeten knielende, het waagde, zijne hand op haar gewaad te leggen en zich tegen haar vertrek te verzetten.
"Hebt gij niet gehoord, wat ik gezegd heb, domme slaaf?" vroeg zij, zich snel van hem afwendende, en met nadruk sprekende: "Zeg den heidenschen Sultan, uw meester, dat ik zijn aanzoek even zeer veracht, als ik het knielen van een onwaardigen afvallige van Godsdienst en ridderschap--van God en zijne dame versmaad!"
Dit zeggende scheurde zij zich van hem los, rukte haar gewaad uit zijne handen, en verliet de tent.
Buiten riep hem op hetzelfde oogenblik de stem van Neville. Uitgeput en verstompt door de smart, die hij gedurende deze bijeenkomst geleden had, en waarvan hij zich alleen door eene inbreuk op de met Koning Richard aangegane overeenkomst had kunnen redden, waggelde de ongelukkige ridder veeleer den Engelschen baron na, dan dat hij hem naging, tot dat ze de koninklijke tent bereikten, waarvoor juist een troep ruiters was afgestegen. Er was licht en beweging binnen de tent, en toen Neville met zijn vermomden begeleider binnentrad, vonden zij den Koning met verscheidene zijner edelen bezig om de pas aangekomenen te verwelkomen.
HOOFDSTUK XXVI.
"Mijn tranenvloed moet eeuwig duren! Geen minnaars afzijn doet ze vloeien; Want mooglijk zullen blijder uren Ons mingenot op nieuw doen bloeien.
'k Beween geen afgestorven vrinden: Hun smart en zorgen zijn verdwenen; En weldra zal 'k hen wedervinden, De bleeke dood zal ons hereenen."
Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken: Haar minnaar heeft zijne eer verloren; En krijgsroem deed haar hart steeds blaken, Zij was in eedlen stand geboren--
Ballade.
Men hoorde de gulle en krachtige stem van Richard in vroolijke begroeting.
"Thomas de Vaux! dappere Toms van de Gills! bij het hoofd van Koning Hendrik, gij zijt mij zoo welkom, als ooit eene flesch wijn aan een lustigen drinkebroer! Ik zou nauwelijks mijn leger in slagorde hebben weten te schikken, zoo ik niet uwe zwaarlijvige gedaante voor mijn oog gehad had als een paal, om mijne gelederen daarnaar te richten. Wij zullen spoedig slagen krijgen, Thomas, zoo de heiligen ons genadig zijn; en indien wij in uwe afwezigheid gevochten hadden, dan zou ik het bericht tegemoet gezien hebben, dat men u aan een vlierboom had opgehangen gevonden."
"Ik zou mijne teleurstelling met meer christelijk geduld gedragen hebben, vertrouw ik," antwoordde Thomas de Vaux, "dan dat ik den dood van een afvalligen zou gestorven zijn. Maar ik dank uwe Majesteit voor mijne verwelkoming, die te edelmoediger is, daar zij een gastmaal van slagen betreft, waarvan gij, met uw verlof gezegd, altijd genegen zijt om u het grootste deel toe te eigenen; maar hier heb ik iemand medegebracht, wien, zooals ik zeker weet, uwe Majesteit een nog hartelijker welkom zal toeroepen."
De persoon, die thans voorwaarts trad, om voor Richard zijne buiging te maken, was een jongeling van kleine gestalte en tengere vormen. Zijne kleeding was even zedig als zijn voorkomen onbeduidend was; maar hij droeg op zijne muts eene gouden gesp met een edelgesteente, waarvan de glans kon geëvenaard worden door het schitterende oog, dat door de muts overschaduwd werd. Het was de eenige sprekende trek in zijn gelaat; maar wanneer men dien eenmaal opmerkte, dan maakte hij een onwederstaanbaren indruk op den aanschouwer. Om zijn hals hing in eene sjerp van hemelsblauwe zijde een stemhamer voor de harp van echt goud.
Deze man wilde eerbiedig voor Richard nederknielen; maar de monarch hief hem vroolijk en ijlings op, drukte hem vurig aan zijn hart, en kuste hem op beide wangen.
"Blondel de Nesle!" riep hij vol blijdschap uit--"welkom van Cyprus, mijn koning der minnezangers! welkom bij den Koning van Engeland, die zijne eigen waardigheid niet hooger dan de uwe acht. Ik ben ziek geweest, man, en bij mijne ziel, ik geloof dat het kwam, omdat ik u miste; want, al ware ik halfweg naar de hemelpoort, mij dunkt uwe liederen zouden mij terugroepen.--En wat nieuws, mijn lieve meester, van het land der lier? Iets nieuws van de Trouveurs van Provence?--iets van de minnezangers van het vroolijke Normandië?--En bovenal, zijt gij zelf aan 't werk geweest?--Maar ik behoef u niet te vragen--gij kunt niet lui zijn, al wildet gij het--uwe edele hoedanigheden zijn gelijk aan een inwendig brandend vuur, en dwingen om u in muziek en zang uit te storten."
"Iets heb ik geleerd, en iets heb ik gedaan, edele Koning," antwoordde de beroemde Blondel met zedige bescheidenheid, die alle geestdriftige bewondering van zijne bekwaamheid niet in staat geweest was te verbannen.
"Wij zullen u hooren, man--wij zullen u dadelijk hooren," zeide de Koning;--daarna Blondel vriendelijk op den schouder kloppende, voegde hij er bij, "dat is te zeggen, als gij niet door uwe reis vermoeid zijt; want ik wilde liever mijn beste paard dood rijden, dan eene noot van uwe stem te schenden."
"Mijne stem is, als altijd, ten dienste van mijn koninklijken beschermer," hervatte Blondel; "maar uwe Majesteit," voegde hij er bij, met een blik op eenige papieren op tafel, "schijnt gewichtiger bezigheden te hebben, en het wordt reeds laat."
"Niet in het minst, man, niet in het minste, mijn dierbaarste Blondel. Ik heb slechts een slagorde tegen de Sarraceenen ontworpen, de zaak van een oogenblik--bijna even zoo schielijk gedaan als hen op de vlucht gejaagd."
"Mij dunkt evenwel," zeide Thomas de Vaux, "dat het niet ongeschikt ware, om te onderzoeken, welke soldaten uwe Majesteit in slagorde te stellen heeft. Ik breng te dien opzichte berichten van Ascalon."
"Gij zijt een muilezel, Thomas," hernam de Koning--"een ware muilezel in domheid en stijfhoofdigheid!--Komt, edelen,--plaatst u rondom hem. Geef Blondel den zetel--waar is zijn harpdrager?--of neen,--leent hem mijne harp, de zijne kan door de reis geleden hebben."
"Ik wenschte, dat uwe Majesteit mijn bericht wilde aanhooren," zeide Thomas de Vaux. "Ik heb een verren rit gedaan, en heb meer zin naar mijn bed, dan om mij de ooren te doen kittelen."
"Uwe ooren gekitteld!" riep de Koning uit; "dat moet met eene snippeveer geschieden, en niet met zachte klanken. Luister, Thomas, kunnen uwe ooren het gezang van Blondel van het gebalk van een ezel onderscheiden?"
"Waarlijk, mijn Koning," hervatte Thomas, "ik kan het niet juist zeggen; maar Blondel, die een geboren edelman is, en zonder twijfel groote talenten bezit, uitgezonderd, zal ik in het vervolg wegens de vraag van uwe Genade, nooit een minnezanger aanzien, of ik zal aan een ezel denken."
"En kon uwe beleefdheid," zeide Richard, "ook mij uitgezonderd hebben, daar ik zoo wel een geboren edelman ben als Blondel, en even als hij een gildebroeder van de vroolijke kunst?"
"Uwe Majesteit moet zich herinneren," antwoordde de Vaux glimlachende, "dat het nutteloos is, beleefdheid bij een muilezel te zoeken."
"Zeer waar gesproken," hervatte de Koning; "en een slecht geschapen dier zijt gij.--Maar kom hier, meester muilezel, en ontlaad u, opdat gij naar uw leger kunt gaan, zonder dat er eenige muziek aan u verkwist wordt.--Intusschen, goede broeder van Salisbury, gaat gij naar de tent van onze gemalin, en zeg haar, dat Blondel is gekomen, met een zak vol van de nieuwste minnezangers kunst.--Verzoek haar om dadelijk te komen, en begeleid haar, en zie toe, dat onze nicht, Edith Plantagenet, niet achterblijve."
Zijn oog rustte toen voor een oogenblik op den Nubiër, met die uitdrukking van twijfel, die zijn gelaat gewoonlijk aan den dag legde, wanneer hij hem aanzag.
"Ha, onze stilzwijgende en geheime lastdrager is teruggekeerd?--Neem plaats, slaaf, achter de Neville, en gij zult zoo terstond klanken hooren, die u God zullen doen zegenen, dat Hij u liever met stomheid dan met doofheid bezocht heeft."
Dit zeggende, wendde hij zich van het overige gezelschap af naar de Vaux, en verdiepte zich dadelijk in de berichten, omtrent militaire aangelegenheden, welke de baron hem voorlegde.